Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26829
2026-09-14
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.45509
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
MK Somalië, beslisboom nav de arresten Quotal en Ebilum, geloofwaardig asielrelaas over ontvoering door Al-Shabaab, referentiekader erbij betrokken, reëel risico op ernstige schade bij terugkeer omdat aannemelijk is dat El-Hur onder controle staat van Al-Shabaab, geen binnenlands beschermingsalternatief, recht op internationale bescherming op de b-grond.
Citeert (6)
- ECLI:EU:C:2026:447
- ECLI:EU:C:2026:448
- ECLI:EU:C:2024:195
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 Rechtbank Den Haag 08-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14853 Rechtbank Den Haag 08-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11149 Rechtbank Den Haag 25-06-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (36.179 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45509
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.M. Veld),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. N. Eijpe).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat het asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig is geacht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 wordt het toetsingskader uitgewerkt en onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Vanaf 5 wordt de zorgvuldigheid besproken. Vanaf 8 gaat de rechtbank in op de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser. Vanaf 11 gaat de rechtbank in op de vraag of eiser in aanmerking komt voor internationale bescherming. Vanaf 12 gaat de rechtbank in op de vraag of eiser een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank gaat daarbij in op zwaarwegendheid, het risico op herhaling en het bestaan van een beschermingsalternatief. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M.A. Hersi als tolk, tevens aan de zijde van eiser mr. S. Rafi en mr. S. Pamir van de Commissie Strategisch Procederen en de landsadvocaat als gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De omvang van de beoordeling
3. Uit de arresten Quotal en Ebilum van 4 juni 2026 van het Hof volgt dat een rechter in eerste aanleg, bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming, de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde asielrelaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht. Op grond van deze arresten zal de rechtbank het besluit van de minister als volgt beoordelen.
3.1.
Het besluit van de minister is nog steeds het startpunt voor de beoordeling door de rechtbank. Het is immers ook op grond van artikel 46 van richtlijn 2013/32/EU nog steeds het afwijzende besluit waartegen beroep is ingesteld. Daarin brengen de arresten Quotal en Ebilum geen verandering. De rechter kan zich echter niet beperken tot het ‘toetsen’ van het bestreden besluit van de minister, maar moet een eigen, op zichzelf staande, uitputtende en geactualiseerde beoordeling verrichten.
3.2.
Bij de beoordeling betrekt de rechtbank alle elementen die door de vreemdeling ter staving van het asielrelaas naar voren zijn gebracht en door de minister zijn beoordeeld. De rechtbank richt zich daarbij vooral op de elementen die aan het besluit van de minister ten grondslag liggen en door de vreemdeling zijn bestreden, maar zij is daartoe niet beperkt. De rechtbank mag ook de feitelijke en juridische gronden van het besluit – volledig en ex nunc – onderzoeken, op basis van alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht. Daarbij is de rechtbank dus niet strikt beperkt tot de beroepsgronden.
3.3.
Deze beoordeling brengt ook mee dat eventuele nieuwe elementen, die na het nemen van het besluit naar voren zijn gekomen, moeten worden beoordeeld op geloofwaardigheid, aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade en de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming.
3.4.
De rechtbank zal bij de beoordeling van alle elementen verder de algemene bronnen en landeninformatie betrekken waarvan de rechtbank niet onkundig mag zijn.
3.5.
Als voor de beoordeling van het asielrelaas, van nieuwe elementen of van de vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige schade nader onderzoek nodig is, dan zal de rechtbank zo mogelijk zelf nader onderzoek doen. Dat kan bijvoorbeeld door ter zitting verduidelijkingsvragen te stellen of de vreemdeling te horen. Ook kan de rechtbank de minister en de vreemdeling in de gelegenheid stellen om een nader onderzoek te (laten) doen of tot een nadere standpuntbepaling te komen, op een wijze die gelet op de aard, omvang en intensiteit van het nader onderzoek het meest gepast is.
3.6.
Als alle voorgaande stappen zijn gezet, dan zal de rechtbank op basis daarvan – indien mogelijk binnen dezelfde gerechtelijke procedure – een definitieve uitspraak doen over de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming. In dat kader moet de rechtbank beoordelen of de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade is gebaseerd op een redelijke mate van waarschijnlijkheid. Als – uitgaande van de geloofwaardigheid – geen verschil van inzicht bestaat over de vrees voor vervolging of het reële risico, dan neemt de rechtbank dat in beginsel aan. Als daarover wel discussie bestaat, dan rust op de rechtbank niet alleen de bevoegdheid, maar ook de beginselplicht om hierover een uitputtend en geactualiseerd oordeel te geven. Als de rechtbank oordeelt dat de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming, dan zal de rechtbank de minister opdragen die te verlenen.
3.7.
In dit kader beoordeelt de rechtbank het asielrelaas achtereenvolgens aan de hand van de volgende vragen:
Heeft de besluitvorming zorgvuldig plaatsgevonden?
In dit kader onderzoekt de rechtbank of wezenlijke procedureregels zijn geschonden.
Is het asielrelaas (on)geloofwaardig?
In dit kader beoordeelt de rechtbank achtereenvolgens de asielmotieven waarmee de minister rekening heeft gehouden of had moeten houden, het referentiekader en de relevante elementen, die kunnen bestaan uit:
(1) documenten ter onderbouwing van het asielrelaas,
(2) de verklaringen van de vreemdeling,
(3) algemene bronnen en landeninformatie en
(4) eventuele nieuwe elementen, die op dezelfde manier worden beoordeeld.
Is de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade gebaseerd op een redelijke mate van waarschijnlijkheid?
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.
4.1.
Toen eiser 26 jaar oud was, kwam Al-Shabaab naar zijn dorp. Een lid van de groep kwam zijn huis binnen, waarop hij probeerde te vluchten. Hij werd door twee mannen opgepakt, geslagen en in de auto naar [plaats 1] gebracht. Na drie dagen van mishandelingen liet hij zich registreren bij Al-Shabaab. Het was de bedoeling dat hij nog zeven dagen in [plaats 1] zou blijven, maar na vier dagen wist hij tijdens het avondgebed te vluchten. Eiser heeft toen ongeveer anderhalve dag gelopen. In [plaats 2] kwam hij nomaden tegen, die hem hielpen contact op te nemen met zijn oom. De dag daarna is eiser opgehaald met de auto en heeft hij twaalf dagen in Mogadishu verbleven, waarna hij het land uit is gevlucht. Bij terugkeer naar Somalië vreest hij vermoord te worden door Al-Shabaab.
Heeft de besluitvorming zorgvuldig plaatsgevonden?
5. Eiser heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6) in strijd met het Unierecht is toegepast, omdat het asielrelaas automatisch ongeloofwaardig is geacht omdat niet aan de cumulatieve voorwaarden zou zijn voldaan. Ten onrechte is niet integraal (samenhangend) beoordeeld of eiser het voordeel van de twijfel moet worden gegund. Eiser verwijst daarbij naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen.
6. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat in dit concrete geval niet gebleken is dat de werkinstructie in strijd met het Unierecht is toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat de verklaringen van eiser en de landeninformatie integraal (samenhangend) bij de beoordeling zijn betrokken. De rechtbank merkt hierbij op dat het belang van deze beroepsgrond is achterhaald door de arresten Quotal en Ebilum van 4 juni 2026 van het Hof.
