Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26937
2026-09-15
Strafrecht
09/037730-26; 02/048427-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Huiselijk geweld. Mishandeling (ex)partner door bij de keel te grijpen en op de grond te gooien. Indirecte bedreiging (meermalen gepleegd)Jeugdbescherming West en (ex)partner. Vrijspraak bestanddeel levensgezel. Gevangenisstraf 90 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk. Locatiegebod Leiden. Tul toewijzen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2018:1875 Hoge Raad 09-10-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (31.635 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/037730-26 en 02/048427-25 (tul)
Datum uitspraak: 15 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 1 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Looijestijn en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. M. Bouman, naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 3 februari 2026 te Leiden [slachtoffer] , heeft mishandeld, door
die [slachtoffer] bij haar keel te pakken en/of haar keel dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden en/of aan de keel omhoog te tillen en/of op de grond te gooien, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn (ex-)levensgezel;
2
hij in of omstreeks de peridode van 5 tot en met 7 februari 2026 te 's-Gravenhage,
althans in Nederland [slachtoffer] en/of één of meerdere medewerkers van Jeugdbescherming West (indirect) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door in één of meerdere gesprekken met één of meerdere medewerkers van [instelling] dreigend de woorden toe te voegen
- dat hij een pijp zou gaan regelen en deze pijp zou meenemen naar het gesprek met
de Jeugdbescherming en deze pijp zou gebruiken als hij zijn kind niet mag zien
en/of
- " de mensen die tijdens dat gesprek aanwezig zijn die ga ik dan wat aandoen" en/of
- " ik ga iedereen doodmaken" en/of
- " ik ga iedereen neerschieten" en/of
- " ik mag mijn kind niet zien, dan ga ik maar de bak in", althans woorden van gelijke
dreigende aard of strekking.
3De bewijsbeslissing
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. De rechtbank zal, voor zover relevant, hieronder nader op de verweren van de raadsman ingaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026041172 (PV VGL), met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 84) en PV Getuigenverklaringen PL1500-2026039120 (doorgenummerd pagina 1 t/m 17) van de politie eenheid Den Haag.
Ten aanzien van feit 1
1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , met bijbehorend fotoblad, opgemaakt op 6 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 67-68 en 77 PV VGL):
Op 3 februari 2026, bevond ik mij in het babyhuis in Leiden. Mijn vriend, [verdachte] , was bij mij in het babyhuis. Ik voelde dat [verdachte] mij bij mijn schouders pakte en voelde dat hij mij een bepaalde richting op wilde bewegen. Hij duwde mij uit mijn kamer en sleurde mij mee naar de verzorgkamer. Daarna voelde ik ineens een heftige druk op mijn keel en kwam ik er achter dat hij met een hand mijn keel dichtkneep. Vervolgen draaide hij mij om en omvatte hij met zijn hele arm mijn keel het leek een wurggreep.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , opgemaakt op 7 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 73-74 PV VGL):
Ik ben op 3 februari 2026 getuige geweest van een ruzie tussen [slachtoffer] en
[verdachte] . Ik zag dat [verdachte] achter [slachtoffer] stond. Ik zag hij dat hij met
één hand haar keel pakte. Dit was zijn rechterhand. Met zijn linkerarm maakte hij een
wurghouding. Ik zag dat hij haar van de grond af tilde. Haar voeten kwamen zelfs van de
grond af. Hij tilde haar op in die wurghouding. Ik zag dat hij haar hard op de grond
gooide.
V: Zag je nog letsel bij [slachtoffer] ?
A: Ja ik zag bij haar keel rode afdrukken van vingers.
V: Wat was het effect op [slachtoffer] van wat [verdachte] deed bij haar?
A: Ik zag ene kant dat het soort van voor haar normaal is. Maar ik hoorde haar wel
zeggen toen [verdachte] haar vast had: 'Help me, help me ik krijg geen lucht'.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 1-2, PV Getuigenverklaringen):
Ik, verbalisant, hoorde getuige [getuige 2] in Leiden.
[getuige 2] verklaarde het volgende: 3 februari 2026 zat ik in de woonkamer in Leiden, in het
babyhuis. Ik hoorde [slachtoffer] gillen en ik hoorde een gebonk. Ik zag toen [slachtoffer] op de
grond vallen. Ik zag dat [slachtoffer] plat voorover viel en [verdachte] haar van achteren vast had.
