Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26617

2026-08-14 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/690013 / FA RK 25-6114
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-14
Publicatiedatum
2026-09-14
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/690013 / FA RK 25-6114
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming erkenning verleend. Verzoeken ten aanzien van het gezag en de omgang aangehouden. Raadsonderzoek gelast.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.490 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige kamer


Rekestnummer: FA RK 25-6114
Zaaknummer: C/09/690013
Datum beschikking: 14 augustus 2026


Vervangende toestemming erkenning, gezag en omgang c.q. zorgregeling.



Beschikking op het op 12 augustus 2025 ingekomen verzoek van:




[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. de Jong te Utrecht.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de moeder],

de moeder,
wonende te op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. K. Logtenberg te Rotterdam.





[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1],

de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. B.J. de Deugd,
advocaat te Nieuwerkerk aan den IJssel,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:


het verzoekschrift, met bijlagen;


het F9-formulier van 24 september 2025, met bijlage, van de zijde van de man;


het verslag van de bijzondere curator;


het F9 formulier van 5 december 2025, met bijlagen, van de zijde van de man;


de brief van 5 december 2025 van de zijde van de moeder;


het bericht van 8 januari 2026 van [zorginstantie 2];


het F9 formulier van 23 maart 2026, met bijlage, van de zijde van de man;


het F9 formulier van 20 mei 2026 van de zijde van de bijzondere curator;


het verweerschrift, met bijlagen;


het F9 formulier van 6 juli 2026, met bijlage, van de zijde van de man;


het F9 formulier van 6 juli 2026, met bijlage, van de zijde van de man.




Op 17 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:



de man, bijgestaan door zijn advocaat en de tolk, in de Engelse taal, V. Bolt;


de moeder, bijgestaan door haar advocaat;


mr. B.J. de Deugd, de bijzondere curator.





Feiten


Partijen hebben een affectieve relatie gehad.


Uit de moeder is [minderjarige] geboren.


De man heeft [minderjarige] niet erkend.


De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.


De moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De IND heeft geconcludeerd dat voldoende aannemelijk is dat de man in [land] is geboren, waarmee de man de Ghanese nationaliteit heeft.


Bij beschikking van deze rechtbank van 2 oktober 2025 is mr. B.J. Deugd voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.




Verzoek en verweer
De man verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – :
- vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen;


te bepalen dat de man voortaan met het ouderlijk gezag is belast over [minderjarige];


de navolgende zorg- en contactregeling vast te stellen:



- omgangsmoment 1 en 2: de man haalt [minderjarige] op zaterdag om 10:00 uur op en brengt hem om 13:00 uur weer terug;
- omgangsmoment 3 en 4: de man haalt [minderjarige] op zaterdag om 10:00 uur op en brengt hem om 17:00 uur weer terug;
- omgangsmoment 5 en 6: de man haalt [minderjarige] op zaterdag om 10:00 uur op en brengt hem om 19:00 uur weer terug;
- omgangsmoment 7 tot en met 10: de man haalt [minderjarige] op zaterdag om 10:00 uur op en brengt hem op zondag om 12:00 uur weer terug;
- omgangsmoment 11 tot en met 14: de man haalt [minderjarige] op zaterdag om 10:00 uur op en brengt hem op zondag om 17:00 uur weer terug;
- omgangsmoment 15: vanaf omgangsmoment 15 verblijft [minderjarige] om het weekend vanaf vrijdag vanaf 17:00 uur tot zondag 17:00 uur bij de man,
althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen zorg- en contactregeling vast te stellen.



De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.



De bijzondere curator verzoekt:


primair de verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, gezien de twijfels omtrent de identiteit van de man;


subsidiair, indien de man ontvankelijk is, de vervangende toestemming tot erkenning van het kind toe te wijzen.




Beoordeling


Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de man, de moeder en [minderjarige] in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.



Op grond van artikel 10:95 eerste lid BW wordt de vraag of erkenning door een man familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wat betreft de bevoegdheid van de man en de voorwaarden voor de erkenning, in beginsel bepaald door het recht van de staat waarvan de man de nationaliteit bezit. Bezit de man de nationaliteit van meer dan één staat, dan is bepalend het nationale recht volgens hetwelk de erkenning mogelijk is. Indien volgens het nationale recht van die persoon erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.



De bijzondere curator stelt dat de nationaliteit van de man niet kan worden vastgesteld en daardoor Nederlands recht van toepassing is.