7. Deze beroepsgrond is ongegrond.
Is het asielrelaas (on)geloofwaardig?
De asielmotieven
8. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- De identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Problemen met Al-Shabaab.
8.1.
Gesteld noch gebleken is dat er meer of andere asielmotieven zijn. De rechtbank zal bij de beoordeling van de geloofwaardigheid en zwaarwegendheid van het asielrelaas daarom uitgaan van de bovengenoemde asielmotieven.
De relevante elementen
9. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten hier anders over te oordelen.
9.1.
De problemen met Al-Shabaab zijn niet geloofwaardig geacht. De minister volgt eiser dat Al-Shabaab ten tijde van zijn problemen aan de macht was in [plaats 3], maar vindt de ontvoering en rekrutering onwaarschijnlijk. Eiser heeft summier en wisselend verklaard over de wijze van ontvoering, de duur van de reis en de plek waar hij werd vastgehouden. Eiser heeft wisselend en ongerijmd verklaard over de mishandelingen tijdens de ontvoering en eiser heeft summier verklaard over de ontsnapping.
9.2.
Eiser heeft betoogd dat de minister de problemen met Al-Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser stelt dat hij voldoende gedetailleerd heeft verklaard en dat daaruit volgt dat hij te vrezen heeft voor Al-Shabaab. Eiser heeft bovendien betoogd dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar [plaats 3], Somalië, vanwege de algemene veiligheidsrisico’s daar.
9.3.
De rechtbank bespreekt allereerst het referentiekader van eiser, en beoordeelt de relevante elementen hieronder achtereenvolgens.
Het referentiekader
9.4.
Hoewel eiser daar geen beroep op heeft gedaan betrekt de rechtbank bij haar beoordeling ambtshalve eisers referentiekader en hetgeen in het medisch advies is vastgesteld. Eiser is opgegroeid in een rurale omgeving. Eiser is heel kort naar school gegaan en hij is analfabeet. Hij was nomade en zorgde voor zijn dieren. Tijdens het medisch advies is vastgesteld dat eiser moeite heeft om exacte data bij gebeurtenissen te plaatsen en dat hij last heeft van verkorte concentratie. Vragen naar gebeurtenissen moeten bij benadering gesteld worden en waar nodig meerdere malen herhaald worden of anders geformuleerd worden. De problemen met Al-Shabaab
10. De rechtbank stelt voorop dat eiser geen documenten ter onderbouwing van de problemen met Al-Shabaab heeft overgelegd.
10.1.
Volgens de minister heeft eiser wisselend, tegenstrijdig en summier verklaard over de problemen met Al-Shabaab en wordt hij daarom niet geloofd. Daarbij gaat het in het bijzonder over de verklaringen van eiser met betrekking tot de volgende onderwerpen:
de interesse van Al-Shabaab in eiser,
de ontvoering,
de plek waar eiser werd vastgehouden,
de mishandelingen en
de ontsnapping.
Omdat deze verklaringen de kern van het asielrelaas van eiser betreffen, beoordeelt de rechtbank hierna achtereenvolgens dezelfde verklaringen/onderwerpen volgens het onder rechtsoverweging 3. tot 3.7. bedoelde toetsingskader.
De verklaringen over de interesse van Al-Shabaab in eiser
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat het niet op voorhand onwaarschijnlijk is dat eiser pas is gerekruteerd en ontvoerd op zijn 26ste. Eiser heeft hierover niet vaag of ongerijmd verklaard. Het argument van de minister dat het logischerwijs eerder had moeten zijn gebeurd, vindt geen steun in algemene informatie. Omdat de minister thans volgt dat Al-Shabaab destijds aan de macht was in [plaats 3] en dat uit algemene informatie blijkt dat zowel minderjarigen als meerderjarigen worden gerekruteerd, valt niet in te zien dat de interesse in eiser onwaarschijnlijk is.
10.3.
De rechtbank acht de verklaringen van eiser over de interesse van Al-Shabaab in hem dan ook geloofwaardig.
De verklaringen over de ontvoering
10.4.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet summier heeft verklaard over de ontvoering. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank een gedetailleerde beschrijving gegeven van de omstandigheden rondom de ontvoering. De rechtbank ziet geen tegenstrijdigheid in de verklaringen over het aantal mannen dat langskwam. Eiser sprak over meerdere mannen die hielpen bij de ontvoering en beschreef dat er maar één man binnenkwam. De rechtbank begrijpt dat zo dat er meerdere mannen kwamen aanrijden en er één door de deur binnenkwam en anderen rondom het huis verspreid stonden. Eiser heeft gedetailleerd verklaard dat hij op het moment dat de deur open ging al op de binnenplaats achter het huis stond om te ontsnappen. Daarmee heeft hij een plausibele verklaring gegeven voor het feit dat hij niet weet of de kinderen wakker waren en wat zijn vrouw deed nadat ze de deur opende. Ook heeft hij gedetailleerd verklaard hoe het huis en de grond daaromheen er uit zien, ook door het uit te tekenen. Ook heeft hij gedetailleerd beschreven welke kleding de mannen droegen. Verder heeft eiser toegelicht dat hij buiten de binnenplaats eerst door één man werd vastgepakt en dat er snel een tweede man bij kwam. Dat acht de rechtbank niet tegenstrijdig met eisers verklaring dat hij door twee mannen naar de auto gebracht werd. De verklaring van eiser dat de ontvoering vóór negen uur in de ochtend plaatsvond, omdat hij om negen uur zou gaan werken, is naar het oordeel van de rechtbank een voldoende gedetailleerde verklaring van het tijdstip van de ontvoering.
10.5.
Gezien het hiervoor beschreven referentiekader, acht de rechtbank niet tegenstrijdig dat eiser de inschatting van de tijd in antwoord op vragen heeft gegeven met zijn verklaring dat hij niet weet hoe laat het was. Verder is de rechtbank van oordeel dat ten onrechte is tegengeworpen dat eiser andere fysieke waarnemingen had moeten kunnen benoemen van de autorit. Daarbij is ten eerste van belang dat eiser consequent heeft verklaard dat hij geblinddoekt was. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de tegenwerping van de minister gedurende de procedure is veranderd, waardoor niet meer wordt verlangd dat eiser kan verklaren hoeveel personen er bij hem in de auto zaten maar alleen nog dat hij bij benadering kan verklaren hoe lang de rit heeft geduurd. Die benadering heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank gegeven met zijn verklaring dat het eerder uren dan minuten duurde. Die schatting komt overeen met de afstand tussen [plaats 3] en [plaats 4] (waaruit eiser volgens zijn verklaringen is ontsnapt). Ook acht de rechtbank plausibel dat het in een stressvolle situatie moeilijk kan zijn de tijd in te schatten. Dat eiser ook andere fysieke waarnemingen moet hebben kunnen doen over de ontvoering, kan, mede gezien zijn referentiekader, niet van hem worden verwacht. De rechtbank acht relevant dat eiser wel gedetailleerd heeft verklaard over de omstandigheden toen hij nog geen blinddoek om had, de gebeurtenissen bij aankomst en toen de blinddoek af ging. Daarom komt aan het feit dat hij geen andere fysieke waarnemingen heeft benoemd, naar het oordeel van de rechtbank geen gewicht toe.
