Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26869

2026-09-18 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht SGR 23/8310
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-18
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 23/8310
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Na benoeming van deskundigen blijft het bestreden besluit 2 (verhoging mate van arbeidsongeschiktheid in een WIA-zaak) in stand.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.277 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 23/8310


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2026 in de zaak tussen



[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: voorheen mr. J.E. Groenenberg, thans zonder gemachtigde)


en




de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. B.M. de Wolff).





Inleiding


In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de herziening van zijn WIA-uitkering.



In het besluit van 31 mei 2023 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan eiser bericht dat hij per 23 december 2022 67,59% arbeidsongeschikt is in plaats van 38,97%. De arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80% is van toepassing.



In het besluit van 2 november 2023 (het bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn dochter, en de gemachtigde van het Uwv.



De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat een dermatoloog en psychiater wordt benoemd voor het verrichten van een medisch onderzoek.



De rechtbank heeft vervolgens dermatoloog [naam 1] en psychiater [naam 2] als deskundigen benoemd. Zij hebben aan de rechtbank gerapporteerd.



Hierna heeft de rechtbank verzekeringsarts [naam 3] als deskundige benoemd voor het verrichten van een medisch onderzoek. Deze deskundige heeft ook aan de rechtbank gerapporteerd.



Bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 30 september 2025 (het bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar gericht tegen het primaire besluit gegrond verklaard. De mate van arbeidsongeschiktheid is per 23 december 2022 verhoogd van 67,59% naar 71,52%. Dit heeft geen gevolgen voor de hoogte van de WIA-uitkering. De arbeidsongeschiktheidsklasse blijft ongewijzigd 65 tot 80%.



De rechtbank heeft het beroep op verzoek van eiser op 27 januari 2026 op een tweede zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn dochter, en de gemachtigde van het Uwv.



De rechtbank heeft hierna het onderzoek heropend en nogmaals verzekeringsarts [naam 3] geraadpleegd voor het verrichten van een nader medisch onderzoek, waarna deze deskundige aan de rechtbank heeft gerapporteerd.



Het Uwv heeft hierop bij brief van 17 juni 2026 gereageerd. Eiser heeft hierna nog nadere medische informatie van zijn behandelaar ingediend.



Bij brief van 9 september 2026 heeft het Uwv bericht dat naar aanleiding van het door eiser per 12 juni 2025 ingediende verzoek om herbeoordeling, op 15 september 2026 een medisch onderzoek zal plaatsvinden.



Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat nader onderzoek ter zitting
achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.




Overwegingen



Wat vooraf ging aan deze procedure




1.1
Eiser werkte als hijskraanmachinist voor gemiddeld 42,62 uur per week. Hij meldde zich op 22 oktober 2015 ziek in verband met een bedrijfsongeval waarbij zijn linkervoet was verbrijzeld. In september 2016 kreeg eiser last van ernstige jeukklachten over zijn hele lichaam. De diagnose lichen planus is gesteld. Eiser had aanvankelijk per 23 januari 2018 (einde wachttijd) geen recht op een WIA-uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is bij besluit van 10 juli 2018 gegrond verklaard, waarna alsnog per 23 januari 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.



1.2
Bij besluit van 19 november 2019 heeft het Uwv meegedeeld dat de loongerelateerde WGA-uitkering per 23 januari 2020 wordt omgezet naar een WGA-vervolguitkering, berekend naar een mate van 35 tot 45%. Dit besluit is bij besluit van 26 november 2019 komen te vervallen. Aan eiser is per 23 januari 2020 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.



1.3
Eiser heeft diverse malen een wijziging in zijn gezondheid bij het Uwv gemeld. Ook de ex-werkgever heeft in 2020 verzocht om een herbeoordeling te verrichten. Er hebben diverse medische en arbeidskundige onderzoeken plaatsgevonden. Bij de beoordeling in 2022 werd een arbeidsongeschiktheidspercentage van 44,49% vastgesteld. De WGA-loonaanvullingsuitkering werd omgezet naar een WGA-vervolguitkering.



1.4

Eiser heeft op 5 januari 2023 bij het Uwv nogmaals een wijziging in zijn gezondheid gemeld, waarna een medische en arbeidskundige herbeoordeling is verricht.
Vervolgens heeft het Uwv het primaire besluit en het bestreden besluit 1 genomen, zoals vermeld in de inleiding van deze uitspraak.




Bestreden besluit 1



2. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit 2 in de plaats is gekomen van bestreden besluit 1. Niet is gebleken dat eiser nog enig belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit 1. Om die reden zal de rechtbank het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren.



Bestreden besluit 2



3. Omdat het Uwv met het bestreden besluit 2 niet volledig tegemoet gekomen is aan het beroep van eiser, is het beroep gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede gericht tegen het bestreden
besluit 2.



