Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26641
2026-08-14
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/683050 / FA RK 25-2543
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervangende toestemming erkenning. Kinderalimentatie. Gezag en omgang aangehouden.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2025:1165 Hoge Raad 18-07-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (30.242 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2543
Zaaknummer: C/09/683050
Datum beschikking: 14 augustus 2026
Vervangende toestemming erkenning, gezag, zorgregeling c.q. omgangsregeling en kinderalimentatie
Beschikking op het op 3 april 2025 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.C. Janssens-van Drooge te Zwolle .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.P. Friperson te ’s-Gravenhage.
en
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] ,
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. M. Braat, advocaat te ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het F9 formulier van 15 april 2025, met bijlagen, van de zijde van de man;
het F9 formulier van 8 mei 2025 van de zijde van de man;
het verslag van de bijzondere curator van 8 oktober 2025;
het F9 formulier van 22 oktober 2025, met bijlage, van de zijde van de vrouw;
het F9 formulier van 30 oktober 2025 van de zijde van de man;
het verweerschrift tevens houdend zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen;
het verweer tegen het zelfstandig verzoekschrift van 10 april 2026;
het F9 formulier van 7 juli 2026 van de zijde van de man;
het F9 formulier van 7 juli 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
het F9 formulier van 7 juli 2026, met bijlagen, van de zijde van de man.
Op 17 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
mr. M. de Braat, de bijzondere curator;
[naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Na de zitting is ontvangen:
- het bericht van 20 juli 2026 van [zorginstantie] .
Verzoek en verweer
De man verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –
vervangende toestemming te verlenen van erkenning van [minderjarige 1] door de man;
de man en vrouw te belasten met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige 1] ;
een contactregeling tussen de man en [minderjarige 1] te bepalen waarbij [minderjarige 1] een weekend per 14 dagen van vrijdagmiddag tot zondagmiddag bij de man is, evenals een deel van de vakanties en feestdagen,
met compensatie van de proceskosten.
De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens verzoekt de moeder te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] met € 275,- per maand aan de vrouw te voldoen met ingang van 1
september 2025, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht.
De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man ten aanzien van de vervangende toestemming tot erkenning toe te wijzen.
Feiten
De man en de moeder hebben een affectieve relatie gehad met elkaar.
[minderjarige 1] is niet erkend.
De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] .
De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.
De man, de moeder en [minderjarige 1] hebben de Nederlandse nationaliteit.
Bij beschikking van deze rechtbank van 16 juli 2025 is mr. M. Braat voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.
Bij beschikking van deze rechtbank van 1 juli 2025 heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige voorzieningen de ouders doorverwezen voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding en Ouderschapsbemiddeling. Bij een niet positief verlopen traject is de Raad verzocht om te bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk is.
De moeder is ook de ouder van de volgende minderjarige en jong-meerderjarige kinderen:
- [jongmeerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats 2] ;
- [jongmeerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2007 te [geboorteplaats 2] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 4] 2012 te [geboorteplaats 2] .
- De man is ook de ouder van de minderjarige [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 5] 2026 te [geboorteplaats 3] .
Beoordeling
Vervangende toestemming erkenning
Op grond van artikel 1:204 lid 3 BW kan als een man een kind wil erkennen, de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige 1] of de belangen van [minderjarige 1] zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als [minderjarige 1] er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige 1] of de belangen van [minderjarige 1] geschaad zouden worden in geval van erkenning van [minderjarige 1] door de man. Van schade aan de belangen van [minderjarige 1] is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor haar reële risico’s zijn dat zij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
De man acht het in het belang van [minderjarige 1] dat zij in familierechtelijke betrekking tot de man komt te staan omdat [minderjarige 1] recht heeft op twee ouders. Voor haar ontwikkeling is van essentieel belang dat zij zich kan identificeren met haar beide ouders. De moeder heeft tot op heden niet meegewerkt aan erkenning van [minderjarige 1] door de man.
De moeder verzet zich tegen erkenning door de man omdat zij meent dat erkenning door de man het belang van [minderjarige 1] en het belang van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige 1] zal schaden. De moeder maakt zich ernstige zorgen om de man gelet op incidenten en gebeurtenissen in het verleden. De moeder heeft met name zorgen om de gevolgen van de erkenning. Omdat de erkenning onomkeerbaar is, meent de moeder dat er moet worden gewacht totdat er meer duidelijkheid is rondom het verloop van de omgang en/of totdat de Raad onderzoek heeft gedaan. Als er geen omgang zal plaatsvinden wil de moeder niet dat [minderjarige 1] in de toekomst op een andere manier met de erkenning wordt geconfronteerd zoals door het zien van de naam van de man op haar geboorteakte.
