Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26642
2026-08-14
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/680152 / FA RK 25-1066
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (40.598 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1066 (scheiding) / FA RK 26-1476 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/680152 (scheiding) / C/09/699575 (verdeling)
Datum beschikking: 14 augustus 2026
Scheiding
Beschikking op het op 12 februari 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.J. Bouwmeester te Noordwijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
thans zonder bekende vaste woon- en/of verblijfplaats, maar wel ingeschreven in de Basisregistratie Personen met een bekend briefadres,
advocaat: zowel mr. H. Shawky te Amsterdam, als mr. R.C. Post te ’s-Gravenhage hebben zich aan de procedure onttrokken.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het verweerschrift;
- de brief van 14 augustus 2025, met bijlage, van de zijde van de vrouw;
- de brief van 8 september 2025 van de zijde van de vrouw;
- het F9-formulier van 17 september 2025 van de zijde van de man;
- het aanvullend verzoekschrift;
- het verweerschrift op het aanvullend verzoekschrift, tevens zelfstandig aanvullend verzoekschrift;
- het verweerschrift op het zelfstandig aanvullend verzoekschrift;
- de brief van 6 juli 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft in raadkamer haar mening kenbaar gemaakt.
Op 17 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, vergezeld door de tolk F. den Hengst en bijgestaan door haar advocaat, alsmede [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
De man is niet ter zitting verschenen. De man heeft op 15 juli 2026 om aanhouding van de zitting verzocht omdat hij geen advocaat heeft. Dit verzoek is afgewezen, omdat de man op 24 april 2026 per aangetekende en gewone post is opgeroepen op het door hem opgegeven briefadres in de Basisregistratie Personen en op 10 juli 2026 op zijn e-mailadres.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2009 te [plaats 1], [land].
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2].
- De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De man heeft de Amerikaanse nationaliteit en de vrouw heeft de Franse nationaliteit.
- Deze rechtbank heeft op 17 maart 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende:
- toevertrouwing van de kinderen aan de vrouw;
- vaststelling van een zorgregeling, waarbij de kinderen in principe de ene week bij de man zullen verblijven en de andere week bij de vrouw;
- dat de vrouw met ingang van 17 mei 2025 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2], [adres];
- dat de man met ingang van 17 maart 2025 een kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen van € 410,-- per maand, per kind;
- dat de man met ingang van 17 maart 2025 een partneralimentatie aan de vrouw moet betalen van € 575,-- per maand.
Verzoek en verweer
Het verzoek, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat:
- de kinderen eens per veertien dagen een weekend van vrijdag na schooltijd tot zondag 20.00 uur bij de man verblijven;
- de vakanties en feestdagen conform hetzelfde schema worden verdeeld;
- met ruimte voor onderling overleg;
- primair vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 833,-- per maand, per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, subsidiair vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 630,50 per maand, per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, onder aanvulling van actuele inkomensgegevens en een daarop gebaseerde berekening van behoefte en draagkracht;
- primair vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 782,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, subsidiair vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 575,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, onder aanvulling van actuele inkomensgegevens en een daarop gebaseerde berekening van behoefte en draagkracht;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de vrouw;
- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning, met uitsluiting van de man;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man heeft geen verweer gevoerd tegen de door de vrouw verzochte echtscheiding en het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw. De man heeft wel verweer gevoerd tegen de overige verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen bij de man verblijven:
- in de oneven weken, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op zondagavond om 17.00 uur;
- gedurende de helft van de vakantie- en feestdagen;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de man;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw heeft onder handhaving van haar verzoeken verweer gevoerd tegen de door de man verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
De aanhoudingenrechter heeft voorafgaand aan de zitting het aanhoudingsverzoek van de man afgewezen. De rechtbank heeft vervolgens de zaak op de zitting inhoudelijk behandeld en zal hierna ook inhoudelijk beslissen op de voorliggende verzoeken. De laatste advocaat van de man heeft zich op 7 april 2026 aan de procedure onttrokken en gelet op de datum waarop de oproepbrief aan het briefadres van de man is toegezonden, heeft hij voldoende gelegenheid heeft gehad om een nieuwe advocaat te vinden. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat de man niet ter zitting is verschenen om zijn persoonlijke situatie toe te lichten.
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Beide echtgenoten hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland. De Nederlandse rechter komt daarom met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan.
De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.
Toepasselijk recht
De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit erkend, zodat het over en weer gedane verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats kinderen en verdeling zorg- en opvoedingstaken
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Inhoudelijke beoordeling
Hoofdverblijfplaats
De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De rechtbank zal aldus beslissen.
Verdeling zorg- en opvoedingstaken
De rechtbank zal een zorgregeling vaststellen, waarbij de kinderen bij de man zullen zijn:
eenmaal per maand op zondag van 13.00 uur tot 20.00 uur; en
zodra de man over eigen woonruimte beschikt in de buurt waar de kinderen naar school gaan: de eerste twee maanden eenmaal per twee weken van vrijdag uit school tot zaterdag 20.00 uur; en daarna
een maal per twee weken van vrijdag uit school tot zondag 20.00 uur;
gedurende de vakanties en feestdagen in onderling overleg te bepalen.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op de zitting en uit het gesprek dat de rechtbank met [minderjarige 1] heeft gehad is naar voren gekomen dat de man sinds juli 2025 vijf contactmomenten met de kinderen heeft gehad. [minderjarige 1] heeft in het gesprek met de rechtbank aangegeven dat de relatie tussen haar en haar vader in de basis goed is en dat zij graag in de weekenden bij haar vader wil zijn als hij een eigen woonruimte heeft in de buurt van haar school. De contactmomenten vonden plaats in hotels, omdat de man nog niet over eigen woonruimte beschikt.In het lichaam van het verweerschrift heeft de man opgenomen dat hij de kinderen bij zich zou willen hebben iedere zondagmiddag tussen 13.00 uur en 17.00 uur. Gezien het geringe contact dat de man sinds juli 2025 met de kinderen heeft gehad, heeft hij er vooralsnog geen blijk van gegeven een dergelijke regeling wekelijks uit te kunnen voeren.
Op de zitting is uitgebreid gesproken over de vraag of het onder genoemde omstandigheden zinvol is om een zorgregeling vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de kinderen is om toch een minimale zorgregeling vast te stellen. Zolang de man nog geen eigen woonruimte heeft vindt de rechtbank een overnachting niet aangewezen. Voor de kinderen is het niet gezellig en fijn om telkens met hun vader in een hotel te overnachten.
De rechtbank vindt het voor de kinderen heel verdrietig dat er momenteel geen structureel contact is tussen hen en hun vader. De rechtbank doet een beroep op de man om beschikbaar te zijn voor de kinderen en zijn verantwoordelijkheid te nemen, opdat het voor de kinderen voorspelbaar is wanneer zij hun vader zullen zien.
Als dat fijner is voor de kinderen kan de hierna te melden zorgregeling worden aangepast. Dit moet dan wel in onderling overleg tussen de ouders gebeuren, en met de kinderen worden afgestemd.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de man, de vrouw en de kinderen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
In geschil is de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de man.
Bij de berekening en vaststelling van de kinderalimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het tremarapport) als uitgangspunt.
Behoefte kinderen
Voor de vaststelling van de behoefte van de kinderen is bepalend het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de ouders op het moment van hun feitelijk uiteengaan. De man heeft onweersproken gesteld dat partijen begin 2025 uit elkaar zijn gegaan, zodat de rechtbank uit zal gaan van de inkomens die partijen toen hadden.
