Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26842
2026-09-03
Strafrecht
09.219251.25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vrijspraak voor medeplegen van een poging tot diefstal. Veroordeling wegens poging tot doodslag en medeplegen van voorhanden hebben van een vuurwapen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door eenmaal gericht te schieten op het slachtoffer. Oplegging gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2025:987 Hoge Raad 24-06-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (40.984 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/219251-25
Datum uitspraak: 3 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] , [woonplaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 17 oktober 2025, 9 januari 2026 (beide pro forma) en 20 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.M. Delsing naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 20 augustus 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Kort samengevat wordt de verdachte verweten dat hij zich op 17 juli 2025, al dan niet samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , schuldig heeft gemaakt aan:
een poging tot (gekwalificeerde) doodslag op [slachtoffer] en/of meerdere omstanders, door met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer] te schieten in ’s-Gravenhage en/of Rijswijk;
het voorhanden hebben van een pistool met bijbehorende munitie in ’s-Gravenhage en/of Rijswijk;
een poging tot diefstal in/uit een pand aan [adres 2] in ’s-Gravenhage.
3De bewijsbeslissing
3.1.
Inleiding
Op 17 juli 2025 omstreeks 1:25 uur ’s nachts bekeek aangever [slachtoffer] live camerabeelden op zijn telefoon van de gezamenlijke hal van het pand waar zijn bedrijf was gevestigd aan [adres 2] in Den Haag. Op die beelden zag hij dat er een wit busje in de gezamenlijke hal stond en dat er drie mannen met bivakmutsen op rondliepen. De aangever is toen direct naar het bedrijfspand toegereden. Eenmaal bij de toegangsdeur van de gezamenlijke hal aangekomen, leek het alsof de mannen de aangever hoorden. De aangever zag dat het rolluik open ging en dat het busje de gezamenlijke hal uitreed. De aangever is vervolgens in zijn auto gestapt en is de bestelbus achterna gereden. Hierna heeft een achtervolging plaatsgevonden vanuit Den Haag naar Rijswijk, waarbij meerdere schoten vanuit het witte busje zijn gelost. Uiteindelijk is het busje in Rijswijk gestopt, alwaar vier mannen uit de bestelbus zijn gevlucht. Op de Jan Tooroplaan in Rijswijk is nogmaals een schot gelost.
De verdachte is kort na de achtervolging in de directe omgeving van de Jan Tooroplaan in Rijswijk aangehouden. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij tijdens de achtervolging in het busje heeft gezeten.
De bewijsbeslissing in deze zaak draait in de kern om de volgende vragen.
a. wie heeft welk(e) schot(en) gelost, en kwalifice(e)r(en)(t) dat/die schot(en) als een poging tot doodslag op de aangever en/of omstanders? Was daarbij sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte(n)? (feit 1)
b. heeft de verdachte het vuurwapen en de bijbehorende munitie voorhanden gehad? (feit 2)
c. is sprake geweest van een poging tot diefstal door de verdachte en/of zijn medeverdachten in/uit het bedrijfspand aan [adres 2] te ‘s-Gravenhage? (feit 3)
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten. Verdere standpunten van de officier van justitie komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak voor de feiten 1 en 2 bepleit. Met betrekking tot feit 3 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Verdere standpunten van de verdediging komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.
3.4.
Vrijspraak van feit 3
De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 3 als volgt. Blijkens de bewoordingen van de tenlastelegging en de uitleg die de officier van justitie over de bedoeling daarvan heeft gegeven, ziet feit 3 op een poging tot diefstal van goederen, niet zijnde de goederen die zijn aangetroffen in de witte bestelbus waarin de verdachten zich bevonden. De verdachte en zijn medeverdachten hebben allen verklaard dat zij naar het bedrijfspand gingen om nepmerkkleding weg te nemen. Op de camerabeelden van het bedrijfspand is te zien dat de verdachten op een rustig tempo dozen en zakken in een witte bestelbus hebben geladen en in die bus zijn later door de politie ook 61 schoenendozen en verpakte kledingstukken gevonden. Het voorgaande levert mogelijk een voltooide diefstal van die goederen op, maar dat is door het Openbaar Ministerie niet aan de verdachten ten laste gelegd en blijkens de uitleg ter zitting door de officier van justitie evenmin beoogd aan hen ten laste te leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanwijzingen dat de verdachten hebben gepoogd om zich andere goederen dan de daadwerkelijk weggenomen goederen toe te eigenen. De omstandigheden dat zij allen gezichtsbedekkende kleding droegen en dat de verdachte – zoals de rechtbank hierna zal vaststellen - een vuurwapen bij zich had, kan die gevolgtrekking in ieder geval niet dragen. Ook kan op basis van de camerabeelden in het dossier niet worden vastgesteld dat de verdachten een koevoet bij zich hadden of dat zij zoekend in het pand hebben rondgekeken. Daarom is de rechtbank met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en spreekt zij de verdachte hiervan vrij.
3.5.
