Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26866

2026-09-08 Bestuursrecht; Omgevingsrecht SGR 25/5516
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-08
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/5516
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het realiseren van 40 tijdelijke woningen en 10 tijdelijke woonwagenstandplaatsen voor de duur van 15 jaar. Het beroep van een aantal eisers is niet-ontvankelijk, omdat hun beroep niet binnen de beroepstermijn aanhangig is gemaakt en geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het beroep van de overige eisers is ongegrond. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de ontwikkeling, voor zover van het omgevingsplan wordt afgeweken, voldoet aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (43.765 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 25/5516


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen

[eisende partij] e.a., uit [woonplaats] , eisers


en


het college van burgemeester en wethouders van [plaats 2] -Reeuwijk,
(gemachtigden: E.M. van Bennekom en B.A. Drost-Westland).


Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting [derde-partij] uit [plaats 1] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. R.D. van Oevelen).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning van 10 juli 2025 voor het realiseren van 40 tijdelijke woningen en 10 tijdelijke woonwagenstandplaatsen voor de duur van 15 jaar op de locatie ten oosten van de [straatnaam] in [plaats 2] . Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van een aantal eisers niet-ontvankelijk is, omdat hun beroep niet binnen de beroepstermijn aanhangig is gemaakt en geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het beroep van de overige eisers is ongegrond. De rechtbank oordeelt dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Deze eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Met het besluit van 10 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend.



2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft een reactie op het beroep ingediend.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eisende partij] en [naam 1] namens eisers, de gemachtigden van het college, [naam 2] namens vergunninghoudster en de gemachtigde van vergunninghoudster.




Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 14 februari 2025 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 40 tijdelijke woningen en 10 tijdelijke woonwagenstandplaatsen voor de duur van 15 jaar op de locatie ten oosten van de [straatnaam] in [plaats 2] . Onderdeel van de aanvraag voor deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) is een onderbouwing fysieke leefomgeving. In deze onderbouwing wordt geconcludeerd dat na onderzoek naar de relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving is gebleken dat het plan geen nadelige effecten heeft en zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL), waardoor de ontwikkeling als aanvaardbaar wordt beschouwd.



3.1.
De omgevingsvergunning maakt het gebruik van de grond voor de ontwikkeling van 40 kleinschalige appartementen (flexwoningen), 10 woonwagenstandplaatsen en de daarbij behorende (openbare) ruimte en de bouw van 40 kleinschalige appartementen mogelijk. De ontwikkeling wordt gerealiseerd op het voormalige evenemententerrein van [plaats 2] en een deel van het aangrenzend perceel. De ontwikkeling bevindt zich ten zuiden van de moskee aan de [adres] .



3.2.
Met het besluit van 10 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden.



Ontvankelijkheid beroep

4. Voordat het beroep inhoudelijk kan worden behandeld, ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het beroep ontvankelijk is.




4.1.
Het bestreden besluit is voorbereid met de uitgebreide procedure en heeft van 17 juli 2025 tot en met 28 augustus 2025 ter inzage gelegen. De wettelijke termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken, zodat 28 augustus 2025 de laatste dag is waarop beroep kon worden ingesteld. Het beroepschrift is op 28 augustus 2025 ingediend door [eisende partij] . Bij dit beroepschrift is een lijst overgelegd met namen en adressen van personen die [eisende partij] machtigen om namens hen in beroep te komen. Bij brief van 28 augustus 2025 heeft de rechtbank [eisende partij] verzocht een schriftelijke machtiging toe te sturen voor alle mede-eisers. Op 24 en 25 september 2025, en op 1 oktober 2025, heeft [eisende partij] lijsten met namen en adressen overgelegd, samen met ondertekende volmachten van op de lijst vermelde personen. Op laatstgenoemde lijsten staan 37 namen en adressen van personen vermeld die niet waren opgenomen op de lijst van mede-indieners bij het aanvankelijke beroepschrift. De namen en adressen van deze 37 personen namens wie mede beroep is ingesteld, zijn daarmee niet tijdig kenbaar gemaakt. Een beroep dat niet binnen de beroepstermijn aanhangig is gemaakt wordt door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard, tenzij de rechtbank van oordeel is dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is de rechtbank niet gebleken. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van deze 37 eisers niet-ontvankelijk zal verklaren.