De man heeft zijn inkomen gesteld op € 47.436,-- waarbij hij is uitgegaan van zijn aangifte inkomstenbelasting 2024. Bij dit inkomen heeft de man zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) berekend op € 3.067,-- per maand. Voor wat betreft het inkomen van de vrouw gaat de man uit van een winst uit onderneming van € 7.244,-- en een NBI van € 590,-- per maand.
In het kader van de procedure voorlopige voorzieningen is de vrouw uitgegaan van een inkomen van de man van ongeveer € 9.000,-- bruto per maand, neerkomend op een NBI van 5.482,-- per maand. Omdat de man zijn inkomen in die procedure niet met stukken had onderbouwd heeft de rechtbank de vrouw hierin gevolgd.
Ook in de onderhavige procedure heeft de man zijn inkomen niet, althans onvoldoende, met stukken onderbouwd. De vrouw heeft gesteld dat het inkomen van de man hoger is dan waarvan in de procedure voorlopige voorzieningen is uitgegaan. De vrouw heeft gesteld dat de man een eenmanszaak drijft onder de naam [bedrijfsnaam 1]. Dit is volgens de vrouw een onderneming die zich bezighoudt met advisering en ondersteuning op het gebied van informatietechnologie. De vrouw heeft gesteld dat de man daarnaast eigenaar is van een in Engeland gevestigde Ltd, genaamd [bedrijfsnaam 2] Ltd. Ook verricht de man volgens de vrouw werkzaamheden voor een onderneming genaamd [bedrijfsnaam 3]. De vrouw heeft naar voren gebracht dat de onderneming vermoedelijk is opgericht in Finland en onder andere werkzaamheden verricht vanuit Engeland. Die onderneming houdt zich volgens de vrouw bezig met een uitgebreid aanbod aan consultancy. Bij gebrek aan financiële stukken aan de kant van de man is de vrouw voor de berekening van het inkomen van de man uitgegaan van de aanslag omzetbelasting voor het tweede kwartaal 2025. Op basis van deze aanslag van € 6.519,-- heeft de vrouw een minimale omzet berekend van € 124.171,43 op jaarbasis. De werkelijke omzet is volgens de vrouw een stuk hoger omdat het immers een berekend bedrag is minus de kosten. Bovendien is het volgens de vrouw aannemelijk dat, gelet op het soort diensten dat de man verricht, een deel daarvan in het buitenland plaatsvindt tegen 0% BTW in Nederland. De vrouw heeft de gemiddeld behaalde winst voor de man in 2025 op € 140.000,-- gesteld.
De vrouw heeft wat betreft haar eigen inkomen gesteld dat zij een eigen onderneming drijft en dat zij in 2024 een winst uit onderneming heeft behaald van € 7.244,--. De vrouw gaat voor 2025 uit van een winst uit onderneming van € 12.000,--.
De rechtbank zal voor de bepaling van de behoefte van de kinderen uitgaan van het door de vrouw genoemde jaarinkomen van de man van € 140.000,--. Zoals hierna nader zal worden overwogen in het kader van de draagkracht van de man had het op de weg van de man gelegen om zijn stellingen te onderbouwen met recente stukken, hetgeen de man heeft nagelaten. Voor wat betreft het inkomen van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van de door de vrouw opgegeven winst uit onderneming van € 12.000,-- per jaar, nu de man dit inkomen niet heeft weersproken.
Het voorgaande houdt in dat het NBGI van partijen, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde en aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekeningen, meer bedraagt dan € 7.500,-- per maand (€ 7.005 + € 964). Op basis van de behoeftetabel 2025 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.700,-- per maand, of wel € 850,-- per maand, per kind.
Draagkracht man
De man stelt dat bij de berekening van zijn draagkracht uit moet worden gegaan van het inkomen dat hij redelijkerwijs kan genereren. Hij ondervindt problemen met zijn opdrachtgever, in die zin dat hij al maanden niet is uitbetaald voor de door hem in het jaar 2025 verrichte werkzaamheden. De man heeft aangegeven dat hij hierdoor niet in staat is om recente inkomensgegevens over te leggen, simpelweg omdat hij niet over deze inkomensgegevens beschikt. De man heeft een Teams-chat met zijn opdrachtgever overgelegd en hieruit volgt volgens de man dat hij omgerekend € 43.698,43 uitbetaald heeft gekregen voor een periode van 10 maanden. Dit bedrag moet volgens hem als uitgangspunt worden genomen voor de berekening van zijn verdiencapaciteit. De man stelt dat hij sinds augustus 2024 voor dezelfde opdrachtgever ([bedrijfsnaam 3]) werkt, en dat dit ook zijn enige opdrachtgever is. De man verricht naar eigen zeggen alleen werkzaamheden vanuit zijn onderneming [bedrijfsnaam 2], en naar eigen zeggen is [bedrijfsnaam 3] zijn enige opdrachtgever. De man stelt tot slot dat hij niet beschikt over de jaarstukken van [bedrijfsnaam 2], maar dat hij deze stukken zal overleggen zodra ze beschikbaar zijn.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft ondanks zijn toezegging geen jaarstukken in het geding gebracht zodat de rechtbank geen zicht heeft op zijn daadwerkelijk genoten inkomsten. Het had op de weg van de man gelegen om deze jaarstukken in te dienen. Het enkele feit dat zijn opdrachtgever moeilijk doet over betalingen over het afgelopen jaar maakt niet dat het niet mogelijk is om jaarstukken te genereren en/of inzichtelijk te maken welke bedragen zijn gefactureerd, welke bedragen zijn betaald en welke bedragen de man/zijn onderneming nog moet ontvangen. De rechtbank zal de man reeds daarom niet volgen in zijn stelling dat zijn inkomen/verdiencapaciteit dan maar moet worden gebaseerd op het bedrag van € 43.698,43 dat zijn opdrachtgever heeft uitbetaald voor de periode augustus 2024 tot mei 2025. Daarbij komt dat, blijkens zijn reactie in de Teamschat d.d. 12 november 2025, de man het niet eens was met dit bedrag en de rechtbank heeft geen enkele informatie over welke bedragen [bedrijfsnaam 3] daarna aan de man heeft betaald. Het is zeer onaannemelijk dat de man vanaf mei 2025 werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijfsnaam 3] zonder dat [bedrijfsnaam 3] hem daarvoor betaalt.
Ook overigens heeft de man tegenover de stellingen van de vrouw onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn werkzaamheden en inkomsten. De rechtbank merkt daarbij op dat de man blijkens de KvK registratie een eenmanszaak drijft onder de naam [bedrijfsnaam 1]. Het had op zijn weg gelegen om nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen wat de status is van, en eventuele inkomsten uit, deze onderneming is/zijn.
De rechtbank ziet gelet op dit alles aanleiding om ook voor de bepaling van de draagkracht van de man uit te gaan van het door de vrouw gestelde jaarinkomen van € 140.000,--. Blijkens de aangehechte draagkrachtberekening bedraagt het NBI van de man in dat geval € 6.999,-- per maand.
De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht van de man de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [€ 6.999 – (€ 2.100 + € 1.365)] = € 2.474,-- per maand.
Draagkracht vrouw
Partijen zijn het er over eens dat voor wat betreft de draagkracht van de vrouw uitgaan kan worden van een maximale draagkracht van € 50,-- per maand voor 2 kinderen.