Uit productie 8 van de man, ingediend na het verslag van de bijzondere curator, blijkt dat de IND op 13 juli 2026 aan (de advocaat van) de man heeft bericht dat het voldoende aannemelijk is dat de man in [land] is geboren. Dat betekent dat de man de Ghanese nationaliteit heeft. De rechtbank is daarom van oordeel dat naar Ghanees recht moet worden bepaald of door erkenning familierechtelijke betrekkingen ontstaan tussen de man en [minderjarige].



De rechtbank volstaat ten aanzien van het Ghanese recht met de constatering dat het Ghanese recht (Children’s Act 1998) een vorm van erkenning van een kind kent die te begrijpen is als een rechtsfiguur op grond waarvan een familierechtelijke betrekking kan ontstaan. De man kan daarom worden ontvangen in zijn verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning.



Of de toestemming van de moeder kan worden vervangen, wordt volgens artikel 10:95, derde lid, BW naar Nederlands recht beoordeeld, omdat de moeder de Nederlandse nationaliteit heeft.



Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.



Tussen partijen is niet in geschil dat de man de verwekker is van [minderjarige].



De moeder verzet zich tegen de erkenning van [minderjarige] door de man. Volgens de moeder kan de identiteit van de man niet worden vastgesteld. Er kan volgens de moeder pas naar een eventuele erkenning van [minderjarige] worden gekeken als de IND de identiteit van de man heeft vastgesteld. Het is niet in het belang van [minderjarige] om erkend te worden door iemand wiens identiteit niet vaststaat, waardoor wellicht foutieve gegevens op de akte van erkenning zouden komen te staan. Daarnaast is de moeder ook van mening dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] worden geschonden als het verzoek wordt toegewezen. De moeder heeft een traumatisch verleden gehad met de man. De moeder is herhaaldelijk slachtoffer geweest van psychische en fysieke mishandeling door de man. Zij heeft hierdoor hulp gezocht bij [zorginstantie 1], een medische behandeling moeten ondergaan en EMDR-therapie gevolgd. De sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] komt ook in het geding als hij op papier een vader heeft die niet blijkt te bestaan of feitelijk iemand anders is. Als de man niet in Nederland mag blijven dan is het ook niet in het belang van [minderjarige] om de man te leren kennen. Bij vertrek van de man uit Nederland zal [minderjarige] dan in de steek gelaten worden.
De man stelt dat het verzoek kan worden toegewezen nu de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding tussen haar en [minderjarige] en een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] niet in het gedrang komen. Tussen partijen staat vast dat de man de vader is van [minderjarige]. Volgens de man zijn de zorgen die de moeder heeft omtrent de verblijfstatus van de man geen contra-indicatie. Ook heeft de man - daags voor de zitting - een e-mail bericht van de IND overgelegd waaruit blijkt dat de identiteit en nationaliteit van de man door de IND inmiddels voldoende aannemelijk zijn geacht.



De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij naar aanleiding van het bericht van de IND aan (de advocaat van) de man contact heeft opgenomen met de IND. Zij heeft de IND verschillend documenten opgestuurd waaruit zou blijken dat de man niet is wie hij is. Volgens de moeder was de IND zeer geïnteresseerd in de door haar verstrekte informatie.

De bijzondere curator gaat er van uit dat het belang van elk kind er primair mee gediend is om twee ouders te hebben, bij voorkeur de biologische ouders. Uitsluitend als blijkt van een contra-indicatie die invulling kan geven aan het criterium van art. 1:204 lid 3 BW kan de vervangende toestemming worden onthouden. De bijzondere curator had in beginsel bezwaar tegen de vervangende toestemming zolang de identiteit van de man niet voldoende komt vast te staan. Als de identiteit van man genoegzaam komt vast te staan, ziet de bijzondere curator geen bezwaar ten aanzien van de erkenning van [minderjarige] door de man. De bijzonder acht in hetgeen de moeder heeft aangevoerd onvoldoende grondslag om de erkenning af te wijzen.