Gebruikte bewijsmiddelen voor feiten 1 en 2
De rechtbank heeft in bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.6.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feiten 1 en 2
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 17 juli 2025 reed aangever [slachtoffer] in zijn auto (Audi) achter een witte bestelbus (Renault Trafic) aan langs meerdere plekken in Den Haag en Rijswijk. In de witte bestelbus zaten de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] in de laadruimte. Zowel de aangever als medeverdachte [medeverdachte 1] hebben verklaard dat het eerste schot vanuit de bestelbus in de lucht is gelost. De aangever en getuige [getuige] hebben verklaard dat de bestelbus vervolgens op het Heeswijkplein in Den Haag is gestopt, dat de schuifdeur aan de rechterzijde van de witte bestelbus is geopend, dat er iemand is uitgestapt en dat diegene eenmaal vanaf korte afstand gericht heeft geschoten op aangever, alvorens hij weer instapte en de bestelbus verder reed. Ook medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat degene met wie hij in de laadruimte zat op het Heeswijkplein de schuifdeur opende, naar buiten stapte, richting de achterzijde van de bus liep en dat hij toen een schot hoorde. Op camerabeelden van het Heeswijkplein is te zien hoe de witte bestelbus, met daarachter de auto van de aangever, ongeveer zes seconden stilstaat en daarna doorrijdt. Op basis van deze verklaringen heeft de politie gezocht naar de afgeschoten huls en is deze aangetroffen op het Heeswijkplein. Uit camerabeelden blijkt dat de witte bestelbus uiteindelijk op de Lindelaan in Rijswijk is achtergelaten waarbij de daders zijn gevlucht. Op de Jan Tooroplaan in Rijswijk is nog een schot gelost, welke op camerabeelden is te zien en horen. Het vuurwapen is kort daarna in de directe omgeving in een plantenbak aangetroffen.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat het de verdachte is geweest die het eerste schot in de lucht heeft gelost en die op het Heeswijkplein in Den Haag eenmaal gericht in de richting van de aangever heeft geschoten. Op de Lindelaan in Rijswijk heeft de verdachte het vuurwapen overgegeven aan medeverdachte [medeverdachte 3] . Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij het vuurwapen toen in handen heeft gekregen en dat hij tijdens het wegrennen gericht heeft geschoten op de band van de auto van aangever. Onderaan het linker achterportier van de auto van aangever is een inschot aangetroffen.
Betrouwbaarheid verklaring medeverdachte [medeverdachte 1]
De verdediging heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat zeer behoedzaam moet worden omgegaan met de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] , omdat hij er baat bij heeft om een ander aan te wijzen als schutter. De rechtbank is het met de verdediging eens dat behoedzaamheid onder deze omstandigheden inderdaad gepast is, maar ziet in het onderhavige geval geen reden om te twijfelen aan de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] . Zijn verklaring wordt immers op essentiële punten ondersteund door andere bewijsmiddelen. Ook draagt aan de betrouwbaarheid van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] bij dat hij - nog voordat hij kennis kreeg van de onderzoeksbevindingen - heeft verklaard dat er is geschoten vanuit de laadruimte en dat hij het vuurwapen kortstondig in handen heeft gehad, waarmee hij potentieel ook zichzelf heeft belast. Deze verklaring heeft hij vervolgens verder toegelicht in het verhoor van 7 augustus 2025. Tijdens dat laatste verhoor is medeverdachte [medeverdachte 1] geconfronteerd met de verklaringen van aangever en getuige [getuige] dat mogelijk de bijrijder (medeverdachte [medeverdachte 3] ) op het Heeswijkplein zou hebben geschoten - wat potentieel ontlastend voor hem zou zijn -, maar desalniettemin bleef medeverdachte [medeverdachte 1] bij zijn verklaring. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [medeverdachte 1] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Voorwaardelijk opzet ten aanzien van een poging doodslag
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is geweest van een poging tot het medeplegen van (gekwalificeerde) doodslag. Om tot een bewezenverklaring van een poging tot (gekwalificeerde) doodslag te komen, moet kunnen worden bewezen dat de dader(s) opzet op de dood van de aangever heeft/hebben gehad, al dan niet in voorwaardelijke zin. Van voorwaardelijk opzet op de dood is sprake als een dader bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zou kunnen komen te overlijden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra indicaties – niet anders kan zijn dan dat de dader de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
De rechtbank stelt vast dat het eerste schot door de verdachte in de lucht is gelost, zodat daarmee geen sprake is geweest van een poging tot doodslag op de aangever. Datzelfde geldt voor het laatste schot dat door medeverdachte [medeverdachte 3] in Rijswijk is gelost op de auto van de aangever. De rechtbank is van oordeel dat door het lossen van dit schot, dat laag was gericht en de auto ook laag heeft geraakt, geen aanmerkelijke kans op de dood van de aangever is ontstaan. De vraag die resteert is of het schot dat door de verdachte is gelost op het Heeswijkplein in Den Haag die aanmerkelijke kans op de dood van de aangever wel in het leven heeft geroepen.