De bijzondere curator meent dat het voor [minderjarige 1] van belang is om te weten wie haar vader is en dat zij ook de mogelijkheid krijgt om een band met hem op te bouwen. De bijzondere curator is daarom van mening dat het in haar belang is dat het juridisch vaderschap in rechte wordt vastgesteld. De bijzondere curator ziet dat sprake is van een verstoorde verstandhouding tussen de man en de moeder. Ook is er een gebrek aan vertrouwen. De zorgen van de moeder zien volgens de bijzondere curator met name op de omgang tussen de man en [minderjarige 1] en het ouderlijk gezag. De bijzondere curator acht de redenen invoelbaar, maar is van mening dat deze redenen geen grond vormen om aan de man geen toestemming te verlenen om [minderjarige 1] te erkennen. De bijzondere curator adviseert daarom het verzoek van de man toe te wijzen.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige 1] . Het uitgangspunt van de wet is dat het kind en de verwekker er recht op hebben dat hun familieband officieel wordt vastgelegd. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan de rechtbank weigeren om vervangende toestemming te geven voor de erkenning. De zorg van de moeder over de gevolgen van de erkenning is niet zo’n geval. Ook wanneer omgang of gezag niet tot stand komen, is de toekomstige confrontatie van [minderjarige 1] met de erkenning door de man niet een geval om geen toestemming te geven voor de erkenning.
Nu het de rechtbank niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] in het gedrang kan komen, zal de rechtbank het verzoek van de man, om hem vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige 1] te verlenen, toewijzen.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige 1] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Gezamenlijk gezag
De man wenst samen met de moeder met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] te worden belast. Hij stelt dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag.
De moeder kan zich niet verenigen met het verzoek van de man en voert daartoe het volgende aan. De moeder meent dat er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige 1] klem of verloren zou raken tussen hen en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen. Ook meent de moeder dat de instandhouding van het eenhoofdig gezag anderszins in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk is. Volgens de moeder zijn de ouders niet in staat samen beslissingen te nemen die van enig belang zijn over [minderjarige 1] . Er is geen basis van vertrouwen nu de ouders maar zeer kort bij elkaar waren voordat de moeder zwanger is geraakt. Volgens de moeder kampt de man met psychische problemen en hebben zich incidenten voorgedaan tussen de man en de andere dochter van de moeder. Ook vindt er geen communicatie plaats tussen de man en de moeder. De moeder is bang dat de man het gezag zal inzetten als controle en/of dwangmiddel.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat zij pas definitief kan beslissen op het verzoek tot gezamenlijk gezag nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde dient te zijn gegaan. De rechtbank geeft de man dan ook een termijn van 5 maanden om de erkenning van [minderjarige 1] door de man bij de gemeente te laten registreren. De rechtbank verzoekt de advocaat van de man om de akte van erkenning aan de rechtbank te sturen
De rechtbank ziet aanleiding om vooruitlopend op de erkenning van [minderjarige 1] door de man alvast het volgende te overwegen ten aanzien van het gezag. Op grond van artikel 1:253c, lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Op grond van lid 2 van dit artikel wordt, indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder daarmee niet instemt, het verzoek slechts afgewezen indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat de verstandhouding tussen partijen is verstoord. Er vindt geen communicatie plaats tussen de man en de moeder en de man heeft op dit moment geen contact met [minderjarige 1] . De man heeft daarom geen zicht op de belangen van [minderjarige 1] of beeld bij wat [minderjarige 1] op dit moment nodig heeft. Bij beschikking van 1 juli 2025 van deze rechtbank heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige voorzieningen de ouders doorverwezen voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding en Ouderschapsbemiddeling. De man en de moeder zullen daardoor wellicht meer in contact komen met elkaar en de man zal ook in contact komen met [minderjarige 1] en haar leren kennen. De rechtbank acht het daarom nu te vroeg om te beslissen of gezamenlijk gezag van de ouders in het belang is van [minderjarige 1] en zal in afwachting van de resultaten van de Omgangsbegeleiding en de Ouderschapsbemiddeling het verzoek ten aanzien van het gezag pro forma aanhouden.
Informatieregeling
Op de zitting is gebleken dat de moeder op grond van haar informatieplicht de man informeert over [minderjarige 1] . De man heeft op de zitting aangegeven behoefte te hebben aan meer informatie en verzocht of de moeder wat uitgebreider informatie over [minderjarige 1] zou kunnen sturen. De man wenst daarbij ook een goede kleurenfoto van [minderjarige 1] te willen ontvangen. Volgens de man heeft de moeder tot heden alleen zwart-witfoto’s van [minderjarige 1] gestuurd waarop zij niet goed zichtbaar is. De moeder heeft aangegeven dat zij een zwart-witfoto stuurt met een markering omdat zij niet wil dat foto’s van [minderjarige 1] worden verspreid en op sociale media worden geplaatst.
De rechtbank heeft het voorgaande met partijen besproken. De man en de moeder hebben met elkaar afgesproken dat de moeder vanaf heden uitgebreidere informatie over de ontwikkelingen van [minderjarige 1] aan de man zal sturen nu de man volledig afhankelijk is van de informatie dat hij van de moeder over [minderjarige 1] krijgt. De man en de moeder hebben ook afgesproken dat de moeder een kleurenfoto van [minderjarige 1] zal meesturen waar haar gezicht goed op is te zien en dat de man de foto’s van [minderjarige 1] niet zal verspreiden en/of op sociale media zal plaatsen.
