Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26535

2026-09-09 Civiel recht; Ondernemingsrecht C/09/659611
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-12
Rechtsgebied
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/09/659611
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ondernemingsrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid. Gedaagden zijn schadeplichtig jegens eiseres op grond van externe bestuurdersaansprakelijkheid. In het tussenvonnis ECLI:NL:RBDHA:2025:20438 heeft de rechtbank eiseres in de gelegenheid gesteld haar herziene standpunt over de omvang van de schade toe te lichten. Eindvonnis met schadebegroting. Het beroep van gedaagde 2 op eigen schuld slaagt niet. Geen matiging van de schadevergoeding op grond van artikel 6:109 BW.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (27.573 tekens)
RECHTBANK Den Haag


Team handel




Zaaknummer: C/09/659611 / HA ZA 24-42




Vonnis van 9 september 2026




in de zaak van




NIBC BANK N.V. te Den Haag,
eiseres,
hierna te noemen: NIBC,
advocaat: mr. R.L. Ubels,



tegen





1
[gedaagde 1] te [woonplaats 1],

niet verschenen,hierna te noemen: [gedaagde 1],
2. [gedaagde 2] te [woonplaats 2],
advocaat: mr. P.C.M. Ouwens,
hierna te noemen: [gedaagde 2],
gedaagden.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de akte van NIBC, tevens houdende wijziging van eis, genomen op de rol van 21 januari 2026, met producties 172 tot en met 175;
- de akte van [gedaagde 2] op de rol van 29 april 2026, met productie 62.



1.2.
Op 19 mei 2026 heeft de rechtbank, digitaal, door middel van een videoverbinding, een regiezitting gehouden.



1.3.
Ten slotte is de datum voor vonnis bepaald op vandaag.





2De nadere feiten


2.1.
Per e-mail van 16 januari 2026 heeft mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1]) aan een kantoorgenoot van de advocaat van NIBC bevestigd dat zij mondeling het volgende heeft verklaard:



‘Sinds 2020 ben ik bestuurder van ECP Factoring. Als bestuurder van ECP Factoring leid ik sinds 2020 de afwikkeling van de vorderingenportefeuille van ECP. Tussen begin 2020 en juli 2024 hield ik me fulltime met deze afwikkeling bezig. Sinds juli 2024 verricht ik mijn afwikkelingswerkzaamheden op parttimebasis.


(...)


Vanaf januari 2020 zijn we de vorderingenportefeuille van ECP – dus alle openstaande vorderingen van alle factoringklanten – gaan innen. Je hebt me gevraagd of daarbij onderscheid werd gemaakt tussen de oorspronkelijk door NIBC gefinancierde (‘eligible’) en de overige (‘non-eligible’) vorderingen. Of vorderingen ‘eligible’ of ‘non-eligible’ waren, maakte voor mij geen verschil; ik heb een vennootschap onder me gekregen met een vorderingenportefeuille en die vorderingenportefeuille ben ik (zo goed en kwaad als het ging) gaan innen. Daarbij merk ik op dat het onderscheid tussen ‘eligible’ en ‘non-eligible’ ook al snel niet meer bestond: door tijdverloop werden alle vorderingen op enig moment – uiterlijk begin april 2020 – ‘non-eligible’.





Bij de afwikkeling van de vorderingenportefeuille van ECP hanteerden wij drie sporen:






Reguliere betaling: waar het binnen een factoringbedrijf gebruikelijk is dat veel debiteuren betalen zonder dat daarvoor nadere actie hoeft te worden ondernomen, was er binnen de portefeuille van ECP slechts een zeer beperkt aantal factoringdebiteuren die uit eigen beweging betaalden.




Incasso: richting factoringdebiteuren die niet uit eigen bewerking betaalden, hebben we incassowerkzaamheden verricht, zoals het sturen van aanmaningen en het opnemen van telefonisch contact, met als doel de gefactorde vorderingen betaald te krijgen.




Retrocessie: waar opportuun hebben we gebruik gemaakt van het contractuele recht van ECP Factoring op retrocessie. Dit hield in dat we de gefactorde vorderingen terugleverden aan de factoringklanten en het openstaande saldo na retrocessie bij de factoringklanten probeerden terug te halen.






Per factoringklant of factoringdebiteur wogen wij af welk spoor het meest opportuun was, met het oog op de individuele omstandigheden en de beschikbare informatie. Troffen deze sporen geen doel, dan startten wij gerechtelijke procedures.