De draagkracht van de ouders gezamenlijk bedraagt € 2.524,-- per maand (€ 2.474 + € 50). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 2.474 /2.524 x 1.700 = € 1.666,--
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 50 /2.524 x 1.700 = € 34,--
samen € 1.700,--
Van de totale behoefte van de kinderen komt dus een gedeelte van € 1.666,-- per maand, of wel € 833,-- per maand, per kind, voor rekening van de man. Een gedeelte van € 34,-- per maand, of wel € 17,-- per maand, per kind, komt voor rekening van de vrouw.
Gezien de vast te stellen zorgregeling, geldt een zorgkortingspercentage van 15%. De zorgkorting bedraagt dan € 255,-- per maand (15% van € 1.700,--). De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 1.411,-- per maand (€ 1.666 -/- € 255), of wel afgerond € 706,-- per maand, per kind.
De rechtbank zal de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie daarom vaststellen op € 706,-- per maand, per kind.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de man en de vrouw in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek.
Op het alimentatieverzoek van de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Ook bij de vaststelling van de partneralimentatie en de berekening daarvan neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt.
In geschil is de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.
Behoefte vrouw
De vrouw heeft gesteld dat haar aanvullende behoefte € 4.813,-- bruto per maand bedraagt, of € 3.050,-- netto per maand. De man heeft deze bedragen niet betwist, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan.
Aanvullende behoefte van de vrouw
Wel heeft de man de aanvullende behoefte van de vrouw betwist. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw in staat moet worden geacht zich een inkomen te genereren van minimaal € 1.525,13 per maand.
De vrouw heeft dit op haar beurt betwist. De vrouw heeft gesteld dat zij lijdt aan endometriose en ADHD en dat ook hun dochter [minderjarige 2] is gediagnosticeerd met ADHD, wat de dagelijkse zorgbelasting voor de vrouw verder vergroot. Gelet op haar gezondheidssituatie en de zorgverplichting is het volgens de vrouw onmogelijk haar onderneming meer tijd te geven dan thans het geval is, waardoor haar inkomen beperkt wordt en niet boven bijstandsniveau zal uitkomen.
Nu de man de stelling van de vrouw omtrent haar verdiencapaciteit vanwege haar eigen gezondheid en die van hun dochter [minderjarige 2] niet heeft betwist zal de rechtbank ervan uitgaan dat het inkomen van de vrouw zich zal beperken tot bijstandsniveau en dat de vrouw aanvullende behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.
Draagkracht van de man
Bij gebrek aan financiële gegevens aan de zijde van de man zal de rechtbank ook voor wat betreft de bepaling van zijn draagkracht uitgaan van genoemd jaarinkomen van € 140.000,--.
De rechtbank berekent het NBI van de man voor partneralimentatie blijkens de aangehechte draagkrachtberekening op € 6.999,-- per maand.
De rechtbank zal voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365)] toepassen. De draagkracht van de man bedraagt dan: 60% x [€ 6.999 – (€ 2.100 + € 1.365)] = € 2.120,-- per maand. Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 1.666,-- per maand in mindering gebracht. De man heeft dan nog een draagkracht beschikbaar van € 454,-- per maand. Gebruteerd komt dit blijkens de aangehechte draagkrachtberekening neer op € 727,-- per maand. De rechtbank zal, gelet op de aanvullende behoefte van de vrouw, de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie daarom vaststellen op € 727,-- per maand.
Uitvoerbaarverklaring bij voorraad
De vrouw heeft verzocht om de beslissing op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Volgens artikel 288 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter de eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, maar volgens artikel 233 lid 1 Rv is dat niet mogelijk als uit de wet anders voortvloeit.
Uit de wet vloeit op grond van artikel 826 lid 1 onder c Rv voort dat de op 17 maart 2025 door deze rechtbank gewezen voorlopige voorziening inzake partneralimentatie op dit moment nog behoort te gelden. Daarmee verdraagt zich niet dat de beslissing op de nevenvoorziening partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Daarom zal de rechtbank het verzoek om uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de nevenvoorziening partneralimentatie afwijzen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen.
Krachtens artikel 4, eerste lid, van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, wordt het huwelijksvermogensregime vanaf de datum huwelijkssluiting beheerst door het recht van de staat [staat], [land], nu de echtgenoten kennelijk hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting hebben gevestigd in [staat], [land] en zich geen van de in artikel 4, tweede lid, van dat verdrag genoemde uitzonderingen voordoet.
Nadien heeft zich echter de situatie voorgedaan zoals omschreven in artikel 7 lid 2 sub 2 van het Verdrag. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat partijen sinds april 2010 hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Per april 2020 wonen partijen derhalve meer dan tien jaar in Nederland. Dit betekent dat in de periode van [datum] 2009 tot april 2020 het recht van de staat [staat], [land], van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en dat vanaf april 2020 Nederlands recht van toepassing is geworden op het huwelijksvermogensregime. Dit wordt het ‘wagonstelsel’ genoemd. Het Nederlands recht beheerst alleen de goederen die de echtgenoten ná de wijziging, dus na april 2020 hebben verkregen. Nu de wijziging heeft plaatsgevonden ná 1 januari 2018 zal de rechtbank bij de toepassing van het Nederlandse recht uit te gaan van een beperkte gemeenschap van goederen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft na wijziging verzocht de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt te verdelen:
beide partijen behouden hun eigen bankrekeningen met de aanwezige saldi;
beide partijen behouden hun op naam staande vervoersmiddelen;
verdeling van de inboedel heeft feitelijk plaatsgevonden;
beide partijen zijn en blijven gerechtigd tot hun eigen ondernemingsvermogen, zonder dat over en weer enige verdeling of verrekening plaatsvindt;
de man is draagplichtig voor zover er sprake is van gemeenschappelijke schulden.
De man kan zich niet verenigen met de verzoeken van de vrouw onder b, c en e.
Voor zover de man bekend beschikken partijen niet over op naam staande vervoersmiddelen, zodat volgens hem sub b kan worden afgewezen.Volgens de man is de inboedel nog niet tussen partijen verdeeld. Hoewel de vrouw de man in de gelegenheid heeft gesteld om zijn persoonlijke spullen op te halen, beschikt de man, naar zijn zeggen, niet over de helft van de in de woning aanwezige inboedelgoederen. De man heeft de rechtbank daarom verzocht de waarde van de inboedel van partijen, te weten € 5.000,--, bij helfte te verdelen, zodat de vrouw aan hem een bedrag van € 2.500,-- dient te voldoen. Daarnaast wil de man de volgende inboedelgoederen ontvangen:
- een authentieke ‘tortilla press’ uit Mexico;
- hetgeen de man heeft gebouwd op het balkon bij grote slaapkamer (de tafels, stoelen, vloer, etc);
- de in de woning aanwezige hardware-apparatuur;
- de boeken die de man heeft gekregen, althans aangekocht;
- de keukenspullen die de man heeft gekregen.
Ten aanzien van de schulden heeft de man naar voren gebracht dat voor zover hem bekend partijen geen schulden hebben, zodat er volgens hem geen enkele aanleiding is om te bepalen dat (eventuele) gemeenschappelijke schulden (enkel) voor rekening van de man komen. Volgens de man zijn partijen ieder voor de helft draagplichtig voor (eventuele) gemeenschappelijke schulden.
