Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26862

2026-09-16 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/09/702558
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-16
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/702558
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Rechtspersonenrecht. Beëindiging lidmaatschap coöperatieve vereniging van eigenaren winkelcentrum (art. 2:60 BW). Onmiddellijke opzegging (art.2:36, eerste lid, tweede volzin, BW). Derdenbeding. Wijziging van omstandigheden na renovatie winkelcentrum. Geen vergoeding meer verschuldigd waar voormalig lid geen voordeel van heeft. Wel (beperktere) vergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW).

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.706 tekens)
RECHTBANK Den Haag


Team Handel



Zaak–/rolnummer: C/09/702558 / HA ZA 26-343





Vonnis van 16 september 2026





in de zaak van




COÖPERATIEVE VERENIGING VAN EIGENAREN

WINKELCENTRUM LEIDSENHAGE U.A.,
te Leidschendam-Voorburg,
eisende partij,
hierna te noemen: de coöperatie,
advocaat: mr. J.A.C. Donkersloot,



tegen





[gedaagde partij]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. R. de Mooij.






1De procedure


1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 26 maart 2026 met producties 1 tot en met 10;- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de spreekaantekeningen van mr. Donkersloot.



1.2.
De mondelinge behandeling werd gehouden op 6 augustus 2026. Namens de coöperatie waren aanwezig de heer [persoon 1] , voorzitter van de coöperatie, bijgestaan door haar advocaat mr. Donkersloot. Namens [gedaagde partij] waren aanwezig de heren [persoon 2] en [persoon 3] , bijgestaan door de advocaten mr. De Mooij voornoemd en mr. G. Kerver.


1.3.
De advocaten en partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht, mr. Donkersloot aan de hand van spreekaantekeningen. Verder hebben zij vragen van de rechtbank beantwoord en over en weer op elkaars standpunten gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting. Uiteindelijk is een datum voor vonnis bepaald.





2De kern van de zaak


2.1.
De coöperatie is een vereniging van de gezamenlijke eigenaren in het winkelcentrum Westfield Mall of the Netherlands (hierna: het winkelcentrum) die beheer en onderhoud verzorgt in het winkelcentrum. [gedaagde partij] is al meer dan vijfentwintig jaar eigenaar van drie horecapaviljoens gelegen aan de waterkant van het winkelcentrum en ook zo lang lid van de coöperatie. Hij heeft in juli 2024 het lidmaatschap van de coöperatie opgezegd omdat hij vindt dat de bijdragen die hij aan de coöperatie betaalt over de jaren enorm gestegen zijn en bestemd zijn voor zaken waar hij met zijn paviljoens niet van profiteert. De coöperatie vindt dat [gedaagde partij] ondanks opzegging van het lidmaatschap nog steeds gebonden is aan zijn bijdrageverplichting. Die verplichting is namelijk via een derdenbeding vastgelegd toen [gedaagde partij] zijn panden in eigendom verwierf. De rechtbank is van oordeel dat van [gedaagde partij] in redelijkheid niet gevergd kan worden lid te blijven van de coöperatie en mee te betalen aan voorzieningen waarvan hij geen voordeel heeft.




3De feiten


3.1.


[gedaagde partij] is eigenaar van drie horecapaviljoenen gelegen aan de waterkant van het winkelcentrum. Bij de verwerving van de eigendom van dit vastgoed is [gedaagde partij] destijds via de respectievelijke aktes van levering gebonden aan een derdenbeding ten gunste van de coöperatie dat (gelijkluidend in de drie aktes) luidt als volgt:

“Lidmaatschap
Ter behartiging van de belangen van de eigenaren/zakelijk genotsgerechtigden in het winkelcentrum Leidsenhage te Leidschendam, is opgericht de coöperatie: Coöperatieve Vereniging van Eigenaren in het Winkelcentrum Leidsenhage U.A.
Ten aanzien van het verkochte en gemelde coöperatie zijn verkoper en koper, bij wijze van derdenbeding, het navolgende overeengekomen:

1. a. de koper is verplicht bij te dragen in de kosten van beheer, onderhoud, verzekeringen, promotie etcetera, tezamen met de andere eigenaren/leden in de coöperatie en wel op de wijze als bepaald is in de statuten van gemelde coöperatie;
b. de koper is verplicht lid te worden en te blijven van genoemde coöperatie;
c. de koper is verplicht tot nakoming van alle verplichtingen welke bij of krachtens de statuten en het huishoudelijk reglement van de coöperatie zullen worden vastgesteld.”



