Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26890
2026-09-16
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
SGR 25/541
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep gegrond. Bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering. Het college had, gelet op de machtiging van de kantonrechter, de hoogte van de bijzondere bijstand moeten baseren op het tarief voor een bewindvoerder in een bewind met problematische schulden. Het onderzoek van het college kan niet zo ver strekken dat het neerkomt op de toetsing van van de werkzaamheden die een bewindvoerder verricht ter vaststelling van het toepasselijke tarief.
Citeert (3)
- ECLI:NL:CRVB:2017:2403 Centrale Raad van Beroep 04-07-2017
- ECLI:NL:CRVB:2001:AD3836 Centrale Raad van Beroep 21-08-2001
- ECLI:NL:CRVB:2017:2403 Centrale Raad van Beroep 04-07-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.126 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/541
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2026 in de zaak tussen
Stichting CAV, eiseres, in haar hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen van [betrokkene], betrokkene, uit [woonplaats]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk¸ het college
(gemachtigde: mr. I. Colen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de kosten van bewindvoering aan betrokkene. Eiseres, in haar hoedanigheid als bewindvoerder van betrokkene, is het niet eens met de hoogte van de toegekende bijzondere bijstand. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de toekenning van de bijzondere bijstand.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en voor de eenmalige bankkosten. Het college heeft met het besluit van 19 november 2024 bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering toegekend tot een bedrag van € 110,- per maand en voor de eenmalige bankkosten.
2.1.
Met het bestreden besluit van 3 december 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft [naam] namens eiseres deelgenomen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Bij beschikking van 2 september 2020 van de rechtbank Den Haag heeft de kantonrechter betrokkene onder bewind gesteld en eiseres benoemd tot bewindvoerder. Op 29 augustus 2024 heeft eiseres een vervolgaanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering in een bewind met problematische schulden ter hoogte van € 142,25 per maand (het hoge tarief) over de periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 december 2024 en voor de eenmalige bankkosten ter hoogte van € 10,-.
3.1.
Het college heeft met het besluit van 19 november 2024, gehandhaafd na bezwaar met het bestreden besluit, bijzondere bijstand toegekend voor de bewindvoeringskosten tegen het tarief voor bewindvoering voor een persoon zonder problematische schulden (het standaardtarief). Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat niet is aangetoond dat over de periode van 1 augustus 2024 tot 31 december 2024 extra werkzaamheden zijn verricht in verband met problematische schulden. De werkzaamheden die de bewindvoerder heeft verricht vallen daarom onder de gewone werkzaamheden waar het standaardtarief tegenover staat.
Wat vindt eiseres?
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er sprake is van problematische schulden bij betrokkene en dat de hoogte van de bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering moet worden vastgesteld op € 142,25 per maand. De bewindvoerder heeft in de betreffende periode extra werkzaamheden verricht om de schuld van betrokkene te stabiliseren. De schuldenlast is daardoor aanzienlijk verlaagd, evenals het aantal schuldeisers. Eiseres betoogt ook dat het college niet bevoegd is om de noodzaak tot onderbewindstelling en de omvang van de door de kantonrechter toegekende beloning van de bewindvoerder te toetsen.
Wat oordeelt de rechtbank?
Het juridisch kader
5. In artikel 35, eerste lid, van de Pw is bepaald dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34 niet van toepassing zijn. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient bij het toepassen van artikel 35, eerste lid, van de Pw eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
5.1.
Ingevolge artikel 15 van de Beleidsregels bijzondere bijstand en participatieregelingen Rijswijk 2022 (de beleidsregels) kent het college bijzondere bijstand toe voor de kosten van beschermingsbewind, mentorschap of curatele als er een rechtelijke uitspraak is gedaan. Ingevolge het tweede lid worden noodzakelijke kosten berekend aan de hand van de tarieven, jaarlijks vastgesteld volgens het Landelijk Overleg Voorzitters Civiele en Kantonsectoren (LOVCK).
5.2.
De Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (de regeling) bepaalt een vaste jaarbeloning voor bewindvoerders. In artikel 3, tweede lid, van de regeling wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten bewind: één waarin alleen zogenoemde standaardwerkzaamheden worden verricht (onder a) en één waarin naast de standaardwerkzaamheden ook werkzaamheden in verband met problematische schulden worden verricht (onder b). Op deze wijze kan de kantonrechter bij aanvang van het bewind eenvoudig vaststellen onder welke categorie de werkzaamheden van de bewindvoerder vallen en op welke jaarbeloning hij aanspraak kan maken en hoeft er geen aparte beschikking over de jaarbeloning te worden genomen.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de regeling bedroeg de jaarbeloning in 2024:
a. voor een bewindvoerder € 1.320;
b. voor een bewindvoerder in een bewind met problematische schulden € 1.707.
5.3.
Volgens de Werkinstructie Bijzondere Bijstand bewindvoering van het college (de werkinstructie) geeft het hebben van problematische schulden recht op een hogere vergoeding. In de praktijk blijkt dat de extra werkzaamheden zich voornamelijk in het eerste jaar na het instellen van het bewind voordoen. De bewindvoeringskosten kunnen in het eerste jaar na de rechterlijke uitspraak volledig worden vergoed. Na het verstrijken van het eerste kalenderjaar bepaalt het college niet de noodzaak van de kosten, maar kan het zich wel afvragen of de meerkosten van het schuldenbewind zich daadwerkelijk voor doen. Als na een jaar nog bewindvoering voor het hogere tarief wordt gevraagd moet aannemelijk worden gemaakt of dit nog steeds noodzakelijk is. Bij de aanvraag zal de bewindvoerder gevraagd worden om aan te tonen waar zijn extra werkzaamheden uit bestaan.
Mocht het college bijzondere bijstand toekennen tegen het standaardtarief?
6. De rechtbank stelt vast dat de noodzaak van de kosten waarvoor door eiseres bijzondere bijstand is gevraagd tussen partijen niet in geschil is. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of het college terecht bijzondere bijstand heeft toegekend voor het tarief voor bewindvoering voor een persoon zonder problematische schulden. Overwogen wordt dat het hierbij gaat om de vraag of de kosten waarvoor eiseres bijzondere bijstand heeft gevraagd zich daadwerkelijk voordoen.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de jaarbeloning wordt vastgesteld op basis van de beschikking van de kantonrechter.De kantonrechter is degene die, in het kader van zijn bevoegdheid tot onderbewindstelling en met afweging van de individuele omstandigheden van de belanghebbende, de noodzaak tot onderbewindstelling beoordeelt en vaststelt. Het ligt op de weg van de bewindvoerder om de kantonrechter te verzoeken om de jaarbeloning aan te passen als blijkt dat de extra werkzaamheden niet langer plaatsvinden. De kantonrechter kan de jaarbeloning ook ambtshalve aanpassen, bijvoorbeeld naar aanleiding van de periodieke evaluatie.
6.2.
Blijkens de beschikking van 2 september 2020 is eiseres gerechtigd om maandelijks voor de werkzaamheden een vergoeding in rekening te brengen als beloning zoals vermeld in artikel 3, tweede lid, onder b van de regeling. Het tarief van de beloning is nadien niet meer aangepast door de kantonrechter. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting toegelicht dat de kantonrechter over 2024 de jaarbeloning tegen het hoge tarief heeft goedgekeurd. Het college heeft dit niet betwist.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college, gelet op de machtiging die de kantonrechter op 2 september 2020 heeft verleend, de hoogte van de bijzondere bijstand voor de kosten van de bewindvoering had moeten baseren op het hoge tarief. Uit jurisprudentie van de CRvB volgt namelijk dat het college is gebonden aan de beschikking van de kantonrechter en dat de noodzaak tot onderbewindstelling voor het college uitgangspunt dient te zijn. De toets of de voorziening voor de betrokkene het meest passend en adequaat is ligt dus reeds besloten in de beschikking van de rechtbank. Voorts kan het college, bij twijfel, een onderzoek instellen om te verifiëren of de uit de bewindvoering voortvloeiende werkzaamheden zin verricht en of de kosten waar bijzondere bijstand voor is verstrekt ook daadwerkelijk zijn gemaakt.
6.4.