Ik zag dat [verdachte] toen zijn arm gebogen om de nek van [slachtoffer] deed. [verdachte] was nog
achter [slachtoffer] en trok haar naar achter en omhoog. Ik hoorde aan de stem dat ze het een
beetje benauwd had, ik hoorde dat haar stem omhoog ging. Ik zag dat [verdachte] nog zijn
gebogen arm om de nek van [slachtoffer] had en dat [slachtoffer] half op haar knieën lag, met haar lichaam naar achter en omhoog getrokken. Het zag er pijnlijk uit, met die arm zo strak om haar keel.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 5-6, PV Getuigenverklaringen):
Ik, verbalisant, verklaar het volgende:
Ik hoorde getuige [getuige 3] die de ruzie tussen [verdachte] en [slachtoffer] gezien
zou hebben op 3 februari 2026.
V: Wat is er gebeurd?
A: Ik stond achter [verdachte] . [slachtoffer] stond voor hem. Toen rende [slachtoffer] weg, [verdachte]
rende achter haar aan. Ik zag dat hij haar bij de keel had gegrepen.
V: Hoe zag je dat hij haar bij de keel pakte?
A: Ik zag letterlijk zijn beide handen om haar keel.
Ten aanzien van feit 2
1. Het proces-verbaal van aangifte van Jeugdbescherming West, opgemaakt op 6 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 42, PV VGL):
Ik werd gebeld door de politiemedewerker [naam 1] . Ik hoorde dat [verdachte] op
5 februari 2026 een gesprek had gehad met zijn begeleiding van [instelling] wonen.
Ik hoorde [naam 1] zeggen dat volgens de getuige [verdachte] gezegd zou hebben dat als
het gesprek op 9 februari voor hem negatief zou zijn, dat de begeleiding dan beter uit de kamer zou gaan. Ik hoorde dat de getuige had verklaard dat [verdachte] gezegd had dit weekend een 'pijp' zou gaan regelen. Ik hoorde dat 'pijp' straattaal zou zijn voor vuurwapen. Ik hoorde dat [verdachte] gezegd zou hebben dat hij het vuurwapen zou gaan gebruiken bij dat gesprek.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 7 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 45, PV VGL):
Ik hoorde van de politiemedewerker dat [verdachte] op 5 februari 2026 mij bedreigd heeft. Ik zou met [verdachte] , zijn begeleiding, Jeugdbescherming, mijn begeleiding en misschien ook mijn zoontje [naam 2] een gesprek hebben op 9 februari 2026. Ik hoorde van de politie dat [verdachte] gezegd had dat als het gesprek negatief voor hem zou uitpakken dat hij dit weekend een pijp zou gaan regelen. Ik weet dat pijp straattaal is voor vuurwapen. Ik hoorde dat de politie mij vertelde dat hij die pijp zou meenemen naar het gesprek. Ik hoorde dat hij gezegd had dat hij het vuurwapen daadwerkelijk zou gaan gebruiken. Ik ken [verdachte] . Ik weet dat hij echt in staat is om die bedreiging uit te voeren.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 31-32, PV VGL):
Ik, verbalisant, nam telefonisch contact op met de medewerker van [instelling] , [getuige 4]
.
A: Ik had het gesprek met hem in de middag. Vervolgens zei ik iets van je weet dat we binnenkort een gesprek hebben met de Kinderbescherming. Toen hoorde ik [verdachte] gelijk zeggen: 'Als ik mijn kind niet mag zien, zorg maar dat je dan de kamer uit gaat.' Toen hoorde ik hem zeggen dat hij in het weekend een pijp zou gaan regelen. Hij zei dat hij die pijp dan naar het gesprek zou meenemen. Dat ging over het gesprek dat zou gaan plaatsvinden met mij, met de begeleiding van haar en de kinderbescherming.
Ik werk met ex-gedetineerden en ik weet dat pijp straattaal is voor pistool of vuurwapen.
Ik hoorde hem zeggen; 'Ja dus ik mag mijn kind niet meer zien, dan ga ik maar de bak in.' Ik
hoorde hem zeggen: 'De mensen die tijdens dat gesprek aanwezig zijn die ga ik dan wat
aandoen'.
Ik hoorde hem zeggen dat hij dan gebruik zou gaan maken van zijn vuurwapen.
4. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] , opgemaakt op 8 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 53-54, PV VGL):
V: Ik begreep dat jij op 5 februari 2026 een gesprek hebt gehad met [verdachte] . Wat is er toen gebeurd?