De afspraak tussen de ouders over de informatieregeling leent zich niet voor opname in het dictum van deze beschikking, maar de rechtbank gaat ervan uit dat de ouders zich hier in het belang van [minderjarige 1] aan zullen houden.
Zorgregeling c.q. omgangsregeling
De man en de moeder zijn bij beschikking van deze rechtbank van 1 juli 2025 bij wijze van voorlopige voorzieningen doorverwezen voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding en Ouderschapsbemiddeling. Bij een niet positief verlopen traject is de Raad verzocht om te bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk is.
Op de zitting is gebleken dat beide ouders nog bij [zorginstantie] op de wachtlijst staan, maar wel al een intake hebben gehad. Het is voor partijen onduidelijk hoe lang zij nog moeten wachten. De rechtbank heeft aan de Raad gevraagd om contact op te nemen met [zorginstantie] over de duur van deze wachttijd. De Raad heeft daarbij de advocaten van de man en de moeder in de mailwisseling meegenomen. Gebleken is dat er onlangs een medewerker is gekoppeld aan het Omgangsbegeleidingstraject. De betreffende collega van [zorginstantie] zal de ouders informeren over de start.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling aanhouden voor een periode van zes maanden in afwachting van het verloop van het omgangsbegeleidingstraject.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
Partijen verschillen van mening over de ingangsdatum. De moeder wenst 1 september 2025 als ingangsdatum te hanteren omdat de advocaat van de moeder op 31 augustus 2025 de man heeft aangeschreven met een concreet onderbouwd verzoek voor kinderalimentatie. De man verweert zich tegen de verzochte datum en heeft op de zitting aangegeven dat moet worden aangesloten bij de datum van de beschikking dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift nu dit uit jurisprudentie volgt.
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van het verzoekschrift omdat de man vanaf die datum in alle redelijkheid rekening kon houden met een te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] . De moeder heeft haar verzoek ingediend op 3 december 2025. De rechtbank zal daarom 1 december 2025 hanteren als ingangsdatum.
Behoefte
Bij het bepalen van de behoefte hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in het Rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie en de daarbij behorende ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’. Voor het bepalen van de behoefte dient allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen ten tijde van het uiteengaan te worden bepaald. Partijen zijn in 2024 uit elkaar gegaan zodat de rechtbank zal rekenen met de tarieven 2024-II.
Volgens het Alimentatienormenrapport wordt het eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd bepaald door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier wordt de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid beoordeeld.
Partijen zijn het met elkaar eens dat zij nooit met elkaar hebben samengewoond. Ook het inkomen van partijen in 2024 is niet in geschil. Partijen hebben echter discussie over het aantal kinderen waarmee in de behoefte rekening moet worden gehouden.
De moeder rekent bij de behoefte met één kind waardoor er ook voor één kind kindgebonden budget wordt meegenomen. De man verweert zich en geeft aan dat de moeder vier kinderen heeft en dat bij de behoefte moet worden gerekend met deze vier kinderen en ook een kindgebonden budget voor vier kinderen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ten tijde van de geboorte van [minderjarige 1] had de moeder al drie kinderen die bij haar woonden. [minderjarige 1] heeft dus altijd in een gezin gewoond met vier kinderen. De rechtbank acht het daarom redelijk om bij de berekening van de behoefte uit te gaan van vier kinderen en van het kindgebonden budget voor deze kinderen.
NBI van de moeder
De rechtbank gaat voor de berekening van het NBI van de moeder uit van haar inkomen in 2024 volgend uit haar jaaropgaven van 2024. Uit haar jaaropgave van het UWV volgt een jaarinkomen van € 5.637,- en uit haar jaaropgave van de Rijksoverheid volgt een jaarloon van € 24.879,-. Bij elkaar opgeteld was haar jaarloon in 2024 € 30.156,-.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:-
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting.
Verder wordt aan de zijde van de moeder gerekend met vier kinderen en wordt rekening gehouden met het (fictief) kindgebonden budget van € 1.013,- voor vier kinderen. De rechtbank heeft het kindgebonden budget berekend aan de hand van een proefberekening gemaakt op de website van de belastingdienst (https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/toeslagen/content/hulpmiddel-proefberekening-toeslagen). Uitgaande van deze gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2025 op € 3.539,- per maand. Het eigen aandeel van de moeder in de kosten van [minderjarige 1] is volgens de tabel (€ 1.019 / 4 = ) € 255,-.
NBI van de man
De rechtbank gaat voor de berekening van het NBI van de man uit van het jaarinkomen van de man in 2024 van € 28.942,-.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting.
