Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26683

2026-09-15 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.51250
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.51250
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring, artikel 59b, zorgvuldigheid voorbereiding, grondslag, gronden, lichter middel, beroep ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.066 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.51250


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. P. Celikkal),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 1 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Omdat eiser overgeplaatst bleek te zijn naar het Justitieel Complex Schiphol en het daarom niet mogelijk was om eiser te horen, is het onderzoek ter zitting geschorst.



2.3.
Diezelfde dag heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank laten weten dat eiser afstand heeft gedaan van zijn recht om gehoord te worden. Ook heeft zij toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen.



2.4.
De minister is diezelfde dag in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op de al eerder door de gemachtigde van eiser ingediende gronden. De rechtbank heeft deze reactie ontvangen op 9 september 2026.



2.5.
Op 10 september 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting, omdat partijen hebben laten weten geen behoefte te hebben aan een zitting.




Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader

3. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw 2000 voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen. Ook kan de vreemdelingenbewaring noodzakelijk zijn met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen, en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid van het Vb 2000 zich voordoen.



3.1.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.



Is de maatregel van vreemdelingenbewaring onvoldoende zorgvuldig voorbereid?

4. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat de minister de maatregel onzorgvuldig heeft voorbereid. In het gehoor voorafgaand aan de maatregel zijn namelijk alleen de wettelijke labels van de tien gronden voorgelezen. De concrete feitelijke uitwerking die later in de maatregel is opgenomen, is niet afzonderlijk aan eiser voorgehouden. Daarom heeft eiser in zijn zienswijze hier maar beperkt op kunnen reageren.




4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister de maatregel van vreemdelingenbewaring voldoende zorgvuldig heeft voorbereid. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is aan eiser medegedeeld op welke gronden hij in bewaring gesteld zal worden. Dat de minister tijdens het gehoor de specifieke motivering voor elk van deze gronden al aan eiser had moeten toelichten, volgt de rechtbank niet. Nadat de gronden aan eiser zijn voorgelezen, is hem namelijk de mogelijkheid gegeven om hier een zienswijze op te geven. Alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, zijn bovendien ter sprake gekomen tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling of het daaraan voorafgegane identiteitsgehoor.



Berust de maatregel van vreemdelingenbewaring op een juiste grondslag?

5. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (grondslag a) en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, met name indien er sprake is van een risico op onttrekking (grondslag b).




5.1.
Eiser betoogt dat de minister zowel grondslag a als grondslag b onvoldoende gemotiveerd aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag heeft gelegd. Ten aanzien van grondslag a voert eiser aan dat zijn identiteitsgegevens al voor de maatregel bij de minister bekend waren. De door eiser opgegeven identiteit op het M35-formulier sluit namelijk aan bij de positieve treffers in zowel Eurodac als HAVANK. Dat eiser tijdens het identiteitsgehoor een andere geboortedatum en een extra voornaam heeft genoemd, maakt niet dat er sprake is van twijfel. Het enkele ontbreken van een fysiek document is verder niet hetzelfde als onvoldoende medewerking verlenen aan de vaststelling van de nationaliteit en identiteit. Eiser heeft bovendien verklaard dat zijn Gambiaanse paspoort bij een vriend in Italië ligt. Ten aanzien van de grondslag b betoogt eiser dat de maatregel niet vermeldt welke concrete gegevens voor zijn asielaanvraag nog moeten worden verkregen, welk onderzoek is voorzien en waarom eiser daarvoor gedetineerd moet blijven. Bovendien heeft eiser de asielaanvraag al vóór het opleggen van de maatregel ondertekend.



5.2.
Voor zover eiser heeft willen betogen dat de minister in de maatregel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom grondslagen a en b zich voordoen door enkel de grondslagen aan te kruisen in de maatregel, is de rechtbank van oordeel dat dat betoog niet slaagt. De minister mag in principe volstaan met het aankruisen van de grondslagen in de maatregel.



5.3.
Voor zover eiser heeft willen betogen dat de grondslagen a en b niet aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag kunnen worden gelegd, is de rechtbank van oordeel dat dat betoog ook niet slaagt. De minister heeft grondslag a ten grondslag kunnen leggen aan de maatregel tot vreemdelingenbewaring omdat de identiteit of nationaliteit van eiser met onvoldoende zekerheid bekend is. Uit het dossier blijkt namelijk dat eiser zijn gestelde identiteit en nationaliteit niet met origineel en geldige reis- of identiteitsdocumenten heeft gestaafd. Bovendien blijkt uit het dossier dat eiser is aangehouden omdat hij gebruik maakte van een valse Italiaanse verblijfsvergunning en heeft hij tijdens het identiteitsgehoor een andere geboortedatum opgegeven. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de maatregel van vreemdelingenbewaring ook heeft kunnen baseren op grondslag b. Gelet op wat hierna onder 6.4 en 6.5 wordt overwogen volgt dat sprake is van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarmee is voldoende gemotiveerd dat bewaring noodzakelijk kan zijn voor het verkrijgen van gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. De rechtbank wijst in dat kader op de uitspraken van de Afdeling van 19 oktober 2016 en 22 augustus 2019.