A: Toen ben ik met [verdachte] in gesprek gegaan. Ik hoorde hem zeggen: 'Ik ga iedereen
doodmaken, 'Ik ga iedereen neerschieten.’ Hij zei: ‘Als ze mijn kind niet laten zien, ga ik die
mensen neerschieten. Hij zei iedereen die te maken heeft met mijn kind en als ze mijn kind
niet laten zien, dan schiet ik iedereen dood.' Hij zei ook: 'Dit weekend krijg ik een wapen
binnen.' .
3.4.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1
Het bestanddeel levensgezel
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor zover het ten laste gelegde ziet op het bestanddeel levensgezel. Daartoe heeft hij aangevoerd dat tussen de verdachte en aangeefster geen sprake was van een relatie die als zodanig kan worden aangemerkt.
De rechtbank stelt voorop dat volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1875) onder een levensgezel dient te worden verstaan een meerderjarige met wie de verdachte een nauwe en persoonlijke betrekking van zekere hechtheid onderhoudt, dan wel met wie hij een gemeenschappelijke huishouding voert. Het enkele bestaan van een affectieve relatie is daarvoor onvoldoende.
De rechtbank stelt vast dat aangeefster ten tijde van het ten laste gelegde zestien jaar oud en derhalve minderjarig was. Reeds daarom kan zij niet als levensgezel in de hiervoor bedoelde zin worden aangemerkt, nu de Hoge Raad uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat het dient te gaan om een relatie tussen twee meerderjarigen. Overigens is ook niet gebleken van een zodanige mate van duurzame verbondenheid of van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding tussen de verdachte en [slachtoffer] dat aan de overige vereisten voor het aannemen van een relatie tussen levensgezellen is voldaan.
De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op het bestanddeel levensgezel.
Ten aanzien van feit 2
Bedreiging jegens [slachtoffer]
De raadsman heeft bepleit dat de uitlatingen van verdachte niet kunnen worden aangemerkt als een bedreiging gericht tegen [slachtoffer] .
De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte heeft verklaard dat hij de personen die bij het gesprek met Jeugdbescherming West op 9 februari 2026 aanwezig waren “iets zou aandoen”. Vast staat dat [slachtoffer] bij dat gesprek aanwezig zou zijn. Gelet op de bewoordingen van de uitlatingen en de omstandigheden waaronder deze zijn gedaan, is de rechtbank van oordeel dat de bedreiging mede was gericht tegen [slachtoffer] .
De verklaring van getuige [getuige 5]
De raadsman heeft voorts aangevoerd dat onderdelen van de verklaring van getuige [getuige 5] niet overeenkomen met de verklaring van getuige [getuige 4] . In het bijzonder heeft hij erop gewezen dat [getuige 4] de door [getuige 5] weergegeven uitlatingen “ik ga iedereen doodmaken” en “ik ga iedereen neerschieten” niet heeft bevestigd, en dat de verdachte het doen van deze uitlatingen ook niet heeft erkend.
De rechtbank overweegt dat voor het gebruik van een getuigenverklaring voor het bewijs niet is vereist dat deze op alle onderdelen steun vindt in een ander bewijsmiddel. Voldoende is dat de verklaring op wezenlijke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal.
Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake. De verklaring van [getuige 4] biedt op essentiële onderdelen ondersteuning aan de verklaring van [getuige 5] , nu ook [getuige 4] heeft verklaard dat de verdachte gezegd heeft dat hij de mensen die tijdens dat gesprek aanwezig zouden zijn iets zou aandoen met een vuurwapen. Dit ondersteunt de dreigende strekking van de uitlatingen. Dat [getuige 4] niet de precieze door [getuige 5] gehoorde bewoordingen bevestigt, doet aan de bruikbaarheid van de verklaring van [getuige 5] niet af, omdat de rechtbank bewezen zal verklaren dat de verdachte ‘althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking’ heeft geuit. De rechtbank gebruikt beide verklaringen voor het bewijs.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat beide feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 3 februari 2026 te Leiden [slachtoffer] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer] bij haar keel te pakken en haar keel dicht te knijpen en aan de keel omhoog te tillen en op de grond te gooien;
2
hij op 5 februari 2026 te 's-Gravenhage, [slachtoffer] en meerdere medewerkers van Jeugdbescherming West (indirect) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door in meerdere gesprekken met meerdere medewerkers van [instelling] dreigend de woorden toe te voegen
- dat hij een pijp zou gaan regelen en deze pijp zou meenemen naar het gesprek met
de Jeugdbescherming en deze pijp zou gebruiken als hij zijn kind niet mag zien
en
- " de mensen die tijdens dat gesprek aanwezig zijn die ga ik dan wat aandoen" en
- " ik ga iedereen doodmaken" en
- " ik ga iedereen neerschieten" en
- " ik mag mijn kind niet zien, dan ga ik maar de bak in", althans woorden van gelijke