Als gezegd hebben wij tussen april 2020 en februari 2021 incassobureau Mirus ingeschakeld voor bepaalde incassowerkzaamheden. Mirus werkte aan een portefeuille van circa € 20 miljoen aan vorderingen. Het ging om de vorderingen van de in onze ogen makkelijkste factoringklanten. Voor het incasseren van de vorderingen van andere factoringklanten was namelijk specifieke kennis nodig; die vorderingen pakten wij – de drie medewerkers van ECP en ik – zelf op. Desondanks verliep de incasso door Mirus moeizaam, doordat ECP factoring relatief veel oude en kwalitatief slechte vorderingen in haar boeken had staan. Toen Mirus in februari 2021 haar werkzaamheden staakte, heeft zij het overgrote deel van de vorderingenportefeuille waaraan zij had gewerkt onbetaald aan ons teruggegeven.





Ook bij ons – de drie medewerkers van ECP en ik – verliep en verloopt de incasso van de vorderingenportefeuille van ECP Factoring moeizaam, doordat de administratie van ECP Factoring niet op orde was en ECP Factoring relatief veel oude en kwalitatief slechte vorderingen in haar boeken had staan. Meer specifiek liepen en lopen wij tegen de volgende obstakels aan:





Vorderingen zijn sterk verouderd en daardoor soms minder waard.




Vorderingen blijken niet te bestaan (fake invoices).




Factoringklanten en factoringdebiteuren waren failliet of zaten in de schuldsanering.




Factoringklanten hebben debiteuren geïnstrueerd om rechtstreeks aan hen te betalen.




Er is afgesproken dat wordt betaald door verrekening maar na verrekening is de vorderingen niet afgeletterd.




Er is geïnstrueerd te betalen op een andere rekening dan de cliënt dedicated account maar na betaling is de vorderingen niet afgeletterd.




Vorderingen bleken reeds verpand.




ECP Nederland B.V. blijkt geen deugdelijk debiteurenbeheer te hebben gevoerd.






Wij liepen bij de incasso en de retrocessie daardoor vaak tegen weerstand aan en hebben veel gerechtelijke procedures moeten voeren. [Een advocatenkantoor] heeft voor ons 39 dossiers behandeld, resulterend in 28 procedures tegen factoringklanten. Tegen sommige (kleine) factoringklanten hebben we ervoor gekozen geen procedure te starten, omdat dat kostentechnisch niet opportuun was. De procedures eindigden in sommige gevallen in een (veroordelend) vonnis en in andere gevallen in een schikking, als onderdeel waarvan een betalingsregeling wordt getroffen. Maar ook in die gevallen geldt dat de factoringklanten die aan het vonnis of de regeling moesten voldoen, in sommige gevallen geen verhaal boden of om andere redenen stopten met betalen.





Onze afwikkelingswerkzaamheden hebben tot dusver als resultaat dat we sinds april 2020 circa EUR 10 miljoen hebben binnengehaald uit reguliere betaling en incasso en circa € 6 miljoen uit afwikkeling en retrocessie. De werkzaamheden zijn niet voltooid en lopen nog steeds door. Daarbij merk ik op dat van alle openstaande vorderingen een groot gedeelte zo oud en/of kwalitatief slecht is, dat het niet opportuun is erachteraan te gaan. Er wordt nog gewerkt aan de inning van circa EUR 5,5 miljoen aan vorderingen, via procedures en via betalingsregelingen. Het is niet realistisch dat die EUR 5,5 miljoen volledig zal worden geïnd. Zelfs de inning van de helft daarvan lijkt optimistisch, bij het overgrote deel van nog lopende dossiers.





Ik ben bereid het voorgaande onder ede te bevestigen.’







3Het geschil


3.1.
NIBC vordert inmiddels – samengevat en na wijzigingen van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:


i) primair: voor recht verklaart dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uit hoofde van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) jegens NIBC onrechtmatig hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die NIBC als gevolg daarvan heeft geleden;


ii) subsidiair: voor recht verklaart dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uit hoofde van artikel 6:166 BW jegens NIBC hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die NIBC heeft geleden;


iii) primair en subsidiair: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan NIBC van een bedrag van € 5.557.302,02 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 mei 2020;


iv) primair en subsidiair: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de door NIBC geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 mei 2020;


met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten, waaronder de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.



3.2.

[gedaagde 2] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van NIBC.



3.3.

[gedaagde 1] is niet verschenen en tegen hem is verstek verleend. [gedaagde 1] heeft dan ook geen verweer gevoerd.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De verdere beoordeling



Ten aanzien van [gedaagde 2]




4.1.
In het tussenvonnis van 29 oktober 2025 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde 2] in hoedanigheid van bestuurder van ECP Nederland ernstig persoonlijk verwijtbaar heeft gehandeld jegens NIBC en dat hij daarom schadeplichtig is jegens NIBC op grond van onrechtmatige daad. De schade die NIBC als gevolg van deze onrechtmatige daad van [gedaagde 2] heeft geleden, moet worden vastgesteld door de feitelijke situatie af te zetten tegen het hypothetische scenario waarin ECP Nederland correcte rapportages en gegevens aan NIBC had verstrekt (zie het tussenvonnis onder 4.15).



