Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26818
2026-09-14
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.49293
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de besluitvorming niet voldaan aan de opdracht van deze rechtbank zoals vastgelegd in de uitspraak van 25 maart 2024.
Citeert (15)
- ECLI:NL:RBOVE:2024:1575 Rechtbank Overijssel 25-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:1472 Raad van State 02-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2003:AI0801 Raad van State 06-08-2003
- ECLI:NL:RVS:2007:BA7794 Raad van State 14-06-2007
- ECLI:NL:RVS:2014:1760 Raad van State 08-05-2014
- ECLI:NL:RBOVE:2024:1575 Rechtbank Overijssel 25-03-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:1575 Rechtbank Overijssel 25-03-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:1575 Rechtbank Overijssel 25-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:1472 Raad van State 02-04-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2024:1575 Rechtbank Overijssel 25-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:1472 Raad van State 02-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2018:2086 Raad van State 27-06-2018
- ECLI:NL:RBOVE:2024:1575 Rechtbank Overijssel 25-03-2024
- ECLI:EU:C:2026:447
- ECLI:EU:C:2026:448
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.433 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49293
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de besluitvorming niet voldaan aan de opdracht van deze rechtbank zoals vastgelegd in de uitspraak van 25 maart 2024. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 16 maart 2021 een derde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft in het besluit van 25 mei 2023 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
2.1.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep van eiser gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 25 mei 2023 vernietigd en de minister opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van die uitspraak.
2.2.
De minister heeft op 9 oktober 2025 een nieuw besluit genomen waarin de asielaanvraag van eiser opnieuw als kennelijk ongegrond is afgewezen. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Daarnaast is ook mevrouw [naam 1] van Vluchtelingenwerk Nederland ter zitting verschenen.
De twee eerdere asielprocedures
3. Eiser heeft in 2003 bij zijn eerste asielaanvraag verklaard dat hij een meisje zwanger heeft gemaakt en dat hij voor haar vader vreesde. De vader van het meisje heeft eiser met de dood bedreigd. Er zijn militairen naar eisers ouderlijke woning gekomen op zoek naar eiser, er is geschoten en eiser is uit angst voor zijn leven het bos in gevlucht. Hij is met behulp van een vriend en derden het land ontvlucht. Die eerste aanvraag is afgewezen op de geloofwaardig geachte verklaringen die niet zwaarwegend genoeg waren, onder andere omdat eiser alleen van horen zeggen had dat hij door de vader van het meisje werd gezocht. Eiser is tegen deze afwijzing niet in beroep gegaan. Bij zijn tweede aanvraag in 2008 heeft eiser verklaard dat hij in 2003 niet het hele relaas naar voren heeft kunnen brengen. Eiser heeft bij zijn tweede aanvraag additionele verklaringen afgelegd, te weten dat hij vanwege het zwanger maken van het meisje naar de gevangenis is gebracht en daar haar vader heeft gezien en gesproken. De vader van het meisje heeft hem laten oppakken en gevangen laten zetten. In gevangenschap is hij mishandeld, gemarteld en (met van alles) geslagen. Een vriend heeft hem vrij kunnen kopen. Die aanvraag is afgewezen omdat hij deze verklaringen vijf jaar later deed en geen goede verklaring had waarom hij niet eerder met deze verklaringen kwam. De rechtbank heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard. De Afdeling heeft deze uitspraak bevestigd.
De huidige asielprocedure
4. In onderhavige procedure heeft eiser zijn eerste asielrelaas herhaald en heeft hij daarbij aangevuld dat de familie van het meisje van de Mandingo bevolkingsgroep is en het meisje, dat eiser zwanger heeft gemaakt, heeft gedood. Eiser stelt dat hij ook gedood zal worden, omdat eerwraak niet verjaart. Ook stelt eiser dat hij, vlak voor zijn arrestatie (door de vader van het meisje), op straat is overvallen door rebellen, in een soort gevangenis is terecht gekomen en door meerdere mannen is verkracht. Deze derde aanvraag is door de minister afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen deze afwijzing beroep ingesteld. Dit beroep is door deze rechtbank gegrond verklaard. De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat de minister de bevindingen in het overgelegde iMMO-rapport over het vermogen om te verklaren, niet zonder bevindingen van een contra-expert terzijde heeft kunnen schuiven. De rechtbank heeft het besluit van 25 mei 2023 vernietigd en de minister opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op de asielaanvraag van eiser. Deze uitspraak staat in rechte vast.
Het bestreden besluit
5. De minister heeft de asielaanvraag van eiser in het bestreden besluit opnieuw beoordeeld. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
de problemen van eiser n.a.v. het zwanger maken van [naam 2] ;
de verkrachting van eiser.
5.1
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen van eiser naar aanleiding van het zwanger maken van [naam 2] acht de minister deels geloofwaardig. De verklaringen van eiser over de verkrachting heeft de minister geloofwaardig geacht. De minister is in het bestreden besluit tot een gelijke beoordeling gekomen als in het vernietigde besluit van 25 mei 2023. De minister stelt zich – kort samengevat – opnieuw op het standpunt dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 over de beantwoording van de B-vraag in het iMMO-rapport, het iMMO-rapport onvoldoende inzichtelijk is en er daarom geen aanleiding is om de conclusie te herzien. Nu de beantwoording van de B-vraag niet inzichtelijk is, wordt ook aan de beantwoording van de A-vraag getwijfeld. Over de beantwoording van de A-vraag stelt de minister zich op het standpunt dat weliswaar kan worden aangenomen dat de medische en psychische klachten en de desbetreffende littekens van eiser mogelijk veroorzaakt zijn door het door eiser gestelde geweldsrelaas, echter is hiermee niet aannemelijk gemaakt dat dit geweldsrelaas het gevolg is geweest van de door eiser gestelde problemen. Bovendien is het lichamelijk onderzoek niet volledig afgerond en ontbreekt er medische informatie. Gelet op het voorgaande concludeert de minister dat het iMMO-rapport niet inzichtelijk is en om die reden is het volgens de minister niet noodzakelijk dat er een contra-expertise wordt uitgevoerd. De minister heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
5.2
Eiser heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op hetgeen in dat verband is aangevoerd zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan.