dreigende aard of strekking.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 30 (dertig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een locatieverbod voor de stad Leiden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat moet worden volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest en heeft verzocht om, in geval een voorwaardelijke straf zal worden opgelegd, daar geen bijzondere voorwaarden aan te verbinden anders dan een locatieverbod voor de stad Leiden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn (inmiddels) ex-partner, [slachtoffer] . Door deze mishandeling heeft de verdachte inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. De mishandeling vond plaats in het babyhuis waar aangeefster destijds verbleef, een omgeving waar zij zich juist veilig en beschermd had moeten kunnen voelen. Andere bewoners van het babyhuis waren tevens getuige van de mishandeling, waardoor bij hen ook gevoelens van onveiligheid zijn ontstaan.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bedreigen van [slachtoffer] en meerdere medewerkers van Jeugdbescherming West. De rechtbank rekent de verdachte aan dat hij door zijn bedreigingen gevoelens van angst en onveiligheid heeft veroorzaakt bij de aangevers, onder wie professionele hulpverleners. De medewerkers van Jeugdbescherming West moeten hun werkzaamheden veilig en zonder vrees voor bedreigingen kunnen uitvoeren. Het handelen van de verdachte heeft de werkzaamheden van deze medewerkers bemoeilijkt, terwijl deze mede waren gericht op het ondersteunen van de relatie tussen de verdachte en zijn (vermeende) kind.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 18 augustus 2026 en constateert dat daar geen eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten op staan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 31 augustus 2026 en de Pro Justitia rapportage van 19 juni 2026, waaruit onder meer volgt dat bij de verdachte sprake is van een reactieve hechtingsstoornis in retrospectief opzicht, van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (mogelijk een ongespecificeerde neurocognitieve stoornis) en een ongespecificeerde cannabis gerelateerde stoornis.
In hoeverre deze stoornissen van invloed zijn geweest op het plegen van de bewezenverklaarde feiten, kan echter niet worden vastgesteld. De psycholoog merkt op dat ook na het onderzoek onduidelijkheid is blijven bestaan ten aanzien van de diagnoses en de beweegredenen van de verdachte, waardoor onvoldoende inzicht is verkregen in de mogelijke invloed van deze problematiek op zijn handelen.
Uit het reclasseringsadvies volgt voorts dat bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico. De reclassering ziet echter, gelet op een eerder mislukt toezicht, geen mogelijkheden om dit risico door middel van interventies of toezicht te beperken of het gedrag van verdachte in positieve zin te beïnvloeden. Ook de verdachte zelf heeft aangegeven dat het opleggen van bijzondere voorwaarden naar zijn oordeel weinig toegevoegde waarde heeft. De reclassering adviseert daarom om, indien verdachte wordt veroordeeld, een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
Locatieverbod
De rechtbank acht het, gelet op de omstandigheden van het bewezenverklaarde, het ingeschatte hoge recidiverisico en overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie en van de raadsman, noodzakelijk dat aan verdachte een locatieverbod voor de stad Leiden wordt opgelegd, zodat wordt voorkomen dat hij zich opnieuw naar – en in de omgeving van – het babyhuis begeeft waar [slachtoffer] verblijft. Gesprekken en eventuele andere contacten die zijn gericht op het bevorderen van de relatie tussen de verdachte en zijn (vermeende) kind dienen dan op een andere locatie plaats te vinden.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Conclusie
Alles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
De rechtbank zal een deel van die straf, groot 30 (dertig) dagen voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan als bijzondere voorwaarde een locatieverbod voor de stad Leiden verbinden.
7De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. De grondslag voor het toekennen van schadevergoeding is gelegen in artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek, omdat de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 500,00.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 500,00 bestaande uit immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 3 februari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .
8De vordering tot tenuitvoerlegging
8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 18 augustus 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 02/048427-25 door de politierechter van de rechtbank te Middelburg op 18 juli 2025 voorwaardelijke opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht redenen aanwezig voor toewijzing van de hiervoor genoemde vordering tot tenuitvoerlegging. Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.