De rechtbank overweegt het volgende. Uitgangspunt is dat aan een verwekker vervangende toestemming tot erkenning wordt verleend, tenzij komt vast te staan dat dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Daarbij staat voorop dat het in het belang is van kinderen dat zij weten van wie zij afstammen en dat de juridische werkelijkheid zoveel mogelijk aansluit bij de biologische werkelijkheid over het vaderschap. Dit belang is zo groot dat alleen in uitzonderlijke omstandigheden de rechter het verzoek van een verwekker kan afwijzen. Het is aan de moeder om haar stelling dat het verzoek niet moet worden toegewezen te onderbouwen en aannemelijk te maken, bijvoorbeeld door gestelde feiten en omstandigheden met stukken te onderbouwen waaruit kan worden afgeleid dat voormelde belangenafweging dient te leiden tot afwijzing van het verzoek van de verwekker. Volgens vaste rechtspraak is daarvoor niet voldoende dat er sprake is van emotionele weerstand bij de moeder dan wel dat er sprake is van een moeizame of ernstig verstoorde verhouding tussen de moeder en de verwekker, of van slechte of geen communicatie en loyaliteitsconflicten.



De rechtbank merkt op dat de IND per e-mail van 13 juli 2026 aan (de advocaat van) de man heeft laten weten dat is gebleken dat de identiteit en nationaliteit van de man voldoende aannemelijk zijn geacht voor de verdere beoordeling van de aanvraag. Zoals de moeder ook heeft gesteld in haar verweerschrift is de IND de deskundige op dit vlak. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat van de onzekere identiteit en het eventueel vermelden van een onjuiste naam op de geboorteakte van [minderjarige] geen sprake meer is. Dat de IND weer zou zijn gaan twijfelen over de identiteit van de man naar aanleiding van door de moeder verstrekte informatie is door de moeder niet onderbouwd. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de moeder, gelet op de stukken en dat wat op de zitting is besproken, onvoldoende heeft onderbouwd dat [minderjarige] bij erkenning door de man in zijn ontwikkeling wordt bedreigd of dat de verstandhouding tussen de moeder en [minderjarige] wordt verstoord. De uitzonderingsgronden van artikel 1:204 BW zijn daarmee niet van toepassing en hetgeen de moeder heeft aangevoerd vormt onvoldoende reden om de erkenning van [minderjarige] door de man te weigeren.



Het verzoek tot vervangende toestemming erkenning zal daarom worden toegewezen als hierna te melden.



De rechtbank merkt op dat de man, nadat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, er zelf voor dient te zorgen dat de erkenning van [minderjarige] in het register van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] wordt ingeschreven. De man dient de akte van erkenning ook naar de rechtbank te sturen.



Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.




Gezamenlijk gezag


Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op het moment van indiening van het verzoekschrift in Nederland was, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag.




Inhoudelijke beoordeling

De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat hij gezamenlijk met de moeder wordt belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] om zo te kunnen meebeslissen over belangrijke keuzes in zijn leven. Volgens de man is er geen sprake van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken, dan wel dat het anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat geen gezamenlijk ouderlijk gezag mogelijk is. De man heeft ook een andere dochter waarmee hij omgang heeft en waarover hij het gezag heeft. De man is van mening dat beide moeders van zijn kinderen in samenspraak er alles aan doen om de man het land uit te laten zetten.



De moeder kan zich niet verenigen met het verzoek van de man en voert daartoe het volgende aan. Volgens de moeder dreigt [minderjarige] klem te raken tussen beide ouders. Van de moeder kan niet worden gevergd dat zij in gezamenlijk overleg treedt met de man. De moeder is slachtoffer geweest van psychische en fysieke mishandeling door de man. Zij heeft op de zitting verklaard dat de man haar heeft geprobeerd te wurgen en haar heeft geslagen waardoor zij een gescheurd netvlies heeft opgelopen en daarvoor een medische behandeling moest ondergaan. De strafzaak loopt nog. Bovendien is volgens de moeder de kans groot dat de man Nederland moet verlaten waardoor de moeder dan met praktische problemen zit.



De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Wanneer de andere ouder het gezag over het kind uitoefent, wordt het verzoek om de tot het gezag bevoegde ouder, bedoeld in het eerste lid, alleen met het gezag te belasten slechts ingewilligd, indien de rechtbank dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt (artikel 1:253c lid 3 BW).



Uit de stukken en uit dat wat op de zitting naar voren is gebracht, is de rechtbank gebleken dat er geen communicatie tussen de ouders plaatsvindt en de verstandhouding tussen hen danig is verstoord. Uit het door de moeder overgelegd bericht van het Openbaar Ministerie blijkt dat de strafzaak tussen de moeder en de man nog loopt. De man wenst te kunnen meebeslissen bij belangrijke keuzes over [minderjarige], maar de man en [minderjarige] hebben elkaar nog nooit ontmoet zodat de man geen zicht heeft op wat er in het leven van [minderjarige] speelt en wat in zijn belang is.