Beoordeling door de rechtbank
Het iMMO-rapport
Het iMMO-rapport van 30 maart 2020 is opgedeeld in twee onderdelen. In het A-onderdeel wordt geconcludeerd dat de medische problematiek van eiser (de lichamelijke en psychische problematiek) wordt beoordeeld als consistent voor het door eiser gestelde geweldsrelaas. In het B-onderdeel van het iMMO-rapport wordt geconcludeerd dat de geconstateerde medische problematiek op dit moment zeker interfereren met het vermogen van betrokkene om compleet, consistent en coherent te kunnen verklaren. Aangezien er geen medische informatie van eiser beschikbaar is over de periode van de eerste asielaanvraag in 2003 noch ten tijde van de tweede asielaanvraag in 2008, heeft het iMMO op basis van het huidige psychiatrische beeld geconcludeerd dat er sprake is van psychische problematiek die ten tijde van de eerdere gehoren waarschijnlijk geïnterfereerd heeft met het vermogen om compleet, consistent en coherent te kunnen verklaren.
Het B-onderdeel van het iMMO-rapport en de contra-expertise
6. De minister stelt zich op het standpunt dat bij de behandeling van een asielaanvraag een ex nunc-toetsing plaatsvindt. Hetgeen betekent dat het besluit wordt genomen met inachtneming van de op dat moment geldende regelgeving en op dat moment bekende situatie. De uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 is hierom betrokken bij de besluitvorming. In deze uitspraak heeft de Afdeling, mede op basis van de bevindingen van een onafhankelijke deskundige, geoordeeld dat het iMMO bij de beantwoording van de B-vraag in het rapport onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de daarin opgenomen conclusie is gebaseerd op een op eiser toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren. De minister stelt zich op het standpunt dat in deze zaak van eiser een vergelijkbare situatie aan de orde is en dat ook in dit geval het antwoord op de B-vraag niet voldoende is toegespitst op de individuele situatie van eiser. Aangezien deze Afdelingsuitspraak van toeppassing is op onderhavige zaak, heeft de minister geen aanleiding meer gezien om – zoals door de rechtbank in haar uitspraak van 25 maart 2024 aan de minister is opgedragen – een contra-expert in te schakelen. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister daarop aangevuld dat het inschakelen van een contra-expert tijdrovend is, waarbij de uitkomst soms twee jaar kan duren. Daarnaast stelt de minister dat de contra-expertise geen andere uitkomst zou hebben geboden. Om die reden heeft de minister gekozen om de lijn van de Afdelingsuitspraak te volgen.
6.1
Eiser stelt dat de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 niet van toepassing is op zijn asielprocedure, omdat deze rechtbank op 25 maart 2024 al heeft geoordeeld dat het iMMO-rapport wel inzichtelijk is en de minister aannemelijk moet maken dat dit niet het geval is. Deze uitspraak staat in rechte vast. Eiser stelt zich dan ook primair op het standpunt dat de minister uit dient te gaan van de uitspraak van deze rechtbank en subsidiair een contra-expert had moeten inschakelen als de minister het niet eens is met de uitkomst van het iMMO-rapport.
6.2
De rechtbank overweegt als volgt. In de uitspraak van 25 maart 2024 heeft deze rechtbank overwogen dat de minister de bevindingen in het overgelegde iMMO-rapport over het vermogen om te verklaren, niet zonder bevindingen van een contra-expert terzijde heeft kunnen schuiven. Deze rechtbank heeft de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. De minister is destijds niet in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak. In de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003 is geoordeeld dat het niet instellen van hoger beroep tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat, indien in beroep tegen de nieuwe beslissing beroepsgronden worden aangevoerd, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat het ten tweede male beoordelen van beroepsgronden het gezag van de rechterlijke uitspraak waartegen geen rechtsmiddel is aangewend, miskent.
6.3
Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2007 volgt dat een nieuw te nemen besluit in overeenstemming dient te worden genomen met hetgeen in de uitspraak van
25 maart 2024 is geoordeeld. Slechts nieuw gebleken feiten of omstandigheden kunnen een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen. Naar het oordeel van de rechtbank is de Afdelingsuitspraak van 2 april 2025 geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid op grond waarvan het niet instellen van hoger beroep de minister niet kan worden tegengeworpen. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2014. De minister heeft zich in het vernietigde besluit van 25 mei 2023 reeds op het standpunt gesteld dat het iMMO-rapport niet inzichtelijk is. Volgens de minister bleek uit vaste jurisprudentie dat eerst moet worden beoordeeld of een iMMO-rapport voldoende inzichtelijk is, voordat aan de inhoud kan worden toegekomen. In de uitspraak van 25 maart 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het iMMO-rapport niet inzichtelijk zou zijn. Eiser heeft immers met het iMMO-rapport en overige bijlagen onderbouwd dat hij vanwege trauma’s niet goed heeft kunnen verklaren. Deze rechtbank heeft geoordeeld dat de minister als niet-medicus niet zonder meer heeft kunnen concluderen dat de onderbouwing van de conclusie in het iMMO-rapport niet over eiser persoonlijk gaat en daarom onvoldoende inzichtelijk is. Dat de Afdeling in de uitspraak van 2 april 2025 heeft geoordeeld dat het iMMO bij de beantwoording van de B-vraag in het rapport onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de daarin opgenomen conclusie is gebaseerd op een op eiser toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren, is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid op grond waarvan het niet instellen van hoger beroep de minister niet kan worden tegengeworpen. De inhoud van de Afdelingsuitspraak heeft namelijk tot gevolg dat beoordeeld dient te worden of het iMMO voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de daarin opgenomen conclusie op de B-vraag is gebaseerd op een op eiser toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de inzichtelijkheid van de conclusie van het B-onderdeel van het iMMO-rapport al in de onherroepelijke uitspraak van 24 maart 2025 is betrokken. In die uitspraak heeft de rechtbank duidelijk overwogen dat de minister de bevindingen in het iMMO-rapport over het vermogen om te verklaren, niet zonder bevindingen van een contra-expert terzijde heeft kunnen schuiven. De Afdelingsuitspraak van 2 april 2025 doet daar niets aan af, deze uitspraak neemt namelijk de conclusie van de rechtbank – dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het iMMO-rapport niet inzichtelijk zou zijn – niet weg. Dit betekent dat de minister geen verschoonbare omstandigheid heeft aangedragen op grond waarvan het niet instellen van hoger beroep de minister niet kan worden tegengeworpen. Door geen contra-expert in te schakelen en desondanks het iMMO-rapport niet inzichtelijk te achten, heeft de minister in de besluitvorming niet voldaan aan de opdracht van deze rechtbank zoals vastgelegd in de uitspraak van 25 maart 2024.