4.2.
Op grond van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan tegen een besluit beroep worden ingesteld door een belanghebbende. Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te kunnen worden aangemerkt moet een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar belang bij het besluit hebben. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit, mits die gevolgen van enige betekenis zijn. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, zijn de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, van belang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen wegen mee.



4.3.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een groot deel van eisers geen gevolgen van enige ontwikkeling ondervindt van de ontwikkeling. Volgens het college kunnen alleen bewoners in de straten de Wetering en de Hoefslag als belanghebbenden worden aangemerkt, voor zover zij rechtstreeks zicht hebben op het plangebied.



4.4.
Zoals ter zitting met partijen is besproken en vastgesteld is de ontwikkeling van invloed op de leefomgeving van ten minste een deel van de bewoners namens wie het beroep is ingesteld. Het gaat daarbij om gevolgen van enige betekenis. Zij kunnen daarom als belanghebbenden worden aangemerkt. De beroepen zijn daarom in elk geval in zoverre ontvankelijk, zodat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling daarvan.



Formele gronden

5. Eisers verzoeken het verweerschrift buiten beschouwing te laten, omdat dit is ondertekend door de heer [naam 3] van de Omgevingsdienst Midden-Holland (de omgevingsdienst) en uit de stukken niet blijkt dat deze persoon is gemachtigd om namens het college verweer te voeren. Ook de omstandigheid dat het verweerschrift is ingediend op 27 mei 2026, en daarmee buiten de termijn van vier weken die de rechtbank in haar brief van 28 augustus 2025 heeft gesteld, is volgens eisers reden om het verweerschrift buiten beschouwing te laten.




5.1.
De rechtbank ziet in de ondertekening door de heer [naam 3] geen aanleiding het verweerschrift buiten beschouwing te laten. Daartoe is van belang dat het college onder meer ten behoeve van het voeren van verweer en het indienen van verweerschriften mandaat heeft verleend aan de directeur van de omgevingsdienst. De directeur van de omgevingsdienst heeft daarvoor ook ondermaat verleend aan medewerkers van de omgevingsdienst. Ook het tijdstip van indiening van het verweerschrift geeft de rechtbank, zoals ook op zitting toegelicht, geen aanleiding dit buiten beschouwing te laten. De rechtbank heeft het college in de brief van 28 augustus 2025 niet verplicht om een verweerschrift in te dienen, maar daartoe de gelegenheid geboden. Op grond van artikel 8:58 van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Die mogelijkheid kan het college benutten voor het indienen van een verweerschrift. Het verweerschrift is ruimschoots meer dan tien dagen voor de zitting ingediend. Voor strijd met een goede procesorde bestaat daarom ook geen aanknopingspunt.



Toetsingskader

6. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waren vóór 1 januari 2024 onder meer de bestemmingsplanen “Moskee Noordzijde” en “Buitengebied Noord” van kracht. Deze bestemmingsplannen maken dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk (de gemeente). Volgens deze bestemmingsplannen geldt op de locatie de bestemming ‘Agrarisch’.




6.1.
De wettelijke regels die verder van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.



6.2.
Tussen partijen is niet in geschil en de rechtbank stelt ook vast dat de aanvraag niet voldoet aan de bepalingen van het omgevingsplan, omdat het realiseren van woningen en woonwagenstandplaatsen, bedoeld om er te wonen, niet past in de geldende agrarische bestemming.



6.3.
Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een bopa alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.



Adviesrecht gemeenteraad

7. De rechtbank overweegt dat de gemeenteraad van de gemeente Bodegraven Reeuwijk (de gemeenteraad) in het raadsbesluit van 27 oktober 2021 (het raadsbesluit) gevallen heeft aangewezen waarin zij geen gebruik wil maken van haar adviesrecht als bedoeld in artikel 16.15a van de Omgevingswet.




7.1.
Volgens het college is voor de ontwikkeling geen advies van de gemeenteraad nodig, omdat de ontwikkeling valt onder onderdeel 9 van bijlage 2 bij het raadsbesluit.



