Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26817

2026-09-14 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.51767
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-14
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.51767
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring 59a Concrete aanknopingspunten. Voldoende gronden Geen aanleiding lichter middel

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.686 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Zwolle



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.51767


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
gemachtigde: mr. M. Pater,


en


de minister van Asiel en Migratie,
gemachtigde: mr. L.J.M. Rog.


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.





Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 3 september 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, L. Hannouf als tolk en de gemachtigde van de minister.





Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader

3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.



3.1.
Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.



3.2.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.



De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat.




4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. Eiser stelt dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of overdracht op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV) mogelijk is. Eiser wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 mei 2021 en op de brief van verweerder van 7 september 2026 waarin de minister aan eiser meedeelt dat niet Slovenië maar Zwitserland waarschijnlijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Hieruit blijkt dat ten tijde van het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser nog niet duidelijk was of overdracht op grond van de AMbV mogelijk is.



5.1
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de situatie in de door eiser genoemde uitspraak niet vergelijkbaar is. In die zaak bleek de overdrachtstermijn van achttien maanden te zijn verstreken. In eisers geval is nog geen sprake van een claimakkoord, maar bestaan op basis van eurodactreffers concrete aanknopingspunten voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening. De minister heeft eiser dan ook op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw in vreemdelingenbewaring kunnen stellen.


6. Eiser betwist de aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag gelegde gronden.




6.1
De rechtbank stelt vast dat de gronden a, r en s feitelijk juist zijn. Eiser heeft zelf verklaard geen identiteitsdocumenten te hebben. Hieruit volgt dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. De minister heeft grond a dan ook terecht aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag gelegd. Ten aanzien van de gronden r en s overweegt de rechtbank dat deze feitelijk juist zijn. Dat dat geldt voor (vrijwel) iedere asielzoeker doet er niet aan af dat hieruit een onderduikrisico kan worden afgeleid. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden voldoende zijn om de maatregel van vreemdelingenbewaring te dragen. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd hoeft geen bespreking.


7. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij heeft voldaan aan de meldplicht en een partner en kind in Duitsland heeft waarmee hij het contact graag wil herstellen.




7.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.
De minister stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij heeft de minister terecht overwogen dat eiser heeft verklaard geen contact te hebben met zijn partner en kind. Dat eiser nu stelt dit contact te willen herstellen maakt niet dat de minister alsnog met een lichter middel zou moeten volstaan, nu eiser dit contact ook vanuit het detentiecentrum zou kunnen herstellen. Dat eiser aangeeft zich aan een eventuele meldplicht te zullen houden is in het licht van het voorgaande onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.




Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.






Conclusie en gevolgen


9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.


Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.


Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.


Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.


ECLI:NL:RVS:2021:944.


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.