Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26830

2026-09-14 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.52195
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-14
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.52195
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vrreemdelingenbewaring 59.1.a Geen overschrijding ophouding zes uur. Gronden niet betwist. Geen aanleiding lichter middel. Voldoende voortvarend

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.727 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Zwolle



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.52195


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
gemachtigde: mr. A.D. Kupelian,


en


de minister van Asiel en Migratie,
gemachtigde: mr. L.J.M. Rog.


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.





Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 4 september 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. El Mathari als tolk en de gemachtigde van de minister.





Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader


3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.



De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring


4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.


4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de termijn van ophouding langer dan zes uur zou hebben geduurd. Uit artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 volgt dat de termijn van ophouding begint te lopen op het moment dat een vreemdeling is aangekomen op de plaats bestemd voor verhoor en dat de ophouding niet langer dan zes uur mag duren. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105-A) volgt dat eiser op 3 september 2026 om 23:30 uur aankwam op een plaats bestemd voor verhoor en dat de ophouding 4 september 2026 om 14:26 uur is beëindigd met de oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring. De ophouding heeft in totaal vijf uur en zesenvijftig minuten geduurd. Hiermee is geen sprake van een overschrijding van de termijn van zes uur.

6. Eiser heeft de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen.

7. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel,



7.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.
De minister stelt zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.


8. De rechtbank stelt vast dat door de minister voldoende voortvarend wordt gehandeld. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat op 8 september 2026 het Openbaar Ministerie is gevraagd of kan worden ingestemd met de voorgenomen uitzetting en heeft de Directie Internationale Aangelegenheden navraag gedaan over de nationaliteitsbevestiging van november 2025. Op 9 september 2026 heeft er een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden.



Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?


9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.




Conclusie en gevolgen


10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.


Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.


Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.


ECLI:NL:RVS:2002:AH9607.


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.