De man kan instemmen met het overigens door de vrouw verzochte ten aanzien van de verdeling.
De rechtbank zal voor wat betreft de door partijen genoemde bestanddelen ervan uitgaan dat deze vallen in de naar Nederlands recht bestaande beperkte gemeenschap van goederen, nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken of aangevoerd dat deze hier niet in vallen. De rechtbank zal de afzonderlijke bestanddelen bespreken.
Ad a. de bankrekeningen
Partijen zijn het erover eens dat zij hun eigen bankrekeningen behouden met de daarop aanwezige saldi op de peildatum 12 februari 2025 (datum indiening verzoekschrift) zonder verdere verrekening. De rechtbank zal aldus beslissen.
Ad b. de vervoersmiddelen
Op de zitting heeft de vrouw toegelicht dat met de vervoersmiddelen van partijen worden bedoeld de fietsen. Dit is niet nader betwist door de man. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man en de vrouw ieder hun eigen fiets behouden.
Ad c. de inboedel
De vrouw heeft op de zitting onbetwist gesteld dat de verdeling van de inboedel tussen partijen feitelijk al heeft plaatsgevonden en dat de man al een deel van de inboedel heeft opgehaald. De vrouw heeft daarnaast de stelling van de man dat de inboedel een waarde heeft van € 5.000,-- en dat er sprake is van overbedeling betwist. De man heeft zijn stelling niet onderbouwd. Op de zitting heeft de vrouw verder aangegeven dat de man de door hem genoemde inboedel, te weten:
een authentieke ‘tortilla press’ uit Mexico;
hetgeen de man heeft gebouwd op het balkon bij grote slaapkamer (de tafels, stoelen, vloer, etc);
de boeken die de man heeft gekregen, althans aangekocht;
de keukenspullen die de man heeft gekregen;
kan ophalen en dat de man de computer (hardware) al heeft meegenomen.
De rechtbank gaat ervan uit dat de man de door hem genoemde inboedel, voor zover nog niet door hem opgehaald, zal ophalen en bepalen dat de inboedel feitelijk is verdeeld als hierboven aangegeven.
Ad d. het ondernemingsvermogen
Partijen zijn het erover eens dat beide partijen gerechtigd zijn en blijven tot hun eigen ondernemingsvermogen, zonder dat over en weer enige verdeling of verrekening plaatsvindt. De rechtbank zal aldus bepalen.
Ad e. de gemeenschappelijke schulden
De man heeft betwist dat er gemeenschappelijke schulden zijn. De vrouw heeft op de zitting bevestigd dat er geen gezamenlijke schulden zijn. De vrouw heeft verzocht voor zover er toch nog gemeenschappelijke schulden blijken te zijn te bepalen dat de man hiervoor draagplichtig is. De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw afwijzen. Voor zover er gemeenschappelijke schulden waren op de peildatum 12 februari 2025 heeft te gelden dat beide partijen hiervoor draagplichtig zijn, tenzij deze zijn verknocht aan een van partijen. Hiervan is echter niet gebleken.
Huurrecht
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw en wordt dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
Inhoudelijke beoordeling
Het verzoek van de vrouw tot toedeling van het huurrecht aan haar kan als niet weersproken als na te melden worden toegewezen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Brief aan [minderjarige 1]
De rechtbank heeft met [minderjarige 1] afgesproken dat zij tegelijk met de beschikking aan haar een brief zou sturen om te vertellen wat de uitspraak is. De tekst van die brief luidt als volgt:Beste [minderjarige 1],
We hebben elkaar op 15 juli 2026 gesproken op de rechtbank. Jij hebt mij toen verteld je in de basis een goede relatie hebt met je vader, maar dat je het lastig vindt dat hij altijd op reis is en dat jullie hem daardoor in het afgelopen jaar maar weinig hebben gezien. Jullie sliepen dan in een hotel met hem en dat vond je minder leuk. Je zou graag in de weekends bij jouw vader willen zijn maar alleen als hij een eigen woning heeft die in een leuke buurt is waar ook ander kinderen en mensen zijn, en ook doordeweeks als die woning in de buurt van jouw school ligt.
Je hebt me ook verteld dat je altijd heel behulpzaam bent naar andere mensen toe en dat je ook heel empathisch bent, maar dat je soms te veel aan anderen denkt en te weinig aan jezelf. Gelukkig heb je veel steun aan jouw teacher op school.
Na ons gesprek was de zitting. Jouw vader is niet gekomen. Jouw moeder was er wel, met haar advocaat. We hebben toen uitgebreid besproken of het wel zin heeft om een vaste regeling tussen jou en je zusje en je vader vast te stellen, omdat hij veel weg is en weinig van zich laat horen. Uiteindelijk kwamen we er op uit dat het toch goed voor jou en je zusje zou zijn om een regeling vast te leggen zodat jouw vader weet wat er van hem verwacht wordt.
Na de zitting heb ik een beslissing genomen over de regeling. Ik heb besloten dat de regeling als volgt is:
Zolang jouw vader nog geen eigen woning heeft zijn jullie in principe één keer per maand op zondag van 13.00 uur tot 20.00 uur bij jullie vader;
Zodra jouw vader een eigen woning heeft in de buurt van jullie school:
* de eerste twee maanden: één keer per twee weken van vrijdag uit school tot zaterdag 20.00 uur;
* daarna: één keer per twee weken van vrijdag uit school tot zondag 20.00 uur;
gedurende de vakanties en feestdagen: in onderling overleg te bepalen.
Ik hoop dat jullie in de toekomst meer contact gaan hebben met jullie vader, en dat het vastleggen van deze regeling een beetje kan helpen. Jullie mogen natuurlijk altijd in overleg met je vader en je moeder andere afspraken maken, als dat fijner is.
Ik wens je verder heel veel succes met school en alle andere dingen!
Met vriendelijke groet,
A.C. Olland, de kinderrechter
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2009 te [plaats 1], [land];
*
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2],
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat genoemde minderjarigen bij de man zullen zijn:
eenmaal per maand op zondag van 13.00 uur tot 20.00 uur;
zodra de man over eigen woonruimte beschikt in de buurt waar de kinderen naar school gaan: * de eerste twee maanden: eenmaal per twee weken een weekend van vrijdag uit school tot zaterdag 20.00 uur; * vervolgens: een maal per twee weken een weekend van vrijdag uit school tot zondag 20.00 uur;
gedurende de vakanties en feestdagen: in onderling overleg te bepalen;
en verklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van genoemde minderjarigen (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van € 706,-- per maand, per kind, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 727,-- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
stelt de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. aan de man worden toegedeeld:
1.1
de op zijn naam staande bankrekeningen met de daarop aanwezige saldi op de peildatum 12 februari 2025, zonder verdere verrekening;
1.2
zijn eigen fiets;
2. aan de vrouw worden toegedeeld:
2.1
de op haar naam staande bankrekeningen met de daarop aanwezige saldi op de peildatum 12 februari 2025, zonder verdere verrekening;
2.2
haar eigen fiets;
3. bepaalt dat de inboedel feitelijk is verdeeld als hierboven onder “Ad c. de inboedel” aangegeven;
4. bepaalt dat beide partijen gerechtigd zijn en blijven tot hun eigen ondernemings-vermogen, zonder dat over en weer enige verdeling of verrekening plaatsvindt;
verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woonruimte te [plaats 2], [adres], en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 14 augustus 2026.