3.2.
Veertig jaar na de opening was het winkelcentrum toe aan een grondige renovatie. De Gemeente Leidschendam-Voorburg, de coöperatie en de projectontwikkelaar Unibail-Rodamco-Westfield (hierna: URW) hebben daar het initiatief toe genomen. URW heeft in dat kader grote delen van tot het winkelcentrum behorend vastgoed van de gemeente en van andere vastgoedeigenaren gekocht en is daarmee ook lid geworden van de coöperatie. In de ledenvergadering van de coöperatie beschikt zij momenteel over ongeveer 94,2% van de stemmen.



3.3.
Het winkelcentrum is vanaf 2016 grootscheeps gerenoveerd en verbouwd. Het eerste deel van het verbouwde winkelcentrum is in november 2018 geopend, het complete vernieuwde complex in maart 2021.


3.4.
Bij brief van 19 juli 2024 heeft [gedaagde partij] het lidmaatschap met onmiddellijke ingang opgezegd.



3.5.

[gedaagde partij] heeft tot en met het derde kwartaal van 2024 de verschuldigde bijdragen aan de coöperatie betaald. Sinds het vierde kwartaal van 2024 betaalt [gedaagde partij] niet meer.





4Het geschil


4.1.
De coöperatie vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
- [gedaagde partij] veroordeelt om aan de coöperatie € 214.119,66 aan achterstallige bijdragen, contractuele boete en buitengerechtelijke (incasso)kosten inclusief BTW te betalen, alsook de boete van 1,25% per maand per achterstallig kwartaal vanaf april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
- [gedaagde partij] veroordeelt in de kosten van deze procedure.



4.2.
De hoofdsom bestaat uit achterstallige facturen van € 180.609,87 voor servicekosten, vermeerderd met boetes van € 30.386,96 op grond van art. 5.4 sub a van de statuten van de coöperatie en met buitengerechtelijke kosten van € 3.123,13 inclusief BTW. De coöperatie legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De coöperatie stelt zich op het standpunt dat [gedaagde partij] het lidmaatschap niet met onmiddellijke ingang kon opzeggen maar pas voor het eerst per 31 december 2025. De opzegging van het lidmaatschap leidt er niet toe dat de betalingsverplichtingen van [gedaagde partij] zijn beëindigd, zodat [gedaagde partij] gehouden is tot betaling.



4.3.

[gedaagde partij] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de coöperatie, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de coöperatie, met veroordeling van de coöperatie in de kosten van deze procedure. [gedaagde partij] is van mening dat zijn onmiddellijke opzegging van het lidmaatschap van de coöperatie per 19 juli 2024 rechtsgeldig is. De beëindiging van zijn lidmaatschap betekent volgens hem ook dat zijn bijdrageplicht aan de coöperatie is geëindigd.



4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling



Het lidmaatschap en de opzegbaarheid daarvan




5.1.
De rechtbank oordeelt dat de opzegging van het lidmaatschap van de coöperatie met onmiddellijke ingang door [gedaagde partij] per brief van 19 juli 2024 rechtsgeldig is.


5.2.
De coöperatie is een bijzondere vorm van een vereniging als bedoeld in Boek 2, Titel 3, van het Burgerlijk Wetboek (BW) en niet een vereniging in de zin van Boek 5 BW (de vereniging van eigenaars van appartementsrechten) waarvoor een ander wettelijk kader geldt. Partijen zijn het erover eens dat het [gedaagde partij] (op grond van artikel 2:60 BW) vrijstond zijn lidmaatschap van de coöperatie te beëindigen, ondanks artikel 1 sub b van het derdenbeding uit de leveringsakte (zie 3.1), welke bepaling op grond van artikel 2:60 BW in zoverre voor niet geschreven moet worden gehouden.