7.2.
In bijlage 2 bij het raadsbesluit is opgenomen dat advies met instemming van de gemeenteraad vereist is indien het college voornemens is een positief besluit te nemen over een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, behalve in de in bijlage 2 genoemde gevallen. Het onder punt 9 van bijlage 2 genoemde geval betreft ontwikkelingen die in een door de gemeenteraad genomen besluit als ontwikkeling zijn aangewezen of bedoeld en objectief kunnen worden getoetst, zoals een stedenbouwkundig plan of ander (ruimtelijk) kader of actie-/uitvoeringsplan. In de toelichting bij punt 9 is opgenomen dat het hier gaat om ontwikkelingen en/of activiteiten die bijvoorbeeld concreet zijn opgenomen in een door de gemeenteraad vastgestelde beleidsnota, stedenbouwkundig plan of ander (ruimtelijk) kader of actie-/uitvoeringsplan. Voorbeelden hiervan zijn een ontwikkeling in het centrum van [plaats 2] , die als project of ontwikkeling concreet in de uitvoeringsagenda is opgenomen, en een bouwplan waarvoor door de gemeenteraad al eerder een stedenbouwkundig plan is vastgesteld.



7.3.
De rechtbank stelt vast dat de gemeenteraad bij raadsbesluit van 25 oktober 2023 krediet ter beschikking heeft gesteld om 40 tijdelijke woningen en 10 tijdelijke woonwagenstandplaatsen te realiseren op het voormalige evenemententerrein in [plaats 2] en een deel van het aangrenzend perceel. In de Gebiedsvisie Oude Rijnzone van december 2024 is deze voorgenomen ontwikkeling ook opgenomen. Gelet hierop kan de rechtbank het college erin volgen dat op grond van punt 9 van bijlage 2 bij het raadsbesluit geen advies met instemming van de gemeenteraad nodig was.



Locatiekeuze

8. Eisers stellen dat het college deze locatie heeft gekozen zonder participatie van bewoners. Zij hebben verschillende alternatieve locaties binnen de gemeente aangedragen, maar deze zijn afgewezen vanwege door de gemeente opgestelde criteria ten behoeve van de herontwikkeling van het evenemententerrein. Een locatie in de dorpskern van Reeuwijk werd afgewezen, omdat de flexwoningen geëxploiteerd zouden gaan worden door vergunninghoudster en laatstgenoemde niet actief was in Reeuwijk. De Reeuwijkse woningbouwvereniging is inmiddels gefuseerd met vergunninghoudster, zodat dit bezwaar is weggenomen. Desondanks houdt het college vast aan de gekozen locatie. Eisers verzoeken de rechtbank het besluit te vernietigen en het college te gelasten om het locatieonderzoek opnieuw te laten uitvoeren.




8.1.
De rechtbank overweegt dat het college diende te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Dat betekent onder meer dat, als een activiteit op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de vergunning kan leiden, als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. Het is aan degene die stelt dat er alternatieven zijn om deze alternatieven te benoemen en aannemelijk te maken dat op voorhand duidelijk is dat verwezenlijking van het alternatief een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren oplevert.



8.2.
Het college heeft de aanvraag beoordeeld en stelt zich mede op grond van de onderbouwing fysieke leefomgeving op het standpunt dat wordt voldaan aan het criterium evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit wat eisers hebben aangevoerd volgt niet dat er alternatieve locaties zijn waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Eisers hebben uitsluitend gewezen op een niet nader omschreven locatie in de dorpskern van Reeuwijk. Daarbij hebben eisers niet concreet gemaakt dat op een alternatieve locatie een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. Daarbij wijst de rechtbank erop dat het aan degene is die stelt dat er alternatieven zijn om deze alternatieven te benoemen en aannemelijk te maken dat op voorhand duidelijk is dat verwezenlijking van het alternatief een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren oplevert.



8.3.
Het betoog slaagt niet.



Structuurvisie Noordzijde 2009

9. Eisers stellen dat de ontwikkeling niet past in de Structuurvisie Noordzijde 2009 (de structuurvisie). In de structuurvisie is de locatie bestemd voor permanente woningbouw in een parkachtige omgeving. Tijdens de beroepsprocedure bij de Afdeling tegen het bestemmingsplan “Moskee Noordzijde” in 2012 heeft de gemeenteraad volgens eisers meermalen bevestigd uitvoering te willen geven aan de structuurvisie. Het college wijkt hiervan af door een nieuwe gebiedsvisie te maken waarin de ontwikkeling voor tijdelijke woningen wel past. Vanwege het eerder opgewekte vertrouwen had het bestreden besluit niet verleend mogen worden, aldus eisers.




