Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26838
2026-09-10
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.28183
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Nigeria, persoonlijke omstandigheden, Edo State, 15c.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2026:4217 Raad van State 17-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2018:2093 Raad van State 22-06-2018
- ECLI:NL:RVS:2026:2243 Raad van State 22-04-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.092 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28183
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. W.A. Berghuis),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. N. Peters).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 mei 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft zijn land van herkomst, Nigeria, in 2014 verlaten vanwege de armoede. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Nigeria zal sterven op straat, omdat hij geen opleiding en geen connecties heeft. Hij is daardoor kwetsbaar. Verder vreest eiser bij terugkeer dat hij door bandieten zal worden ontvoerd en vermoord.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
vrees om te zullen worden ontvoerd en vermoord door bandieten.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De vrees om te zullen worden ontvoerd en vermoord door bandieten, kan niet op geloofwaardigheid worden getoetst omdat dit enkel ziet op toekomstige vrees. Die vrees heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Eiser loopt volgens de minister bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico op vervolging of ernstige schade. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
Bewijspositie eiser
5. Eiser heeft tijdens de zitting de beroepsgrond dat de minister in zijn geval een te zware bewijslast hanteert, niet langer gehandhaafd. Deze grond behoeft dan ook geen verdere bespreking.
Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade?
6. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom de combinatie van de veiligheidssituatie in Noord-Nigeria enerzijds en de uitzonderlijk kwetsbare positie van eiser anderzijds niet leidt tot een verhoogd individueel risico. Uit een artikel van RLnieuws volgt dat er jaarlijks duizenden ontvoeringen zijn in Noord-Nigeria. Dat komt overeen met wat eiser tijdens zijn gehoor heeft gezegd. De veiligheidssituatie in delen van Noord-Nigeria wordt nog steeds gekenmerkt door activiteiten van onder meer Boko Haram en Islamic State West Africa Province. Recente berichtgeving laat zien dat in Borno State nog steeds sprake is van aanvallen op burgers, ontvoeringen, aanvallen op militaire posten en grootschalige ontheemding van de bevolking. Eiser heeft in Nigeria geen familie of ander sociaal netwerk, geen financiële middelen en heeft slechts zeer beperkt scholing genoten. Eiser dreigt daardoor bij terugkeer terecht te komen in een situatie van extreme bestaansonzekerheid, dakloosheid en armoede.
6.1.
Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat deze beroepsgrond zo moet worden begrepen dat hij betoogt dat zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden, in samenhang met de veiligheidssituatie in (Noord-)Nigeria, risicoverhogende omstandigheden opleveren als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Volgens eiser leiden deze omstandigheden ertoe dat hij bij terugkeer een groter risico loopt op ernstige schade dan andere personen in dezelfde veiligheidssituatie. Niet in geschil is dat enkel de persoonlijke omstandigheden van eiser onvoldoende zijn om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen.
6.2.
De rechtbank stelt, naar aanleiding van wat op zitting is besproken, vast dat niet in geschil is dat voor de beoordeling van de veiligheidssituatie en daarmee van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, gekeken moet worden naar de provincie Edo State omdat Owa – de plaats waar eiser vandaan komt – in die provincie is gelegen. Edo State ligt in het zuiden van Nigeria. Dat betekent dat alle door eiser aangehaalde landeninformatie niet relevant is voor de beoordeling van de veiligheidssituatie in het gebied waarnaar eiser zal terugkeren, omdat deze uitsluitend ziet op de situatie in het noorden van Nigeria. Eiser heeft niet betoogd en ook niet onderbouwd dat in Edo State sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15 aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Daarvan is de rechtbank ook niet gebleken, waarbij de rechtbank betrekt dat in het landgebonden beleid ten aanzien van Nigeria geen bijzonderheden zijn vermeld over de veiligheidssituatie in het zuiden van Nigeria.
6.3.