De rechtbank acht zich in deze situatie onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen ten aanzien van het ouderlijk gezag en zal daarom de Raad voor de Kinderbescherming (Raad) gelasten onderzoek te doen en de hieronder geformuleerde vragen te beantwoorden.




Omgangsregeling


Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op het moment van indiening van het verzoekschrift in Nederland was, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek ten aanzien van de omgang.




Inhoudelijke beoordeling

De man verzoekt de rechtbank een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [minderjarige]. Volgens de man had de moeder hier zorgen over, maar stond zij er in beginsel wel voor open. Partijen waren in de voorlopige voorzieningen procedure doorverwezen voor begeleide omgang bij [zorginstantie 2].



De moeder kan zich niet verenigen met het verzoek van de man. Zij is van mening dat gelet op de mishandeling van haar door de man niet van haar kan worden gevergd dat zij [minderjarige] bij de man achterlaat. Volgens haar is het bovendien slecht voor [minderjarige] om de man te leren kennen en vervolgens in de steek gelaten te worden als de man Nederland moet verlaten als hem geen verblijfsvergunning wordt verleend. Om deze redenen heeft de moeder ook besloten om met het omgangstraject bij [zorginstantie 2] te stoppen. Zolang er geen zekerheid is dat de man in Nederland mag blijven is de moeder van mening dat contact tussen de man en [minderjarige] niet in het belang van [minderjarige] is.



De rechtbank overweegt als volgt.
Op grond van artikel 1:377a lid 1 BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van het tweede lid van dit artikel stelt de rechtbank op verzoek van onder meer degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast. Een verzoek tot vaststelling van de omgangsregeling kan slechts worden afgewezen indien zich een van de ontzegginsgronden zoals vermeld in artikel 1:377a lid 3 BW voordoet. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:



omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of;


de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of;


het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of;


omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.


Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat de man en [minderjarige] elkaar nog nooit hebben ontmoet. De begeleide omgang bij [zorginstantie 2] is niet van de grond gekomen. De rechtbank acht zich ook ten aanzien van de omgang in deze situatie onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen ten aanzien van de omgang en zal de Raad gelasten onderzoek te doen naar de hieronder geformuleerde vragen.


De rechtbank wil niet vooruitlopen op het raadsonderzoek en zal daarom geen voorlopige omgangsregeling vaststellen.




Raadsonderzoek

Zoals hierboven overwogen acht de rechtbank zich op dit moment onvoldoende voorgelicht om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen op de verzoeken van de man met betrekking tot het gezag en de omgang c.q. zorgregeling. De rechtbank zal de Raad gelasten onderzoek te doen te doen en de volgende vragen daarbij te betrekken:



ziet de Raad mogelijkheden voor en/of belemmeringen bij de gezamenlijke uitvoering van het gezag door de man en de moeder? Wat is er nodig om eventuele belemmeringen op te heffen?


is vaststelling van een omgangs-/zorgregeling met de man in het belang van [minderjarige]? Zo ja, welke omgangs-/zorgregeling is zijn belang?


Hoe dient de omgangs-/zorgregeling met de man er qua aard, duur en frequentie uit te zien?


hoe luidt het antwoord op bovenstaande vragen als de man niet meer in Nederland woont?


is (nadere) hulpverlening voor de man, de moeder en/of [minderjarige] noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?


zijn er zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de man en/of de moeder?


zijn er volgens de Raad nog andere zaken van belang bij de beoordeling van de zaak?




De rechtbank zal in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de omgang c.q. zorgregeling pro forma aanhouden voor een periode van zes maanden.




Beslissing
De rechtbank:


*
verleent de man, [de man], geboren op [geboortedatum 2] 1989 te [geboorteplaats 2], [land], toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder], geboren op [geboortedatum 3] 1992 te [geboorteplaats 1], vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1];



*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;




*

bepaalt dat de man vóór de genoemde pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen;




*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten en de hiervoor omschreven vragen te beantwoorden en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
bepaalt dat de Raad voor de Kinderbescherming uiterlijk op 1 maart 2026 zo mogelijk zijn rapport met advies dient te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;



bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling ter zitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;



beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling op de zitting ieder via de eigen advocaat op te roepen;



*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de omgangsregeling c.q. zorgregeling aan tot 1 maart 2026 pro forma.










Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 augustus 2026.