10.6.
De rechtbank acht de verklaringen van eiser over de ontvoering dan ook geloofwaardig.
De verklaringen over de plek waar hij werd vastgehouden
10.7.
De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende heeft verklaard over de plek waar hij werd vastgehouden. Eiser heeft de ruimte beschreven als een kamer met enkel een vloerkleed. Hij heeft de vloer, muren en het plafond beschreven en uitgetekend. Ook heeft eiser verklaard dat er meerdere kamers waren en een stenen omheining, wat hij kon zien als hij naar het toilet werd gebracht. De rechtbank ziet niet in wat eiser hierover nog meer had moeten verklaren. Verder merkt de rechtbank op dat in het verslag van het nader gehoor een stuk tekst lijkt te ontbreken nadat hem is gevraagd over het gebouw te vertellen, aangezien is opgemerkt dat eiser het ‘ook’ begon te tekenen en voorstelbaar is dat hij daarbij niet stil was. Ook zonder deze mogelijk ontbrekende tekst is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende heeft verklaard over de plek waar hij werd vastgehouden.
10.8.
De rechtbank acht de verklaringen van eiser over de plek waar hij werd vastgehouden dan ook geloofwaardig.
De verklaringen over de mishandelingen
10.9.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet wisselend heeft verklaard over de mishandelingen, maar zijn verklaringen heeft aangevuld. Hij heeft niet over andere mishandelingen verklaard, maar het alleen toegespitst op de ochtend en avond. Dat hij die splitsing nog niet heeft gemaakt in het vrije relaas, maakt het niet wisselend aangezien het om een detail gaat, waar juist de nadere bevraging voor is bedoeld. Eiser heeft de wijze van mishandeling gedetailleerd beschreven. Ook acht de rechtbank het niet ongerijmd dat hem pas op de derde dag is gevraagd zich aan te sluiten bij Al-Shabaab. Eiser heeft daarover verklaard dat Al-Shabaab uit zijn vluchtpoging thuis kon afleiden dat hij niet wilde meewerken met Al-Shabaab. Die verklaring komt de rechtbank niet bevreemdend voor. De rechtbank ziet in eisers verklaringen hierover ook geen tegenstrijdigheid.
10.10.
De rechtbank acht de verklaringen van eiser over de mishandelingen geloofwaardig.
De verklaringen over de ontsnapping
10.11.
De rechtbank vindt het niet op voorhand bevreemdend dat eiser en de andere gevangenen, na hun instemming zich aan te sluiten bij Al-Shabaab, slechts door één persoon in de gaten werden gehouden. De minister heeft desgevraagd niet overtuigend toegelicht waaruit volgt dat zij nog steeds gevangenen waren. Eisers verklaring dat zij, nu ze zich hadden aangesloten bij Al-Shabaab werden geacht opdrachten uit te gaan voeren voor Al-Shabaab en daarom niet meer streng werden bewaakt, komt niet onlogisch voor. Eisers verklaring dat de dreiging dat hij bij een ongeoorloofd vertrek zal worden opgespoord en gedood voldoende werd geacht door Al-Shabaab, komt de rechtbank ook niet bevreemdend voor. Immers, Al-Shabaab wist waar eiser en zijn gezin wonen, had foto’s van hem gemaakt en gegevens van zijn moeder en zijn vrouw genoteerd en had hem de nodige angst ingeboezemd met de mishandelingen.
10.12.
Dat eiser fysiek in staat was om te lopen en rennen, acht de rechtbank niet ongerijmd. Uit het gehoor volgt dat hij brandwonden van de plastic druppels had op beide voeten, dat zijn voet was gezwollen, dat hij overal pijn in zijn lichaam had en dat hij door zijn pijngrens is gegaan, dat er na het lopen bloed uit de wond kwam en dat hij veel pijn had. Zijn beschrijving komt overeen met het genoemde letsel. Daaruit kan niet worden geconcludeerd dat het voor eiser onmogelijk was om in een situatie van levensgevaar door zijn pijngrens heen te rennen. Eiser heeft daarover verklaard dat hij eerst liep en daarna rende, wat overeenkomt met wat hij in de zienswijze heeft beschreven. Ook de naam van het dorp waaruit hij vluchtte heeft hij benoemd. De rechtbank ziet niet in wat eiser nog meer had moeten kunnen verklaren, ook rekening houdend met het referentiekader.
10.13.
De rechtbank acht de verklaringen van eiser over de ontsnapping dan ook geloofwaardig.
De conclusie
10.14.
Gelet op de verklaringen van eiser, zijn achtergrond en referentiekader, de documentatie over Al-Shabaab waarnaar eiser heeft verwezen en algemene informatie over Somalië, komt de rechtbank tot de conclusie dat het asielrelaas van eiser geloofwaardig is.
Komt eiser in aanmerking voor internationale bescherming?
11. Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 29, eerste lid onder a van de Vw, moet worden voldaan aan de voorwaarden die gesteld zijn in het Vluchtelingenverdrag. Dit betekent dat eiser vanwege een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde groep niet terug kan keren naar haar land van herkomst. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vrees voor Al-Shabaab te herleiden is tot een van de gronden uit het Vluchtelingenverdrag. Daarmee voldoet eiser niet aan de voorwaarden en valt hij niet onder het Vluchtelingenverdrag.
11.1.
Nu eiser niet onder het Vluchtelingenverdrag valt, toetst de rechtbank of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw. Daarvoor moet eiser aannemelijk maken dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.
11.2.
Nu het relaas van eiser naar het oordeel van de rechtbank geloofwaardig is, beoordeelt de rechtbank of de problemen van eiser voldoende zwaarwegend zijn en of hij bij terugkeer daadwerkelijk een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank beantwoordt die vragen bevestigend en zal hieronder uitleggen waarop zij dat oordeel baseert.
Zijn de problemen van eiser voldoende zwaarwegend?
12. De rechtbank beoordeelt eerst of de door eiser gevreesde behandeling, uitgaande van het geloofwaardig geachte asielrelaas, voldoende zwaarwegend is om als ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder b, van de Kwalificatieverordening te kunnen worden aangemerkt.
12.1.
De rechtbank is van oordeel dat de geloofwaardig geachte problemen van eiser met Al-Shabaab voldoende zwaarwegend zijn om als ernstige schade te kwalificeren. Eiser is door Al-Shabaab ontvoerd en gedurende zijn gevangenschap mishandeld en vervolgens uit zijn gevangenschap ontsnapt. Eiser is daarmee niet slechts geconfronteerd met de algemene dreiging die van Al-Shabaab uitgaat, maar ook persoonlijk bij Al-Shabaab in de negatieve belangstelling komen te staan en daadwerkelijk aan ernstige schade blootgesteld. Dit vormt een duidelijke aanwijzing dat eiser bij terugkeer opnieuw het risico op dergelijke schade loopt. De door eiser gevreesde behandeling is gelet op de aard en ernst daarvan, als deze zich voordoet, aan te merken als ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder b, van de Kwalificatieverordening.