Aan de zijde van de man wordt rekening gehouden met het (fictief) kindgebonden budget van € 481,-. Uitgaande van deze gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2024 op € 2.216,-. Het eigen aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] is volgens de tabel € 343,-.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] in 2024 (eigen aandeel man € 343,- + eigen aandeel moeder € 255,- = 598 / 2 =) € 299,- per maand. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] € 318,- per maand.
Draagkracht
Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding de ouders dienen bij te dragen in de behoefte [minderjarige 1] . De rechtbank volgt ook daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van [minderjarige 1] tussen partijen moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2025 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% van [NBI - (0,3 x NBI + 1.310)].
Vanwege de ingangsdatum, te weten 1 december 2025, rekent de rechtbank met de tarieven 2025-II.
Draagkracht van de moeder
Voor de berekening van de draagkracht van de moeder zal de rechtbank uitgaan van haar jaaropgaven uit 2025. Uit haar jaaropgave van de Rijksoverheid volgt een jaarloon van € 23.440,- en uit de jaaropgave van het UVW volgt een jaarinkomen van € 6.022,- . Bij elkaar opgeteld heeft de moeder in 2025 een inkomen van € 29.462,-.
De rechtbank houdt verder rekening met:
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting;
de combinatiekorting
het kindgebonden budget;
de alleenstaande ouderkop.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2025 op € 3.208,- per maand en de draagkracht van de moeder op € 655,- per maand. Partijen hebben afgesproken de beschikbare draagkracht te verdelen onder de kinderen waardoor er van de draagkracht van de moeder (655/4 = ) € 164,- beschikbaar is voor [minderjarige 1] .
Draagkracht van de man
Voor de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van de jaaropgave van de man bij [werkgever] BV. Volgens de jaaropgave 2025 was het loon van de man € 13.180,-. De man is in dienst getreden op 18 augustus 2025. De rechtbank zal het salaris van de man in 2025 daarom extrapoleren naar een jaar. De man heeft in 2025 € 13.180 verdiend voor 4,5 maanden. Geëxtrapoleerd naar een jaar bedraagt het jaarinkomen van de man in 2025 (€ 13.180 / 4,4 x 12 = ) € 35.147,-.
De man werkt 32 uur en de moeder is van mening dat rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit van 40 uur.
De rechtbank overweegt als volgt.
De man werkt 32 uur en deelt de zorg over zijn zoon [minderjarige 3] met zijn huidige partner. Tussen de man en [minderjarige 1] zal ook begeleide omgang gaan plaatsvinden die vaak door de week zal moeten zijn. Ook de moeder heeft als ambtenaar een 36-urige werkweek en geen 40-urige werkweek. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om een verdiencapaciteit voor de man aan te nemen.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 2.552,- per maand en de draagkracht van de man op € 333,- per maand. Hoewel de man niet samenwoont met zijn nieuwe partner deelt hij de zorg voor zijn zoon [minderjarige 3] . Dit is niet door de moeder betwist. Partijen hebben afgesproken de beschikbare draagkracht te verdelen onder de kinderen waardoor er van de draagkracht van de man (333/2 = ) € 167,- beschikbaar is voor [minderjarige 1] .
De rechtbank houdt verder rekening met:
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting;
Draagkrachtvergelijking
De gezamenlijke draagkracht van de ouders in 2025 bedraagt ( € 164,- + € 167,- =) € 331,- en is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] van € 318,- te voorzien.
De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 164 / 331 x 318 = € 158,-
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 167 / 331 x 318 = € 160,-
Totaal: € 318,-
Zorgkorting
Tussen de ouders is de hoogte van de zorgkorting in geschil. Voor de bepaling van de zorgkorting volgt de rechtbank het alimentatienormenrapport, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Volgens de moeder vindt er geen omgang plaats waardoor zij van mening is dat moet worden uitgegaan van een zorgkorting van 0%. De man heeft aangegeven dat er nu weliswaar geen contact is, maar dat er naar verwachting wel contact zal zijn in verband met de het traject voor omgangsbegeleiding. De man zal dan ook met het openbaar vervoer vanuit [plaats] moeten afreizen. De man acht het daarom redelijk om uit te gaan van 5%.
De rechtbank zal rekening houden met een zorgkorting van 5% nu er op dit moment geen sprake is van omgang tussen de man en [minderjarige 1] , maar deze er wel gaat komen. De behoefte van [minderjarige 1] bedraagt € 318,-, zodat de zorgkorting (afgerond) € 16,- bedraagt.
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de man, rekening houdend met de zorgkorting, op 1 december 2025 een kinderalimentatie van (160 - 16 =) € 144,- aan de moeder moet betalen.
Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 151,-. Met ingang van 1 januari 2027 wordt het laatstgenoemde bedrag van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Beslissing
De rechtbank:
*
verleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 6] 1986 te [geboorteplaats 4] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 7] 1987 te [geboorteplaats 5] vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] ;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat de man vóór de hierna genoemde pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 december 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige van € 144,- per maand en met ingang van 1 januari 2026 van € 151,- per maand zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de zorg c.q. omgangsregeling en de proceskosten aan tot 1 februari 2026 pro forma.