De conclusies van de deskundigen en de reacties van partijen op de rapporten



4. De rechtbank had twijfels over de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv. Daarom heeft zij psychiater [naam 2], dermatoloog [naam 1] en hierna verzekeringsarts [naam 3] als deskundigen benoemd voor het verrichten van een onderzoek bij eiser. Aan de deskundigen is gevraagd om aan te geven of er per de datum in geding (23 december 2022) al dan niet sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid, in die zin dat eiser geen benutbare mogelijkheden (GBM) had als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Ook is aan de deskundigen gevraagd aan te geven of er meer en/of zwaardere beperkingen gelden voor eiser per die datum.



5.1
Alle deskundigen hebben het dossier bestudeerd en eiser onderzocht. Psychiater [naam 2] acht het zeer aannemelijk dat bij eiser per de datum in geding sprake is van een ernstige somatisch-symptoomstoornis. De dermatoloog heeft per de datum in geding de diagnose ‘prutitus sine materia’ gesteld en opgemerkt dat eiser als gevolg van deze aandoening slecht slaapt en vermoeidheidsklachten heeft.



5.2
Verzekeringsarts [naam 3] heeft de hiervoor vermelde diagnoses van de psychiater en de dermatoloog in zijn rapport van 15 juli 2025 overgenomen en daarnaast vastgesteld dat per de datum in geding sprake is van lichen planus in de mond en een status na voetfractuur links (2015), waaronder artrodese MT-1. Verzekeringsarts [naam 3] is in zijn rapport tot de conclusie gekomen dat er geen aanwijzingen zijn om GBM aan te nemen. Wel acht hij eiser beperkter dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is vastgesteld in de FML van 24 mei 2023. De volgende aanvullende beperkingen zijn van toepassing:
- tillen (4.13), licht beperkt;
- dragen (4.14), licht beperkt;
- lopen (4.16), beperkt;
- lopen tijdens het werk (4.17), beperkt, (tot 2 uur per dag);
- staan (5.3), beperkt;
- staan tijdens het werk (5.4), beperkt, (tot 2 uur per dag);
- langdurig gebogen actief zijn (5.6), beperkt;
- een urenbeperking van 4 uur per dag, 20 uur per week.



6.1

Het Uwv heeft in reactie op de deskundigenrapporten een aangepaste FML van
11 augustus 2025 overgelegd. De verzekeringsarts b&b heeft hierin alle aanvullende beperkingen die verzekeringsarts [naam 3] van toepassing vindt, vastgelegd.




6.2
Het Uwv heeft hierna de arbeidsdeskundige b&b een onderzoek laten verrichten. Aan de hand van de aangepaste FML van 11 augustus 2025 is hij tot de conclusie gekomen dat niet meer alle geselecteerde functies passend zijn voor eiser. Hij heeft daarom het CBBS-systeem opnieuw geraadpleegd en een aantal andere functies voor eiser geselecteerd. Hierbij gaat het om de functies:
- ( SBC-code 111180) productiemedewerker industrie (samenstellen van producten);
- ( SBC-code 272042) productiemedewerker confectie, kleermaken;
- ( SBC-code 315100) administratief ondersteunend medewerker;
- ( SBC-code 272043) productiemedewerker textiel, geen kleding.
Op basis van die functies bedraagt het arbeidsongeschiktheidspercentage 71,52%. Dit percentage valt ook in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%. De hoogte van de WIA-uitkering wijzigt dus niet. Het Uwv heeft dit vastgelegd in het bestreden besluit 2.




Beoordeling door de rechtbank

7. De vraag die in deze zaak centraal staat is of het Uwv per de datum in geding de beperkingen van eiser met het oog op het verrichten van arbeid, juist heeft vastgesteld.

8. Volgens vaste rechtspraak dient het oordeel van de door de rechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige te worden gevolgd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven van dat oordeel af te wijken. Het is namelijk bij uitstek de taak van de deskundige om bij verschil van inzicht tussen partijen over de medische beperkingen een (in principe) beslissend advies te geven.


9.1
De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. De deskundigen hebben eiser op het spreekuur onderzocht. Zij beschikte over medische informatie van de behandelaars van eiser, waaronder van de huidspecialist van het LUMC. De rapporten van de deskundigen geven blijk van een zorgvuldig onderzoek. De deskundigen hebben naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk, consistent en gemotiveerd de problematiek van eiser en de daaruit voortvloeiende beperkingen beschreven. De conclusies komen de rechtbank voldoende overtuigend voor.



9.2
Gelet op het oordeel van met name verzekeringsarts [naam 3] moet het er voor worden gehouden dat er bij eiser per de datum in geding (23 december 2022) geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. In de door de verzekeringsarts b&b vastgestelde FML van 11 augustus 2025 is een juiste beschrijving gegeven van de beperkingen van eiser voor het verrichten van arbeid. De beperkingen die verzekeringsarts [naam 3] aanvullend van toepassing acht zijn hierin opgenomen.