9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat, gelet op nieuwe maatschappelijke opgaven en beleidswijzingen sinds 2012, niet van hem verwacht kan worden gebonden te blijven aan gestelde verwachtingen die in 2012 zouden zijn gewekt. Het bestreden besluit is genomen in overeenstemming met de op dat moment geldende beleidskaders.



9.2.
De rechtbank stelt voorop dat het de gemeente vrij staat om na verloop van tijd beleid te actualiseren vanwege veranderende maatschappelijke opgaven en nieuwe inzichten over de aanpak daarvan. De nieuwe inzichten en opgaven zijn opgenomen in de op 15 december 2021 vastgestelde gemeentelijke Toekomstvisie (de toekomstvisie) en daarna verder uitgewerkt in de Gebiedsvisie Oude Rijnzone 2024 (de gebiedsvisie). Het beleidskader voor de realisatie van de tijdelijke woningen en woonwagenstandplaatsen wordt daarom niet langer gevormd door de structuurvisie, maar door de gebiedsvisie die na een participatietraject met onder meer omwonenden tot stand is gekomen.



9.3.

Naar het oordeel van de rechtbank kan aan eventuele mededelingen van de gemeenteraad in 2012 dat uitvoering zal worden gegeven aan de structuurvisie, niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat ook na wijziging van het beleid woningbouw zou worden uitgevoerd zoals was voorzien in de structuurvisie.
Voor zover eisers betogen dat het beleid van na de structuurvisie mede is ingegeven door voornemens om woningen zoals de nu vergunde woningen toe te staan, kan dat geen doel treffen. Ook als in het beleid is geanticipeerd op de nu vergunde ontwikkeling, betekent dat niet dat dit niet als toetsingskader voor vergunningverlening zou mogen gelden.




9.4.
Ten aanzien van de toekomstvisie en de daarin opgenomen dorpsvisie voor Bodegraven hebben eisers aangevoerd dat de ontwikkeling niet bijdraagt aan het gewenste dorpse karakter waarbij inwoners betrokken zijn bij het dorp en deelnemen aan het verenigingsleven. De rechtbank is van oordeel dat de participatie van toekomstige bewoners van de tijdelijke woningen en woonwagens aan de dorpsgemeenschap geen betrekking heeft op de fysieke leefomgeving en daarom niet relevant is voor de vraag of sprake is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft hierin dan ook geen aanleiding hoeven zien om de omgevingsvergunning te weigeren. Gelet op de toelichting ter zitting van het college en vergunninghoudster acht de rechtbank het overigens niet aannemelijk dat toekomstige bewoners van de tijdelijke woningen en woonwagens geen band zouden kunnen opbouwen met het dorp of een bijdrage zouden kunnen leveren aan de dorpsgemeenschap.



9.5.
Het betoog slaagt niet.



Stikstof en duurzaamheid

10. Eisers stellen dat de ontwikkeling wordt uitgevoerd door een bedrijf dat 145 km van Bodegraven verwijderd ligt. Volgens eisers zal dat resulteren in vele duizenden kilometers aan transport van materialen en werknemers. De daarmee gepaard gaande stikstofuitstoot is ten onrechte niet meegenomen in de stikstofberekeningen. De ontwikkeling is volgens eisers ook in strijd met het geldende duurzaamheidsbeleid van de gemeente.




10.1.
In de onderbouwing fysieke leefomgeving zijn conclusies van het voor deze ontwikkeling opgenomen stikstofonderzoek opgenomen, die er samengevat toe strekken dat de totale depositie van stikstof in zowel de aanleg- als de gebruiksfase geen effecten zal hebben op het relevante Natura 2000-gebied. Eisers hebben deze beoordeling niet gemotiveerd betwist. Daarmee hebben eisers niet onderbouwd dat sprake is van een gebrek aan het stikstofonderzoek. Het college kon daarom van de conclusies van dit stikstofonderzoek uitgaan. Eisers hebben verder niet concreet gemaakt dat het bouwen van tijdelijke woningen in strijd is met gemeentelijk beleid met betrekking tot duurzaamheid en de fysieke leefomgeving.



10.2.
Het betoog slaagt niet.



Ecologisch onderzoek

11. Eisers stellen dat het college het door Watersnip Advies uitgevoerde ecologisch onderzoek niet aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Dit adviesbureau is een grote subsidieontvanger van de gemeente. Dit wekt volgens eisers op zijn minst de schijn van belangenverstrengeling.