Naar algemene ervaringsregels levert het vanaf een afstand van 6 tot 10 meter met een vuurwapen gericht schieten op een bijna volledig stilstaande auto waarin zich een persoon bevindt, de aanmerkelijke kans op dat die persoon daardoor dodelijk wordt getroffen. De gelukkige omstandigheid dat de aangever en zijn auto daarbij niet geraakt zijn, doet daar niet aan af. De rechtbank betrekt hierbij dat het totale handelingsverloop zich in zeer korte tijd in de nacht en gedurende een wilde achtervolging voltrok, terwijl de verdachte geen professioneel of geoefend schutter was. De verdachte heeft desalniettemin een gericht schot op de aangever afgevuurd. Het handelen van de verdachte is derhalve zozeer gericht geweest op het teweegbrengen van een bepaald gevolg, dat het niet anders kan dan dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever daarbij dodelijk zou kunnen worden getroffen.
De rechtbank komt hiermee tot de conclusie dat de verdachte het voorwaardelijk opzet had om de aangever dodelijk te raken.
Partiële vrijspraak medeplegen en poging gekwalificeerde doodslag
De rechtbank stelt voorop dat medeplegen kan worden bewezen verklaard wanneer vast is komen te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen meerdere daders bij het plegen van een feit. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, omdat het stoppen op het Heeswijkplein, het schieten en weer instappen door de verdachte en het wegrijden in enkele seconden is gedaan. Dit vereist volgens de officier van justitie afstemming tussen de verdachte en de bestuurder, in dit geval medeverdachte [medeverdachte 2] . Ook wijst de officier van justitie op de verklaring bij de rechter-commissaris van medeverdachte [medeverdachte 1] dat alle verdachten vooraf zouden hebben overlegd over het uit te voeren plan, waarbij expliciet zou zijn gesproken over wapens.
Hoewel het korte tijdsbestek van het handelingsverloop op het Heeswijkplein duidt op een ogenschijnlijke afstemming tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] , kan de rechtbank op basis van het dossier niet kan vaststellen wat [medeverdachte 2] wist van de intenties van de verdachte (die in de laadruimte zat) op het moment dat hij het voertuig tot stilstand bracht op het Heeswijkplein. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij wilde uitstappen om weg te rennen, maar dat hij besloot dit niet te doen en verder te rijden toen hij een knal hoorde. Ook heeft hij verklaard dat hij zich niet bewust was van het feit dat er een vuurwapen aanwezig was en dat dit ook niet vooraf is besproken. Op basis van het dossier kan de rechtbank evenmin vaststellen dat tijdens het overleg voorafgaand aan de inbraak is gesproken over het meenemen van wapens. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft daar niet eenduidig over verklaard. In zijn verklaring kan immers ook worden gelezen dat expliciet werd afgesproken om geen wapens mee te nemen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het spreken over ‘wapens’ niet automatisch meebrengt dat het gaat om een vuurwapen, te meer omdat het doel was om een bedrijfsinbraak in de nacht te plegen.
Gelet op het voorgaande is er geen sprake van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten en zal de rechtbank de verdachte van dit onderdeel voor feit 1 partieel vrijspreken. Nu de verdachte wordt vrijgesproken van feit 3, zal de rechtbank de verdachte ook partieel vrijspreken van de tenlastegelegde kwalificerende omstandigheid dat de poging doodslag zou zijn voorafgegaan door een poging diefstal.
3.7.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.
Hij op 17 juli 2025 te ’s-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen
misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen, eenmaal heeft geschoten in de richting van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 17 juli 2025 te ’s-Gravenhage en Rijswijk, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (doorgeladen) pistool van het merk Beretta, Model 71, kaliber .22 LR, en bijbehorende munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
meerdere patronen, kaliber .22 LR, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij bewezenverklaring de straf gelijk te stellen aan het voorarrest en rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door in de nacht van 17 juli 2025 gericht met een vuurwapen te schieten op het slachtoffer. Dat het slachtoffer niet door het schot is geraakt en het schieten niet tot zijn overlijden heeft geleid, is een gelukkige omstandigheid die niet aan het handelen van de verdachte is te danken. Het schot is daarnaast midden in de nacht gelost op een openbare plek. Dit wekt hevige gevoelens van angst en onveiligheid op, niet alleen bij de aangever, maar ook bij de buurtbewoners en toevallige omstanders. Dit laatste blijkt ook uit de verklaring van twee getuigen die aanwezig waren. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een doorgeladen vuurwapen met bijbehorende munitie in de openbare ruimte. Het bezit van een vuurwapen brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee, zoals ook in deze zaak is gebleken. De verdachte heeft in zijn geheel geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden of spijt betuigd. Dat rekent de rechtbank de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 2 juli 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank weegt het strafblad van de verdachte niet in het voordeel of in het nadeel van de verdachte mee bij de strafoplegging.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 13 oktober 2025 en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gebracht. De rechtbank ziet daarin geen omstandigheden die aanleiding geven tot matiging van de op te leggen straf.
Op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor vuurwapenbezit. In die oriëntatiepunten is als uitgangspunt voor het voorhanden hebben en overdragen van een pistool in de openbare ruimte vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren passend en geboden. Dat is een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank minder bewezen heeft verklaard. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft met ingang van 2 februari 2026 de voorlopige hechtenis geschorst tot aan het moment van de einduitspraak van deze rechtbank. Nu einduitspraak wordt gedaan, komt er een einde aan de schorsing van de voorlopige hechtenis. De verdediging heeft verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren totdat de zaak onherroepelijk is.