6.4
De rechtbank vindt het opvallend dat de minister ter zitting heeft aangevoerd dat geen contra-expert is ingeschakeld, omdat de uitkomsten mogelijk twee jaar op zich zouden laten wachten en niet tot een ander oordeel zouden leiden. Dit argument acht de rechtbank niet steekhoudend, aangezien het nemen van een nieuw besluit door de minister ook ruim twee jaar heeft geduurd. De minister had in die periode ook een contra-expert kunnen inschakelen. Bovendien acht de rechtbank de conclusie van de minister dat een contra-expert niet tot een ander oordeel zou kunnen leiden, ongefundeerd.
Het A-onderdeel van het iMMO-rapport
6.5
De minister stelt dat op basis van de conclusies onder de A-vraag weliswaar kan worden aangenomen dat eisers medische en psychische klachten en desbetreffende littekens mogelijk veroorzaakt zijn door het door eiser gestelde asielrelaas. Hiermee is echter niet aannemelijk gemaakt dat dit geweldsrelaas het gevolg is geweest van de door eiser gestelde problemen. Nu in de Afdelingsuitspraak van 2 april 2025 is geoordeeld dat de beantwoording van de B-vraag niet inzichtelijk is, wordt door de minister ook getwijfeld aan de beantwoording van de A-vraag. Uit het rapport en de bevindingen wat betreft de littekens blijkt duidelijk dat eiser lichamelijk geweld heeft ondergaan. Echter wordt niet gevolgd dat deze littekens daadwerkelijk het gevolg zijn van een marteling tijdens detentie. Immers kan op basis van de omschrijvingen van de littekens niet worden afgeleid wanneer deze zijn ontstaan, door wiens toedoen en onder welke omstandigheden deze littekens zijn toegebracht. De mogelijke causaliteit die tussen eisers verklaringen over de marteling in detentie en de littekens bestaat, wordt door het iMMO als ‘consistent’ gekwalificeerd. Volgens de minister is echter niet inzichtelijk hoe het iMMO tot deze kwalificatie is gekomen, nu het lichamelijk onderzoek vroegtijdig is afgebroken, er mogelijk meer littekens zijn die niet zijn onderzocht en dat eiser geen andere verklaring heeft gegeven over de toedracht anders dan de enkele verklaring dat hij “met van alles en overal is geslagen”. Uit het iMMO-rapport blijkt tevens dat het psychisch onderzoek vroegtijdig is afgebroken. Volgens de minister heeft het iMMO niet inzichtelijk gemaakt hoe zij ondanks het ontbreken van medische informatie en onvolledig/ afgebroken onderzoek toch tot conclusies heeft kunnen komen.
6.6
Eiser stelt zich, onder verwijzing naar een brief van het iMMO van 14 januari 2026, op het standpunt dat de conclusie van de minister dat de twijfel over beantwoording van de B-vraag ook de conclusie van de A-vraag raakt, onjuist is. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 2 april 2025 ook bevestigd dat de bevindingen van de deskundige geen betrekking hebben op de beantwoording van de A1- en A2-vraag. Volgens het iMMO zijn de A- en B-vraag afzonderlijke onderzoeksvragen, die ieder een verschillend doel en onderzoeksdomein betreffen. Het feit dat het lichamelijk onderzoek door de psychische toestand van eiser vroegtijdig is afgebroken, doet volgens eiser niet af aan de inzichtelijkheid van de beantwoording van de A1-vraag. In de rapportage staat volgens eiser ook duidelijk beschreven wat de reden is dat het lichamelijk onderzoek vroegtijdig is afgebroken. Bovendien volgt uit de uitspraak van deze rechtbank van 25 maart 2024 dat het standpunt van de minister dat uit het iMMO-rapport zou volgen dat de littekens mogelijk een andere oorzaak zouden hebben, een onzorgvuldige lezing is van het rapport.
6.7
De rechtbank overweegt allereerst dat de Afdeling in de uitspraak van 2 april 2025 heeft benadrukt dat de rechtspraak over de betekenis van een iMMO-rapport als medische steunbewijs (A-vraag) ongewijzigd blijft. In dat kader kan de rechtbank de minister dan ook niet volgen in zijn stelling dat hetgeen in de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 is overwogen over de B-vraag, doorwerkt in de beoordeling of de beantwoording van de A-vraag. De minister zal ten aanzien van de A-vraag het kader moeten hanteren zoals dat door de Afdeling is geformuleerd.