11.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van belangenverstrengeling. De gemeente geeft geen subsidie aan het adviesbureau.



11.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze zogeheten vergewisplicht is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor een uit de wet voortvloeiende adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies van de door hem geraadpleegde deskundige afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op hetgeen een partij ten aanzien van het advies heeft aangevoerd.



11.3.
De rechtbank stelt vast dat eisers de bevindingen van het adviesbureau inhoudelijk niet hebben betwist. Een eventuele subsidierelatie tussen de gemeente en het adviesbureau, die overigens door het college wordt betwist, brengt niet met zich dat geen sprake is van een deskundig advies.



11.4.
Het betoog slaagt niet.



Verkeer

12. Eisers vrezen voor verkeershinder en een verkeersonveilige situatie als gevolg van de ontwikkeling. Het college heeft volgens hen niet onderbouwd dat de verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling inpasbaar zijn op het bestaande wegennet. De door het college gebruikte verkeerstelling uit 2021 is niet representatief, omdat thuiswerken vanwege de Corona-pandemie toen de norm was. Ten onrechte is geen rekening gehouden met de duidelijke toename van verkeer die is af te leiden uit de verkeerstelling uit 2024. Dat geldt ook voor de toenemende verkeersstromen en verkeersproblematiek op de A12 en de N11. Veel automobilisten maken daarom gebruik van de sluiproute over de [straatnaam] . Daarnaast is niet deugdelijk onderbouwd dat de veiligheid bij het oversteken van de [straatnaam] wordt gewaarborgd. De inrit van de beoogde ontwikkeling bevindt zich na de bocht. Op die plek maken auto’s weer snelheid. Het college maakt melding van een aan te leggen voorziening, maar deze voorziening is niet opgenomen in de omgevingsvergunning. Uit het onderzoek dat het college achteraf heeft laten uitvoeren door bureau Exante blijkt dat de verkeerssituatie op vier punten niet voldoet aan de geldende veiligheidseisen. Deze punten worden volgens eisers vervolgens door bureau Exante gerelativeerd, terwijl blijft staan dat de verkeerssituatie niet veilig is.



12.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de verkeerssituatie goed in beeld is gebracht. De verkeersintensiteit is veel lager dan de capaciteit die de weg maximaal aan zou kunnen. Ook de verkeersveiligheid wordt volgens het college voldoende gewaarborgd. Het college verwijst naar de bij het verweerschrift gevoegde bijlage 1 “Verkeersgegevens PZH Burg. Kremerweg 2022 (458410930 Jaarrapport2022)”, die aansluit op de intensiteiten waarvan in de onderbouwing fysieke leefomgeving is uitgegaan.



12.2.
De rechtbank stelt vast dat het plangebied aan de noordzijde wordt ontsloten op de [straatnaam] . Niet in geschil is dat deze weg, die onderdeel is van de N458, ter hoogte van het plangebied als een gebiedsontsluitingsweg met een maximale rijsnelheid van 80 km/h en tweemaal één rijstrook moet worden gekwalificeerd. Evenmin is in geschil dat de capaciteit van een dergelijk wegvak, volgens het “Handboek wegontwerp buiten de bebouwde kom” van kennisplatform CROW ongeveer 1.500 PAE (Personen Auto Equivalent) per uur per richting is. In de onderbouwing fysieke leefomgeving is opgenomen dat de ontwikkeling een gemiddelde verkeersgeneratie van 156 motorvoertuigbewegingen per etmaal met zich brengt. Eisers hebben deze gemiddelde verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling niet weersproken.