*
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 augustus 2026.
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2543
Zaaknummer: C/09/683050
Datum beschikking: 14 augustus 2026
Vervangende toestemming erkenning, gezag, zorgregeling c.q. omgangsregeling en kinderalimentatie
Beschikking op het op 3 april 2025 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.C. Janssens-van Drooge te Zwolle .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.P. Friperson te ’s-Gravenhage.
en
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] ,
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. M. Braat, advocaat te ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het F9 formulier van 15 april 2025, met bijlagen, van de zijde van de man;
het F9 formulier van 8 mei 2025 van de zijde van de man;
het verslag van de bijzondere curator van 8 oktober 2025;
het F9 formulier van 22 oktober 2025, met bijlage, van de zijde van de vrouw;
het F9 formulier van 30 oktober 2025 van de zijde van de man;
het verweerschrift tevens houdend zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen;
het verweer tegen het zelfstandig verzoekschrift van 10 april 2026;
het F9 formulier van 7 juli 2026 van de zijde van de man;
het F9 formulier van 7 juli 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
het F9 formulier van 7 juli 2026, met bijlagen, van de zijde van de man.
Op 17 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
mr. M. de Braat, de bijzondere curator;
[naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Na de zitting is ontvangen:
- het bericht van 20 juli 2026 van [zorginstantie] .
Verzoek en verweer
De man verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –
vervangende toestemming te verlenen van erkenning van [minderjarige 1] door de man;
de man en vrouw te belasten met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige 1] ;
een contactregeling tussen de man en [minderjarige 1] te bepalen waarbij [minderjarige 1] een weekend per 14 dagen van vrijdagmiddag tot zondagmiddag bij de man is, evenals een deel van de vakanties en feestdagen,
met compensatie van de proceskosten.
De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens verzoekt de moeder te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] met € 275,- per maand aan de vrouw te voldoen met ingang van 1
september 2025, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht.
De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man ten aanzien van de vervangende toestemming tot erkenning toe te wijzen.
Feiten
De man en de moeder hebben een affectieve relatie gehad met elkaar.
[minderjarige 1] is niet erkend.
De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] .
De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.
De man, de moeder en [minderjarige 1] hebben de Nederlandse nationaliteit.
Bij beschikking van deze rechtbank van 16 juli 2025 is mr. M. Braat voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.
Bij beschikking van deze rechtbank van 1 juli 2025 heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige voorzieningen de ouders doorverwezen voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding en Ouderschapsbemiddeling. Bij een niet positief verlopen traject is de Raad verzocht om te bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk is.
De moeder is ook de ouder van de volgende minderjarige en jong-meerderjarige kinderen:
- [jongmeerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats 2] ;
- [jongmeerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2007 te [geboorteplaats 2] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 4] 2012 te [geboorteplaats 2] .
- De man is ook de ouder van de minderjarige [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 5] 2026 te [geboorteplaats 3] .
Beoordeling
Vervangende toestemming erkenning
Op grond van artikel 1:204 lid 3 BW kan als een man een kind wil erkennen, de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige 1] of de belangen van [minderjarige 1] zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als [minderjarige 1] er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige 1] of de belangen van [minderjarige 1] geschaad zouden worden in geval van erkenning van [minderjarige 1] door de man. Van schade aan de belangen van [minderjarige 1] is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor haar reële risico’s zijn dat zij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
De man acht het in het belang van [minderjarige 1] dat zij in familierechtelijke betrekking tot de man komt te staan omdat [minderjarige 1] recht heeft op twee ouders. Voor haar ontwikkeling is van essentieel belang dat zij zich kan identificeren met haar beide ouders. De moeder heeft tot op heden niet meegewerkt aan erkenning van [minderjarige 1] door de man.
De moeder verzet zich tegen erkenning door de man omdat zij meent dat erkenning door de man het belang van [minderjarige 1] en het belang van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige 1] zal schaden. De moeder maakt zich ernstige zorgen om de man gelet op incidenten en gebeurtenissen in het verleden. De moeder heeft met name zorgen om de gevolgen van de erkenning. Omdat de erkenning onomkeerbaar is, meent de moeder dat er moet worden gewacht totdat er meer duidelijkheid is rondom het verloop van de omgang en/of totdat de Raad onderzoek heeft gedaan. Als er geen omgang zal plaatsvinden wil de moeder niet dat [minderjarige 1] in de toekomst op een andere manier met de erkenning wordt geconfronteerd zoals door het zien van de naam van de man op haar geboorteakte.