Nu eiser niet heeft onderbouwd dat in Edo State sprake is van willekeurig geweld als gevolg van een binnenlands gewapend conflict, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de minister de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank zal desalniettemin, en ondanks dat niet in geschil is dat deze omstandigheden niet leiden tot een reëel risico op ernstige schade, een beoordeling geven over deze persoonlijke omstandigheden, omdat eiser zelf tijdens het nader gehoor en ook tijdens de zitting meermalen heeft benadrukt dat hij vanwege deze omstandigheden niet terug kan keren naar Nigeria. Hoewel rechtbank begrijpt dat het lastig voor eiser zal zijn om na terugkeer in Nigeria zijn leven weer op bouwen – ook omdat hij sinds 2014 weg is uit Nigeria –, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij door zijn individuele omstandigheden een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft tot aan zijn vertrek gewerkt in de mechaniek en op een boerderij. Het valt niet in de zien waarom eiser bij terugkeer niet wederom probeert (soortgelijk) werk te vinden om zo een inkomen te vergaren. Tijdens de zitting heeft eiser hierover gesteld dat hij helemaal niemand meer kent in Nigeria en daarom niet aan werk kan komen. Eiser heeft deze stelling niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft twintig jaar in Nigeria gewoond en niet onderbouwd dat het hebben van persoonlijke contacten noodzakelijk is om werk te vinden. Verder is van belang dat eiser tijdens de zitting heeft bevestigd dat zijn vriendin en kind nog steeds wonen in zijn herkomstplaats Owa, zodat eiser niet wordt gevolgd in zijn stelling dat hij geen netwerk of verblijfplaats heeft. Verder is van belang dat eiser geen (medische) stukken heeft overgelegd waaruit een zorgbehoefte of kwetsbaarheid blijkt. Ook is van belang dat eiser de argumenten van de minister dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk zal worden blootgesteld aan ontvoering dan wel moord door bandieten niet (inhoudelijk) heeft weersproken. De minister heeft daarbij de situatie van eiser en zijn verklaringen voldoende betrokken, zodat de stelling van eiser dat de minister een te geïsoleerde beoordeling heeft gemaakt niet slaagt. De rechtbank wijst er tot slot op dat een schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden niet snel wordt aangenomen. Sociale en humanitaire problemen, zoals gebrekkige toegang tot werk, voedsel en huisvesting, zijn niet van dien aard dat daarin op zichzelf een schending van artikel 3 van het EVRM is gelegen. De beroepsgrond slaagt niet.
6.4.
Het voorgaande betekent ook dat de minister – anders dat eiser stelt – terecht niet heeft onderzocht of eiser zich elders duurzaam kan vestigen en of bescherming door de autoriteiten voor eiser toegankelijk en effectief is. De vraag of een vestigingsalternatief mogelijk is en of er sprake is van effectieve bescherming door de autoriteiten komt pas aan de orde als is vastgesteld dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Zoals de rechtbank onder 6.2 en 6.3 heeft geoordeeld, is daar in deze zaak geen sprake van. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
C9/25.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
ABRvS 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4217.
Aanmeldgehoor, p. 7 en nader gehoor, p. 6.
ABRvS 22 juni 2018 ECLI:NL:RVS:2018:2093.
Vgl. ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2243.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28183
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. W.A. Berghuis),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. N. Peters).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 mei 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft zijn land van herkomst, Nigeria, in 2014 verlaten vanwege de armoede. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Nigeria zal sterven op straat, omdat hij geen opleiding en geen connecties heeft. Hij is daardoor kwetsbaar. Verder vreest eiser bij terugkeer dat hij door bandieten zal worden ontvoerd en vermoord.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
vrees om te zullen worden ontvoerd en vermoord door bandieten.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De vrees om te zullen worden ontvoerd en vermoord door bandieten, kan niet op geloofwaardigheid worden getoetst omdat dit enkel ziet op toekomstige vrees. Die vrees heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Eiser loopt volgens de minister bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico op vervolging of ernstige schade. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
Bewijspositie eiser
5. Eiser heeft tijdens de zitting de beroepsgrond dat de minister in zijn geval een te zware bewijslast hanteert, niet langer gehandhaafd. Deze grond behoeft dan ook geen verdere bespreking.
Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade?
6. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom de combinatie van de veiligheidssituatie in Noord-Nigeria enerzijds en de uitzonderlijk kwetsbare positie van eiser anderzijds niet leidt tot een verhoogd individueel risico. Uit een artikel van RLnieuws volgt dat er jaarlijks duizenden ontvoeringen zijn in Noord-Nigeria. Dat komt overeen met wat eiser tijdens zijn gehoor heeft gezegd. De veiligheidssituatie in delen van Noord-Nigeria wordt nog steeds gekenmerkt door activiteiten van onder meer Boko Haram en Islamic State West Africa Province. Recente berichtgeving laat zien dat in Borno State nog steeds sprake is van aanvallen op burgers, ontvoeringen, aanvallen op militaire posten en grootschalige ontheemding van de bevolking. Eiser heeft in Nigeria geen familie of ander sociaal netwerk, geen financiële middelen en heeft slechts zeer beperkt scholing genoten. Eiser dreigt daardoor bij terugkeer terecht te komen in een situatie van extreme bestaansonzekerheid, dakloosheid en armoede.
6.1.
Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat deze beroepsgrond zo moet worden begrepen dat hij betoogt dat zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden, in samenhang met de veiligheidssituatie in (Noord-)Nigeria, risicoverhogende omstandigheden opleveren als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Volgens eiser leiden deze omstandigheden ertoe dat hij bij terugkeer een groter risico loopt op ernstige schade dan andere personen in dezelfde veiligheidssituatie. Niet in geschil is dat enkel de persoonlijke omstandigheden van eiser onvoldoende zijn om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen.
6.2.
De rechtbank stelt, naar aanleiding van wat op zitting is besproken, vast dat niet in geschil is dat voor de beoordeling van de veiligheidssituatie en daarmee van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, gekeken moet worden naar de provincie Edo State omdat Owa – de plaats waar eiser vandaan komt – in die provincie is gelegen. Edo State ligt in het zuiden van Nigeria. Dat betekent dat alle door eiser aangehaalde landeninformatie niet relevant is voor de beoordeling van de veiligheidssituatie in het gebied waarnaar eiser zal terugkeren, omdat deze uitsluitend ziet op de situatie in het noorden van Nigeria. Eiser heeft niet betoogd en ook niet onderbouwd dat in Edo State sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15 aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Daarvan is de rechtbank ook niet gebleken, waarbij de rechtbank betrekt dat in het landgebonden beleid ten aanzien van Nigeria geen bijzonderheden zijn vermeld over de veiligheidssituatie in het zuiden van Nigeria.
6.3.
Nu eiser niet heeft onderbouwd dat in Edo State sprake is van willekeurig geweld als gevolg van een binnenlands gewapend conflict, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de minister de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank zal desalniettemin, en ondanks dat niet in geschil is dat deze omstandigheden niet leiden tot een reëel risico op ernstige schade, een beoordeling geven over deze persoonlijke omstandigheden, omdat eiser zelf tijdens het nader gehoor en ook tijdens de zitting meermalen heeft benadrukt dat hij vanwege deze omstandigheden niet terug kan keren naar Nigeria. Hoewel rechtbank begrijpt dat het lastig voor eiser zal zijn om na terugkeer in Nigeria zijn leven weer op bouwen – ook omdat hij sinds 2014 weg is uit Nigeria –, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij door zijn individuele omstandigheden een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft tot aan zijn vertrek gewerkt in de mechaniek en op een boerderij. Het valt niet in de zien waarom eiser bij terugkeer niet wederom probeert (soortgelijk) werk te vinden om zo een inkomen te vergaren. Tijdens de zitting heeft eiser hierover gesteld dat hij helemaal niemand meer kent in Nigeria en daarom niet aan werk kan komen. Eiser heeft deze stelling niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft twintig jaar in Nigeria gewoond en niet onderbouwd dat het hebben van persoonlijke contacten noodzakelijk is om werk te vinden. Verder is van belang dat eiser tijdens de zitting heeft bevestigd dat zijn vriendin en kind nog steeds wonen in zijn herkomstplaats Owa, zodat eiser niet wordt gevolgd in zijn stelling dat hij geen netwerk of verblijfplaats heeft. Verder is van belang dat eiser geen (medische) stukken heeft overgelegd waaruit een zorgbehoefte of kwetsbaarheid blijkt. Ook is van belang dat eiser de argumenten van de minister dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk zal worden blootgesteld aan ontvoering dan wel moord door bandieten niet (inhoudelijk) heeft weersproken. De minister heeft daarbij de situatie van eiser en zijn verklaringen voldoende betrokken, zodat de stelling van eiser dat de minister een te geïsoleerde beoordeling heeft gemaakt niet slaagt. De rechtbank wijst er tot slot op dat een schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden niet snel wordt aangenomen. Sociale en humanitaire problemen, zoals gebrekkige toegang tot werk, voedsel en huisvesting, zijn niet van dien aard dat daarin op zichzelf een schending van artikel 3 van het EVRM is gelegen. De beroepsgrond slaagt niet.
6.4.
Het voorgaande betekent ook dat de minister – anders dat eiser stelt – terecht niet heeft onderzocht of eiser zich elders duurzaam kan vestigen en of bescherming door de autoriteiten voor eiser toegankelijk en effectief is. De vraag of een vestigingsalternatief mogelijk is en of er sprake is van effectieve bescherming door de autoriteiten komt pas aan de orde als is vastgesteld dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Zoals de rechtbank onder 6.2 en 6.3 heeft geoordeeld, is daar in deze zaak geen sprake van. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
C9/25.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
ABRvS 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4217.
Aanmeldgehoor, p. 7 en nader gehoor, p. 6.
ABRvS 22 juni 2018 ECLI:NL:RVS:2018:2093.
Vgl. ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2243.