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1066 (scheiding) / FA RK 26-1476 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/680152 (scheiding) / C/09/699575 (verdeling)
Datum beschikking: 14 augustus 2026
Scheiding
Beschikking op het op 12 februari 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.J. Bouwmeester te Noordwijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
thans zonder bekende vaste woon- en/of verblijfplaats, maar wel ingeschreven in de Basisregistratie Personen met een bekend briefadres,
advocaat: zowel mr. H. Shawky te Amsterdam, als mr. R.C. Post te ’s-Gravenhage hebben zich aan de procedure onttrokken.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het verweerschrift;
- de brief van 14 augustus 2025, met bijlage, van de zijde van de vrouw;
- de brief van 8 september 2025 van de zijde van de vrouw;
- het F9-formulier van 17 september 2025 van de zijde van de man;
- het aanvullend verzoekschrift;
- het verweerschrift op het aanvullend verzoekschrift, tevens zelfstandig aanvullend verzoekschrift;
- het verweerschrift op het zelfstandig aanvullend verzoekschrift;
- de brief van 6 juli 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft in raadkamer haar mening kenbaar gemaakt.
Op 17 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, vergezeld door de tolk F. den Hengst en bijgestaan door haar advocaat, alsmede [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
De man is niet ter zitting verschenen. De man heeft op 15 juli 2026 om aanhouding van de zitting verzocht omdat hij geen advocaat heeft. Dit verzoek is afgewezen, omdat de man op 24 april 2026 per aangetekende en gewone post is opgeroepen op het door hem opgegeven briefadres in de Basisregistratie Personen en op 10 juli 2026 op zijn e-mailadres.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2009 te [plaats 1], [land].
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2].
- De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De man heeft de Amerikaanse nationaliteit en de vrouw heeft de Franse nationaliteit.
- Deze rechtbank heeft op 17 maart 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende:
- toevertrouwing van de kinderen aan de vrouw;
- vaststelling van een zorgregeling, waarbij de kinderen in principe de ene week bij de man zullen verblijven en de andere week bij de vrouw;
- dat de vrouw met ingang van 17 mei 2025 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2], [adres];
- dat de man met ingang van 17 maart 2025 een kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen van € 410,-- per maand, per kind;
- dat de man met ingang van 17 maart 2025 een partneralimentatie aan de vrouw moet betalen van € 575,-- per maand.
Verzoek en verweer
Het verzoek, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat:
- de kinderen eens per veertien dagen een weekend van vrijdag na schooltijd tot zondag 20.00 uur bij de man verblijven;
- de vakanties en feestdagen conform hetzelfde schema worden verdeeld;
- met ruimte voor onderling overleg;
- primair vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 833,-- per maand, per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, subsidiair vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 630,50 per maand, per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, onder aanvulling van actuele inkomensgegevens en een daarop gebaseerde berekening van behoefte en draagkracht;
- primair vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 782,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, subsidiair vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 575,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, onder aanvulling van actuele inkomensgegevens en een daarop gebaseerde berekening van behoefte en draagkracht;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de vrouw;
- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning, met uitsluiting van de man;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man heeft geen verweer gevoerd tegen de door de vrouw verzochte echtscheiding en het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw. De man heeft wel verweer gevoerd tegen de overige verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen bij de man verblijven:
- in de oneven weken, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op zondagavond om 17.00 uur;
- gedurende de helft van de vakantie- en feestdagen;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de man;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw heeft onder handhaving van haar verzoeken verweer gevoerd tegen de door de man verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
De aanhoudingenrechter heeft voorafgaand aan de zitting het aanhoudingsverzoek van de man afgewezen. De rechtbank heeft vervolgens de zaak op de zitting inhoudelijk behandeld en zal hierna ook inhoudelijk beslissen op de voorliggende verzoeken. De laatste advocaat van de man heeft zich op 7 april 2026 aan de procedure onttrokken en gelet op de datum waarop de oproepbrief aan het briefadres van de man is toegezonden, heeft hij voldoende gelegenheid heeft gehad om een nieuwe advocaat te vinden. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat de man niet ter zitting is verschenen om zijn persoonlijke situatie toe te lichten.
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Beide echtgenoten hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland. De Nederlandse rechter komt daarom met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan.
De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.
Toepasselijk recht
De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit erkend, zodat het over en weer gedane verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats kinderen en verdeling zorg- en opvoedingstaken
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Inhoudelijke beoordeling
Hoofdverblijfplaats
De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De rechtbank zal aldus beslissen.
Verdeling zorg- en opvoedingstaken
De rechtbank zal een zorgregeling vaststellen, waarbij de kinderen bij de man zullen zijn:
eenmaal per maand op zondag van 13.00 uur tot 20.00 uur; en
zodra de man over eigen woonruimte beschikt in de buurt waar de kinderen naar school gaan: de eerste twee maanden eenmaal per twee weken van vrijdag uit school tot zaterdag 20.00 uur; en daarna
een maal per twee weken van vrijdag uit school tot zondag 20.00 uur;
gedurende de vakanties en feestdagen in onderling overleg te bepalen.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op de zitting en uit het gesprek dat de rechtbank met [minderjarige 1] heeft gehad is naar voren gekomen dat de man sinds juli 2025 vijf contactmomenten met de kinderen heeft gehad. [minderjarige 1] heeft in het gesprek met de rechtbank aangegeven dat de relatie tussen haar en haar vader in de basis goed is en dat zij graag in de weekenden bij haar vader wil zijn als hij een eigen woonruimte heeft in de buurt van haar school. De contactmomenten vonden plaats in hotels, omdat de man nog niet over eigen woonruimte beschikt.In het lichaam van het verweerschrift heeft de man opgenomen dat hij de kinderen bij zich zou willen hebben iedere zondagmiddag tussen 13.00 uur en 17.00 uur. Gezien het geringe contact dat de man sinds juli 2025 met de kinderen heeft gehad, heeft hij er vooralsnog geen blijk van gegeven een dergelijke regeling wekelijks uit te kunnen voeren.
Op de zitting is uitgebreid gesproken over de vraag of het onder genoemde omstandigheden zinvol is om een zorgregeling vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de kinderen is om toch een minimale zorgregeling vast te stellen. Zolang de man nog geen eigen woonruimte heeft vindt de rechtbank een overnachting niet aangewezen. Voor de kinderen is het niet gezellig en fijn om telkens met hun vader in een hotel te overnachten.
De rechtbank vindt het voor de kinderen heel verdrietig dat er momenteel geen structureel contact is tussen hen en hun vader. De rechtbank doet een beroep op de man om beschikbaar te zijn voor de kinderen en zijn verantwoordelijkheid te nemen, opdat het voor de kinderen voorspelbaar is wanneer zij hun vader zullen zien.
Als dat fijner is voor de kinderen kan de hierna te melden zorgregeling worden aangepast. Dit moet dan wel in onderling overleg tussen de ouders gebeuren, en met de kinderen worden afgestemd.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de man, de vrouw en de kinderen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
In geschil is de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de man.
Bij de berekening en vaststelling van de kinderalimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het tremarapport) als uitgangspunt.
Behoefte kinderen
Voor de vaststelling van de behoefte van de kinderen is bepalend het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de ouders op het moment van hun feitelijk uiteengaan. De man heeft onweersproken gesteld dat partijen begin 2025 uit elkaar zijn gegaan, zodat de rechtbank uit zal gaan van de inkomens die partijen toen hadden.