9De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
mishandeling;
ten aanzien van feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 90 (NEGENTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 30 (dertig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet in Leiden bevindt, zolang het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk acht;
de voorlopige hechtenis;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 500,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 februari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter van de rechtbank te Middelburg van 18 juli 2025, gewezen onder parketnummer 02/048427-25, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Schaaf, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N.D. van Duijkeren, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 september 2026.
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/037730-26 en 02/048427-25 (tul)
Datum uitspraak: 15 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 1 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Looijestijn en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. M. Bouman, naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 3 februari 2026 te Leiden [slachtoffer] , heeft mishandeld, door
die [slachtoffer] bij haar keel te pakken en/of haar keel dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden en/of aan de keel omhoog te tillen en/of op de grond te gooien, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn (ex-)levensgezel;
2
hij in of omstreeks de peridode van 5 tot en met 7 februari 2026 te 's-Gravenhage,
althans in Nederland [slachtoffer] en/of één of meerdere medewerkers van Jeugdbescherming West (indirect) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door in één of meerdere gesprekken met één of meerdere medewerkers van [instelling] dreigend de woorden toe te voegen
- dat hij een pijp zou gaan regelen en deze pijp zou meenemen naar het gesprek met
de Jeugdbescherming en deze pijp zou gebruiken als hij zijn kind niet mag zien
en/of
- " de mensen die tijdens dat gesprek aanwezig zijn die ga ik dan wat aandoen" en/of
- " ik ga iedereen doodmaken" en/of
- " ik ga iedereen neerschieten" en/of
- " ik mag mijn kind niet zien, dan ga ik maar de bak in", althans woorden van gelijke
dreigende aard of strekking.
3De bewijsbeslissing
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. De rechtbank zal, voor zover relevant, hieronder nader op de verweren van de raadsman ingaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026041172 (PV VGL), met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 84) en PV Getuigenverklaringen PL1500-2026039120 (doorgenummerd pagina 1 t/m 17) van de politie eenheid Den Haag.
Ten aanzien van feit 1
1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , met bijbehorend fotoblad, opgemaakt op 6 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 67-68 en 77 PV VGL):
Op 3 februari 2026, bevond ik mij in het babyhuis in Leiden. Mijn vriend, [verdachte] , was bij mij in het babyhuis. Ik voelde dat [verdachte] mij bij mijn schouders pakte en voelde dat hij mij een bepaalde richting op wilde bewegen. Hij duwde mij uit mijn kamer en sleurde mij mee naar de verzorgkamer. Daarna voelde ik ineens een heftige druk op mijn keel en kwam ik er achter dat hij met een hand mijn keel dichtkneep. Vervolgen draaide hij mij om en omvatte hij met zijn hele arm mijn keel het leek een wurggreep.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , opgemaakt op 7 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 73-74 PV VGL):
Ik ben op 3 februari 2026 getuige geweest van een ruzie tussen [slachtoffer] en
[verdachte] . Ik zag dat [verdachte] achter [slachtoffer] stond. Ik zag hij dat hij met
één hand haar keel pakte. Dit was zijn rechterhand. Met zijn linkerarm maakte hij een
wurghouding. Ik zag dat hij haar van de grond af tilde. Haar voeten kwamen zelfs van de
grond af. Hij tilde haar op in die wurghouding. Ik zag dat hij haar hard op de grond
gooide.
V: Zag je nog letsel bij [slachtoffer] ?
A: Ja ik zag bij haar keel rode afdrukken van vingers.
V: Wat was het effect op [slachtoffer] van wat [verdachte] deed bij haar?
A: Ik zag ene kant dat het soort van voor haar normaal is. Maar ik hoorde haar wel
zeggen toen [verdachte] haar vast had: 'Help me, help me ik krijg geen lucht'.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 1-2, PV Getuigenverklaringen):
Ik, verbalisant, hoorde getuige [getuige 2] in Leiden.
[getuige 2] verklaarde het volgende: 3 februari 2026 zat ik in de woonkamer in Leiden, in het
babyhuis. Ik hoorde [slachtoffer] gillen en ik hoorde een gebonk. Ik zag toen [slachtoffer] op de
grond vallen. Ik zag dat [slachtoffer] plat voorover viel en [verdachte] haar van achteren vast had.