6.8
Uit het iMMO-rapport volgt dat de medische (lichamelijke en/of psychische) problematiek van eiser voortgekomen kan zijn uit het gestelde geweldsrelaas dat ten grondslag ligt aan de asielaanvraag. De A-vraag is onderverdeeld in twee deelvragen. Vraag A1 ziet op de vraag in welke mate dit geldt voor de lichamelijke problematiek. Vraag A2 ziet op de vraag in welke mate dit geldt voor de psychische problematiek. In dit kader is bij vraag A1 geconcludeerd dat de onderzochte littekens en huidafwijkingen het gevolg kunnen zijn van het gestelde geweld, maar ook van andere gebeurtenissen die niet met het gestelde asielrelaas samenhangen. Daarmee is de causaliteitsrelatie volgens het iMMO ‘consistent’. In de beantwoording van de A2-vraag wordt aan eisers psychische problematiek de gradatie ‘zeer consistent’ toegekend. In het geval van eiser zijn er volgens het iMMO meerdere specifieke PTSS-klachten die vanwege de aard, inhoud en het verloop van de klachten worden beoordeeld als “zeer consistent” met de gestelde verkrachting in het land van herkomst.
6.9
Zoals uit de uitspraken van de Afdeling van 27 juni 2018 en 2 april 2025 volgt, is, als een medisch rapport, zoals een iMMO-rapport, een sterke aanwijzing vormt dat de door een vreemdeling gestelde onmenselijke behandeling in het land van herkomst het letsel heeft veroorzaakt, indien verweerder die gestelde onmenselijke behandeling desondanks niet aannemelijk acht, het aan verweerder om de twijfel weg te nemen over de oorzaak van het letsel. Hiertoe kan verweerder gehouden zijn nader medisch onderzoek te laten verrichten. Bij het beantwoorden van de vraag of een iMMO-rapport tot dergelijk onderzoek verplicht, is van belang in hoeverre de vreemdeling tijdens de gehoren bevreemdingwekkend, vaag of tegenstrijdig heeft verklaard over het deel van het asielrelaas dat hij met het iMMO-rapport heeft willen staven. Verder is van belang in hoeverre dat deel van het asielrelaas past in het beeld dat in betrouwbare algemene informatie naar voren komt over het land van herkomst. Daarbij is van belang hoe sterk de kwalificatie is die volgens het iMMO van toepassing is. Voor het ontstaan van de verplichting tot nader medisch onderzoek is echter niet vereist dat het iMMO-rapport geen ruimte laat voor een andere dan de door de vreemdeling gestelde oorzaak. Dat onderdelen van het asielrelaas ongeloofwaardig zijn, hoeft evenmin in de weg te staan aan het ontstaan van de verplichting tot medisch onderzoek.
6.10
De rechtbank heeft in de eerdere procedure, al geoordeeld dat het standpunt van de minister dat uit het iMMO-rapport zou volgen dat de littekens van eiser mogelijk een andere oorzaak zouden hebben, een onzorgvuldige lezing is van het iMMO-rapport. Voorts heeft de rechtbank in deze uitspraak ook al overwogen dat uit het iMMO-rapport volgt dat de verklaringen over de littekens als ‘consistent’ kunnen worden beoordeeld en dat er een samenhang is geconcludeerd tussen de fysieke en psychische bevindingen. Ondanks voornoemd oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit opnieuw hetzelfde standpunt ingenomen als in het vernietigde besluit van 25 mei 2023, namelijk dat de littekens mogelijk een andere oorzaak kunnen hebben en dat de toedracht van de littekens onduidelijk is. Daarbij heeft de minister ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de Afdelingsuitspraak van 2 april 2025. Zoals reeds is overwogen volgt de rechtbank de minister niet in zijn betoog dat de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 ook doorwerkt voor de A-vraag, nu de Afdeling in diezelfde uitspraak expliciet heeft overwogen dat haar rechtspraak over de betekenis van een iMMO-rapport als medisch steunbewijs ongewijzigd blijft. Door toch wederom hetzelfde standpunt in te nemen zonder nadere (medische) onderbouwing, heeft de minister geen uitvoering gegeven aan de uitspraak van deze rechtbank van 25 maart 2024 en het toetsingskader van de Afdeling van 2 april 2025 onjuist geïnterpreteerd.
6.11
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister ook wat betreft de beoordeling van de A-vraag niet heeft voldaan aan de opdracht van deze rechtbank in de uitspraak van 25 maart 2024.
Verzoek van eiser tot finale geschilbeslechting
7. Eiser heeft ter zitting met het oog op de recente arresten, Quotal en Ebilum, van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) verzocht een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten. Eiser voert aan grote behoefte te hebben aan duidelijkheid na de jarenlange onzekerheid. De minister heeft ter zitting van het verzoek van eiser kennisgenomen en heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid op hierop te reageren.
7.1
De rechtbank heeft met aandacht kennisgenomen van het verzoek van eiser om, mede gelet op de arresten Quotal en Ebilum van het Hof van Justitie van de Europese Unie, een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling van de zaak te verrichten. De rechtbank onderkent dat dit de derde asielprocedure van eiser betreft en dat de procedure reeds een uitzonderlijk lange periode beslaat. Eiser heeft in 2003 zijn eerste asielaanvraag ingediend. De rechtbank heeft oog voor de ingrijpende gevolgen van de langdurige onzekerheid waarin eiser verkeert en voor de grote behoefte aan duidelijkheid die daaruit voortvloeit. Niettemin ziet de rechtbank in deze zaak geen aanleiding om van haar bevoegdheid tot een eigen, uitputtende beoordeling gebruik te maken. De rechtbank overweegt dat verweerder, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit zal moeten nemen. De rechtbank gaat ervan uit dat de minister hierbij de nodige spoed zal betrachten, mede gelet op de lange duur van de procedure en de psychisch kwetsbare positie van eiser.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd, in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit in zijn geheel. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat nader onderzoek nodig is.
9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 9 oktober 2025;
draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van S.E.M. Pot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Uitspraak rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1575.
Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afdelingsuitspraak van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1472.
Afdelingsuitspraak van 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0801.
Afdelingsuitspraak van 14 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA7794.
Afdelingsuitspraak van 8 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1760.
Besluit van 25 mei 2023, p. 2.
Uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1575, r.o. 8.4.
Uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1575, r.o. 9.
Uitspraak rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1575, r.o. 9.
iMMO-rapport, p.19.