Loopt eiser bij terugkeer naar Somalië daadwerkelijk een reëel risico op ernstige schade?
13. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de door eiser gevreesde behandeling, als deze zich voordoet, ernstige schade oplevert, beoordeelt de rechtbank vervolgens of het waarschijnlijk is dat ernstige schade zich bij terugkeer naar Somalië zal voordoen, of eiser in Somalië effectieve bescherming kan krijgen en of eiser aan het risico op ernstige schade kan ontkomen door zich elders in Somalië te vestigen.
13.1.
De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser bij terugkeer opnieuw met ernstige schade zal worden geconfronteerd. Daarbij weegt mee dat eiser in het verleden persoonlijk te maken heeft gehad met Al-Shabaab. De actuele landeninformatie biedt geen aanknopingspunten om aan te nemen dat dit risico inmiddels is weggenomen. Integendeel, uit het meest recente Algemeen Ambtsbericht van 31 maart 2026 volgt dat de invloed van Al-Shabaab in de omgeving van [plaats 3] onverminderd groot is en dat de nabijgelegen plaatsen [plaats 5], [plaats 6] en [plaats 7] onder controle van Al-Shabaab staan. Verder volgt uit het ambtsbericht dat personen die terugkeren naar gebied onder controle van Al-Shabaab het risico lopen als spion te worden aangemerkt, gearresteerd en geëxecuteerd te worden. Het door eiser overgelegde rapport van Open Doors ondersteunt bovendien het beeld dat Al-Shabaab in de omgeving van [plaats 3] grote invloed uitoefent en dat daar veel geweld plaatsvindt. Dat rapport noemt het gebied rond [plaats 3] expliciet als een van de gebieden waar de situatie het ernstigst is vanwege de controle door Al-Shabaab. Daar komt bij dat volgens het Ambtsbericht terugkeer naar door Al-Shabaab gecontroleerd gebied onder omstandigheden mogelijk kan zijn na bemiddeling door een Al-Shabaab vertrouwde clanoudste, waarna van de terugkeerder wordt verlangd dat hij loyaliteit toont en zich aan de regels van Al-Shabaab houdt. Niet is gebleken dat eiser over een dergelijke bemiddelaar beschikt. Bovendien kan, gelet op zijn geloofwaardig geachte ontvoering en mishandeling door Al-Shabaab en zijn ontsnapping, niet van eiser worden verwacht dat hij zijn loyaliteit aan Al-Shabaab toont of zich aan haar regels conformeert. De rechtbank ziet zich in deze beoordeling verder gesterkt door het beleid van de minister zelf. Daaruit volgt dat de mensenrechtensituatie in gebieden waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied controleert, zodanig is dat voor iedere terugkeerder een reëel risico bestaat op ernstige schade. Tegen deze achtergrond en gelet op de individuele voorgeschiedenis van eiser, in onderlinge samenhang bezien, ziet de rechtbank een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat eiser bij terugkeer naar [plaats 3] opnieuw zal worden blootgesteld aan ernstige schade.
13.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser tegen het hiervoor vastgestelde risico geen effectieve bescherming kan krijgen van de Somalische autoriteiten of internationale organisaties. Eiser is afkomstig uit [plaats 3], gelegen in Centraal-Somalië. Uit het beleid van de minister volgt dat voor vreemdelingen afkomstig uit Zuid- en Centraal-Somalië, inclusief Mogadishu, wordt aangenomen dat het niet mogelijk is bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om daar in het geval van eiser anders over te oordelen. Eiser kan daarom in zijn gebied van herkomst geen effectieve bescherming krijgen tegen het reële risico op ernstige schade.
13.3.
Onder voorwaarden kan een binnenlands beschermingsalternatief worden tegengeworpen in een gebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen binnenlands beschermingsalternatief bestaat, omdat eiser altijd in het gebied van herkomst heeft verbleven en niet eerder elders in Somalië heeft gewoond. Zijn ouders zijn overleden en er is geen indicatie dat eiser grootfamilie heeft buiten de directe omgeving van [plaats 3]. Daarmee ontbreken concrete aanknopingspunten dat eiser zich elders in Somalië kan vestigen. De rechtbank betrekt daarbij dat uit de door eiser aangehaalde informatie van EUAA volgt dat in de regio’s [regio 1] en [regio 2] een hoge mate van willekeurig geweld heerst conform artikel 15c van de Kwalificatieverordening. Ook de meest recente landeninformatie van de EUAA bevestigt dat de veiligheidssituatie in deze regio’s onverminderd precair is. Hoewel de enkele aanwezigheid van Al-Shabaab in deze regio’s niet voldoende is om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen, zijn vanwege het hoge niveau van willekeurig geweld slechts in beperkte mate individuele omstandigheden vereist om tot een dergelijk risico te kunnen concluderen. De minister heeft daarover geen standpunt ingenomen en daar geen andersluidende informatie tegenover gesteld. Verder volgt uit het beleid van de minister dat er geen bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties is te verkrijgen voor vreemdelingen die afkomstig zijn uit Zuid- en Centraal-Somalië. De rechtbank concludeert daarom dat er voor eiser geen binnenlands beschermingsalternatief beschikbaar is.
13.4.
Op grond van hetgeen is overwogen onder 13 tot en met 13.3. komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië.
Conclusie en gevolgen
14. De minister heeft de aanvraag van eiser ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. De minister heeft immers onvoldoende gemotiveerd dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
14.1.
De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend. Naar het oordeel van de rechtbank is immers voldaan aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van subsidiaire bescherming. Uit de Kwalificatieverordening volgt dan dat een status moet worden verleend.
14.2.
De rechtbank draagt de minister met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrechter op om binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiser een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig zijn vluchtelingenstatus te verstrekken, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.
14.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Omdat de zaak een zeer zwaar gewicht heeft, is op de waarde een factor van 2 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.736,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 27 augustus 2025;
- bepaalt dat eiser internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus als bedoeld in artikel 13 jo hoofdstukken II en III van Verordening (EU) 2024/1347 geniet per datum van zijn aanvraag;
- bepaalt dat de onderhavige uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten en:
- draagt de minister op om overeenkomstig artikel 13 jo hoofdstukken II en III jo artikel 24 van Verordening (EU) 2024/1347 in samenhang bezien met de toepasselijke Nederlandse uitvoeringswetgeving binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiser een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig de vluchtelingenstatus te verstrekken;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 3.736,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzitter, en mr. A.P.W. Esmeijer en mr. I.M. Brandwacht - Kampman, leden, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000
De arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 juni 2026, in de zaak Quotal, C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447, en in de zaak Ebilum, C-440/25, ECLI:EU:C:2026:448.
HvJ EU 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, r.o. 77 en 78.
Zie de rechtsoverwegingen 30-34, 37 jo. 39 en 48 van het arrest Quotal.
Uitspraken van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 en ECLI:NL:RBDHA:2025:14853.
De rechtbank verwijst naar het oordeel van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149.
EUAA, '3.2. Persons fearing forced recruitment by Al-Shabaab' in Country Guidance: Somalia, October 2025.