Ik zag dat [verdachte] toen zijn arm gebogen om de nek van [slachtoffer] deed. [verdachte] was nog
achter [slachtoffer] en trok haar naar achter en omhoog. Ik hoorde aan de stem dat ze het een
beetje benauwd had, ik hoorde dat haar stem omhoog ging. Ik zag dat [verdachte] nog zijn
gebogen arm om de nek van [slachtoffer] had en dat [slachtoffer] half op haar knieën lag, met haar lichaam naar achter en omhoog getrokken. Het zag er pijnlijk uit, met die arm zo strak om haar keel.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 5-6, PV Getuigenverklaringen):
Ik, verbalisant, verklaar het volgende:
Ik hoorde getuige [getuige 3] die de ruzie tussen [verdachte] en [slachtoffer] gezien
zou hebben op 3 februari 2026.
V: Wat is er gebeurd?
A: Ik stond achter [verdachte] . [slachtoffer] stond voor hem. Toen rende [slachtoffer] weg, [verdachte]
rende achter haar aan. Ik zag dat hij haar bij de keel had gegrepen.
V: Hoe zag je dat hij haar bij de keel pakte?
A: Ik zag letterlijk zijn beide handen om haar keel.
Ten aanzien van feit 2
1. Het proces-verbaal van aangifte van Jeugdbescherming West, opgemaakt op 6 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 42, PV VGL):
Ik werd gebeld door de politiemedewerker [naam 1] . Ik hoorde dat [verdachte] op
5 februari 2026 een gesprek had gehad met zijn begeleiding van [instelling] wonen.
Ik hoorde [naam 1] zeggen dat volgens de getuige [verdachte] gezegd zou hebben dat als
het gesprek op 9 februari voor hem negatief zou zijn, dat de begeleiding dan beter uit de kamer zou gaan. Ik hoorde dat de getuige had verklaard dat [verdachte] gezegd had dit weekend een 'pijp' zou gaan regelen. Ik hoorde dat 'pijp' straattaal zou zijn voor vuurwapen. Ik hoorde dat [verdachte] gezegd zou hebben dat hij het vuurwapen zou gaan gebruiken bij dat gesprek.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 7 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 45, PV VGL):
Ik hoorde van de politiemedewerker dat [verdachte] op 5 februari 2026 mij bedreigd heeft. Ik zou met [verdachte] , zijn begeleiding, Jeugdbescherming, mijn begeleiding en misschien ook mijn zoontje [naam 2] een gesprek hebben op 9 februari 2026. Ik hoorde van de politie dat [verdachte] gezegd had dat als het gesprek negatief voor hem zou uitpakken dat hij dit weekend een pijp zou gaan regelen. Ik weet dat pijp straattaal is voor vuurwapen. Ik hoorde dat de politie mij vertelde dat hij die pijp zou meenemen naar het gesprek. Ik hoorde dat hij gezegd had dat hij het vuurwapen daadwerkelijk zou gaan gebruiken. Ik ken [verdachte] . Ik weet dat hij echt in staat is om die bedreiging uit te voeren.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 31-32, PV VGL):
Ik, verbalisant, nam telefonisch contact op met de medewerker van [instelling] , [getuige 4]
.
A: Ik had het gesprek met hem in de middag. Vervolgens zei ik iets van je weet dat we binnenkort een gesprek hebben met de Kinderbescherming. Toen hoorde ik [verdachte] gelijk zeggen: 'Als ik mijn kind niet mag zien, zorg maar dat je dan de kamer uit gaat.' Toen hoorde ik hem zeggen dat hij in het weekend een pijp zou gaan regelen. Hij zei dat hij die pijp dan naar het gesprek zou meenemen. Dat ging over het gesprek dat zou gaan plaatsvinden met mij, met de begeleiding van haar en de kinderbescherming.
Ik werk met ex-gedetineerden en ik weet dat pijp straattaal is voor pistool of vuurwapen.
Ik hoorde hem zeggen; 'Ja dus ik mag mijn kind niet meer zien, dan ga ik maar de bak in.' Ik
hoorde hem zeggen: 'De mensen die tijdens dat gesprek aanwezig zijn die ga ik dan wat
aandoen'.
Ik hoorde hem zeggen dat hij dan gebruik zou gaan maken van zijn vuurwapen.
4. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] , opgemaakt op 8 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 53-54, PV VGL):
V: Ik begreep dat jij op 5 februari 2026 een gesprek hebt gehad met [verdachte] . Wat is er toen gebeurd?
A: Toen ben ik met [verdachte] in gesprek gegaan. Ik hoorde hem zeggen: 'Ik ga iedereen
doodmaken, 'Ik ga iedereen neerschieten.’ Hij zei: ‘Als ze mijn kind niet laten zien, ga ik die
mensen neerschieten. Hij zei iedereen die te maken heeft met mijn kind en als ze mijn kind
niet laten zien, dan schiet ik iedereen dood.' Hij zei ook: 'Dit weekend krijg ik een wapen
binnen.' .