4.2.
Uit de akten die NIBC en [gedaagde 2] na het tussenvonnis hebben genomen, kan worden afgeleid dat zij het over het volgende eens zijn. Aangenomen mag worden dat – in het hypothetische scenario zonder de vastgestelde normschendingen – NIBC in december 2018 verdere financiering onder de Senior Loan zou hebben geweigerd, de Senior Loan zou hebben opgezegd en haar zekerheden zou hebben uitgewonnen. Verder mag worden aangenomen dat het uitwinnen van die zekerheden van NIBC in dat hypothetische scenario, niets zou hebben opgeleverd. Aldus zou NIBC in het hypothetische scenario per eind december 2018 een oninbare vordering op ECP Factoring hebben gehad ter hoogte van € 20 miljoen.



4.3.
In de feitelijke situatie heeft NIBC de financiering van de activiteiten van ECP Factoring na december 2018 voortgezet, heeft zij ingestemd met verhoging van het maximumbedrag van de Senior Loan van € 20 miljoen naar € 40 miljoen (zie het tussenvonnis onder 2.25) en heeft zij de financieringsovereenkomst pas begin 2020 beëindigd.



4.4.
NIBC heeft in haar akte van na het tussenvonnis het volgende gesteld over haar verlies in de feitelijke situatie en haar schade door de onrechtmatige daad. De openstaande vordering van NIBC op ECP Factoring bedroeg per 19 december 2024 € 31.057.302,02 inclusief de rente tot deze datum. In het meest optimistische scenario zullen de incassowerkzaamheden met betrekking tot de vorderingenportefeuille van ECP Factoring in de toekomst nog € 5,5 miljoen opleveren. Het verlies van NIBC in de feitelijke situatie is dus (€ 31.057.302,02 minus € 5.500.000 is) € 25.557.302,02 te vermeerderen met wettelijke rente. Aangezien het verlies van NIBC in het hypothetische scenario € 20.000.000 zou zijn geweest, kan de schade van NIBC worden begroot op (€ 25.557.302,02 minus € 20.000.000 is) € 5.557.302,02, aldus nog steeds NIBC.



4.5.

[gedaagde 2] heeft op zichzelf niet betwist dat de openstaande vordering van NIBC op ECP Factoring, zoals die uit de administratie van NIBC volgt, per 19 december 2024 € 31.057.302,02 inclusief de rente bedroeg. Evenmin heeft [gedaagde 2] de omvang van de schade in het hypothetische scenario (€ 20.000.000) betwist.



4.6.

[gedaagde 2] heeft de omvang van de schade in de feitelijke situatie wel betwist. Concreet wijst [gedaagde 2] er op dat uit de redenering van NIBC volgt dat van een vorderingenportefeuille van € 71 miljoen slechts € 16 miljoen is geïnd en nog (maximaal) € 5,5 miljoen zou kunnen worden geïnd, dus in totaal € 21,5 miljoen. Volgens [gedaagde 2] roept dit vragen op over de mate waarin bij de afwikkeling van de vorderingenportefeuille voldoende is gepoogd om de openstaande vorderingen te innen.



4.7.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 2] de omvang van de schade in de feitelijke situatie onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Wat er ook zij van de inspanningen die bij de afwikkeling van de portefeuille zijn gepleegd (die hierna bij het beroep op eigen schuld worden besproken): dat er feitelijk tot nu toe slechts € 16 miljoen is geïnd is, mede in het licht van de verklaring van [naam 1] (zie hiervoor onder 2.1), niet concreet weersproken. Dat geldt ook voor de veronderstelling dat in de toekomst nog hooguit € 5,5 miljoen kan worden geïnd. De rechtbank zal bij de begroting van de schade daarom de door NIBC gestelde feitelijke situatie tot uitgangspunt nemen.



4.8.

[gedaagde 2] stelt zich verder op het standpunt dat zijn schadevergoedingsplicht moet worden verminderd (tot nihil), omdat sprake is van eigen schuld van NIBC als bedoeld in artikel 6:101 lid 1 BW. Volgens [gedaagde 2] is zowel sprake van eigen schuld van NIBC tijdens de looptijd van de financiering (vóór 2020) als bij de afwikkeling van de vorderingenportefeuille van ECP Factoring. Het is aan [gedaagde 2], die zich in zoverre op het rechtsgevolg beroept, om voldoende onderbouwd te stellen dat deze beweerde eigen schuld van NIBC aan de orde is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde 2] dit niet gedaan, zoals hierna zal worden toegelicht.



4.9.