Gelet op de duur van de schorsing van de voorlopige hechtenis tot op heden (zeven maanden) en de omstandigheid dat de verdachte gedurende deze schorsing niet opnieuw in aanraking is gekomen met politie en justitie, is de rechtbank – mede gelet op het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:987) - van oordeel dat het belang van de verdachte om een eventueel hoger beroep in vrijheid af te wachten zwaarder weegt dan het strafvorderlijk belang, zodat een hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis onder de thans geldende voorwaarden aangewezen is.
7De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 41.437,95, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 34.437,95 aan materiële schade, € 5.000,00 aan immateriële schade en
€ 2.000,00 aan toekomstige, nader te onderbouwen schade (bestaande uit zowel materiële als immateriële schade).
[bedrijfsnaam] V.O.F. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 9.089,67, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde schadevergoeding en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van het eventueel toe te wijzen bedrag.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, voor zover deze betrekking heeft op vergoeding van de schade die zou zijn geleden in de vorm van verlies van verdienvermogen (€ 31.903,00) en de gevorderde toekomstige schade. De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade moet worden gematigd tot een maximum van € 4.000,00.
De verdediging heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [bedrijfsnaam] V.O.F. niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, althans dat deze vordering moeten worden afgewezen, dan wel gematigd.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade benadeelde partij [slachtoffer]
Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat [slachtoffer] rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde. De gevorderde materiële schadevergoeding betreft de schade aan de auto en het verlies aan verdienvermogen.
Met betrekking tot de schade aan de auto (€ 2.534,95) acht de rechtbank de vordering volledig toewijsbaar. Er bestaat voldoende verband tussen het onder feit 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte en deze door de benadeelde partij geleden schade. De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op het verlies aan verdienvermogen, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin het recht bestaat op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Lid 1 aanhef en onder b van genoemd artikel bepaalt dat dit hiervan sprake kan zijn indien de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, lid 1 aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de benadeelde partij in zijn auto gericht is beschoten door de verdachte. De verdachte heeft daarbij voorwaardelijk opzet gehad op de dood van de benadeelde partij. Het is een feit van algemene bekendheid dat beschoten worden met een vuurwapen psychische klachten als angst en onveiligheid aanwakkert en dat dergelijke gebeurtenissen de psychische gesteldheid van het slachtoffer ernstig kunnen beïnvloeden.
Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van deze normschendig derhalve mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b BW.
Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd en met inachtneming van de Rotterdamse schaal, acht de rechtbank het gevorderde bedrag billijk en zal zij de gevorderde immateriële schade volledig toewijzen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft de toekomstige, nader te onderbouwen schade, niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De rechtbank wijst daarmee een totale schadevergoeding aan [slachtoffer] toe van € 7.534,95.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Wettelijke rente
Namens de benadeelde partij is de wettelijke rente gevorderd vanaf de pleegdatum. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 juli 2025, omdat de schade op dat moment is ontstaan.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het bewezenverklaarde feit 2 ter zake waarvan mede schadevergoeding zal worden toegekend, samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bewezenverklaarde feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.534,95, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .
Benadeelde partij [bedrijfsnaam] V.O.F.
De rechtbank zal de benadeelde partij [bedrijfsnaam] V.O.F. niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien aan de benadeelde partij niet rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezenverklaarde feiten.
Proceskostenveroordeling [bedrijfsnaam] V.O.F.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
8De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 36 f, 45, 47, 57, 287 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
poging tot doodslag;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
schorst de voorlopige hechtenis van de verdachte, onder de volgende voorwaarden, dat de verdachte:
- als de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken;
- als hij voor het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, onherroepelijk wordt veroordeeld tot andere dan vervangende vrijheidsstraf, zich niet aan de tenuitvoerlegging daarvan zal onttrekken;
- geen strafbare feiten zal plegen;
- iedere adreswijziging van tevoren zal doorgeven aan de officier van justitie;
- aan iedere oproeping in deze zaak gevolg zal geven;
- zich blijft melden bij Reclassering Nederland aan de Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- actief deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De verdachte houdt zich aan afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
- gedurende de schorsing op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het hierna te noemen verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de verdachte en mede afhankelijk van de dagbesteding;
Bij de start hoeft de verdachte op doordeweekse dagen met dagbesteding een aangesloten blok van 14 uur niet op het verblijfadres te zijn.
Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur.
In de weekenden heeft betrokkene een aaneengesloten blok van 8 uur per dag vrij te besteden.
De verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod. Het
huidige verblijfadres is [verblijfadres] te [verblijfplaats]. Een ander adres voor
het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.
De verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering;
- zich inspant voor het vinden en behouden van scholing, betaald werk, onbetaald
werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij
aan het voorkomen van delictgedrag.
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met:
medeverdachten
[medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2003;
[medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2007;
[medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 4] 2007 en
aangever
[slachtoffer] ;
- zal verschijnen op de eventuele inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep en op alle andere eventuele terechtzittingen in zijn strafzaak.
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe tot een bedrag van € 7.534,95, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.534,95, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 62 dagen;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [bedrijfsnaam] V.O.F.
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
mr. W.E. Povel, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A. Dorrani, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2026.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025239650, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 611).
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 17 juli 2025 (p. 114-118).