5.3.
Met betrekking tot de te hanteren opzegtermijn van het lidmaatschap staat onweersproken vast dat via artikel 5, vijfde lid, van de statuten van de coöperatie (hierna: de statuten) rechtsgeldig de toepasselijkheid van artikel 2:36, eerste lid, eerste volzin, en artikel 2:36, derde lid, BW is uitgesloten. In de statuten is niets opgenomen over de opzegging van het lidmaatschap door een lid van de coöperatie en de statuten voorzien (dus) ook niet in een opzegtermijn daarvoor. Dat betekent dat de opzegtermijn wordt bepaald door artikel 2:36, eerste lid, tweede volzin, BW. Het lidmaatschap kan door [gedaagde partij] worden opgezegd tegen het einde van het boekjaar, volgend op dat waarin wordt opgezegd, of onmiddellijk, als redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.



De onmiddellijke opzegging is rechtsgeldig.





5.4.
Beoordeeld dient te worden of van [gedaagde partij] redelijkerwijs niet gevergd kon worden om het lidmaatschap te laten voortduren. [gedaagde partij] heeft voor de opzegging een aantal redenen genoemd die er – samengevat – op neerkomen dat hij sinds de aanvang van de verbouwing in 2016 is geconfronteerd met tal van beslissingen van zowel de coöperatie als URW die zijn positie als eigenaar van de horecapaviljoens in meer of mindere mate negatief raakten.



5.5.
Zo kwam door verplaatsing als gevolg van de renovatie de trambaan en -halte direct tussen zijn paviljoens en de ingang van het winkelcentrum te liggen waarmee hij een geïsoleerde en verslechterde ligging ten opzichte van het winkelcentrum kreeg. Daarnaast werd jarenlang in de bewegwijzering binnen het winkelcentrum niet naar de horeca-paviljoens van [gedaagde partij] verwezen. Ondertussen werden binnenin het winkelcentrum wel nieuwe horecagelegenheden geopend waar wel naar werd verwezen.


5.6.
Het belangrijkste bezwaar dat [gedaagde partij] – onweersproken – aanvoert is dat tussen 2016 (voor de verbouwing) en 2025 de bijdragen aan de coöperatie verviervoudigd zijn. Sinds de opening van het verbouwde winkelcentrum in 2021 zijn die servicekosten met ongeveer 40% gestegen. De horecapaviljoens staan los van het hoofdgebouw van het winkelcentrum (zoals op onderstaande foto goed te zien is, de drie horecapaviljoens heeft de rechtbank rood omlijnd, met daarboven (een deel van) het hoofdgebouw van het winkelcentrum). De steeds hoger oplopende kosten van het winkelcentrum zijn volgens [gedaagde partij] vooral bestemd voor voorzieningen in het hoofdgebouw van het winkelcentrum waar zijn horecapaviljoens geen onderdeel van uitmaken en geen (direct) voordeel van hebben, zoals kosten van dakbedekking, sprinklerinstallaties, roltrapinstallaties, schoonmaak, toiletten en interne bewegwijzering. Voor zover aan de orde komen dergelijke voorzieningen voor de horecapaviljoens van [gedaagde partij] voor zijn rekening. Voorheen werden de sedumdaken van de horecapaviljoens van [gedaagde partij] ook door de coöperatie onderhouden, maar dit onderhoud door de coöperatie is zonder reden in 2024 gestopt.











5.7.

[gedaagde partij] heeft onderbouwd gesteld dat hij zijn bezwaren in het verleden regelmatig kenbaar heeft gemaakt en heeft getracht met zowel de coöperatie als URW – die zowel als exploitant van het winkelcentrum als ook vanwege de stemmeerderheid binnen de coöperatie een doorslaggevende stem had en heeft in alle maatregelen – tot nadere afspraken te komen. [gedaagde partij] heeft samen met andere leden van de coöperatie aangedrongen op de inschakeling van een neutrale derde om de alsmaar stijgende servicekosten van het winkelcentrum te laten onderzoeken. Daar is door de coöperatie geen gevolg aan gegeven. [gedaagde partij] heeft zelf berekend dat van de door hem betaalde bijdragen aan de coöperatie de laatste jaren maar ongeveer 10% is voor voorzieningen waar zijn paviljoens van profiteerden en heeft zich ook bereid verklaard om een dergelijke bijdrage te betalen.