3.4.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1
Het bestanddeel levensgezel
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor zover het ten laste gelegde ziet op het bestanddeel levensgezel. Daartoe heeft hij aangevoerd dat tussen de verdachte en aangeefster geen sprake was van een relatie die als zodanig kan worden aangemerkt.
De rechtbank stelt voorop dat volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1875) onder een levensgezel dient te worden verstaan een meerderjarige met wie de verdachte een nauwe en persoonlijke betrekking van zekere hechtheid onderhoudt, dan wel met wie hij een gemeenschappelijke huishouding voert. Het enkele bestaan van een affectieve relatie is daarvoor onvoldoende.
De rechtbank stelt vast dat aangeefster ten tijde van het ten laste gelegde zestien jaar oud en derhalve minderjarig was. Reeds daarom kan zij niet als levensgezel in de hiervoor bedoelde zin worden aangemerkt, nu de Hoge Raad uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat het dient te gaan om een relatie tussen twee meerderjarigen. Overigens is ook niet gebleken van een zodanige mate van duurzame verbondenheid of van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding tussen de verdachte en [slachtoffer] dat aan de overige vereisten voor het aannemen van een relatie tussen levensgezellen is voldaan.
De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op het bestanddeel levensgezel.
Ten aanzien van feit 2
Bedreiging jegens [slachtoffer]
De raadsman heeft bepleit dat de uitlatingen van verdachte niet kunnen worden aangemerkt als een bedreiging gericht tegen [slachtoffer] .
De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte heeft verklaard dat hij de personen die bij het gesprek met Jeugdbescherming West op 9 februari 2026 aanwezig waren “iets zou aandoen”. Vast staat dat [slachtoffer] bij dat gesprek aanwezig zou zijn. Gelet op de bewoordingen van de uitlatingen en de omstandigheden waaronder deze zijn gedaan, is de rechtbank van oordeel dat de bedreiging mede was gericht tegen [slachtoffer] .
De verklaring van getuige [getuige 5]
De raadsman heeft voorts aangevoerd dat onderdelen van de verklaring van getuige [getuige 5] niet overeenkomen met de verklaring van getuige [getuige 4] . In het bijzonder heeft hij erop gewezen dat [getuige 4] de door [getuige 5] weergegeven uitlatingen “ik ga iedereen doodmaken” en “ik ga iedereen neerschieten” niet heeft bevestigd, en dat de verdachte het doen van deze uitlatingen ook niet heeft erkend.
De rechtbank overweegt dat voor het gebruik van een getuigenverklaring voor het bewijs niet is vereist dat deze op alle onderdelen steun vindt in een ander bewijsmiddel. Voldoende is dat de verklaring op wezenlijke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal.
Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake. De verklaring van [getuige 4] biedt op essentiële onderdelen ondersteuning aan de verklaring van [getuige 5] , nu ook [getuige 4] heeft verklaard dat de verdachte gezegd heeft dat hij de mensen die tijdens dat gesprek aanwezig zouden zijn iets zou aandoen met een vuurwapen. Dit ondersteunt de dreigende strekking van de uitlatingen. Dat [getuige 4] niet de precieze door [getuige 5] gehoorde bewoordingen bevestigt, doet aan de bruikbaarheid van de verklaring van [getuige 5] niet af, omdat de rechtbank bewezen zal verklaren dat de verdachte ‘althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking’ heeft geuit. De rechtbank gebruikt beide verklaringen voor het bewijs.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat beide feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 3 februari 2026 te Leiden [slachtoffer] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer] bij haar keel te pakken en haar keel dicht te knijpen en aan de keel omhoog te tillen en op de grond te gooien;
2
hij op 5 februari 2026 te 's-Gravenhage, [slachtoffer] en meerdere medewerkers van Jeugdbescherming West (indirect) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door in meerdere gesprekken met meerdere medewerkers van [instelling] dreigend de woorden toe te voegen
- dat hij een pijp zou gaan regelen en deze pijp zou meenemen naar het gesprek met
de Jeugdbescherming en deze pijp zou gebruiken als hij zijn kind niet mag zien
en
- " de mensen die tijdens dat gesprek aanwezig zijn die ga ik dan wat aandoen" en
- " ik ga iedereen doodmaken" en
- " ik ga iedereen neerschieten" en
- " ik mag mijn kind niet zien, dan ga ik maar de bak in", althans woorden van gelijke