Verslag nader gehoor, einde van pagina 13.
Verslag nader gehoor, pagina 16 en 17.
Conform artikel 4 van de Kwalificatieverordening, Verordening (EU) 2024/1347 Van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad.
Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951.
Zie artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Paragraaf C9/30.4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
C9/30.5.1. Van de Vreemdelingencirculaire 2000
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45509
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.M. Veld),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. N. Eijpe).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat het asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig is geacht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 wordt het toetsingskader uitgewerkt en onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Vanaf 5 wordt de zorgvuldigheid besproken. Vanaf 8 gaat de rechtbank in op de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser. Vanaf 11 gaat de rechtbank in op de vraag of eiser in aanmerking komt voor internationale bescherming. Vanaf 12 gaat de rechtbank in op de vraag of eiser een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank gaat daarbij in op zwaarwegendheid, het risico op herhaling en het bestaan van een beschermingsalternatief. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M.A. Hersi als tolk, tevens aan de zijde van eiser mr. S. Rafi en mr. S. Pamir van de Commissie Strategisch Procederen en de landsadvocaat als gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De omvang van de beoordeling
3. Uit de arresten Quotal en Ebilum van 4 juni 2026 van het Hof volgt dat een rechter in eerste aanleg, bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming, de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde asielrelaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht. Op grond van deze arresten zal de rechtbank het besluit van de minister als volgt beoordelen.
3.1.
Het besluit van de minister is nog steeds het startpunt voor de beoordeling door de rechtbank. Het is immers ook op grond van artikel 46 van richtlijn 2013/32/EU nog steeds het afwijzende besluit waartegen beroep is ingesteld. Daarin brengen de arresten Quotal en Ebilum geen verandering. De rechter kan zich echter niet beperken tot het ‘toetsen’ van het bestreden besluit van de minister, maar moet een eigen, op zichzelf staande, uitputtende en geactualiseerde beoordeling verrichten.
3.2.
Bij de beoordeling betrekt de rechtbank alle elementen die door de vreemdeling ter staving van het asielrelaas naar voren zijn gebracht en door de minister zijn beoordeeld. De rechtbank richt zich daarbij vooral op de elementen die aan het besluit van de minister ten grondslag liggen en door de vreemdeling zijn bestreden, maar zij is daartoe niet beperkt. De rechtbank mag ook de feitelijke en juridische gronden van het besluit – volledig en ex nunc – onderzoeken, op basis van alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht. Daarbij is de rechtbank dus niet strikt beperkt tot de beroepsgronden.
3.3.
Deze beoordeling brengt ook mee dat eventuele nieuwe elementen, die na het nemen van het besluit naar voren zijn gekomen, moeten worden beoordeeld op geloofwaardigheid, aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade en de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming.
3.4.
De rechtbank zal bij de beoordeling van alle elementen verder de algemene bronnen en landeninformatie betrekken waarvan de rechtbank niet onkundig mag zijn.
3.5.
Als voor de beoordeling van het asielrelaas, van nieuwe elementen of van de vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige schade nader onderzoek nodig is, dan zal de rechtbank zo mogelijk zelf nader onderzoek doen. Dat kan bijvoorbeeld door ter zitting verduidelijkingsvragen te stellen of de vreemdeling te horen. Ook kan de rechtbank de minister en de vreemdeling in de gelegenheid stellen om een nader onderzoek te (laten) doen of tot een nadere standpuntbepaling te komen, op een wijze die gelet op de aard, omvang en intensiteit van het nader onderzoek het meest gepast is.
3.6.
Als alle voorgaande stappen zijn gezet, dan zal de rechtbank op basis daarvan – indien mogelijk binnen dezelfde gerechtelijke procedure – een definitieve uitspraak doen over de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming. In dat kader moet de rechtbank beoordelen of de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade is gebaseerd op een redelijke mate van waarschijnlijkheid. Als – uitgaande van de geloofwaardigheid – geen verschil van inzicht bestaat over de vrees voor vervolging of het reële risico, dan neemt de rechtbank dat in beginsel aan. Als daarover wel discussie bestaat, dan rust op de rechtbank niet alleen de bevoegdheid, maar ook de beginselplicht om hierover een uitputtend en geactualiseerd oordeel te geven. Als de rechtbank oordeelt dat de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming, dan zal de rechtbank de minister opdragen die te verlenen.
3.7.
In dit kader beoordeelt de rechtbank het asielrelaas achtereenvolgens aan de hand van de volgende vragen:
Heeft de besluitvorming zorgvuldig plaatsgevonden?
In dit kader onderzoekt de rechtbank of wezenlijke procedureregels zijn geschonden.
Is het asielrelaas (on)geloofwaardig?
In dit kader beoordeelt de rechtbank achtereenvolgens de asielmotieven waarmee de minister rekening heeft gehouden of had moeten houden, het referentiekader en de relevante elementen, die kunnen bestaan uit:
(1) documenten ter onderbouwing van het asielrelaas,
(2) de verklaringen van de vreemdeling,
(3) algemene bronnen en landeninformatie en
(4) eventuele nieuwe elementen, die op dezelfde manier worden beoordeeld.
Is de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade gebaseerd op een redelijke mate van waarschijnlijkheid?
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.
4.1.
Toen eiser 26 jaar oud was, kwam Al-Shabaab naar zijn dorp. Een lid van de groep kwam zijn huis binnen, waarop hij probeerde te vluchten. Hij werd door twee mannen opgepakt, geslagen en in de auto naar [plaats 1] gebracht. Na drie dagen van mishandelingen liet hij zich registreren bij Al-Shabaab. Het was de bedoeling dat hij nog zeven dagen in [plaats 1] zou blijven, maar na vier dagen wist hij tijdens het avondgebed te vluchten. Eiser heeft toen ongeveer anderhalve dag gelopen. In [plaats 2] kwam hij nomaden tegen, die hem hielpen contact op te nemen met zijn oom. De dag daarna is eiser opgehaald met de auto en heeft hij twaalf dagen in Mogadishu verbleven, waarna hij het land uit is gevlucht. Bij terugkeer naar Somalië vreest hij vermoord te worden door Al-Shabaab.
Heeft de besluitvorming zorgvuldig plaatsgevonden?
5. Eiser heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6) in strijd met het Unierecht is toegepast, omdat het asielrelaas automatisch ongeloofwaardig is geacht omdat niet aan de cumulatieve voorwaarden zou zijn voldaan. Ten onrechte is niet integraal (samenhangend) beoordeeld of eiser het voordeel van de twijfel moet worden gegund. Eiser verwijst daarbij naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen.
6. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat in dit concrete geval niet gebleken is dat de werkinstructie in strijd met het Unierecht is toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat de verklaringen van eiser en de landeninformatie integraal (samenhangend) bij de beoordeling zijn betrokken. De rechtbank merkt hierbij op dat het belang van deze beroepsgrond is achterhaald door de arresten Quotal en Ebilum van 4 juni 2026 van het Hof.
7. Deze beroepsgrond is ongegrond.
Is het asielrelaas (on)geloofwaardig?
De asielmotieven
8. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- De identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Problemen met Al-Shabaab.