Afdelingsuitspraak van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1472, r.o. 12.
iMMO-rapport, p.11.
Uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1575, r.o. 15.
Afdelingsuitspraak van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1472, r.o. 12.
Volgens de gradaties van het Istanbul Protocol.
Volgens de gradaties van het Istanbul Protocol.
Afdelingsuitspraak van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2086, r.o. 9.1.
Uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1575, r.o. 15.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 juni 2026, Quotal, C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447.
Arrest van het Hof van 4 juni 2026, Ebilum, ECLI:EU:C:2026:448.
De Algemene wet bestuursrecht.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49293
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de besluitvorming niet voldaan aan de opdracht van deze rechtbank zoals vastgelegd in de uitspraak van 25 maart 2024. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 16 maart 2021 een derde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft in het besluit van 25 mei 2023 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
2.1.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep van eiser gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 25 mei 2023 vernietigd en de minister opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van die uitspraak.
2.2.
De minister heeft op 9 oktober 2025 een nieuw besluit genomen waarin de asielaanvraag van eiser opnieuw als kennelijk ongegrond is afgewezen. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Daarnaast is ook mevrouw [naam 1] van Vluchtelingenwerk Nederland ter zitting verschenen.
De twee eerdere asielprocedures
3. Eiser heeft in 2003 bij zijn eerste asielaanvraag verklaard dat hij een meisje zwanger heeft gemaakt en dat hij voor haar vader vreesde. De vader van het meisje heeft eiser met de dood bedreigd. Er zijn militairen naar eisers ouderlijke woning gekomen op zoek naar eiser, er is geschoten en eiser is uit angst voor zijn leven het bos in gevlucht. Hij is met behulp van een vriend en derden het land ontvlucht. Die eerste aanvraag is afgewezen op de geloofwaardig geachte verklaringen die niet zwaarwegend genoeg waren, onder andere omdat eiser alleen van horen zeggen had dat hij door de vader van het meisje werd gezocht. Eiser is tegen deze afwijzing niet in beroep gegaan. Bij zijn tweede aanvraag in 2008 heeft eiser verklaard dat hij in 2003 niet het hele relaas naar voren heeft kunnen brengen. Eiser heeft bij zijn tweede aanvraag additionele verklaringen afgelegd, te weten dat hij vanwege het zwanger maken van het meisje naar de gevangenis is gebracht en daar haar vader heeft gezien en gesproken. De vader van het meisje heeft hem laten oppakken en gevangen laten zetten. In gevangenschap is hij mishandeld, gemarteld en (met van alles) geslagen. Een vriend heeft hem vrij kunnen kopen. Die aanvraag is afgewezen omdat hij deze verklaringen vijf jaar later deed en geen goede verklaring had waarom hij niet eerder met deze verklaringen kwam. De rechtbank heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard. De Afdeling heeft deze uitspraak bevestigd.
De huidige asielprocedure
4. In onderhavige procedure heeft eiser zijn eerste asielrelaas herhaald en heeft hij daarbij aangevuld dat de familie van het meisje van de Mandingo bevolkingsgroep is en het meisje, dat eiser zwanger heeft gemaakt, heeft gedood. Eiser stelt dat hij ook gedood zal worden, omdat eerwraak niet verjaart. Ook stelt eiser dat hij, vlak voor zijn arrestatie (door de vader van het meisje), op straat is overvallen door rebellen, in een soort gevangenis is terecht gekomen en door meerdere mannen is verkracht. Deze derde aanvraag is door de minister afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen deze afwijzing beroep ingesteld. Dit beroep is door deze rechtbank gegrond verklaard. De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat de minister de bevindingen in het overgelegde iMMO-rapport over het vermogen om te verklaren, niet zonder bevindingen van een contra-expert terzijde heeft kunnen schuiven. De rechtbank heeft het besluit van 25 mei 2023 vernietigd en de minister opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op de asielaanvraag van eiser. Deze uitspraak staat in rechte vast.
Het bestreden besluit
5. De minister heeft de asielaanvraag van eiser in het bestreden besluit opnieuw beoordeeld. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
de problemen van eiser n.a.v. het zwanger maken van [naam 2] ;
de verkrachting van eiser.
5.1
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen van eiser naar aanleiding van het zwanger maken van [naam 2] acht de minister deels geloofwaardig. De verklaringen van eiser over de verkrachting heeft de minister geloofwaardig geacht. De minister is in het bestreden besluit tot een gelijke beoordeling gekomen als in het vernietigde besluit van 25 mei 2023. De minister stelt zich – kort samengevat – opnieuw op het standpunt dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 over de beantwoording van de B-vraag in het iMMO-rapport, het iMMO-rapport onvoldoende inzichtelijk is en er daarom geen aanleiding is om de conclusie te herzien. Nu de beantwoording van de B-vraag niet inzichtelijk is, wordt ook aan de beantwoording van de A-vraag getwijfeld. Over de beantwoording van de A-vraag stelt de minister zich op het standpunt dat weliswaar kan worden aangenomen dat de medische en psychische klachten en de desbetreffende littekens van eiser mogelijk veroorzaakt zijn door het door eiser gestelde geweldsrelaas, echter is hiermee niet aannemelijk gemaakt dat dit geweldsrelaas het gevolg is geweest van de door eiser gestelde problemen. Bovendien is het lichamelijk onderzoek niet volledig afgerond en ontbreekt er medische informatie. Gelet op het voorgaande concludeert de minister dat het iMMO-rapport niet inzichtelijk is en om die reden is het volgens de minister niet noodzakelijk dat er een contra-expertise wordt uitgevoerd. De minister heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
5.2
Eiser heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op hetgeen in dat verband is aangevoerd zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan.