Het proces-verbaal van bevindingen (aanhouding verdachte), opgemaakt op 17 juli 2025 (p. 67-69).
Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 20 augustus 2026.
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/219251-25
Datum uitspraak: 3 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] , [woonplaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 17 oktober 2025, 9 januari 2026 (beide pro forma) en 20 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.M. Delsing naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 20 augustus 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Kort samengevat wordt de verdachte verweten dat hij zich op 17 juli 2025, al dan niet samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , schuldig heeft gemaakt aan:
een poging tot (gekwalificeerde) doodslag op [slachtoffer] en/of meerdere omstanders, door met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer] te schieten in ’s-Gravenhage en/of Rijswijk;
het voorhanden hebben van een pistool met bijbehorende munitie in ’s-Gravenhage en/of Rijswijk;
een poging tot diefstal in/uit een pand aan [adres 2] in ’s-Gravenhage.
3De bewijsbeslissing
3.1.
Inleiding
Op 17 juli 2025 omstreeks 1:25 uur ’s nachts bekeek aangever [slachtoffer] live camerabeelden op zijn telefoon van de gezamenlijke hal van het pand waar zijn bedrijf was gevestigd aan [adres 2] in Den Haag. Op die beelden zag hij dat er een wit busje in de gezamenlijke hal stond en dat er drie mannen met bivakmutsen op rondliepen. De aangever is toen direct naar het bedrijfspand toegereden. Eenmaal bij de toegangsdeur van de gezamenlijke hal aangekomen, leek het alsof de mannen de aangever hoorden. De aangever zag dat het rolluik open ging en dat het busje de gezamenlijke hal uitreed. De aangever is vervolgens in zijn auto gestapt en is de bestelbus achterna gereden. Hierna heeft een achtervolging plaatsgevonden vanuit Den Haag naar Rijswijk, waarbij meerdere schoten vanuit het witte busje zijn gelost. Uiteindelijk is het busje in Rijswijk gestopt, alwaar vier mannen uit de bestelbus zijn gevlucht. Op de Jan Tooroplaan in Rijswijk is nogmaals een schot gelost.
De verdachte is kort na de achtervolging in de directe omgeving van de Jan Tooroplaan in Rijswijk aangehouden. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij tijdens de achtervolging in het busje heeft gezeten.
De bewijsbeslissing in deze zaak draait in de kern om de volgende vragen.
a. wie heeft welk(e) schot(en) gelost, en kwalifice(e)r(en)(t) dat/die schot(en) als een poging tot doodslag op de aangever en/of omstanders? Was daarbij sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte(n)? (feit 1)
b. heeft de verdachte het vuurwapen en de bijbehorende munitie voorhanden gehad? (feit 2)
c. is sprake geweest van een poging tot diefstal door de verdachte en/of zijn medeverdachten in/uit het bedrijfspand aan [adres 2] te ‘s-Gravenhage? (feit 3)
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten. Verdere standpunten van de officier van justitie komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak voor de feiten 1 en 2 bepleit. Met betrekking tot feit 3 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Verdere standpunten van de verdediging komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.
3.4.
Vrijspraak van feit 3
De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 3 als volgt. Blijkens de bewoordingen van de tenlastelegging en de uitleg die de officier van justitie over de bedoeling daarvan heeft gegeven, ziet feit 3 op een poging tot diefstal van goederen, niet zijnde de goederen die zijn aangetroffen in de witte bestelbus waarin de verdachten zich bevonden. De verdachte en zijn medeverdachten hebben allen verklaard dat zij naar het bedrijfspand gingen om nepmerkkleding weg te nemen. Op de camerabeelden van het bedrijfspand is te zien dat de verdachten op een rustig tempo dozen en zakken in een witte bestelbus hebben geladen en in die bus zijn later door de politie ook 61 schoenendozen en verpakte kledingstukken gevonden. Het voorgaande levert mogelijk een voltooide diefstal van die goederen op, maar dat is door het Openbaar Ministerie niet aan de verdachten ten laste gelegd en blijkens de uitleg ter zitting door de officier van justitie evenmin beoogd aan hen ten laste te leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanwijzingen dat de verdachten hebben gepoogd om zich andere goederen dan de daadwerkelijk weggenomen goederen toe te eigenen. De omstandigheden dat zij allen gezichtsbedekkende kleding droegen en dat de verdachte – zoals de rechtbank hierna zal vaststellen - een vuurwapen bij zich had, kan die gevolgtrekking in ieder geval niet dragen. Ook kan op basis van de camerabeelden in het dossier niet worden vastgesteld dat de verdachten een koevoet bij zich hadden of dat zij zoekend in het pand hebben rondgekeken. Daarom is de rechtbank met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en spreekt zij de verdachte hiervan vrij.
3.5.