8.1.
Gesteld noch gebleken is dat er meer of andere asielmotieven zijn. De rechtbank zal bij de beoordeling van de geloofwaardigheid en zwaarwegendheid van het asielrelaas daarom uitgaan van de bovengenoemde asielmotieven.
De relevante elementen
9. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten hier anders over te oordelen.
9.1.
De problemen met Al-Shabaab zijn niet geloofwaardig geacht. De minister volgt eiser dat Al-Shabaab ten tijde van zijn problemen aan de macht was in [plaats 3], maar vindt de ontvoering en rekrutering onwaarschijnlijk. Eiser heeft summier en wisselend verklaard over de wijze van ontvoering, de duur van de reis en de plek waar hij werd vastgehouden. Eiser heeft wisselend en ongerijmd verklaard over de mishandelingen tijdens de ontvoering en eiser heeft summier verklaard over de ontsnapping.
9.2.
Eiser heeft betoogd dat de minister de problemen met Al-Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser stelt dat hij voldoende gedetailleerd heeft verklaard en dat daaruit volgt dat hij te vrezen heeft voor Al-Shabaab. Eiser heeft bovendien betoogd dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar [plaats 3], Somalië, vanwege de algemene veiligheidsrisico’s daar.
9.3.
De rechtbank bespreekt allereerst het referentiekader van eiser, en beoordeelt de relevante elementen hieronder achtereenvolgens.
Het referentiekader
9.4.
Hoewel eiser daar geen beroep op heeft gedaan betrekt de rechtbank bij haar beoordeling ambtshalve eisers referentiekader en hetgeen in het medisch advies is vastgesteld. Eiser is opgegroeid in een rurale omgeving. Eiser is heel kort naar school gegaan en hij is analfabeet. Hij was nomade en zorgde voor zijn dieren. Tijdens het medisch advies is vastgesteld dat eiser moeite heeft om exacte data bij gebeurtenissen te plaatsen en dat hij last heeft van verkorte concentratie. Vragen naar gebeurtenissen moeten bij benadering gesteld worden en waar nodig meerdere malen herhaald worden of anders geformuleerd worden. De problemen met Al-Shabaab
10. De rechtbank stelt voorop dat eiser geen documenten ter onderbouwing van de problemen met Al-Shabaab heeft overgelegd.
10.1.
Volgens de minister heeft eiser wisselend, tegenstrijdig en summier verklaard over de problemen met Al-Shabaab en wordt hij daarom niet geloofd. Daarbij gaat het in het bijzonder over de verklaringen van eiser met betrekking tot de volgende onderwerpen:
de interesse van Al-Shabaab in eiser,
de ontvoering,
de plek waar eiser werd vastgehouden,
de mishandelingen en
de ontsnapping.
Omdat deze verklaringen de kern van het asielrelaas van eiser betreffen, beoordeelt de rechtbank hierna achtereenvolgens dezelfde verklaringen/onderwerpen volgens het onder rechtsoverweging 3. tot 3.7. bedoelde toetsingskader.
De verklaringen over de interesse van Al-Shabaab in eiser
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat het niet op voorhand onwaarschijnlijk is dat eiser pas is gerekruteerd en ontvoerd op zijn 26ste. Eiser heeft hierover niet vaag of ongerijmd verklaard. Het argument van de minister dat het logischerwijs eerder had moeten zijn gebeurd, vindt geen steun in algemene informatie. Omdat de minister thans volgt dat Al-Shabaab destijds aan de macht was in [plaats 3] en dat uit algemene informatie blijkt dat zowel minderjarigen als meerderjarigen worden gerekruteerd, valt niet in te zien dat de interesse in eiser onwaarschijnlijk is.
10.3.
De rechtbank acht de verklaringen van eiser over de interesse van Al-Shabaab in hem dan ook geloofwaardig.
De verklaringen over de ontvoering
10.4.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet summier heeft verklaard over de ontvoering. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank een gedetailleerde beschrijving gegeven van de omstandigheden rondom de ontvoering. De rechtbank ziet geen tegenstrijdigheid in de verklaringen over het aantal mannen dat langskwam. Eiser sprak over meerdere mannen die hielpen bij de ontvoering en beschreef dat er maar één man binnenkwam. De rechtbank begrijpt dat zo dat er meerdere mannen kwamen aanrijden en er één door de deur binnenkwam en anderen rondom het huis verspreid stonden. Eiser heeft gedetailleerd verklaard dat hij op het moment dat de deur open ging al op de binnenplaats achter het huis stond om te ontsnappen. Daarmee heeft hij een plausibele verklaring gegeven voor het feit dat hij niet weet of de kinderen wakker waren en wat zijn vrouw deed nadat ze de deur opende. Ook heeft hij gedetailleerd verklaard hoe het huis en de grond daaromheen er uit zien, ook door het uit te tekenen. Ook heeft hij gedetailleerd beschreven welke kleding de mannen droegen. Verder heeft eiser toegelicht dat hij buiten de binnenplaats eerst door één man werd vastgepakt en dat er snel een tweede man bij kwam. Dat acht de rechtbank niet tegenstrijdig met eisers verklaring dat hij door twee mannen naar de auto gebracht werd. De verklaring van eiser dat de ontvoering vóór negen uur in de ochtend plaatsvond, omdat hij om negen uur zou gaan werken, is naar het oordeel van de rechtbank een voldoende gedetailleerde verklaring van het tijdstip van de ontvoering.
10.5.
Gezien het hiervoor beschreven referentiekader, acht de rechtbank niet tegenstrijdig dat eiser de inschatting van de tijd in antwoord op vragen heeft gegeven met zijn verklaring dat hij niet weet hoe laat het was. Verder is de rechtbank van oordeel dat ten onrechte is tegengeworpen dat eiser andere fysieke waarnemingen had moeten kunnen benoemen van de autorit. Daarbij is ten eerste van belang dat eiser consequent heeft verklaard dat hij geblinddoekt was. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de tegenwerping van de minister gedurende de procedure is veranderd, waardoor niet meer wordt verlangd dat eiser kan verklaren hoeveel personen er bij hem in de auto zaten maar alleen nog dat hij bij benadering kan verklaren hoe lang de rit heeft geduurd. Die benadering heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank gegeven met zijn verklaring dat het eerder uren dan minuten duurde. Die schatting komt overeen met de afstand tussen [plaats 3] en [plaats 4] (waaruit eiser volgens zijn verklaringen is ontsnapt). Ook acht de rechtbank plausibel dat het in een stressvolle situatie moeilijk kan zijn de tijd in te schatten. Dat eiser ook andere fysieke waarnemingen moet hebben kunnen doen over de ontvoering, kan, mede gezien zijn referentiekader, niet van hem worden verwacht. De rechtbank acht relevant dat eiser wel gedetailleerd heeft verklaard over de omstandigheden toen hij nog geen blinddoek om had, de gebeurtenissen bij aankomst en toen de blinddoek af ging. Daarom komt aan het feit dat hij geen andere fysieke waarnemingen heeft benoemd, naar het oordeel van de rechtbank geen gewicht toe.
10.6.
De rechtbank acht de verklaringen van eiser over de ontvoering dan ook geloofwaardig.