dreigende aard of strekking.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 30 (dertig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een locatieverbod voor de stad Leiden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat moet worden volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest en heeft verzocht om, in geval een voorwaardelijke straf zal worden opgelegd, daar geen bijzondere voorwaarden aan te verbinden anders dan een locatieverbod voor de stad Leiden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn (inmiddels) ex-partner, [slachtoffer] . Door deze mishandeling heeft de verdachte inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. De mishandeling vond plaats in het babyhuis waar aangeefster destijds verbleef, een omgeving waar zij zich juist veilig en beschermd had moeten kunnen voelen. Andere bewoners van het babyhuis waren tevens getuige van de mishandeling, waardoor bij hen ook gevoelens van onveiligheid zijn ontstaan.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bedreigen van [slachtoffer] en meerdere medewerkers van Jeugdbescherming West. De rechtbank rekent de verdachte aan dat hij door zijn bedreigingen gevoelens van angst en onveiligheid heeft veroorzaakt bij de aangevers, onder wie professionele hulpverleners. De medewerkers van Jeugdbescherming West moeten hun werkzaamheden veilig en zonder vrees voor bedreigingen kunnen uitvoeren. Het handelen van de verdachte heeft de werkzaamheden van deze medewerkers bemoeilijkt, terwijl deze mede waren gericht op het ondersteunen van de relatie tussen de verdachte en zijn (vermeende) kind.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 18 augustus 2026 en constateert dat daar geen eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten op staan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 31 augustus 2026 en de Pro Justitia rapportage van 19 juni 2026, waaruit onder meer volgt dat bij de verdachte sprake is van een reactieve hechtingsstoornis in retrospectief opzicht, van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (mogelijk een ongespecificeerde neurocognitieve stoornis) en een ongespecificeerde cannabis gerelateerde stoornis.
In hoeverre deze stoornissen van invloed zijn geweest op het plegen van de bewezenverklaarde feiten, kan echter niet worden vastgesteld. De psycholoog merkt op dat ook na het onderzoek onduidelijkheid is blijven bestaan ten aanzien van de diagnoses en de beweegredenen van de verdachte, waardoor onvoldoende inzicht is verkregen in de mogelijke invloed van deze problematiek op zijn handelen.
Uit het reclasseringsadvies volgt voorts dat bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico. De reclassering ziet echter, gelet op een eerder mislukt toezicht, geen mogelijkheden om dit risico door middel van interventies of toezicht te beperken of het gedrag van verdachte in positieve zin te beïnvloeden. Ook de verdachte zelf heeft aangegeven dat het opleggen van bijzondere voorwaarden naar zijn oordeel weinig toegevoegde waarde heeft. De reclassering adviseert daarom om, indien verdachte wordt veroordeeld, een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
Locatieverbod
De rechtbank acht het, gelet op de omstandigheden van het bewezenverklaarde, het ingeschatte hoge recidiverisico en overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie en van de raadsman, noodzakelijk dat aan verdachte een locatieverbod voor de stad Leiden wordt opgelegd, zodat wordt voorkomen dat hij zich opnieuw naar – en in de omgeving van – het babyhuis begeeft waar [slachtoffer] verblijft. Gesprekken en eventuele andere contacten die zijn gericht op het bevorderen van de relatie tussen de verdachte en zijn (vermeende) kind dienen dan op een andere locatie plaats te vinden.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Conclusie
Alles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
De rechtbank zal een deel van die straf, groot 30 (dertig) dagen voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan als bijzondere voorwaarde een locatieverbod voor de stad Leiden verbinden.
7De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. De grondslag voor het toekennen van schadevergoeding is gelegen in artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek, omdat de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 500,00.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 500,00 bestaande uit immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 3 februari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .
8De vordering tot tenuitvoerlegging
8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 18 augustus 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 02/048427-25 door de politierechter van de rechtbank te Middelburg op 18 juli 2025 voorwaardelijke opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht redenen aanwezig voor toewijzing van de hiervoor genoemde vordering tot tenuitvoerlegging. Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.
9De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
mishandeling;
ten aanzien van feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 90 (NEGENTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 30 (dertig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet in Leiden bevindt, zolang het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk acht;
de voorlopige hechtenis;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 500,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 februari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter van de rechtbank te Middelburg van 18 juli 2025, gewezen onder parketnummer 02/048427-25, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Schaaf, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N.D. van Duijkeren, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 september 2026.