Gebruikte bewijsmiddelen voor feiten 1 en 2
De rechtbank heeft in bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.6.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feiten 1 en 2
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 17 juli 2025 reed aangever [slachtoffer] in zijn auto (Audi) achter een witte bestelbus (Renault Trafic) aan langs meerdere plekken in Den Haag en Rijswijk. In de witte bestelbus zaten de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] in de laadruimte. Zowel de aangever als medeverdachte [medeverdachte 1] hebben verklaard dat het eerste schot vanuit de bestelbus in de lucht is gelost. De aangever en getuige [getuige] hebben verklaard dat de bestelbus vervolgens op het Heeswijkplein in Den Haag is gestopt, dat de schuifdeur aan de rechterzijde van de witte bestelbus is geopend, dat er iemand is uitgestapt en dat diegene eenmaal vanaf korte afstand gericht heeft geschoten op aangever, alvorens hij weer instapte en de bestelbus verder reed. Ook medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat degene met wie hij in de laadruimte zat op het Heeswijkplein de schuifdeur opende, naar buiten stapte, richting de achterzijde van de bus liep en dat hij toen een schot hoorde. Op camerabeelden van het Heeswijkplein is te zien hoe de witte bestelbus, met daarachter de auto van de aangever, ongeveer zes seconden stilstaat en daarna doorrijdt. Op basis van deze verklaringen heeft de politie gezocht naar de afgeschoten huls en is deze aangetroffen op het Heeswijkplein. Uit camerabeelden blijkt dat de witte bestelbus uiteindelijk op de Lindelaan in Rijswijk is achtergelaten waarbij de daders zijn gevlucht. Op de Jan Tooroplaan in Rijswijk is nog een schot gelost, welke op camerabeelden is te zien en horen. Het vuurwapen is kort daarna in de directe omgeving in een plantenbak aangetroffen.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat het de verdachte is geweest die het eerste schot in de lucht heeft gelost en die op het Heeswijkplein in Den Haag eenmaal gericht in de richting van de aangever heeft geschoten. Op de Lindelaan in Rijswijk heeft de verdachte het vuurwapen overgegeven aan medeverdachte [medeverdachte 3] . Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij het vuurwapen toen in handen heeft gekregen en dat hij tijdens het wegrennen gericht heeft geschoten op de band van de auto van aangever. Onderaan het linker achterportier van de auto van aangever is een inschot aangetroffen.
Betrouwbaarheid verklaring medeverdachte [medeverdachte 1]
De verdediging heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat zeer behoedzaam moet worden omgegaan met de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] , omdat hij er baat bij heeft om een ander aan te wijzen als schutter. De rechtbank is het met de verdediging eens dat behoedzaamheid onder deze omstandigheden inderdaad gepast is, maar ziet in het onderhavige geval geen reden om te twijfelen aan de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] . Zijn verklaring wordt immers op essentiële punten ondersteund door andere bewijsmiddelen. Ook draagt aan de betrouwbaarheid van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] bij dat hij - nog voordat hij kennis kreeg van de onderzoeksbevindingen - heeft verklaard dat er is geschoten vanuit de laadruimte en dat hij het vuurwapen kortstondig in handen heeft gehad, waarmee hij potentieel ook zichzelf heeft belast. Deze verklaring heeft hij vervolgens verder toegelicht in het verhoor van 7 augustus 2025. Tijdens dat laatste verhoor is medeverdachte [medeverdachte 1] geconfronteerd met de verklaringen van aangever en getuige [getuige] dat mogelijk de bijrijder (medeverdachte [medeverdachte 3] ) op het Heeswijkplein zou hebben geschoten - wat potentieel ontlastend voor hem zou zijn -, maar desalniettemin bleef medeverdachte [medeverdachte 1] bij zijn verklaring. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [medeverdachte 1] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Voorwaardelijk opzet ten aanzien van een poging doodslag
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is geweest van een poging tot het medeplegen van (gekwalificeerde) doodslag. Om tot een bewezenverklaring van een poging tot (gekwalificeerde) doodslag te komen, moet kunnen worden bewezen dat de dader(s) opzet op de dood van de aangever heeft/hebben gehad, al dan niet in voorwaardelijke zin. Van voorwaardelijk opzet op de dood is sprake als een dader bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zou kunnen komen te overlijden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra indicaties – niet anders kan zijn dan dat de dader de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
De rechtbank stelt vast dat het eerste schot door de verdachte in de lucht is gelost, zodat daarmee geen sprake is geweest van een poging tot doodslag op de aangever. Datzelfde geldt voor het laatste schot dat door medeverdachte [medeverdachte 3] in Rijswijk is gelost op de auto van de aangever. De rechtbank is van oordeel dat door het lossen van dit schot, dat laag was gericht en de auto ook laag heeft geraakt, geen aanmerkelijke kans op de dood van de aangever is ontstaan. De vraag die resteert is of het schot dat door de verdachte is gelost op het Heeswijkplein in Den Haag die aanmerkelijke kans op de dood van de aangever wel in het leven heeft geroepen.
Naar algemene ervaringsregels levert het vanaf een afstand van 6 tot 10 meter met een vuurwapen gericht schieten op een bijna volledig stilstaande auto waarin zich een persoon bevindt, de aanmerkelijke kans op dat die persoon daardoor dodelijk wordt getroffen. De gelukkige omstandigheid dat de aangever en zijn auto daarbij niet geraakt zijn, doet daar niet aan af. De rechtbank betrekt hierbij dat het totale handelingsverloop zich in zeer korte tijd in de nacht en gedurende een wilde achtervolging voltrok, terwijl de verdachte geen professioneel of geoefend schutter was. De verdachte heeft desalniettemin een gericht schot op de aangever afgevuurd. Het handelen van de verdachte is derhalve zozeer gericht geweest op het teweegbrengen van een bepaald gevolg, dat het niet anders kan dan dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever daarbij dodelijk zou kunnen worden getroffen.