5.4.
Voor zover eiser heeft betoogd dat geen sprake is van een geldig overdrachtsbesluit aan Italië, overweegt de rechtbank dat eiser niet op grond van artikel 59a van de Vw 2000 in bewaring is gesteld, maar op grond van artikel 59b van de Vw 2000. Een concreet aanknopingspunt dat de Asiel- en migratiebeheerverordening (Amb-verordening) van toepassing is, is voor deze grondslag niet vereist. Voor een maatregel op grond van artikel 59b van de Vw 2000 is niet vereist dat sprake is van een concreet aanknopingspunt dat eiser valt onder de werkingssfeer van de Amb-verordening. In de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn het eerdere overdrachtsbesluit en het niet doorgaan van de overdracht aan Italië in 2022 enkel genoemd in verband met eisers weigerachtige houding opgenomen ter motivering van het onderduikrisico.



Kunnen de gronden de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen?

6. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In de maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.




6.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.



6.2.
De minister heeft in het verweerschrift aangegeven de gronden h, j en t te laten vallen.



6.3.
Eiser betwist alle overgebleven gronden.



6.4.
De rechtbank is van oordeel dat grond o feitelijk juist is. In de maatregel heeft de minister overwogen dat eiser op 25 januari 2022 bij het COA is gemeld als met onbekende bestemming (MOB) vertrokken. Eiser heeft in het gehoor ter vaststelling van zijn identiteit ook aangegeven hierna na Italië te zijn vertrokken. Dat de MOB-melding in het dossier ontbreekt geeft de rechtbank dan ook geen reden om aan de feitelijke juistheid te twijfelen. Weliswaar stelt eiser tijdens dit gehoor dat hij op 24 december 2021 al is vertrokken naar Italië, maar de rechtbank gaat ervanuit dat deze datum niet klopt. Uit het dossier blijkt immers dat eiser op 24 januari 2022 heeft geweigerd mee te werken aan een COVID-19 test, waardoor de geplande overdracht op die dag niet plaats kon vinden. Dat de MOB-melding al meerdere jaren geleden heeft plaatsgevonden, maakt het niet anders. Dit doet immers niet af aan de feitelijke juistheid.



6.5.
De rechtbank is verder van oordeel dat grond p feitelijk juist is en dat de minister het onderduikrisico dat hieruit volgt voldoende heeft toegelicht. De minister heeft in de maatregel namelijk opgenomen dat eiser op grond van artikel 4.39 van het Vb 2000 geen melding heeft gedaan van zijn onrechtmatig verblijf bij de Korpschef en dat eiser hiermee heeft laten zien dat hij zich aan het toezicht op vreemdelingen onttrekt. Dat de minister, zoals eiser betoogt, in dat kader ten onrechte niet heeft betrokken dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij legaal in Nederland verbleef, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij zijn asielprocedure in Italië niet heeft afgewacht, maar via een vriend voor € 4500 een verblijfsvergunning heeft gekocht. Hieruit had eiser kunnen opmaken dat het ging om een vals verblijfsdocument.



6.6.
Omdat de gronden o en p de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen, behoeft dat wat eiser heeft aangevoerd over de overige gronden geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.




Had de minister een lichter middel moeten opleggen?

7. Eiser betoogt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan vreemdelingenbewaring. Hij heeft namelijk een controleerbaar adres, een telefoonnummer, werk, inkomen en een bankrekening. Het enkele feit dat hij al sinds 2023 in Nederland is en zich eerder had kunnen melden, betekent niet dat hij zich nu niet aan concrete voorwaarden zou houden. Bovendien is dit pas de eerste keer dat eiser in vreemdelingenbewaring zit. Tot slot voert eiser aan dat de maatregel meerdere niet-passende standaardpassages bevat. Hieruit volgt dat er geen op eiser persoonlijk gerichte afweging is gemaakt.




7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft onder 6.4 en 6.5 geoordeeld dat er voldoende gronden zijn die de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen. Uit deze gronden blijkt dat er een risico bestaat op onderduiken. Verder heeft de minister in de maatregel terecht belang gehecht aan het feit dat eiser al sinds 2023 in Nederland verblijft en dus al veel eerder asiel had kunnen aanvragen in Ter Apel. In dat wat eiser heeft aangevoerd, had de minister daarom geen reden hoeven te zien om een lichter middel op te leggen. De minister heeft bovendien in de maatregel betrokken of er medische of persoonlijke omstandigheden zijn op grond waarvan van veemdelingenbewaring afgezien moet worden. Hiervan is niet gebleken. Dat enkele passages in de maatregel algemeen van aard zijn, betekent niet dat de vereiste individuele belangenafweging ontbreekt.



Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.





Conclusie en gevolgen


9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


De rechtbank heeft geen afstandsverklaring ontvangen van eiser, maar de gemachtigde van eiser heeft op de zitting bevestigd dat eiser afstand doet van zijn recht om gehoord te worden. De rechtbank acht dit voldoende.


Dit volgt uit artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.


Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.


Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vb 2000.


Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.


Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vb 2000.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.


De rechtbank wijst in dat kader op de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2019 , ECLI:NL:RVS:2019:1528.


ECLI:NL:RVS:2016:2852 en ECLI:NL:RVS:2019:2844.


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.