De bijzondere curator meent dat het voor [minderjarige 1] van belang is om te weten wie haar vader is en dat zij ook de mogelijkheid krijgt om een band met hem op te bouwen. De bijzondere curator is daarom van mening dat het in haar belang is dat het juridisch vaderschap in rechte wordt vastgesteld. De bijzondere curator ziet dat sprake is van een verstoorde verstandhouding tussen de man en de moeder. Ook is er een gebrek aan vertrouwen. De zorgen van de moeder zien volgens de bijzondere curator met name op de omgang tussen de man en [minderjarige 1] en het ouderlijk gezag. De bijzondere curator acht de redenen invoelbaar, maar is van mening dat deze redenen geen grond vormen om aan de man geen toestemming te verlenen om [minderjarige 1] te erkennen. De bijzondere curator adviseert daarom het verzoek van de man toe te wijzen.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige 1] . Het uitgangspunt van de wet is dat het kind en de verwekker er recht op hebben dat hun familieband officieel wordt vastgelegd. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan de rechtbank weigeren om vervangende toestemming te geven voor de erkenning. De zorg van de moeder over de gevolgen van de erkenning is niet zo’n geval. Ook wanneer omgang of gezag niet tot stand komen, is de toekomstige confrontatie van [minderjarige 1] met de erkenning door de man niet een geval om geen toestemming te geven voor de erkenning.
Nu het de rechtbank niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] in het gedrang kan komen, zal de rechtbank het verzoek van de man, om hem vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige 1] te verlenen, toewijzen.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige 1] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Gezamenlijk gezag
De man wenst samen met de moeder met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] te worden belast. Hij stelt dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag.
De moeder kan zich niet verenigen met het verzoek van de man en voert daartoe het volgende aan. De moeder meent dat er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige 1] klem of verloren zou raken tussen hen en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen. Ook meent de moeder dat de instandhouding van het eenhoofdig gezag anderszins in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk is. Volgens de moeder zijn de ouders niet in staat samen beslissingen te nemen die van enig belang zijn over [minderjarige 1] . Er is geen basis van vertrouwen nu de ouders maar zeer kort bij elkaar waren voordat de moeder zwanger is geraakt. Volgens de moeder kampt de man met psychische problemen en hebben zich incidenten voorgedaan tussen de man en de andere dochter van de moeder. Ook vindt er geen communicatie plaats tussen de man en de moeder. De moeder is bang dat de man het gezag zal inzetten als controle en/of dwangmiddel.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat zij pas definitief kan beslissen op het verzoek tot gezamenlijk gezag nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde dient te zijn gegaan. De rechtbank geeft de man dan ook een termijn van 5 maanden om de erkenning van [minderjarige 1] door de man bij de gemeente te laten registreren. De rechtbank verzoekt de advocaat van de man om de akte van erkenning aan de rechtbank te sturen
De rechtbank ziet aanleiding om vooruitlopend op de erkenning van [minderjarige 1] door de man alvast het volgende te overwegen ten aanzien van het gezag. Op grond van artikel 1:253c, lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Op grond van lid 2 van dit artikel wordt, indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder daarmee niet instemt, het verzoek slechts afgewezen indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat de verstandhouding tussen partijen is verstoord. Er vindt geen communicatie plaats tussen de man en de moeder en de man heeft op dit moment geen contact met [minderjarige 1] . De man heeft daarom geen zicht op de belangen van [minderjarige 1] of beeld bij wat [minderjarige 1] op dit moment nodig heeft. Bij beschikking van 1 juli 2025 van deze rechtbank heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige voorzieningen de ouders doorverwezen voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding en Ouderschapsbemiddeling. De man en de moeder zullen daardoor wellicht meer in contact komen met elkaar en de man zal ook in contact komen met [minderjarige 1] en haar leren kennen. De rechtbank acht het daarom nu te vroeg om te beslissen of gezamenlijk gezag van de ouders in het belang is van [minderjarige 1] en zal in afwachting van de resultaten van de Omgangsbegeleiding en de Ouderschapsbemiddeling het verzoek ten aanzien van het gezag pro forma aanhouden.
Informatieregeling
Op de zitting is gebleken dat de moeder op grond van haar informatieplicht de man informeert over [minderjarige 1] . De man heeft op de zitting aangegeven behoefte te hebben aan meer informatie en verzocht of de moeder wat uitgebreider informatie over [minderjarige 1] zou kunnen sturen. De man wenst daarbij ook een goede kleurenfoto van [minderjarige 1] te willen ontvangen. Volgens de man heeft de moeder tot heden alleen zwart-witfoto’s van [minderjarige 1] gestuurd waarop zij niet goed zichtbaar is. De moeder heeft aangegeven dat zij een zwart-witfoto stuurt met een markering omdat zij niet wil dat foto’s van [minderjarige 1] worden verspreid en op sociale media worden geplaatst.
De rechtbank heeft het voorgaande met partijen besproken. De man en de moeder hebben met elkaar afgesproken dat de moeder vanaf heden uitgebreidere informatie over de ontwikkelingen van [minderjarige 1] aan de man zal sturen nu de man volledig afhankelijk is van de informatie dat hij van de moeder over [minderjarige 1] krijgt. De man en de moeder hebben ook afgesproken dat de moeder een kleurenfoto van [minderjarige 1] zal meesturen waar haar gezicht goed op is te zien en dat de man de foto’s van [minderjarige 1] niet zal verspreiden en/of op sociale media zal plaatsen.