De man heeft zijn inkomen gesteld op € 47.436,-- waarbij hij is uitgegaan van zijn aangifte inkomstenbelasting 2024. Bij dit inkomen heeft de man zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) berekend op € 3.067,-- per maand. Voor wat betreft het inkomen van de vrouw gaat de man uit van een winst uit onderneming van € 7.244,-- en een NBI van € 590,-- per maand.
In het kader van de procedure voorlopige voorzieningen is de vrouw uitgegaan van een inkomen van de man van ongeveer € 9.000,-- bruto per maand, neerkomend op een NBI van 5.482,-- per maand. Omdat de man zijn inkomen in die procedure niet met stukken had onderbouwd heeft de rechtbank de vrouw hierin gevolgd.
Ook in de onderhavige procedure heeft de man zijn inkomen niet, althans onvoldoende, met stukken onderbouwd. De vrouw heeft gesteld dat het inkomen van de man hoger is dan waarvan in de procedure voorlopige voorzieningen is uitgegaan. De vrouw heeft gesteld dat de man een eenmanszaak drijft onder de naam [bedrijfsnaam 1]. Dit is volgens de vrouw een onderneming die zich bezighoudt met advisering en ondersteuning op het gebied van informatietechnologie. De vrouw heeft gesteld dat de man daarnaast eigenaar is van een in Engeland gevestigde Ltd, genaamd [bedrijfsnaam 2] Ltd. Ook verricht de man volgens de vrouw werkzaamheden voor een onderneming genaamd [bedrijfsnaam 3]. De vrouw heeft naar voren gebracht dat de onderneming vermoedelijk is opgericht in Finland en onder andere werkzaamheden verricht vanuit Engeland. Die onderneming houdt zich volgens de vrouw bezig met een uitgebreid aanbod aan consultancy. Bij gebrek aan financiële stukken aan de kant van de man is de vrouw voor de berekening van het inkomen van de man uitgegaan van de aanslag omzetbelasting voor het tweede kwartaal 2025. Op basis van deze aanslag van € 6.519,-- heeft de vrouw een minimale omzet berekend van € 124.171,43 op jaarbasis. De werkelijke omzet is volgens de vrouw een stuk hoger omdat het immers een berekend bedrag is minus de kosten. Bovendien is het volgens de vrouw aannemelijk dat, gelet op het soort diensten dat de man verricht, een deel daarvan in het buitenland plaatsvindt tegen 0% BTW in Nederland. De vrouw heeft de gemiddeld behaalde winst voor de man in 2025 op € 140.000,-- gesteld.
De vrouw heeft wat betreft haar eigen inkomen gesteld dat zij een eigen onderneming drijft en dat zij in 2024 een winst uit onderneming heeft behaald van € 7.244,--. De vrouw gaat voor 2025 uit van een winst uit onderneming van € 12.000,--.
De rechtbank zal voor de bepaling van de behoefte van de kinderen uitgaan van het door de vrouw genoemde jaarinkomen van de man van € 140.000,--. Zoals hierna nader zal worden overwogen in het kader van de draagkracht van de man had het op de weg van de man gelegen om zijn stellingen te onderbouwen met recente stukken, hetgeen de man heeft nagelaten. Voor wat betreft het inkomen van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van de door de vrouw opgegeven winst uit onderneming van € 12.000,-- per jaar, nu de man dit inkomen niet heeft weersproken.
Het voorgaande houdt in dat het NBGI van partijen, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde en aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekeningen, meer bedraagt dan € 7.500,-- per maand (€ 7.005 + € 964). Op basis van de behoeftetabel 2025 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.700,-- per maand, of wel € 850,-- per maand, per kind.
Draagkracht man
De man stelt dat bij de berekening van zijn draagkracht uit moet worden gegaan van het inkomen dat hij redelijkerwijs kan genereren. Hij ondervindt problemen met zijn opdrachtgever, in die zin dat hij al maanden niet is uitbetaald voor de door hem in het jaar 2025 verrichte werkzaamheden. De man heeft aangegeven dat hij hierdoor niet in staat is om recente inkomensgegevens over te leggen, simpelweg omdat hij niet over deze inkomensgegevens beschikt. De man heeft een Teams-chat met zijn opdrachtgever overgelegd en hieruit volgt volgens de man dat hij omgerekend € 43.698,43 uitbetaald heeft gekregen voor een periode van 10 maanden. Dit bedrag moet volgens hem als uitgangspunt worden genomen voor de berekening van zijn verdiencapaciteit. De man stelt dat hij sinds augustus 2024 voor dezelfde opdrachtgever ([bedrijfsnaam 3]) werkt, en dat dit ook zijn enige opdrachtgever is. De man verricht naar eigen zeggen alleen werkzaamheden vanuit zijn onderneming [bedrijfsnaam 2], en naar eigen zeggen is [bedrijfsnaam 3] zijn enige opdrachtgever. De man stelt tot slot dat hij niet beschikt over de jaarstukken van [bedrijfsnaam 2], maar dat hij deze stukken zal overleggen zodra ze beschikbaar zijn.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft ondanks zijn toezegging geen jaarstukken in het geding gebracht zodat de rechtbank geen zicht heeft op zijn daadwerkelijk genoten inkomsten. Het had op de weg van de man gelegen om deze jaarstukken in te dienen. Het enkele feit dat zijn opdrachtgever moeilijk doet over betalingen over het afgelopen jaar maakt niet dat het niet mogelijk is om jaarstukken te genereren en/of inzichtelijk te maken welke bedragen zijn gefactureerd, welke bedragen zijn betaald en welke bedragen de man/zijn onderneming nog moet ontvangen. De rechtbank zal de man reeds daarom niet volgen in zijn stelling dat zijn inkomen/verdiencapaciteit dan maar moet worden gebaseerd op het bedrag van € 43.698,43 dat zijn opdrachtgever heeft uitbetaald voor de periode augustus 2024 tot mei 2025. Daarbij komt dat, blijkens zijn reactie in de Teamschat d.d. 12 november 2025, de man het niet eens was met dit bedrag en de rechtbank heeft geen enkele informatie over welke bedragen [bedrijfsnaam 3] daarna aan de man heeft betaald. Het is zeer onaannemelijk dat de man vanaf mei 2025 werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijfsnaam 3] zonder dat [bedrijfsnaam 3] hem daarvoor betaalt.
Ook overigens heeft de man tegenover de stellingen van de vrouw onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn werkzaamheden en inkomsten. De rechtbank merkt daarbij op dat de man blijkens de KvK registratie een eenmanszaak drijft onder de naam [bedrijfsnaam 1]. Het had op zijn weg gelegen om nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen wat de status is van, en eventuele inkomsten uit, deze onderneming is/zijn.
De rechtbank ziet gelet op dit alles aanleiding om ook voor de bepaling van de draagkracht van de man uit te gaan van het door de vrouw gestelde jaarinkomen van € 140.000,--. Blijkens de aangehechte draagkrachtberekening bedraagt het NBI van de man in dat geval € 6.999,-- per maand.
De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht van de man de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [€ 6.999 – (€ 2.100 + € 1.365)] = € 2.474,-- per maand.
Draagkracht vrouw
Partijen zijn het er over eens dat voor wat betreft de draagkracht van de vrouw uitgaan kan worden van een maximale draagkracht van € 50,-- per maand voor 2 kinderen.