12.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ontwikkeling voor wat betreft de verkeersintensiteit inpasbaar is en kan worden ontsloten op de [straatnaam] . Het college heeft daarbij kunnen afgaan op de verkeersaantallen die zijn opgenomen in bijlage 1 bij het verweerschrift. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat de verkeersintensiteit te laag is ingeschat omdat het om cijfers uit 2021 zou gaan. Weliswaar staat bij de meetpuntinformatie van deze verkeersgegevens het jaartal 2021 vermeld, maar uit de in aanmerking genomen jaarcijfers volgt dat ook die uit 2022 zijn meegenomen. Bovendien blijkt uit de verkeersgegevens 2022 dat slechts sprake is van een beperkte toename tussen 2021 en 2022 in de verkeersintensiteit van 4.959 naar 5.043 motorvoertuigen per etmaal op werkdagen. Als wordt uitgegaan van alle weekdagen valt de verkeersintensiteit zelfs lager uit. Uit de verkeersgegevens 2022 blijkt verder dat tijdens het drukste moment op werkdagen (tussen 16:45 en 17:45) de verkeersintensiteit 543 motorvoertuigen per uur is. Uit een in opdracht van de gemeente uitgevoerde verkeerstelling uit 2024 blijkt weliswaar dat de verkeersintensiteit op de [straatnaam] ten opzichte van 2022 is toegenomen, maar rekening houdend met de gemiddelde verkeersgeneratie die de ontwikkeling met zich brengt, blijft de totale verkeersintensiteit nog steeds ruim onder de maximale capaciteit van de weg. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat geen rekening is gehouden met motorvoertuigen die zouden omrijden via de [straatnaam] om de A12 en de N11 te mijden. Bij de uitgevoerde verkeerstellingen is rekening gehouden met alle motorvoertuigen die over de [straatnaam] rijden. Voor zover de verkeersintensiteit als gevolg van de gestelde verkeersproblematiek op de A12 en de N11 thans verder zou zijn toegenomen op de [straatnaam] , is dat een omstandigheid die dateert van na het bestreden besluit waarmee het college geen rekening heeft hoeven houden.



12.4.
De rechtbank volgt eisers voorts niet in hun betoog dat bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de verkeersveiligheid. In het bestreden besluit heeft het college toegelicht dat de kruising zal worden aangepast en dat in de middengeleider een opstelplaats voor voetgangers zal worden gemaakt, zodat in het midden kan worden gewacht en gefaseerd oversteken mogelijk wordt. Op die wijze kunnen voetgangers, ook in drukkere periodes op de dag, volgens het college voldoende veilig oversteken. De rechtbank ziet geen aanleiding het college hierin niet te volgen. Daarbij betrekt de rechtbank dat het college bureau Exante heeft ingeschakeld voor een nader onderzoek naar de verkeersveiligheid. De conclusie van het rapport van Exante van 3 april 2026 luidt dat het ontwerp en de inrichting van het kruispunt verkeersveilig zijn. Weliswaar wordt op een viertal onderdelen van het ontwerp niet voldaan aan de eisen en richtlijnen uit het provinciale Handboek Ontwerpcriteria Wegen 5.0, maar daarvoor geldt een goede verkeerskundige rechtvaardiging om daarvan af te wijken. Eisers plaatsen vraagtekens bij het afwijken van richtlijnen, maar hebben niet concreet onderbouwd waarom de conclusies van het rapport daarmee niet zouden kunnen worden gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank bevestigt dit rapport het in het bestreden besluit ingenomen standpunt van het college over verkeersveiligheid.



12.5.
Ter zitting heeft het college toegelicht dat de gemeente zorg zal dragen voor de aanleg van de benodigde oversteekplaats als onderdeel van het bouwrijp maken van de locatie. Daarvan uitgaande zal de oversteekplaats zijn gerealiseerd voordat de woningen in gebruik worden genomen.



12.6.
Het betoog slaagt niet.





Parkeren

13. Eisers stellen dat de ontwikkeling in onvoldoende parkeerplaatsen voorziet. Er worden slechts 28 parkeerplaatsen voor 40 flexwoningen gerealiseerd. Het college houdt zich niet aan de eigen parkeernormen voor nieuwbouw. Ook heeft het college ten onrechte rekening gehouden met parkeernormen die gelden binnen de bebouwde kom, terwijl de locatie buiten de bebouwde kom ligt. Op die locatie gelden strengere parkeereisen. Eisers wijzen in dit verband op de beleidsregels ‘Wonen in het Buitengebied’ van 20 januari 2026.