Beoordeling door de rechtbank
Het iMMO-rapport
Het iMMO-rapport van 30 maart 2020 is opgedeeld in twee onderdelen. In het A-onderdeel wordt geconcludeerd dat de medische problematiek van eiser (de lichamelijke en psychische problematiek) wordt beoordeeld als consistent voor het door eiser gestelde geweldsrelaas. In het B-onderdeel van het iMMO-rapport wordt geconcludeerd dat de geconstateerde medische problematiek op dit moment zeker interfereren met het vermogen van betrokkene om compleet, consistent en coherent te kunnen verklaren. Aangezien er geen medische informatie van eiser beschikbaar is over de periode van de eerste asielaanvraag in 2003 noch ten tijde van de tweede asielaanvraag in 2008, heeft het iMMO op basis van het huidige psychiatrische beeld geconcludeerd dat er sprake is van psychische problematiek die ten tijde van de eerdere gehoren waarschijnlijk geïnterfereerd heeft met het vermogen om compleet, consistent en coherent te kunnen verklaren.
Het B-onderdeel van het iMMO-rapport en de contra-expertise
6. De minister stelt zich op het standpunt dat bij de behandeling van een asielaanvraag een ex nunc-toetsing plaatsvindt. Hetgeen betekent dat het besluit wordt genomen met inachtneming van de op dat moment geldende regelgeving en op dat moment bekende situatie. De uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 is hierom betrokken bij de besluitvorming. In deze uitspraak heeft de Afdeling, mede op basis van de bevindingen van een onafhankelijke deskundige, geoordeeld dat het iMMO bij de beantwoording van de B-vraag in het rapport onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de daarin opgenomen conclusie is gebaseerd op een op eiser toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren. De minister stelt zich op het standpunt dat in deze zaak van eiser een vergelijkbare situatie aan de orde is en dat ook in dit geval het antwoord op de B-vraag niet voldoende is toegespitst op de individuele situatie van eiser. Aangezien deze Afdelingsuitspraak van toeppassing is op onderhavige zaak, heeft de minister geen aanleiding meer gezien om – zoals door de rechtbank in haar uitspraak van 25 maart 2024 aan de minister is opgedragen – een contra-expert in te schakelen. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister daarop aangevuld dat het inschakelen van een contra-expert tijdrovend is, waarbij de uitkomst soms twee jaar kan duren. Daarnaast stelt de minister dat de contra-expertise geen andere uitkomst zou hebben geboden. Om die reden heeft de minister gekozen om de lijn van de Afdelingsuitspraak te volgen.
6.1
Eiser stelt dat de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 niet van toepassing is op zijn asielprocedure, omdat deze rechtbank op 25 maart 2024 al heeft geoordeeld dat het iMMO-rapport wel inzichtelijk is en de minister aannemelijk moet maken dat dit niet het geval is. Deze uitspraak staat in rechte vast. Eiser stelt zich dan ook primair op het standpunt dat de minister uit dient te gaan van de uitspraak van deze rechtbank en subsidiair een contra-expert had moeten inschakelen als de minister het niet eens is met de uitkomst van het iMMO-rapport.
6.2
De rechtbank overweegt als volgt. In de uitspraak van 25 maart 2024 heeft deze rechtbank overwogen dat de minister de bevindingen in het overgelegde iMMO-rapport over het vermogen om te verklaren, niet zonder bevindingen van een contra-expert terzijde heeft kunnen schuiven. Deze rechtbank heeft de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. De minister is destijds niet in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak. In de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003 is geoordeeld dat het niet instellen van hoger beroep tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat, indien in beroep tegen de nieuwe beslissing beroepsgronden worden aangevoerd, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat het ten tweede male beoordelen van beroepsgronden het gezag van de rechterlijke uitspraak waartegen geen rechtsmiddel is aangewend, miskent.
6.3
Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2007 volgt dat een nieuw te nemen besluit in overeenstemming dient te worden genomen met hetgeen in de uitspraak van
25 maart 2024 is geoordeeld. Slechts nieuw gebleken feiten of omstandigheden kunnen een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen. Naar het oordeel van de rechtbank is de Afdelingsuitspraak van 2 april 2025 geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid op grond waarvan het niet instellen van hoger beroep de minister niet kan worden tegengeworpen. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2014. De minister heeft zich in het vernietigde besluit van 25 mei 2023 reeds op het standpunt gesteld dat het iMMO-rapport niet inzichtelijk is. Volgens de minister bleek uit vaste jurisprudentie dat eerst moet worden beoordeeld of een iMMO-rapport voldoende inzichtelijk is, voordat aan de inhoud kan worden toegekomen. In de uitspraak van 25 maart 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het iMMO-rapport niet inzichtelijk zou zijn. Eiser heeft immers met het iMMO-rapport en overige bijlagen onderbouwd dat hij vanwege trauma’s niet goed heeft kunnen verklaren. Deze rechtbank heeft geoordeeld dat de minister als niet-medicus niet zonder meer heeft kunnen concluderen dat de onderbouwing van de conclusie in het iMMO-rapport niet over eiser persoonlijk gaat en daarom onvoldoende inzichtelijk is. Dat de Afdeling in de uitspraak van 2 april 2025 heeft geoordeeld dat het iMMO bij de beantwoording van de B-vraag in het rapport onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de daarin opgenomen conclusie is gebaseerd op een op eiser toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren, is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid op grond waarvan het niet instellen van hoger beroep de minister niet kan worden tegengeworpen. De inhoud van de Afdelingsuitspraak heeft namelijk tot gevolg dat beoordeeld dient te worden of het iMMO voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de daarin opgenomen conclusie op de B-vraag is gebaseerd op een op eiser toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de inzichtelijkheid van de conclusie van het B-onderdeel van het iMMO-rapport al in de onherroepelijke uitspraak van 24 maart 2025 is betrokken. In die uitspraak heeft de rechtbank duidelijk overwogen dat de minister de bevindingen in het iMMO-rapport over het vermogen om te verklaren, niet zonder bevindingen van een contra-expert terzijde heeft kunnen schuiven. De Afdelingsuitspraak van 2 april 2025 doet daar niets aan af, deze uitspraak neemt namelijk de conclusie van de rechtbank – dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het iMMO-rapport niet inzichtelijk zou zijn – niet weg. Dit betekent dat de minister geen verschoonbare omstandigheid heeft aangedragen op grond waarvan het niet instellen van hoger beroep de minister niet kan worden tegengeworpen. Door geen contra-expert in te schakelen en desondanks het iMMO-rapport niet inzichtelijk te achten, heeft de minister in de besluitvorming niet voldaan aan de opdracht van deze rechtbank zoals vastgelegd in de uitspraak van 25 maart 2024.