De draagkracht van de ouders gezamenlijk bedraagt € 2.524,-- per maand (€ 2.474 + € 50). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 2.474 /2.524 x 1.700 = € 1.666,--
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 50 /2.524 x 1.700 = € 34,--
samen € 1.700,--
Van de totale behoefte van de kinderen komt dus een gedeelte van € 1.666,-- per maand, of wel € 833,-- per maand, per kind, voor rekening van de man. Een gedeelte van € 34,-- per maand, of wel € 17,-- per maand, per kind, komt voor rekening van de vrouw.
Gezien de vast te stellen zorgregeling, geldt een zorgkortingspercentage van 15%. De zorgkorting bedraagt dan € 255,-- per maand (15% van € 1.700,--). De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 1.411,-- per maand (€ 1.666 -/- € 255), of wel afgerond € 706,-- per maand, per kind.
De rechtbank zal de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie daarom vaststellen op € 706,-- per maand, per kind.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de man en de vrouw in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek.
Op het alimentatieverzoek van de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Ook bij de vaststelling van de partneralimentatie en de berekening daarvan neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt.
In geschil is de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.
Behoefte vrouw
De vrouw heeft gesteld dat haar aanvullende behoefte € 4.813,-- bruto per maand bedraagt, of € 3.050,-- netto per maand. De man heeft deze bedragen niet betwist, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan.
Aanvullende behoefte van de vrouw
Wel heeft de man de aanvullende behoefte van de vrouw betwist. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw in staat moet worden geacht zich een inkomen te genereren van minimaal € 1.525,13 per maand.
De vrouw heeft dit op haar beurt betwist. De vrouw heeft gesteld dat zij lijdt aan endometriose en ADHD en dat ook hun dochter [minderjarige 2] is gediagnosticeerd met ADHD, wat de dagelijkse zorgbelasting voor de vrouw verder vergroot. Gelet op haar gezondheidssituatie en de zorgverplichting is het volgens de vrouw onmogelijk haar onderneming meer tijd te geven dan thans het geval is, waardoor haar inkomen beperkt wordt en niet boven bijstandsniveau zal uitkomen.
Nu de man de stelling van de vrouw omtrent haar verdiencapaciteit vanwege haar eigen gezondheid en die van hun dochter [minderjarige 2] niet heeft betwist zal de rechtbank ervan uitgaan dat het inkomen van de vrouw zich zal beperken tot bijstandsniveau en dat de vrouw aanvullende behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.
Draagkracht van de man
Bij gebrek aan financiële gegevens aan de zijde van de man zal de rechtbank ook voor wat betreft de bepaling van zijn draagkracht uitgaan van genoemd jaarinkomen van € 140.000,--.
De rechtbank berekent het NBI van de man voor partneralimentatie blijkens de aangehechte draagkrachtberekening op € 6.999,-- per maand.
De rechtbank zal voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365)] toepassen. De draagkracht van de man bedraagt dan: 60% x [€ 6.999 – (€ 2.100 + € 1.365)] = € 2.120,-- per maand. Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 1.666,-- per maand in mindering gebracht. De man heeft dan nog een draagkracht beschikbaar van € 454,-- per maand. Gebruteerd komt dit blijkens de aangehechte draagkrachtberekening neer op € 727,-- per maand. De rechtbank zal, gelet op de aanvullende behoefte van de vrouw, de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie daarom vaststellen op € 727,-- per maand.
Uitvoerbaarverklaring bij voorraad
De vrouw heeft verzocht om de beslissing op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Volgens artikel 288 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter de eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, maar volgens artikel 233 lid 1 Rv is dat niet mogelijk als uit de wet anders voortvloeit.
Uit de wet vloeit op grond van artikel 826 lid 1 onder c Rv voort dat de op 17 maart 2025 door deze rechtbank gewezen voorlopige voorziening inzake partneralimentatie op dit moment nog behoort te gelden. Daarmee verdraagt zich niet dat de beslissing op de nevenvoorziening partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Daarom zal de rechtbank het verzoek om uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de nevenvoorziening partneralimentatie afwijzen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen.
Krachtens artikel 4, eerste lid, van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, wordt het huwelijksvermogensregime vanaf de datum huwelijkssluiting beheerst door het recht van de staat [staat], [land], nu de echtgenoten kennelijk hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting hebben gevestigd in [staat], [land] en zich geen van de in artikel 4, tweede lid, van dat verdrag genoemde uitzonderingen voordoet.
Nadien heeft zich echter de situatie voorgedaan zoals omschreven in artikel 7 lid 2 sub 2 van het Verdrag. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat partijen sinds april 2010 hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Per april 2020 wonen partijen derhalve meer dan tien jaar in Nederland. Dit betekent dat in de periode van [datum] 2009 tot april 2020 het recht van de staat [staat], [land], van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en dat vanaf april 2020 Nederlands recht van toepassing is geworden op het huwelijksvermogensregime. Dit wordt het ‘wagonstelsel’ genoemd. Het Nederlands recht beheerst alleen de goederen die de echtgenoten ná de wijziging, dus na april 2020 hebben verkregen. Nu de wijziging heeft plaatsgevonden ná 1 januari 2018 zal de rechtbank bij de toepassing van het Nederlandse recht uit te gaan van een beperkte gemeenschap van goederen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft na wijziging verzocht de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt te verdelen:
beide partijen behouden hun eigen bankrekeningen met de aanwezige saldi;
beide partijen behouden hun op naam staande vervoersmiddelen;
verdeling van de inboedel heeft feitelijk plaatsgevonden;
beide partijen zijn en blijven gerechtigd tot hun eigen ondernemingsvermogen, zonder dat over en weer enige verdeling of verrekening plaatsvindt;
de man is draagplichtig voor zover er sprake is van gemeenschappelijke schulden.
De man kan zich niet verenigen met de verzoeken van de vrouw onder b, c en e.
Voor zover de man bekend beschikken partijen niet over op naam staande vervoersmiddelen, zodat volgens hem sub b kan worden afgewezen.Volgens de man is de inboedel nog niet tussen partijen verdeeld. Hoewel de vrouw de man in de gelegenheid heeft gesteld om zijn persoonlijke spullen op te halen, beschikt de man, naar zijn zeggen, niet over de helft van de in de woning aanwezige inboedelgoederen. De man heeft de rechtbank daarom verzocht de waarde van de inboedel van partijen, te weten € 5.000,--, bij helfte te verdelen, zodat de vrouw aan hem een bedrag van € 2.500,-- dient te voldoen. Daarnaast wil de man de volgende inboedelgoederen ontvangen:
- een authentieke ‘tortilla press’ uit Mexico;
- hetgeen de man heeft gebouwd op het balkon bij grote slaapkamer (de tafels, stoelen, vloer, etc);
- de in de woning aanwezige hardware-apparatuur;
- de boeken die de man heeft gekregen, althans aangekocht;
- de keukenspullen die de man heeft gekregen.
Ten aanzien van de schulden heeft de man naar voren gebracht dat voor zover hem bekend partijen geen schulden hebben, zodat er volgens hem geen enkele aanleiding is om te bepalen dat (eventuele) gemeenschappelijke schulden (enkel) voor rekening van de man komen. Volgens de man zijn partijen ieder voor de helft draagplichtig voor (eventuele) gemeenschappelijke schulden.