13.1.
Het college heeft de parkeerbehoefte voor de ontwikkeling op basis van de ten tijde van het bestreden besluit geldende Nota parkeernormen (de Nota parkeernormen) vastgesteld op 28 parkeerplaatsen voor de flexwoningen en 16 voor de woonwagenplaatsen. Op basis van de Nota parkeernormen worden de parkeernormen, naar eisers niet hebben betwist, gebaseerd op het gemiddelde van de kengetallen uit de CROW-publicatie 317. Zowel op basis van CROW-publicatie 317 als op de daarop volgende CROW-publicatie 381 komt het college uit op een parkeernorm van gemiddeld 0,7 per flexwoning en gemiddeld 1,6 per woonwagenstandplaats. Voor de flexwoningen heeft het college daarbij aansluiting gezocht bij de gemiddelde CROW-kencijfers die gelden voor kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten) dan wel tiny houses. Voor de woonwagenstandplaatsen is het college uitgegaan van de gemiddelde CROW-kencijfers die gelden voor “huur, huis, sociale huur”. Voor het plangebied is daarbij uitgegaan van een matig stedelijk gebied in de rest van de bebouwde kom. Omdat parkeren op de eigen woonwagenstandplaats is voorzien, en deze parkeerplaatsen niet door andere bewoners kunnen worden gebruikt, worden er twee parkeerplaatsen op elke standplaats gerealiseerd. De 28 parkeerplaatsen ten behoeve van de tijdelijke flexwoningen worden in de openbare ruimte nabij de tijdelijke woningen gerealiseerd, aldus het college.



13.2.
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is het college naar het oordeel van de rechtbank terecht uitgegaan van de parkeernormen uit de Nota parkeernormen, waarnaar ook het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Parapluplan Parkeren [plaats 2] -Reeuwijk” verwijst. Met beleidsregels ‘Wonen in het Buitengebied’ heeft het college geen rekening hoeven houden. Niet alleen dateren deze beleidsregels van na het bestreden besluit, ook bevatten deze geen kwantitatieve parkeernormen. De rechtbank kan het college verder volgen in zijn standpunt dat voor het plangebied, gelet op de ligging ervan, kan worden aangesloten bij de mate van stedelijkheid die geldt voor het gebied dat direct grenst aan het plangebied. Voor het bepalen van de parkeernormen heeft het college daarom kunnen uitgaan van een matig stedelijk gebied.



13.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college een parkeernorm van 0,7 per flexwoning kunnen toepassen. Het college heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat de beoogde tijdelijke woningen klein van omvang zijn. Het gaat om studio’s van ongeveer 23 m² en tweekamerappartementen van ongeveer 34 m². Deze woningen zijn primair bedoeld voor één- en soms tweepersoonshuishoudens. De rechtbank kan het college erin volgen dat een dergelijke geringe omvang goed vergelijkbaar is met de categorie kamerverhuur en die van tiny houses uit de parkeerkencijfers zoals opgenomen in de CROW-publicatie 317 en 381. Voor de parkeernorm heeft het college daarom kunnen aansluiten bij die voor kamerverhuur en tiny houses in plaats van die voor sociale huurwoningen. Ook heeft het college voldoende toegelicht dat de hogere parkeernorm voor woonwagens als achtergrond heeft dat deze een stuk groter mogen zijn dan de flexwoningen en dat deze daardoor meer vergelijkbaar zijn met reguliere sociale huurwoningen.



13.4
Het betoog slaagt niet.



Maximale duur tijdelijke flexwoningen

14. Eisers stellen dat het college in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel geen duidelijkheid verschaft over de vraag of de verleende termijn van 15 jaar de maximale termijn is.




14.1.
De rechtbank overweegt dat het college dient te beslissen op de aanvraag die is ingediend. Dat geldt ook voor de verzochte termijn. De rechtbank stelt vast de ontwikkeling is aangevraagd voor een periode van 15 jaar. Het bestreden besluit gaat niet over de periode na die 15 jaar. Mocht het college de ontwikkeling langer op deze locatie willen toestaan, dan is daarvoor een nieuwe omgevingsvergunning nodig. De omstandigheid dat nog niet duidelijk is wat er met de tijdelijke ontwikkeling gaat gebeuren na de verleende periode van 15 jaar, betekent dus niet dat het college het bestreden besluit niet had mogen verlenen.



Woonwensen

15. Eisers stellen dat de flexwoningen niet voldoen aan de woonwensen van de beoogde bewoners, waardoor er een groot verloop zal zijn die veel hoger is dan voor reguliere huur- of koopwoningen. Dit komt de sociale cohesie binnen de flexcomplexen en de buurt niet ten goede.