De afspraak tussen de ouders over de informatieregeling leent zich niet voor opname in het dictum van deze beschikking, maar de rechtbank gaat ervan uit dat de ouders zich hier in het belang van [minderjarige 1] aan zullen houden.
Zorgregeling c.q. omgangsregeling
De man en de moeder zijn bij beschikking van deze rechtbank van 1 juli 2025 bij wijze van voorlopige voorzieningen doorverwezen voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding en Ouderschapsbemiddeling. Bij een niet positief verlopen traject is de Raad verzocht om te bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk is.
Op de zitting is gebleken dat beide ouders nog bij [zorginstantie] op de wachtlijst staan, maar wel al een intake hebben gehad. Het is voor partijen onduidelijk hoe lang zij nog moeten wachten. De rechtbank heeft aan de Raad gevraagd om contact op te nemen met [zorginstantie] over de duur van deze wachttijd. De Raad heeft daarbij de advocaten van de man en de moeder in de mailwisseling meegenomen. Gebleken is dat er onlangs een medewerker is gekoppeld aan het Omgangsbegeleidingstraject. De betreffende collega van [zorginstantie] zal de ouders informeren over de start.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling aanhouden voor een periode van zes maanden in afwachting van het verloop van het omgangsbegeleidingstraject.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
Partijen verschillen van mening over de ingangsdatum. De moeder wenst 1 september 2025 als ingangsdatum te hanteren omdat de advocaat van de moeder op 31 augustus 2025 de man heeft aangeschreven met een concreet onderbouwd verzoek voor kinderalimentatie. De man verweert zich tegen de verzochte datum en heeft op de zitting aangegeven dat moet worden aangesloten bij de datum van de beschikking dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift nu dit uit jurisprudentie volgt.
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van het verzoekschrift omdat de man vanaf die datum in alle redelijkheid rekening kon houden met een te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] . De moeder heeft haar verzoek ingediend op 3 december 2025. De rechtbank zal daarom 1 december 2025 hanteren als ingangsdatum.
Behoefte
Bij het bepalen van de behoefte hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in het Rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie en de daarbij behorende ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’. Voor het bepalen van de behoefte dient allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen ten tijde van het uiteengaan te worden bepaald. Partijen zijn in 2024 uit elkaar gegaan zodat de rechtbank zal rekenen met de tarieven 2024-II.
Volgens het Alimentatienormenrapport wordt het eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd bepaald door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier wordt de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid beoordeeld.
Partijen zijn het met elkaar eens dat zij nooit met elkaar hebben samengewoond. Ook het inkomen van partijen in 2024 is niet in geschil. Partijen hebben echter discussie over het aantal kinderen waarmee in de behoefte rekening moet worden gehouden.
De moeder rekent bij de behoefte met één kind waardoor er ook voor één kind kindgebonden budget wordt meegenomen. De man verweert zich en geeft aan dat de moeder vier kinderen heeft en dat bij de behoefte moet worden gerekend met deze vier kinderen en ook een kindgebonden budget voor vier kinderen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ten tijde van de geboorte van [minderjarige 1] had de moeder al drie kinderen die bij haar woonden. [minderjarige 1] heeft dus altijd in een gezin gewoond met vier kinderen. De rechtbank acht het daarom redelijk om bij de berekening van de behoefte uit te gaan van vier kinderen en van het kindgebonden budget voor deze kinderen.
NBI van de moeder
De rechtbank gaat voor de berekening van het NBI van de moeder uit van haar inkomen in 2024 volgend uit haar jaaropgaven van 2024. Uit haar jaaropgave van het UWV volgt een jaarinkomen van € 5.637,- en uit haar jaaropgave van de Rijksoverheid volgt een jaarloon van € 24.879,-. Bij elkaar opgeteld was haar jaarloon in 2024 € 30.156,-.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:-
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting.
Verder wordt aan de zijde van de moeder gerekend met vier kinderen en wordt rekening gehouden met het (fictief) kindgebonden budget van € 1.013,- voor vier kinderen. De rechtbank heeft het kindgebonden budget berekend aan de hand van een proefberekening gemaakt op de website van de belastingdienst (https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/toeslagen/content/hulpmiddel-proefberekening-toeslagen). Uitgaande van deze gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2025 op € 3.539,- per maand. Het eigen aandeel van de moeder in de kosten van [minderjarige 1] is volgens de tabel (€ 1.019 / 4 = ) € 255,-.
NBI van de man
De rechtbank gaat voor de berekening van het NBI van de man uit van het jaarinkomen van de man in 2024 van € 28.942,-.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting.
Aan de zijde van de man wordt rekening gehouden met het (fictief) kindgebonden budget van € 481,-. Uitgaande van deze gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2024 op € 2.216,-. Het eigen aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] is volgens de tabel € 343,-.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] in 2024 (eigen aandeel man € 343,- + eigen aandeel moeder € 255,- = 598 / 2 =) € 299,- per maand. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] € 318,- per maand.