10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de medische component van het bestreden besluit 2 voldoende zorgvuldig is voorbereid en toereikend is gemotiveerd.




11.1
De door eiser overgelegde medische informatie van de dermatoloog van 23 juli 2026 kan niet tot een ander oordeel leiden omdat deze informatie geen betrekking heeft op de datum in geding (23 december 2022).



11.2
Tot slot stelt de rechtbank vast dat eiser geen gronden heeft aangevoerd die specifiek zien op de arbeidsdeskundige beoordeling. Uitgaande van de juistheid van de FML, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding tot twijfel aan de geschiktheid van de geduide functies en juistheid van het arbeidsongeschiktheidspercentage.



Het per 12 juni 2025 door eiser gedane verzoek om herbeoordeling





12.1
Op de tweede zitting heeft eiser naar voren gebracht dat hij in juni 2025 een verzoek om herbeoordeling heeft ingediend. De rechtbank heeft na de zitting bij het Uwv een afschrift van dit verzoek opgevraagd en ontvangen. Het betreft een verzoek om herbeoordeling van 12 juni 2025, welk verzoek in het dossier is gevoegd. Naar voren is gekomen dat het Uwv op het verzoek om herbeoordeling nog niet beslist heeft, mede omdat verzoeken om herbeoordeling vanaf 2026 niet meer in behandeling worden genomen, behalve als sprake is van een schrijnende situatie.



12.2
De rechtbank vond dat eiser mede door het tijdsverloop in deze zaak, in een nadelige positie terecht was gekomen. Hierin heeft de rechtbank aanleiding gezien om verzekeringsarts [naam 3] nogmaals te raadplegen. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen het gegeven dat verzekeringsarts [naam 3] volgens eiser tijdens het medisch onderzoek had aangegeven dat hij eiser nu zwaarder beperkt zou achten dan per de datum in geding. De rechtbank heeft daarom verzekeringsarts [naam 3] gevraagd de vraag te beantwoorden of hij eiser per 12 juni 2025 beperkter acht dan per 23 december 2022 en zo ja, om welke beperkingen het dan gaat.



12.3
Verzekeringsarts [naam 3] heeft vervolgens een nader onderzoek verricht, waarbij hij eiser nogmaals op het spreekuur heeft gezien. Eiser heeft volgens [naam 3] nog steeds dezelfde aandoeningen zoals hiervoor staan beschreven. Hij is in zijn rapport van 29 mei 2026 tot de conclusie gekomen dat de situatie GBM ook per 12 juni 2025 niet aan de orde is. Wel acht hij eiser alsnog beperkt, of zwaarder beperkt voor de onderdelen frequent reiken, frequent buigen, duwen en trekken, tillen tijdens het werk, dragen tijdens het werk, knielen of hurken, geknield of gehurkt actief zijn en gebogen en/of getordeerd actief zijn. [naam 3] kan zich voorstellen dat deze gewijzigde belastbaarheid van invloed is op de arbeidskundige uitkomst.



12.4
De rechtbank is het eens met het standpunt van het Uwv verwoord in de brief van 17 juni 2026 dat het in deze zaak gaat om de datum 23 december 2022 en dat de datum 12 juni 2025 in zoverre buiten de omvang van het huidige geding valt. De datum 12 juni 2025 kan niet worden meegenomen in deze lopende beroepsprocedure. Het Uwv heeft de afdeling SMZ verzocht om het verzoek om herbeoordeling per 12 juni 2025 alsnog in behandeling te nemen, mede gelet op het deskundigenrapport van verzekeringsarts [naam 3] van 29 mei 2026. Uit de hierna door het Uwv aan de rechtbank gestuurde brief van 4 september 2026 heeft de rechtbank afgeleid dat eiser is uitgenodigd voor een gesprek met de verzekeringsarts op 15 september 2026.




Conclusie en gevolgen

13. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit 2 is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit 2 in stand blijft. Het Uwv heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage terecht vastgesteld op 71,52%.

14. In de omstandigheid dat het Uwv in de beroepsfase een gewijzigd besluit op bezwaar heeft genomen, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het Uwv aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Het Uwv heeft in het bestreden besluit 2 ook toegezegd het griffierecht te vergoeden.

15. De rechtbank veroordeelt het Uwv ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Het gaat om bijstand door een gemachtigde voor het indienen van een beroepschrift. Hiervoor geldt een vergoeding van € 934,-.
























Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;


verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;


veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-;


draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van
S.J.W. Stort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.






griffier rechter





Afschrift verzonden aan partijen op:








Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.








Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).


Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.



Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Jeuk zonder huidafwijkingen.


Een ontstekingsreactie van het mondslijmvlies, de tong of het tandvlees.


Functionele Mogelijkheden Lijst.


Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS).


Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3822.