15.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat, voor zover eisers hiermee een beroep doen op het algemene belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, de woonwensen van de beoogde bewoners geen betrekking hebben op de eigen belangen van eisers. De rechtbank volgt het college hierin. De door eisers ingeroepen norm strekt niet tot bescherming van het belang van eisers. De beroepsgrond van eisers strandt daarmee op het relativiteitsvereiste en kan daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.



Bijdrage aan de woonvoorraad?

16. Eisers stellen dat diverse publicaties aantonen dat het bouwen van flexwoningen niet bijdraagt aan de vergroting van de woonvoorraad.




16.1.
De rechtbank begrijpt eisers aldus dat zij betwisten dat ter plaatse behoefte is aan flexwoningen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende onderbouwd dat er behoefte is aan dit type woningen en dat deze behoefte wordt ingevuld via toewijzing door vergunninghoudster. In de verwijzing van eisers naar publicaties die kanttekeningen plaatsen bij flexwoningen als oplossing voor de vergroting van de woonvoorraad, ziet de rechtbank dan ook geen concrete aanknopingspunten om te oordelen dat het college deze flexwoningen niet heeft kunnen beschouwen als een oplossing voor de woningbehoefte binnen de gemeente.



16.2.

Het betoog slaagt niet.

Fair play

17. Eisers stellen dat de gemeente niet eerlijk heeft gehandeld door afspraken te maken met een aantal omwonenden, waarbij ook de voorwaarde is gesteld dat geen beroep zou worden aangetekend tegen het bestreden besluit.




17.1.
Het college betwist de door eisers gestelde voorwaarde over het afzien van beroep te hebben gesteld. Afgezien daarvan, overweegt de rechtbank dat een eventuele afspraak met die strekking geen grond kan vormen voor onrechtmatigheid van het bestreden besluit.



17.2.
Het betoog slaagt niet.



Conclusie ETFAL

18. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de ontwikkeling, voor zover van het omgevingsplan wordt afgeweken, voldoet aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.





Conclusie en gevolgen

19. Het beroep van 37 eisers is niet-ontvankelijk. Het beroep van de overige eisers is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep van de volgende eisers niet-ontvankelijk:

[naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] , [naam 12] , [naam 13] , [naam 14] , [naam 15] , [naam 16] , [naam 17] , [naam 18] , [naam 19] , [naam 20] , [naam 21] , [naam 22] , [naam 23] , [naam 24] , [naam 25] , [naam 26] , [naam 27] , [naam 28] , [naam 29] , [naam 30] , [naam 31] , [naam 32] , [naam 33] , [naam 34] , [naam 35] , [naam 36] , [naam 37] , [naam 38] , [naam 39] , [naam 40] ;
- verklaart het beroep van de overige eisers ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Omgevingswet




Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.



Een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet wordt in de bijlage bij die wet gedefinieerd als:



een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,


een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of


een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.




Uit artikel 22.1 van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, volgt dat het tijdelijke deel van het omgevingsplan onder meer bestaat uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan.




Omgevingsplan Bodegraven-Reeuwijk




Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan Bodegraven-Reeuwijk (het omgevingsplan) is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.



Ingevolge artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4.




Parapluplan parkeren Bodegraven-Reeuwijk




Artikel 1.23
Parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, waarvan het aantal parkeerplaatsen en de omvang daarvan voldoet aan het geldende parkeerbeleid van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk.



Artikel 3.1
Het planologisch toegelaten gebruik van gronden, zoals na oprichting van een gebouw en bij verandering van functie of uitbreiding van bestaand gebruik, is slechts toegestaan als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen en in stand wordt gehouden. Bij een aanvraag omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag pas een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten bouwen en/of het gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening als er sprake is van voldoende parkeergelegenheid en voldoende laad- en losvoorzieningen. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen, indien:

a. voldaan wordt aan de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren en laden en lossen, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning;
(…).


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271.


Mandaatbesluit Bodegraven-Reeuwijk - Omgevingsdienst Midden-Holland 2026 (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR749560).


Ondermandaatbesluit en bevoegdhedenlijst ODMH 2025 (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR730973).


Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.


https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR724021/1.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4559, rechtsoverwegingen 7.3 en 7.4.


ECLI:NL:RVS:2012:BX1112.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4910.


Besluit van de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk tot vaststelling beleidsregels voor de uitvoering van de beleidsnotitie ‘Wonen in het buitengebied (erfdelen)’ (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR759002).


Artikel 8:69a van de Awb.