Draagkracht
Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding de ouders dienen bij te dragen in de behoefte [minderjarige 1] . De rechtbank volgt ook daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van [minderjarige 1] tussen partijen moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2025 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% van [NBI - (0,3 x NBI + 1.310)].
Vanwege de ingangsdatum, te weten 1 december 2025, rekent de rechtbank met de tarieven 2025-II.
Draagkracht van de moeder
Voor de berekening van de draagkracht van de moeder zal de rechtbank uitgaan van haar jaaropgaven uit 2025. Uit haar jaaropgave van de Rijksoverheid volgt een jaarloon van € 23.440,- en uit de jaaropgave van het UVW volgt een jaarinkomen van € 6.022,- . Bij elkaar opgeteld heeft de moeder in 2025 een inkomen van € 29.462,-.
De rechtbank houdt verder rekening met:
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting;
de combinatiekorting
het kindgebonden budget;
de alleenstaande ouderkop.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2025 op € 3.208,- per maand en de draagkracht van de moeder op € 655,- per maand. Partijen hebben afgesproken de beschikbare draagkracht te verdelen onder de kinderen waardoor er van de draagkracht van de moeder (655/4 = ) € 164,- beschikbaar is voor [minderjarige 1] .
Draagkracht van de man
Voor de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van de jaaropgave van de man bij [werkgever] BV. Volgens de jaaropgave 2025 was het loon van de man € 13.180,-. De man is in dienst getreden op 18 augustus 2025. De rechtbank zal het salaris van de man in 2025 daarom extrapoleren naar een jaar. De man heeft in 2025 € 13.180 verdiend voor 4,5 maanden. Geëxtrapoleerd naar een jaar bedraagt het jaarinkomen van de man in 2025 (€ 13.180 / 4,4 x 12 = ) € 35.147,-.
De man werkt 32 uur en de moeder is van mening dat rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit van 40 uur.
De rechtbank overweegt als volgt.
De man werkt 32 uur en deelt de zorg over zijn zoon [minderjarige 3] met zijn huidige partner. Tussen de man en [minderjarige 1] zal ook begeleide omgang gaan plaatsvinden die vaak door de week zal moeten zijn. Ook de moeder heeft als ambtenaar een 36-urige werkweek en geen 40-urige werkweek. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om een verdiencapaciteit voor de man aan te nemen.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 2.552,- per maand en de draagkracht van de man op € 333,- per maand. Hoewel de man niet samenwoont met zijn nieuwe partner deelt hij de zorg voor zijn zoon [minderjarige 3] . Dit is niet door de moeder betwist. Partijen hebben afgesproken de beschikbare draagkracht te verdelen onder de kinderen waardoor er van de draagkracht van de man (333/2 = ) € 167,- beschikbaar is voor [minderjarige 1] .
De rechtbank houdt verder rekening met:
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting;
Draagkrachtvergelijking
De gezamenlijke draagkracht van de ouders in 2025 bedraagt ( € 164,- + € 167,- =) € 331,- en is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] van € 318,- te voorzien.
De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 164 / 331 x 318 = € 158,-
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 167 / 331 x 318 = € 160,-
Totaal: € 318,-
Zorgkorting
Tussen de ouders is de hoogte van de zorgkorting in geschil. Voor de bepaling van de zorgkorting volgt de rechtbank het alimentatienormenrapport, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Volgens de moeder vindt er geen omgang plaats waardoor zij van mening is dat moet worden uitgegaan van een zorgkorting van 0%. De man heeft aangegeven dat er nu weliswaar geen contact is, maar dat er naar verwachting wel contact zal zijn in verband met de het traject voor omgangsbegeleiding. De man zal dan ook met het openbaar vervoer vanuit [plaats] moeten afreizen. De man acht het daarom redelijk om uit te gaan van 5%.
De rechtbank zal rekening houden met een zorgkorting van 5% nu er op dit moment geen sprake is van omgang tussen de man en [minderjarige 1] , maar deze er wel gaat komen. De behoefte van [minderjarige 1] bedraagt € 318,-, zodat de zorgkorting (afgerond) € 16,- bedraagt.
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de man, rekening houdend met de zorgkorting, op 1 december 2025 een kinderalimentatie van (160 - 16 =) € 144,- aan de moeder moet betalen.
Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 151,-. Met ingang van 1 januari 2027 wordt het laatstgenoemde bedrag van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Beslissing
De rechtbank:
*
verleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 6] 1986 te [geboorteplaats 4] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 7] 1987 te [geboorteplaats 5] vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] ;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat de man vóór de hierna genoemde pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 december 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige van € 144,- per maand en met ingang van 1 januari 2026 van € 151,- per maand zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de zorg c.q. omgangsregeling en de proceskosten aan tot 1 februari 2026 pro forma.
*
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 augustus 2026.