De man kan instemmen met het overigens door de vrouw verzochte ten aanzien van de verdeling.
De rechtbank zal voor wat betreft de door partijen genoemde bestanddelen ervan uitgaan dat deze vallen in de naar Nederlands recht bestaande beperkte gemeenschap van goederen, nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken of aangevoerd dat deze hier niet in vallen. De rechtbank zal de afzonderlijke bestanddelen bespreken.
Ad a. de bankrekeningen
Partijen zijn het erover eens dat zij hun eigen bankrekeningen behouden met de daarop aanwezige saldi op de peildatum 12 februari 2025 (datum indiening verzoekschrift) zonder verdere verrekening. De rechtbank zal aldus beslissen.
Ad b. de vervoersmiddelen
Op de zitting heeft de vrouw toegelicht dat met de vervoersmiddelen van partijen worden bedoeld de fietsen. Dit is niet nader betwist door de man. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man en de vrouw ieder hun eigen fiets behouden.
Ad c. de inboedel
De vrouw heeft op de zitting onbetwist gesteld dat de verdeling van de inboedel tussen partijen feitelijk al heeft plaatsgevonden en dat de man al een deel van de inboedel heeft opgehaald. De vrouw heeft daarnaast de stelling van de man dat de inboedel een waarde heeft van € 5.000,-- en dat er sprake is van overbedeling betwist. De man heeft zijn stelling niet onderbouwd. Op de zitting heeft de vrouw verder aangegeven dat de man de door hem genoemde inboedel, te weten:
een authentieke ‘tortilla press’ uit Mexico;
hetgeen de man heeft gebouwd op het balkon bij grote slaapkamer (de tafels, stoelen, vloer, etc);
de boeken die de man heeft gekregen, althans aangekocht;
de keukenspullen die de man heeft gekregen;
kan ophalen en dat de man de computer (hardware) al heeft meegenomen.
De rechtbank gaat ervan uit dat de man de door hem genoemde inboedel, voor zover nog niet door hem opgehaald, zal ophalen en bepalen dat de inboedel feitelijk is verdeeld als hierboven aangegeven.
Ad d. het ondernemingsvermogen
Partijen zijn het erover eens dat beide partijen gerechtigd zijn en blijven tot hun eigen ondernemingsvermogen, zonder dat over en weer enige verdeling of verrekening plaatsvindt. De rechtbank zal aldus bepalen.
Ad e. de gemeenschappelijke schulden
De man heeft betwist dat er gemeenschappelijke schulden zijn. De vrouw heeft op de zitting bevestigd dat er geen gezamenlijke schulden zijn. De vrouw heeft verzocht voor zover er toch nog gemeenschappelijke schulden blijken te zijn te bepalen dat de man hiervoor draagplichtig is. De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw afwijzen. Voor zover er gemeenschappelijke schulden waren op de peildatum 12 februari 2025 heeft te gelden dat beide partijen hiervoor draagplichtig zijn, tenzij deze zijn verknocht aan een van partijen. Hiervan is echter niet gebleken.
Huurrecht
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw en wordt dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
Inhoudelijke beoordeling
Het verzoek van de vrouw tot toedeling van het huurrecht aan haar kan als niet weersproken als na te melden worden toegewezen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Brief aan [minderjarige 1]
De rechtbank heeft met [minderjarige 1] afgesproken dat zij tegelijk met de beschikking aan haar een brief zou sturen om te vertellen wat de uitspraak is. De tekst van die brief luidt als volgt:Beste [minderjarige 1],
We hebben elkaar op 15 juli 2026 gesproken op de rechtbank. Jij hebt mij toen verteld je in de basis een goede relatie hebt met je vader, maar dat je het lastig vindt dat hij altijd op reis is en dat jullie hem daardoor in het afgelopen jaar maar weinig hebben gezien. Jullie sliepen dan in een hotel met hem en dat vond je minder leuk. Je zou graag in de weekends bij jouw vader willen zijn maar alleen als hij een eigen woning heeft die in een leuke buurt is waar ook ander kinderen en mensen zijn, en ook doordeweeks als die woning in de buurt van jouw school ligt.
Je hebt me ook verteld dat je altijd heel behulpzaam bent naar andere mensen toe en dat je ook heel empathisch bent, maar dat je soms te veel aan anderen denkt en te weinig aan jezelf. Gelukkig heb je veel steun aan jouw teacher op school.
Na ons gesprek was de zitting. Jouw vader is niet gekomen. Jouw moeder was er wel, met haar advocaat. We hebben toen uitgebreid besproken of het wel zin heeft om een vaste regeling tussen jou en je zusje en je vader vast te stellen, omdat hij veel weg is en weinig van zich laat horen. Uiteindelijk kwamen we er op uit dat het toch goed voor jou en je zusje zou zijn om een regeling vast te leggen zodat jouw vader weet wat er van hem verwacht wordt.
Na de zitting heb ik een beslissing genomen over de regeling. Ik heb besloten dat de regeling als volgt is:
Zolang jouw vader nog geen eigen woning heeft zijn jullie in principe één keer per maand op zondag van 13.00 uur tot 20.00 uur bij jullie vader;
Zodra jouw vader een eigen woning heeft in de buurt van jullie school:
* de eerste twee maanden: één keer per twee weken van vrijdag uit school tot zaterdag 20.00 uur;
* daarna: één keer per twee weken van vrijdag uit school tot zondag 20.00 uur;
gedurende de vakanties en feestdagen: in onderling overleg te bepalen.
Ik hoop dat jullie in de toekomst meer contact gaan hebben met jullie vader, en dat het vastleggen van deze regeling een beetje kan helpen. Jullie mogen natuurlijk altijd in overleg met je vader en je moeder andere afspraken maken, als dat fijner is.
Ik wens je verder heel veel succes met school en alle andere dingen!
Met vriendelijke groet,
A.C. Olland, de kinderrechter
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2009 te [plaats 1], [land];
*
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2],
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat genoemde minderjarigen bij de man zullen zijn:
eenmaal per maand op zondag van 13.00 uur tot 20.00 uur;
zodra de man over eigen woonruimte beschikt in de buurt waar de kinderen naar school gaan: * de eerste twee maanden: eenmaal per twee weken een weekend van vrijdag uit school tot zaterdag 20.00 uur; * vervolgens: een maal per twee weken een weekend van vrijdag uit school tot zondag 20.00 uur;
gedurende de vakanties en feestdagen: in onderling overleg te bepalen;
en verklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van genoemde minderjarigen (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van € 706,-- per maand, per kind, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 727,-- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
stelt de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. aan de man worden toegedeeld:
1.1
de op zijn naam staande bankrekeningen met de daarop aanwezige saldi op de peildatum 12 februari 2025, zonder verdere verrekening;
1.2
zijn eigen fiets;
2. aan de vrouw worden toegedeeld:
2.1
de op haar naam staande bankrekeningen met de daarop aanwezige saldi op de peildatum 12 februari 2025, zonder verdere verrekening;
2.2
haar eigen fiets;
3. bepaalt dat de inboedel feitelijk is verdeeld als hierboven onder “Ad c. de inboedel” aangegeven;
4. bepaalt dat beide partijen gerechtigd zijn en blijven tot hun eigen ondernemings-vermogen, zonder dat over en weer enige verdeling of verrekening plaatsvindt;
verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woonruimte te [plaats 2], [adres], en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 14 augustus 2026.