De rechtbank komt hiermee tot de conclusie dat de verdachte het voorwaardelijk opzet had om de aangever dodelijk te raken.
Partiële vrijspraak medeplegen en poging gekwalificeerde doodslag
De rechtbank stelt voorop dat medeplegen kan worden bewezen verklaard wanneer vast is komen te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen meerdere daders bij het plegen van een feit. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, omdat het stoppen op het Heeswijkplein, het schieten en weer instappen door de verdachte en het wegrijden in enkele seconden is gedaan. Dit vereist volgens de officier van justitie afstemming tussen de verdachte en de bestuurder, in dit geval medeverdachte [medeverdachte 2] . Ook wijst de officier van justitie op de verklaring bij de rechter-commissaris van medeverdachte [medeverdachte 1] dat alle verdachten vooraf zouden hebben overlegd over het uit te voeren plan, waarbij expliciet zou zijn gesproken over wapens.
Hoewel het korte tijdsbestek van het handelingsverloop op het Heeswijkplein duidt op een ogenschijnlijke afstemming tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] , kan de rechtbank op basis van het dossier niet kan vaststellen wat [medeverdachte 2] wist van de intenties van de verdachte (die in de laadruimte zat) op het moment dat hij het voertuig tot stilstand bracht op het Heeswijkplein. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij wilde uitstappen om weg te rennen, maar dat hij besloot dit niet te doen en verder te rijden toen hij een knal hoorde. Ook heeft hij verklaard dat hij zich niet bewust was van het feit dat er een vuurwapen aanwezig was en dat dit ook niet vooraf is besproken. Op basis van het dossier kan de rechtbank evenmin vaststellen dat tijdens het overleg voorafgaand aan de inbraak is gesproken over het meenemen van wapens. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft daar niet eenduidig over verklaard. In zijn verklaring kan immers ook worden gelezen dat expliciet werd afgesproken om geen wapens mee te nemen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het spreken over ‘wapens’ niet automatisch meebrengt dat het gaat om een vuurwapen, te meer omdat het doel was om een bedrijfsinbraak in de nacht te plegen.
Gelet op het voorgaande is er geen sprake van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten en zal de rechtbank de verdachte van dit onderdeel voor feit 1 partieel vrijspreken. Nu de verdachte wordt vrijgesproken van feit 3, zal de rechtbank de verdachte ook partieel vrijspreken van de tenlastegelegde kwalificerende omstandigheid dat de poging doodslag zou zijn voorafgegaan door een poging diefstal.
3.7.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.
Hij op 17 juli 2025 te ’s-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen
misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen, eenmaal heeft geschoten in de richting van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 17 juli 2025 te ’s-Gravenhage en Rijswijk, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (doorgeladen) pistool van het merk Beretta, Model 71, kaliber .22 LR, en bijbehorende munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
meerdere patronen, kaliber .22 LR, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij bewezenverklaring de straf gelijk te stellen aan het voorarrest en rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door in de nacht van 17 juli 2025 gericht met een vuurwapen te schieten op het slachtoffer. Dat het slachtoffer niet door het schot is geraakt en het schieten niet tot zijn overlijden heeft geleid, is een gelukkige omstandigheid die niet aan het handelen van de verdachte is te danken. Het schot is daarnaast midden in de nacht gelost op een openbare plek. Dit wekt hevige gevoelens van angst en onveiligheid op, niet alleen bij de aangever, maar ook bij de buurtbewoners en toevallige omstanders. Dit laatste blijkt ook uit de verklaring van twee getuigen die aanwezig waren. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een doorgeladen vuurwapen met bijbehorende munitie in de openbare ruimte. Het bezit van een vuurwapen brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee, zoals ook in deze zaak is gebleken. De verdachte heeft in zijn geheel geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden of spijt betuigd. Dat rekent de rechtbank de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 2 juli 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank weegt het strafblad van de verdachte niet in het voordeel of in het nadeel van de verdachte mee bij de strafoplegging.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 13 oktober 2025 en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gebracht. De rechtbank ziet daarin geen omstandigheden die aanleiding geven tot matiging van de op te leggen straf.
Op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor vuurwapenbezit. In die oriëntatiepunten is als uitgangspunt voor het voorhanden hebben en overdragen van een pistool in de openbare ruimte vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren passend en geboden. Dat is een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank minder bewezen heeft verklaard. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft met ingang van 2 februari 2026 de voorlopige hechtenis geschorst tot aan het moment van de einduitspraak van deze rechtbank. Nu einduitspraak wordt gedaan, komt er een einde aan de schorsing van de voorlopige hechtenis. De verdediging heeft verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren totdat de zaak onherroepelijk is.