De rechtbank leidt hieruit af dat het college kan nagaan of de werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en of de kosten zich voordoen. Een dergelijk onderzoek kan echter niet zo ver strekken dat het neerkomt op de toetsing van de werkzaamheden die een bewindvoerder verricht ter vaststelling van het toepasselijke tarief, toegespitst op een specifieke periode, zoals hier is gebeurd op basis van de werkinstructie. Dit behoort namelijk tot de bevoegdheid van de kantonrechter. Dit betekent dat het college het door de kantonrechter vastgestelde tarief voor het beschermingsbewind heeft te respecteren. Daarbij is ook van belang dat de in de regeling opgenomen jaarbeloning geldt als een gemiddelde. Het zal dan ook voorkomen dat gedurende een aantal jaren veel uren aan een betrokkene worden besteed en de volgende jaren minder dan het gemiddelde aantal uren waarop de forfaitaire beloning is gebaseerd. Hoewel de meeste werkzaamheden zich in het eerste jaar zullen voordoen, wordt deze jaarbeloning aangehouden totdat er geen problematische schulden meer zijn. Enkel de omstandigheid dat over een bepaalde periode minder en/of minder complexe werkzaamheden zijn verricht kan dus niet van doorslaggevend belang zijn voor het college om tot het oordeel te komen dat de werkzaamheden die de bewindvoerder heeft verricht onder het standaardtarief vallen. Dit geldt te meer nu het college niet heeft betwist dat er in geval van betrokkene (nog steeds) problematische schulden zijn.
6.5.
Gelet op het bovengenoemde kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Het is daarmee in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
7.1.
De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat aan eiseres bijzondere bijstand wordt toegekend voor de kosten van bewindvoering over de periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 december 2024 tegen het tarief van € 142,25 per maand.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 3 december 2024;
herroept het besluit van 19 november 2024;
bepaalt dat het college bijzondere bijstand ter hoogte van € 142,25 per maand toekent over de periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 december 2024 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Zie de toelichting bij artikel 3 van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.
Zie de toelichting bij de Staatscourant 2014, nr. 32149, p. 8.
Zie de uitspraak van de CRvB van 4 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2403.
Zie de toelichting bij de Staatscourant 2014, nr. 32149, p. 7.
ECLI:NL:CRVB:2001:AD3836.
Zie de uitspraak van de CRvB van 4 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2403.
Zie de toelichting bij de Staatscourant 2014, nr. 32149, p. 6.
Zie de toelichting bij de Staatscourant 2014, nr. 32149, p. 13.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/541
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2026 in de zaak tussen
Stichting CAV, eiseres, in haar hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen van [betrokkene], betrokkene, uit [woonplaats]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk¸ het college
(gemachtigde: mr. I. Colen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de kosten van bewindvoering aan betrokkene. Eiseres, in haar hoedanigheid als bewindvoerder van betrokkene, is het niet eens met de hoogte van de toegekende bijzondere bijstand. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de toekenning van de bijzondere bijstand.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en voor de eenmalige bankkosten. Het college heeft met het besluit van 19 november 2024 bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering toegekend tot een bedrag van € 110,- per maand en voor de eenmalige bankkosten.
2.1.
Met het bestreden besluit van 3 december 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft [naam] namens eiseres deelgenomen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Bij beschikking van 2 september 2020 van de rechtbank Den Haag heeft de kantonrechter betrokkene onder bewind gesteld en eiseres benoemd tot bewindvoerder. Op 29 augustus 2024 heeft eiseres een vervolgaanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering in een bewind met problematische schulden ter hoogte van € 142,25 per maand (het hoge tarief) over de periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 december 2024 en voor de eenmalige bankkosten ter hoogte van € 10,-.
3.1.
Het college heeft met het besluit van 19 november 2024, gehandhaafd na bezwaar met het bestreden besluit, bijzondere bijstand toegekend voor de bewindvoeringskosten tegen het tarief voor bewindvoering voor een persoon zonder problematische schulden (het standaardtarief). Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat niet is aangetoond dat over de periode van 1 augustus 2024 tot 31 december 2024 extra werkzaamheden zijn verricht in verband met problematische schulden. De werkzaamheden die de bewindvoerder heeft verricht vallen daarom onder de gewone werkzaamheden waar het standaardtarief tegenover staat.