5.8.
Het verweer van de coöperatie dat [gedaagde partij] tegen de voor hem kennelijk nadelige besluitvorming van de coöperatie had kunnen optreden maar dat heeft nagelaten, gaat niet op. De rechtbank is van oordeel dat voldoende vaststaat dat [gedaagde partij] herhaaldelijk geprobeerd heeft met de coöperatie tot een oplossing te komen, maar dat de coöperatie hiertoe niet bereid was. Van [gedaagde partij] kon, mede gezien het voorgaande, niet verlangd worden dat hij – alvorens tot onmiddellijke beëindiging van zijn lidmaatschap over te gaan – eerst nog formeel tegen de besluitvorming had opgetreden, mede gezien de doorslaggevende stem van URW binnen de coöperatie en de in de statuten opgenomen uitsluiting van de mogelijkheid om tegen geldelijke verplichtingen op te komen.



5.9.
Verder is van belang dat de bijdrageplicht voor leden van de coöperatie, zoals die is opgenomen in de leveringsakte, na de renovatie niet is aangepast, terwijl de feitelijke situatie geheel anders is geworden. Belangrijkste verschil is dat het complex van het nieuwe winkelcentrum volledig is afgesloten en is voorzien van airco en allerhande voorzieningen, terwijl de horecapaviljoens van [gedaagde partij] niet een dergelijke upgrade hebben ondergaan. Daarmee staat vast dat [gedaagde partij] van een groot deel van de genoemde voorzieningen geen enkel voordeel heeft en doet de bijdrageplicht op basis van de statuten niet langer recht aan de huidige situatie. Die situatie is zodanig dat [gedaagde partij] na de verbouwing van het winkelcentrum financieel onevenredig bijdraagt op basis van de in de statuten opgenomen bijdrageverplichting, die is gebaseerd op de situatie voor de verbouwing, waarbij het inmiddels bestaande verschil tussen de horecapaviljoens van [gedaagde partij] en de rest van het winkelcentrum niet zo groot was als nu en de kosten van de exploitatie van het oude winkelcentrum ook in geen enkele verhouding staan tot de nieuwe situatie.



5.10.
Gezien het voorgaande mocht [gedaagde partij] op grond van artikel 2:36, eerste lid, tweede volzin, BW zijn lidmaatschap van de coöperatie bij brief van 19 juli 2024 met onmiddellijke ingang opzeggen omdat van hem in redelijkheid niet gevergd kon worden zijn lidmaatschap van de coöperatie (in het bijzonder de (te) hoge financiële bijdragen) langer te laten voortduren. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [gedaagde partij] voorafgaand aan die opzegging meermaals tevergeefs heeft getracht op andere wijze tot een oplossing te komen.



Geen contractuele bijdrageplicht na beëindiging van het lidmaatschap





5.11.
Beëindiging van het lidmaatschap heeft tot gevolg dat ook op grond van het derdenbeding [gedaagde partij] niet tot enige bijdrage is gehouden. Voor de bijdrageverplichting in het derdenbeding wordt voor de omvang van de bijdrageverplichtingen verwezen naar de statuten van de coöperatie. Artikel 5 van de statuten bepaalt dat de bijdragen in de coöperatie worden geheven “van ieder lid naar evenredigheid van het aantal stemmen dat hij in de algemene ledenvergadering kan uitbrengen”. Een bepaling waaruit volgt dat ook anderen dan leden (zoals voormalig leden) bijdragen betalen ontbreekt in de statuten. [gedaagde partij] heeft als voormalig lid nul stemmen, zodat zijn bijdrageplicht op grond van artikel 5 van de statuten op nul uitkomt.