De verklaringen over de plek waar hij werd vastgehouden
10.7.
De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende heeft verklaard over de plek waar hij werd vastgehouden. Eiser heeft de ruimte beschreven als een kamer met enkel een vloerkleed. Hij heeft de vloer, muren en het plafond beschreven en uitgetekend. Ook heeft eiser verklaard dat er meerdere kamers waren en een stenen omheining, wat hij kon zien als hij naar het toilet werd gebracht. De rechtbank ziet niet in wat eiser hierover nog meer had moeten verklaren. Verder merkt de rechtbank op dat in het verslag van het nader gehoor een stuk tekst lijkt te ontbreken nadat hem is gevraagd over het gebouw te vertellen, aangezien is opgemerkt dat eiser het ‘ook’ begon te tekenen en voorstelbaar is dat hij daarbij niet stil was. Ook zonder deze mogelijk ontbrekende tekst is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende heeft verklaard over de plek waar hij werd vastgehouden.
10.8.
De rechtbank acht de verklaringen van eiser over de plek waar hij werd vastgehouden dan ook geloofwaardig.
De verklaringen over de mishandelingen
10.9.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet wisselend heeft verklaard over de mishandelingen, maar zijn verklaringen heeft aangevuld. Hij heeft niet over andere mishandelingen verklaard, maar het alleen toegespitst op de ochtend en avond. Dat hij die splitsing nog niet heeft gemaakt in het vrije relaas, maakt het niet wisselend aangezien het om een detail gaat, waar juist de nadere bevraging voor is bedoeld. Eiser heeft de wijze van mishandeling gedetailleerd beschreven. Ook acht de rechtbank het niet ongerijmd dat hem pas op de derde dag is gevraagd zich aan te sluiten bij Al-Shabaab. Eiser heeft daarover verklaard dat Al-Shabaab uit zijn vluchtpoging thuis kon afleiden dat hij niet wilde meewerken met Al-Shabaab. Die verklaring komt de rechtbank niet bevreemdend voor. De rechtbank ziet in eisers verklaringen hierover ook geen tegenstrijdigheid.
10.10.
De rechtbank acht de verklaringen van eiser over de mishandelingen geloofwaardig.
De verklaringen over de ontsnapping
10.11.
De rechtbank vindt het niet op voorhand bevreemdend dat eiser en de andere gevangenen, na hun instemming zich aan te sluiten bij Al-Shabaab, slechts door één persoon in de gaten werden gehouden. De minister heeft desgevraagd niet overtuigend toegelicht waaruit volgt dat zij nog steeds gevangenen waren. Eisers verklaring dat zij, nu ze zich hadden aangesloten bij Al-Shabaab werden geacht opdrachten uit te gaan voeren voor Al-Shabaab en daarom niet meer streng werden bewaakt, komt niet onlogisch voor. Eisers verklaring dat de dreiging dat hij bij een ongeoorloofd vertrek zal worden opgespoord en gedood voldoende werd geacht door Al-Shabaab, komt de rechtbank ook niet bevreemdend voor. Immers, Al-Shabaab wist waar eiser en zijn gezin wonen, had foto’s van hem gemaakt en gegevens van zijn moeder en zijn vrouw genoteerd en had hem de nodige angst ingeboezemd met de mishandelingen.
10.12.
Dat eiser fysiek in staat was om te lopen en rennen, acht de rechtbank niet ongerijmd. Uit het gehoor volgt dat hij brandwonden van de plastic druppels had op beide voeten, dat zijn voet was gezwollen, dat hij overal pijn in zijn lichaam had en dat hij door zijn pijngrens is gegaan, dat er na het lopen bloed uit de wond kwam en dat hij veel pijn had. Zijn beschrijving komt overeen met het genoemde letsel. Daaruit kan niet worden geconcludeerd dat het voor eiser onmogelijk was om in een situatie van levensgevaar door zijn pijngrens heen te rennen. Eiser heeft daarover verklaard dat hij eerst liep en daarna rende, wat overeenkomt met wat hij in de zienswijze heeft beschreven. Ook de naam van het dorp waaruit hij vluchtte heeft hij benoemd. De rechtbank ziet niet in wat eiser nog meer had moeten kunnen verklaren, ook rekening houdend met het referentiekader.
10.13.
De rechtbank acht de verklaringen van eiser over de ontsnapping dan ook geloofwaardig.
De conclusie
10.14.
Gelet op de verklaringen van eiser, zijn achtergrond en referentiekader, de documentatie over Al-Shabaab waarnaar eiser heeft verwezen en algemene informatie over Somalië, komt de rechtbank tot de conclusie dat het asielrelaas van eiser geloofwaardig is.
Komt eiser in aanmerking voor internationale bescherming?
11. Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 29, eerste lid onder a van de Vw, moet worden voldaan aan de voorwaarden die gesteld zijn in het Vluchtelingenverdrag. Dit betekent dat eiser vanwege een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde groep niet terug kan keren naar haar land van herkomst. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vrees voor Al-Shabaab te herleiden is tot een van de gronden uit het Vluchtelingenverdrag. Daarmee voldoet eiser niet aan de voorwaarden en valt hij niet onder het Vluchtelingenverdrag.
11.1.
Nu eiser niet onder het Vluchtelingenverdrag valt, toetst de rechtbank of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw. Daarvoor moet eiser aannemelijk maken dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.
11.2.
Nu het relaas van eiser naar het oordeel van de rechtbank geloofwaardig is, beoordeelt de rechtbank of de problemen van eiser voldoende zwaarwegend zijn en of hij bij terugkeer daadwerkelijk een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank beantwoordt die vragen bevestigend en zal hieronder uitleggen waarop zij dat oordeel baseert.
Zijn de problemen van eiser voldoende zwaarwegend?
12. De rechtbank beoordeelt eerst of de door eiser gevreesde behandeling, uitgaande van het geloofwaardig geachte asielrelaas, voldoende zwaarwegend is om als ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder b, van de Kwalificatieverordening te kunnen worden aangemerkt.
12.1.
De rechtbank is van oordeel dat de geloofwaardig geachte problemen van eiser met Al-Shabaab voldoende zwaarwegend zijn om als ernstige schade te kwalificeren. Eiser is door Al-Shabaab ontvoerd en gedurende zijn gevangenschap mishandeld en vervolgens uit zijn gevangenschap ontsnapt. Eiser is daarmee niet slechts geconfronteerd met de algemene dreiging die van Al-Shabaab uitgaat, maar ook persoonlijk bij Al-Shabaab in de negatieve belangstelling komen te staan en daadwerkelijk aan ernstige schade blootgesteld. Dit vormt een duidelijke aanwijzing dat eiser bij terugkeer opnieuw het risico op dergelijke schade loopt. De door eiser gevreesde behandeling is gelet op de aard en ernst daarvan, als deze zich voordoet, aan te merken als ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder b, van de Kwalificatieverordening.
Loopt eiser bij terugkeer naar Somalië daadwerkelijk een reëel risico op ernstige schade?
13. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de door eiser gevreesde behandeling, als deze zich voordoet, ernstige schade oplevert, beoordeelt de rechtbank vervolgens of het waarschijnlijk is dat ernstige schade zich bij terugkeer naar Somalië zal voordoen, of eiser in Somalië effectieve bescherming kan krijgen en of eiser aan het risico op ernstige schade kan ontkomen door zich elders in Somalië te vestigen.
13.1.
De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser bij terugkeer opnieuw met ernstige schade zal worden geconfronteerd. Daarbij weegt mee dat eiser in het verleden persoonlijk te maken heeft gehad met Al-Shabaab. De actuele landeninformatie biedt geen aanknopingspunten om aan te nemen dat dit risico inmiddels is weggenomen. Integendeel, uit het meest recente Algemeen Ambtsbericht van 31 maart 2026 volgt dat de invloed van Al-Shabaab in de omgeving van [plaats 3] onverminderd groot is en dat de nabijgelegen plaatsen [plaats 5], [plaats 6] en [plaats 7] onder controle van Al-Shabaab staan. Verder volgt uit het ambtsbericht dat personen die terugkeren naar gebied onder controle van Al-Shabaab het risico lopen als spion te worden aangemerkt, gearresteerd en geëxecuteerd te worden. Het door eiser overgelegde rapport van Open Doors ondersteunt bovendien het beeld dat Al-Shabaab in de omgeving van [plaats 3] grote invloed uitoefent en dat daar veel geweld plaatsvindt. Dat rapport noemt het gebied rond [plaats 3] expliciet als een van de gebieden waar de situatie het ernstigst is vanwege de controle door Al-Shabaab. Daar komt bij dat volgens het Ambtsbericht terugkeer naar door Al-Shabaab gecontroleerd gebied onder omstandigheden mogelijk kan zijn na bemiddeling door een Al-Shabaab vertrouwde clanoudste, waarna van de terugkeerder wordt verlangd dat hij loyaliteit toont en zich aan de regels van Al-Shabaab houdt. Niet is gebleken dat eiser over een dergelijke bemiddelaar beschikt. Bovendien kan, gelet op zijn geloofwaardig geachte ontvoering en mishandeling door Al-Shabaab en zijn ontsnapping, niet van eiser worden verwacht dat hij zijn loyaliteit aan Al-Shabaab toont of zich aan haar regels conformeert. De rechtbank ziet zich in deze beoordeling verder gesterkt door het beleid van de minister zelf. Daaruit volgt dat de mensenrechtensituatie in gebieden waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied controleert, zodanig is dat voor iedere terugkeerder een reëel risico bestaat op ernstige schade. Tegen deze achtergrond en gelet op de individuele voorgeschiedenis van eiser, in onderlinge samenhang bezien, ziet de rechtbank een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat eiser bij terugkeer naar [plaats 3] opnieuw zal worden blootgesteld aan ernstige schade.
13.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser tegen het hiervoor vastgestelde risico geen effectieve bescherming kan krijgen van de Somalische autoriteiten of internationale organisaties. Eiser is afkomstig uit [plaats 3], gelegen in Centraal-Somalië. Uit het beleid van de minister volgt dat voor vreemdelingen afkomstig uit Zuid- en Centraal-Somalië, inclusief Mogadishu, wordt aangenomen dat het niet mogelijk is bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om daar in het geval van eiser anders over te oordelen. Eiser kan daarom in zijn gebied van herkomst geen effectieve bescherming krijgen tegen het reële risico op ernstige schade.
13.3.
Onder voorwaarden kan een binnenlands beschermingsalternatief worden tegengeworpen in een gebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen binnenlands beschermingsalternatief bestaat, omdat eiser altijd in het gebied van herkomst heeft verbleven en niet eerder elders in Somalië heeft gewoond. Zijn ouders zijn overleden en er is geen indicatie dat eiser grootfamilie heeft buiten de directe omgeving van [plaats 3]. Daarmee ontbreken concrete aanknopingspunten dat eiser zich elders in Somalië kan vestigen. De rechtbank betrekt daarbij dat uit de door eiser aangehaalde informatie van EUAA volgt dat in de regio’s [regio 1] en [regio 2] een hoge mate van willekeurig geweld heerst conform artikel 15c van de Kwalificatieverordening. Ook de meest recente landeninformatie van de EUAA bevestigt dat de veiligheidssituatie in deze regio’s onverminderd precair is. Hoewel de enkele aanwezigheid van Al-Shabaab in deze regio’s niet voldoende is om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen, zijn vanwege het hoge niveau van willekeurig geweld slechts in beperkte mate individuele omstandigheden vereist om tot een dergelijk risico te kunnen concluderen. De minister heeft daarover geen standpunt ingenomen en daar geen andersluidende informatie tegenover gesteld. Verder volgt uit het beleid van de minister dat er geen bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties is te verkrijgen voor vreemdelingen die afkomstig zijn uit Zuid- en Centraal-Somalië. De rechtbank concludeert daarom dat er voor eiser geen binnenlands beschermingsalternatief beschikbaar is.
13.4.
Op grond van hetgeen is overwogen onder 13 tot en met 13.3. komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië.
Conclusie en gevolgen
14. De minister heeft de aanvraag van eiser ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. De minister heeft immers onvoldoende gemotiveerd dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
14.1.
De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend. Naar het oordeel van de rechtbank is immers voldaan aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van subsidiaire bescherming. Uit de Kwalificatieverordening volgt dan dat een status moet worden verleend.
14.2.
De rechtbank draagt de minister met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrechter op om binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiser een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig zijn vluchtelingenstatus te verstrekken, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.
14.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Omdat de zaak een zeer zwaar gewicht heeft, is op de waarde een factor van 2 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.736,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 27 augustus 2025;
- bepaalt dat eiser internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus als bedoeld in artikel 13 jo hoofdstukken II en III van Verordening (EU) 2024/1347 geniet per datum van zijn aanvraag;
- bepaalt dat de onderhavige uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten en:
- draagt de minister op om overeenkomstig artikel 13 jo hoofdstukken II en III jo artikel 24 van Verordening (EU) 2024/1347 in samenhang bezien met de toepasselijke Nederlandse uitvoeringswetgeving binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiser een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig de vluchtelingenstatus te verstrekken;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 3.736,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzitter, en mr. A.P.W. Esmeijer en mr. I.M. Brandwacht - Kampman, leden, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000
De arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 juni 2026, in de zaak Quotal, C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447, en in de zaak Ebilum, C-440/25, ECLI:EU:C:2026:448.
HvJ EU 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, r.o. 77 en 78.
Zie de rechtsoverwegingen 30-34, 37 jo. 39 en 48 van het arrest Quotal.
Uitspraken van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 en ECLI:NL:RBDHA:2025:14853.
De rechtbank verwijst naar het oordeel van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149.
EUAA, '3.2. Persons fearing forced recruitment by Al-Shabaab' in Country Guidance: Somalia, October 2025.
Verslag nader gehoor, einde van pagina 13.
Verslag nader gehoor, pagina 16 en 17.
Conform artikel 4 van de Kwalificatieverordening, Verordening (EU) 2024/1347 Van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad.
Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951.
Zie artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Paragraaf C9/30.4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
C9/30.5.1. Van de Vreemdelingencirculaire 2000