Wat vindt eiseres?
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er sprake is van problematische schulden bij betrokkene en dat de hoogte van de bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering moet worden vastgesteld op € 142,25 per maand. De bewindvoerder heeft in de betreffende periode extra werkzaamheden verricht om de schuld van betrokkene te stabiliseren. De schuldenlast is daardoor aanzienlijk verlaagd, evenals het aantal schuldeisers. Eiseres betoogt ook dat het college niet bevoegd is om de noodzaak tot onderbewindstelling en de omvang van de door de kantonrechter toegekende beloning van de bewindvoerder te toetsen.
Wat oordeelt de rechtbank?
Het juridisch kader
5. In artikel 35, eerste lid, van de Pw is bepaald dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34 niet van toepassing zijn. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient bij het toepassen van artikel 35, eerste lid, van de Pw eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
5.1.
Ingevolge artikel 15 van de Beleidsregels bijzondere bijstand en participatieregelingen Rijswijk 2022 (de beleidsregels) kent het college bijzondere bijstand toe voor de kosten van beschermingsbewind, mentorschap of curatele als er een rechtelijke uitspraak is gedaan. Ingevolge het tweede lid worden noodzakelijke kosten berekend aan de hand van de tarieven, jaarlijks vastgesteld volgens het Landelijk Overleg Voorzitters Civiele en Kantonsectoren (LOVCK).
5.2.
De Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (de regeling) bepaalt een vaste jaarbeloning voor bewindvoerders. In artikel 3, tweede lid, van de regeling wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten bewind: één waarin alleen zogenoemde standaardwerkzaamheden worden verricht (onder a) en één waarin naast de standaardwerkzaamheden ook werkzaamheden in verband met problematische schulden worden verricht (onder b). Op deze wijze kan de kantonrechter bij aanvang van het bewind eenvoudig vaststellen onder welke categorie de werkzaamheden van de bewindvoerder vallen en op welke jaarbeloning hij aanspraak kan maken en hoeft er geen aparte beschikking over de jaarbeloning te worden genomen.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de regeling bedroeg de jaarbeloning in 2024:
a. voor een bewindvoerder € 1.320;
b. voor een bewindvoerder in een bewind met problematische schulden € 1.707.
5.3.
Volgens de Werkinstructie Bijzondere Bijstand bewindvoering van het college (de werkinstructie) geeft het hebben van problematische schulden recht op een hogere vergoeding. In de praktijk blijkt dat de extra werkzaamheden zich voornamelijk in het eerste jaar na het instellen van het bewind voordoen. De bewindvoeringskosten kunnen in het eerste jaar na de rechterlijke uitspraak volledig worden vergoed. Na het verstrijken van het eerste kalenderjaar bepaalt het college niet de noodzaak van de kosten, maar kan het zich wel afvragen of de meerkosten van het schuldenbewind zich daadwerkelijk voor doen. Als na een jaar nog bewindvoering voor het hogere tarief wordt gevraagd moet aannemelijk worden gemaakt of dit nog steeds noodzakelijk is. Bij de aanvraag zal de bewindvoerder gevraagd worden om aan te tonen waar zijn extra werkzaamheden uit bestaan.
Mocht het college bijzondere bijstand toekennen tegen het standaardtarief?
6. De rechtbank stelt vast dat de noodzaak van de kosten waarvoor door eiseres bijzondere bijstand is gevraagd tussen partijen niet in geschil is. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of het college terecht bijzondere bijstand heeft toegekend voor het tarief voor bewindvoering voor een persoon zonder problematische schulden. Overwogen wordt dat het hierbij gaat om de vraag of de kosten waarvoor eiseres bijzondere bijstand heeft gevraagd zich daadwerkelijk voordoen.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de jaarbeloning wordt vastgesteld op basis van de beschikking van de kantonrechter.De kantonrechter is degene die, in het kader van zijn bevoegdheid tot onderbewindstelling en met afweging van de individuele omstandigheden van de belanghebbende, de noodzaak tot onderbewindstelling beoordeelt en vaststelt. Het ligt op de weg van de bewindvoerder om de kantonrechter te verzoeken om de jaarbeloning aan te passen als blijkt dat de extra werkzaamheden niet langer plaatsvinden. De kantonrechter kan de jaarbeloning ook ambtshalve aanpassen, bijvoorbeeld naar aanleiding van de periodieke evaluatie.