Gelet op de duur van de schorsing van de voorlopige hechtenis tot op heden (zeven maanden) en de omstandigheid dat de verdachte gedurende deze schorsing niet opnieuw in aanraking is gekomen met politie en justitie, is de rechtbank – mede gelet op het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:987) - van oordeel dat het belang van de verdachte om een eventueel hoger beroep in vrijheid af te wachten zwaarder weegt dan het strafvorderlijk belang, zodat een hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis onder de thans geldende voorwaarden aangewezen is.
7De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 41.437,95, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 34.437,95 aan materiële schade, € 5.000,00 aan immateriële schade en
€ 2.000,00 aan toekomstige, nader te onderbouwen schade (bestaande uit zowel materiële als immateriële schade).
[bedrijfsnaam] V.O.F. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 9.089,67, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde schadevergoeding en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van het eventueel toe te wijzen bedrag.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, voor zover deze betrekking heeft op vergoeding van de schade die zou zijn geleden in de vorm van verlies van verdienvermogen (€ 31.903,00) en de gevorderde toekomstige schade. De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade moet worden gematigd tot een maximum van € 4.000,00.
De verdediging heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [bedrijfsnaam] V.O.F. niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, althans dat deze vordering moeten worden afgewezen, dan wel gematigd.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade benadeelde partij [slachtoffer]
Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat [slachtoffer] rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde. De gevorderde materiële schadevergoeding betreft de schade aan de auto en het verlies aan verdienvermogen.
Met betrekking tot de schade aan de auto (€ 2.534,95) acht de rechtbank de vordering volledig toewijsbaar. Er bestaat voldoende verband tussen het onder feit 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte en deze door de benadeelde partij geleden schade. De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op het verlies aan verdienvermogen, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin het recht bestaat op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Lid 1 aanhef en onder b van genoemd artikel bepaalt dat dit hiervan sprake kan zijn indien de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, lid 1 aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de benadeelde partij in zijn auto gericht is beschoten door de verdachte. De verdachte heeft daarbij voorwaardelijk opzet gehad op de dood van de benadeelde partij. Het is een feit van algemene bekendheid dat beschoten worden met een vuurwapen psychische klachten als angst en onveiligheid aanwakkert en dat dergelijke gebeurtenissen de psychische gesteldheid van het slachtoffer ernstig kunnen beïnvloeden.
Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van deze normschendig derhalve mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b BW.
Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd en met inachtneming van de Rotterdamse schaal, acht de rechtbank het gevorderde bedrag billijk en zal zij de gevorderde immateriële schade volledig toewijzen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft de toekomstige, nader te onderbouwen schade, niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De rechtbank wijst daarmee een totale schadevergoeding aan [slachtoffer] toe van € 7.534,95.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Wettelijke rente
Namens de benadeelde partij is de wettelijke rente gevorderd vanaf de pleegdatum. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 juli 2025, omdat de schade op dat moment is ontstaan.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het bewezenverklaarde feit 2 ter zake waarvan mede schadevergoeding zal worden toegekend, samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bewezenverklaarde feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.534,95, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .
Benadeelde partij [bedrijfsnaam] V.O.F.
De rechtbank zal de benadeelde partij [bedrijfsnaam] V.O.F. niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien aan de benadeelde partij niet rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezenverklaarde feiten.
Proceskostenveroordeling [bedrijfsnaam] V.O.F.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
8De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 36 f, 45, 47, 57, 287 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
poging tot doodslag;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
schorst de voorlopige hechtenis van de verdachte, onder de volgende voorwaarden, dat de verdachte:
- als de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken;
- als hij voor het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, onherroepelijk wordt veroordeeld tot andere dan vervangende vrijheidsstraf, zich niet aan de tenuitvoerlegging daarvan zal onttrekken;
- geen strafbare feiten zal plegen;
- iedere adreswijziging van tevoren zal doorgeven aan de officier van justitie;
- aan iedere oproeping in deze zaak gevolg zal geven;
- zich blijft melden bij Reclassering Nederland aan de Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- actief deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De verdachte houdt zich aan afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
- gedurende de schorsing op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het hierna te noemen verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de verdachte en mede afhankelijk van de dagbesteding;
Bij de start hoeft de verdachte op doordeweekse dagen met dagbesteding een aangesloten blok van 14 uur niet op het verblijfadres te zijn.
Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur.
In de weekenden heeft betrokkene een aaneengesloten blok van 8 uur per dag vrij te besteden.
De verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod. Het
huidige verblijfadres is [verblijfadres] te [verblijfplaats]. Een ander adres voor
het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.
De verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering;
- zich inspant voor het vinden en behouden van scholing, betaald werk, onbetaald
werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij
aan het voorkomen van delictgedrag.
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met:
medeverdachten
[medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2003;
[medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2007;
[medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 4] 2007 en
aangever
[slachtoffer] ;
- zal verschijnen op de eventuele inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep en op alle andere eventuele terechtzittingen in zijn strafzaak.
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe tot een bedrag van € 7.534,95, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.534,95, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 62 dagen;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [bedrijfsnaam] V.O.F.
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
mr. W.E. Povel, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A. Dorrani, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2026.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025239650, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 611).
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 17 juli 2025 (p. 114-118).
Het proces-verbaal van bevindingen (aanhouding verdachte), opgemaakt op 17 juli 2025 (p. 67-69).
Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 20 augustus 2026.