Hoeft [gedaagde partij] dan helemaal niets te betalen?




5.12.
Zoals [gedaagde partij] zelf ook erkend, betekent een en ander niet dat [gedaagde partij] in het geheel niet hoeft te betalen voor de voorzieningen waar hij wel voordeel van heeft, welk voordeel [gedaagde partij] zelf stelt op ca. 10% van zijn laatste bijdragen. [gedaagde partij] heeft aangegeven daartoe bereid te zijn en naar het oordeel van de rechtbank kan hij daartoe op grond van ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) gehouden worden. Nu [gedaagde partij] in deze procedure de verschuldigdheid van ongeveer 10% van zijn laatste bijdragen, gebaseerd op de statuten, erkent, ziet de rechtbank in die erkenning aanleiding om [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van 10% van zijn de aan hem in rekening gebrachte bijdragen, gedurende de periode dat [gedaagde partij] geen lid is van de coöperatie maar wel eigenaar is. De samenstelling van de vordering van de coöperatie van € 180.609,57 zoals uiteengezet in randnummer 7 van de dagvaarding en nader gespecifieerd in productie 5 van de coöperatie is door [gedaagde partij] niet betwist zodat de rechtbank het door Thünnissen te betalen bedrag vaststelt op 10% van dat bedrag. In dat bedrag is ook al rekening gehouden met het feit dat [gedaagde partij] sinds 15 januari 2026 geen eigenaar meer is van de horecapaviljoens. Voorzover de coöperatie van oordeel is dat [gedaagde partij] op grond van ongerechtvaardigde verrijking (of een andere grondslag) tot meer gehouden is, dient de coöperatie dat meerdere te vorderen.



Conclusie





5.13.
Het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagde partij] veroordeeld wordt tot betaling van een bedrag van € 18.060,96, zijnde 10% van de aan hem in rekening gebrachte bijdragen (uit hoofde van artikel 5 van de statuten, op basis van het aantal stemmen van [gedaagde partij] gebaseerd op zijn lidmaatschap), gedurende de periode dat [gedaagde partij] wel eigenaar maar geen lid is van de coöperatie was.



Boetes en buitengerechtelijke incassokosten
5.14. Wat betreft de door de coöperatie gevorderde contractuele boetes oordeelt de rechtbank dat [gedaagde partij] de boetes niet verschuldigd is omdat hij – zoals hiervoor overwogen – zijn contractuele bijdrageplicht door het opzeggen van het lidmaatschap eindigde. De betaling waartoe hij wel veroordeeld is (de 10%) is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking en niet op de contractuele bijdrageplicht op grond van het derdenbeding. Daarom zijn de contractuele boetes niet verschuldigd.




5.15.
Voor de gevorderde buitengerechtelijk incassokosten oordeelt de rechtbank eveneens dat die zullen worden afgewezen. Vast is komen te staan dat [gedaagde partij] zich steeds bereid heeft getoond om te betalen voor de voorzieningen waar hij van profiteerde, maar dat de coöperatie hier niet op is ingegaan omdat zij vasthield aan de volledige bijdrageplicht.


5.16.
Alles wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan gezien het voorgaande niet tot een ander oordeel leiden en kan om die reden onbesproken blijven.



De proceskosten





5.17.
De coöperatie is voor het merendeel in het ongelijk gesteld, terwijl [gedaagde partij] bereid was om het toe te wijzen bedrag als bijdrage te betalen. Om die redenen moet de coöperatie de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:










- griffierecht


€


2.803,00







- salaris advocaat


€


5.770,00


(2 punten × € 2.885,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


8.762,00













6De beslissing


De rechtbank



6.1.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van € 18.060,96 aan de coöperatie,



6.2.
veroordeelt de coöperatie in de proceskosten van € 8.762,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de coöperatie niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.





6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. van den Bosch en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.




Als bedoeld in artikel 5:124 BW.


Zie ook de van toepassing zijnde artikelen 2:35, eerste lid, en 2:36, eerste lid, tweede volzin, BW die van dwingend recht zijn.