6.2.
Blijkens de beschikking van 2 september 2020 is eiseres gerechtigd om maandelijks voor de werkzaamheden een vergoeding in rekening te brengen als beloning zoals vermeld in artikel 3, tweede lid, onder b van de regeling. Het tarief van de beloning is nadien niet meer aangepast door de kantonrechter. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting toegelicht dat de kantonrechter over 2024 de jaarbeloning tegen het hoge tarief heeft goedgekeurd. Het college heeft dit niet betwist.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college, gelet op de machtiging die de kantonrechter op 2 september 2020 heeft verleend, de hoogte van de bijzondere bijstand voor de kosten van de bewindvoering had moeten baseren op het hoge tarief. Uit jurisprudentie van de CRvB volgt namelijk dat het college is gebonden aan de beschikking van de kantonrechter en dat de noodzaak tot onderbewindstelling voor het college uitgangspunt dient te zijn. De toets of de voorziening voor de betrokkene het meest passend en adequaat is ligt dus reeds besloten in de beschikking van de rechtbank. Voorts kan het college, bij twijfel, een onderzoek instellen om te verifiëren of de uit de bewindvoering voortvloeiende werkzaamheden zin verricht en of de kosten waar bijzondere bijstand voor is verstrekt ook daadwerkelijk zijn gemaakt.
6.4.
De rechtbank leidt hieruit af dat het college kan nagaan of de werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en of de kosten zich voordoen. Een dergelijk onderzoek kan echter niet zo ver strekken dat het neerkomt op de toetsing van de werkzaamheden die een bewindvoerder verricht ter vaststelling van het toepasselijke tarief, toegespitst op een specifieke periode, zoals hier is gebeurd op basis van de werkinstructie. Dit behoort namelijk tot de bevoegdheid van de kantonrechter. Dit betekent dat het college het door de kantonrechter vastgestelde tarief voor het beschermingsbewind heeft te respecteren. Daarbij is ook van belang dat de in de regeling opgenomen jaarbeloning geldt als een gemiddelde. Het zal dan ook voorkomen dat gedurende een aantal jaren veel uren aan een betrokkene worden besteed en de volgende jaren minder dan het gemiddelde aantal uren waarop de forfaitaire beloning is gebaseerd. Hoewel de meeste werkzaamheden zich in het eerste jaar zullen voordoen, wordt deze jaarbeloning aangehouden totdat er geen problematische schulden meer zijn. Enkel de omstandigheid dat over een bepaalde periode minder en/of minder complexe werkzaamheden zijn verricht kan dus niet van doorslaggevend belang zijn voor het college om tot het oordeel te komen dat de werkzaamheden die de bewindvoerder heeft verricht onder het standaardtarief vallen. Dit geldt te meer nu het college niet heeft betwist dat er in geval van betrokkene (nog steeds) problematische schulden zijn.
6.5.
Gelet op het bovengenoemde kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Het is daarmee in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
7.1.
De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat aan eiseres bijzondere bijstand wordt toegekend voor de kosten van bewindvoering over de periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 december 2024 tegen het tarief van € 142,25 per maand.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 3 december 2024;
herroept het besluit van 19 november 2024;
bepaalt dat het college bijzondere bijstand ter hoogte van € 142,25 per maand toekent over de periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 december 2024 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Zie de toelichting bij artikel 3 van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.
Zie de toelichting bij de Staatscourant 2014, nr. 32149, p. 8.
Zie de uitspraak van de CRvB van 4 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2403.
Zie de toelichting bij de Staatscourant 2014, nr. 32149, p. 7.
ECLI:NL:CRVB:2001:AD3836.
Zie de uitspraak van de CRvB van 4 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2403.
Zie de toelichting bij de Staatscourant 2014, nr. 32149, p. 6.
Zie de toelichting bij de Staatscourant 2014, nr. 32149, p. 13.