6.4
De rechtbank vindt het opvallend dat de minister ter zitting heeft aangevoerd dat geen contra-expert is ingeschakeld, omdat de uitkomsten mogelijk twee jaar op zich zouden laten wachten en niet tot een ander oordeel zouden leiden. Dit argument acht de rechtbank niet steekhoudend, aangezien het nemen van een nieuw besluit door de minister ook ruim twee jaar heeft geduurd. De minister had in die periode ook een contra-expert kunnen inschakelen. Bovendien acht de rechtbank de conclusie van de minister dat een contra-expert niet tot een ander oordeel zou kunnen leiden, ongefundeerd.
Het A-onderdeel van het iMMO-rapport
6.5
De minister stelt dat op basis van de conclusies onder de A-vraag weliswaar kan worden aangenomen dat eisers medische en psychische klachten en desbetreffende littekens mogelijk veroorzaakt zijn door het door eiser gestelde asielrelaas. Hiermee is echter niet aannemelijk gemaakt dat dit geweldsrelaas het gevolg is geweest van de door eiser gestelde problemen. Nu in de Afdelingsuitspraak van 2 april 2025 is geoordeeld dat de beantwoording van de B-vraag niet inzichtelijk is, wordt door de minister ook getwijfeld aan de beantwoording van de A-vraag. Uit het rapport en de bevindingen wat betreft de littekens blijkt duidelijk dat eiser lichamelijk geweld heeft ondergaan. Echter wordt niet gevolgd dat deze littekens daadwerkelijk het gevolg zijn van een marteling tijdens detentie. Immers kan op basis van de omschrijvingen van de littekens niet worden afgeleid wanneer deze zijn ontstaan, door wiens toedoen en onder welke omstandigheden deze littekens zijn toegebracht. De mogelijke causaliteit die tussen eisers verklaringen over de marteling in detentie en de littekens bestaat, wordt door het iMMO als ‘consistent’ gekwalificeerd. Volgens de minister is echter niet inzichtelijk hoe het iMMO tot deze kwalificatie is gekomen, nu het lichamelijk onderzoek vroegtijdig is afgebroken, er mogelijk meer littekens zijn die niet zijn onderzocht en dat eiser geen andere verklaring heeft gegeven over de toedracht anders dan de enkele verklaring dat hij “met van alles en overal is geslagen”. Uit het iMMO-rapport blijkt tevens dat het psychisch onderzoek vroegtijdig is afgebroken. Volgens de minister heeft het iMMO niet inzichtelijk gemaakt hoe zij ondanks het ontbreken van medische informatie en onvolledig/ afgebroken onderzoek toch tot conclusies heeft kunnen komen.
6.6
Eiser stelt zich, onder verwijzing naar een brief van het iMMO van 14 januari 2026, op het standpunt dat de conclusie van de minister dat de twijfel over beantwoording van de B-vraag ook de conclusie van de A-vraag raakt, onjuist is. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 2 april 2025 ook bevestigd dat de bevindingen van de deskundige geen betrekking hebben op de beantwoording van de A1- en A2-vraag. Volgens het iMMO zijn de A- en B-vraag afzonderlijke onderzoeksvragen, die ieder een verschillend doel en onderzoeksdomein betreffen. Het feit dat het lichamelijk onderzoek door de psychische toestand van eiser vroegtijdig is afgebroken, doet volgens eiser niet af aan de inzichtelijkheid van de beantwoording van de A1-vraag. In de rapportage staat volgens eiser ook duidelijk beschreven wat de reden is dat het lichamelijk onderzoek vroegtijdig is afgebroken. Bovendien volgt uit de uitspraak van deze rechtbank van 25 maart 2024 dat het standpunt van de minister dat uit het iMMO-rapport zou volgen dat de littekens mogelijk een andere oorzaak zouden hebben, een onzorgvuldige lezing is van het rapport.
6.7
De rechtbank overweegt allereerst dat de Afdeling in de uitspraak van 2 april 2025 heeft benadrukt dat de rechtspraak over de betekenis van een iMMO-rapport als medische steunbewijs (A-vraag) ongewijzigd blijft. In dat kader kan de rechtbank de minister dan ook niet volgen in zijn stelling dat hetgeen in de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 is overwogen over de B-vraag, doorwerkt in de beoordeling of de beantwoording van de A-vraag. De minister zal ten aanzien van de A-vraag het kader moeten hanteren zoals dat door de Afdeling is geformuleerd.
6.8
Uit het iMMO-rapport volgt dat de medische (lichamelijke en/of psychische) problematiek van eiser voortgekomen kan zijn uit het gestelde geweldsrelaas dat ten grondslag ligt aan de asielaanvraag. De A-vraag is onderverdeeld in twee deelvragen. Vraag A1 ziet op de vraag in welke mate dit geldt voor de lichamelijke problematiek. Vraag A2 ziet op de vraag in welke mate dit geldt voor de psychische problematiek. In dit kader is bij vraag A1 geconcludeerd dat de onderzochte littekens en huidafwijkingen het gevolg kunnen zijn van het gestelde geweld, maar ook van andere gebeurtenissen die niet met het gestelde asielrelaas samenhangen. Daarmee is de causaliteitsrelatie volgens het iMMO ‘consistent’. In de beantwoording van de A2-vraag wordt aan eisers psychische problematiek de gradatie ‘zeer consistent’ toegekend. In het geval van eiser zijn er volgens het iMMO meerdere specifieke PTSS-klachten die vanwege de aard, inhoud en het verloop van de klachten worden beoordeeld als “zeer consistent” met de gestelde verkrachting in het land van herkomst.
6.9
Zoals uit de uitspraken van de Afdeling van 27 juni 2018 en 2 april 2025 volgt, is, als een medisch rapport, zoals een iMMO-rapport, een sterke aanwijzing vormt dat de door een vreemdeling gestelde onmenselijke behandeling in het land van herkomst het letsel heeft veroorzaakt, indien verweerder die gestelde onmenselijke behandeling desondanks niet aannemelijk acht, het aan verweerder om de twijfel weg te nemen over de oorzaak van het letsel. Hiertoe kan verweerder gehouden zijn nader medisch onderzoek te laten verrichten. Bij het beantwoorden van de vraag of een iMMO-rapport tot dergelijk onderzoek verplicht, is van belang in hoeverre de vreemdeling tijdens de gehoren bevreemdingwekkend, vaag of tegenstrijdig heeft verklaard over het deel van het asielrelaas dat hij met het iMMO-rapport heeft willen staven. Verder is van belang in hoeverre dat deel van het asielrelaas past in het beeld dat in betrouwbare algemene informatie naar voren komt over het land van herkomst. Daarbij is van belang hoe sterk de kwalificatie is die volgens het iMMO van toepassing is. Voor het ontstaan van de verplichting tot nader medisch onderzoek is echter niet vereist dat het iMMO-rapport geen ruimte laat voor een andere dan de door de vreemdeling gestelde oorzaak. Dat onderdelen van het asielrelaas ongeloofwaardig zijn, hoeft evenmin in de weg te staan aan het ontstaan van de verplichting tot medisch onderzoek.
6.10
De rechtbank heeft in de eerdere procedure, al geoordeeld dat het standpunt van de minister dat uit het iMMO-rapport zou volgen dat de littekens van eiser mogelijk een andere oorzaak zouden hebben, een onzorgvuldige lezing is van het iMMO-rapport. Voorts heeft de rechtbank in deze uitspraak ook al overwogen dat uit het iMMO-rapport volgt dat de verklaringen over de littekens als ‘consistent’ kunnen worden beoordeeld en dat er een samenhang is geconcludeerd tussen de fysieke en psychische bevindingen. Ondanks voornoemd oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit opnieuw hetzelfde standpunt ingenomen als in het vernietigde besluit van 25 mei 2023, namelijk dat de littekens mogelijk een andere oorzaak kunnen hebben en dat de toedracht van de littekens onduidelijk is. Daarbij heeft de minister ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de Afdelingsuitspraak van 2 april 2025. Zoals reeds is overwogen volgt de rechtbank de minister niet in zijn betoog dat de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 ook doorwerkt voor de A-vraag, nu de Afdeling in diezelfde uitspraak expliciet heeft overwogen dat haar rechtspraak over de betekenis van een iMMO-rapport als medisch steunbewijs ongewijzigd blijft. Door toch wederom hetzelfde standpunt in te nemen zonder nadere (medische) onderbouwing, heeft de minister geen uitvoering gegeven aan de uitspraak van deze rechtbank van 25 maart 2024 en het toetsingskader van de Afdeling van 2 april 2025 onjuist geïnterpreteerd.
6.11
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister ook wat betreft de beoordeling van de A-vraag niet heeft voldaan aan de opdracht van deze rechtbank in de uitspraak van 25 maart 2024.
Verzoek van eiser tot finale geschilbeslechting
7. Eiser heeft ter zitting met het oog op de recente arresten, Quotal en Ebilum, van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) verzocht een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten. Eiser voert aan grote behoefte te hebben aan duidelijkheid na de jarenlange onzekerheid. De minister heeft ter zitting van het verzoek van eiser kennisgenomen en heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid op hierop te reageren.
7.1
De rechtbank heeft met aandacht kennisgenomen van het verzoek van eiser om, mede gelet op de arresten Quotal en Ebilum van het Hof van Justitie van de Europese Unie, een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling van de zaak te verrichten. De rechtbank onderkent dat dit de derde asielprocedure van eiser betreft en dat de procedure reeds een uitzonderlijk lange periode beslaat. Eiser heeft in 2003 zijn eerste asielaanvraag ingediend. De rechtbank heeft oog voor de ingrijpende gevolgen van de langdurige onzekerheid waarin eiser verkeert en voor de grote behoefte aan duidelijkheid die daaruit voortvloeit. Niettemin ziet de rechtbank in deze zaak geen aanleiding om van haar bevoegdheid tot een eigen, uitputtende beoordeling gebruik te maken. De rechtbank overweegt dat verweerder, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit zal moeten nemen. De rechtbank gaat ervan uit dat de minister hierbij de nodige spoed zal betrachten, mede gelet op de lange duur van de procedure en de psychisch kwetsbare positie van eiser.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd, in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit in zijn geheel. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat nader onderzoek nodig is.
9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 9 oktober 2025;
draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van S.E.M. Pot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Uitspraak rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1575.
Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afdelingsuitspraak van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1472.
Afdelingsuitspraak van 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0801.
Afdelingsuitspraak van 14 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA7794.
Afdelingsuitspraak van 8 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1760.
Besluit van 25 mei 2023, p. 2.
Uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1575, r.o. 8.4.
Uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1575, r.o. 9.
Uitspraak rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1575, r.o. 9.
iMMO-rapport, p.19.
Afdelingsuitspraak van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1472, r.o. 12.
iMMO-rapport, p.11.
Uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1575, r.o. 15.
Afdelingsuitspraak van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1472, r.o. 12.
Volgens de gradaties van het Istanbul Protocol.
Volgens de gradaties van het Istanbul Protocol.
Afdelingsuitspraak van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2086, r.o. 9.1.
Uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1575, r.o. 15.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 juni 2026, Quotal, C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447.
Arrest van het Hof van 4 juni 2026, Ebilum, ECLI:EU:C:2026:448.
De Algemene wet bestuursrecht.