[gedaagde 2] betoogt ten eerste dat sprake is van eigen schuld van NIBC ten tijde van de financieringsrelatie. Volgens [gedaagde 2] had van NIBC als professionele financier mogen worden verwacht dat zij de van ECP Nederland ontvangen rapportages kritisch zou beoordelen, de juistheid daarvan zelfstandig zou verifiëren en onregelmatigheden nader zou onderzoeken. De rechtbank ziet dat anders. Tussen partijen staat ter discussie of NIBC de onjuistheden en onregelmatigheden bij onderzoek had kunnen opmerken. Echter, ook als dat het geval zou zijn geweest, laat dit onverlet dat het niet van NIBC hoeft te worden verwacht dat zij rekening houdt met bewuste manipulatie van de boekhouding door het bestuur van ECP Nederland. Een eventueel nalaten van NIBC op dit punt staat bovendien in geen verhouding tot de verwijtbaarheid van [gedaagde 2] (en [gedaagde 1]). Dat wordt niet anders doordat NIBC een professionele financier is (zie ook het tussenvonnis onder 4.14).



4.10.

[gedaagde 2] betoogt ten tweede dat er onvoldoende inspanningen zijn verricht om de vorderingenportefeuille te innen, althans dat NIBC dit onvoldoende heeft onderbouwd en inzichtelijk heeft gemaakt. Volgens [gedaagde 2] heeft NIBC niets gesteld over de periode van januari-april 2020, een periode die in de ogen van [gedaagde 2] cruciaal was, omdat bij een factoringbedrijf als basisvereiste geldt dat de incasso van uitstaande vorderingen steeds actief en nauwgezet wordt bewaakt, in het bijzonder tijdens de gemiddelde betalingstermijn van 45 dagen. De omstandigheid dat de afwikkelingswerkzaamheden pas in april 2020 deels aan Mirus zijn overgedragen, wijst volgens [gedaagde 2] erop dat in de periode januari-april 2020 niet aan dit basisvereiste is voldaan.



4.11.
De rechtbank volgt [gedaagde 2] ook hierin niet, en overweegt daartoe als volgt. [gedaagde 2] heeft (terecht) niet betoogd dat NIBC valt te verwijten dat zij [gedaagde 2] en [gedaagde 1] heeft gevraagd begin januari 2020 af te treden. [gedaagde 2] heeft niet gewezen op concrete aanknopingspunten dat [naam 1] vervolgens onvoldoende voortvarend is opgetreden. De rechtbank acht het begrijpelijk dat [naam 1] heeft besloten eerst te inventariseren bij welke vorderingen van de portefeuille het inschakelen van een incassobureau wel en niet opportuun was. Bovendien verklaart [naam 1] dat wel degelijk in januari 2020 met het innen van vorderingen is gestart. De rechtbank heeft geen reden om de veronderstellen dat [naam 1] de inventarisatie van de vorderingen vóór april 2020 had moeten afronden. De rechtbank wijst daarbij ook op de destijds uitgesproken slechte toestand van de administratie van ECP Factoring, die deze inventarisatie niet eenvoudiger zal hebben gemaakt. Gezien het voorgaande heeft [gedaagde 2] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld dat NIBC in de periode januari-april 2020 niet heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht.



4.12.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 2] ook niet voldoende heeft onderbouwd dat er is tekortgeschoten bij het trachten de vorderingen van de vorderingenportefeuille te innen vanaf april 2020. Het relatief bescheiden succes bij het innen van de vorderingenportefeuille wordt naar het oordeel van de rechtbank eerder verklaard door de slechte toestand daarvan, onder andere door het verouderd zijn van vele vorderingen en het mogelijk zelfs niet bestaan van een deel van de vorderingen. De rechtbank merkt verder op dat NIBC zelf bij uitstek belang heeft bij het innen van een zo hoog mogelijk bedrag van de vorderingenportefeuille, alleen al omdat NIBC er rekening mee moet houden dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] geen volledig verhaal zullen bieden voor de substantiële schadevergoedingsvordering van NIBC. Het ligt daarom niet in de rede dat NIBC zich daarvoor bewust onvoldoende zou hebben ingespannen.



4.13.

[gedaagde 2] heeft ook nog gesteld dat sprake is van eigen schuld bij NIBC, omdat de heer [naam 2] in de periode januari-april 2020 schade heeft veroorzaakt. [naam 2] bekleedde in deze periode volgens [gedaagde 2] namelijk een positie bij ECP Factoring met onverenigbare belangen. Ook deze stelling baat [gedaagde 2] niet, alleen al omdat [gedaagde 2] niet onderbouwd heeft gesteld dat en hoe dit het innen van vorderingen van de vorderingenportefeuille in deze periode negatief heeft beïnvloed.



4.14.

In de conclusie van antwoord heeft [gedaagde 2] in essentie nog betoogd dat [naam 1] en [naam 2] onder druk van NIBC (i) onnodig hebben aangestuurd op een einde van de factoringonderneming van ECP en (2) een doorstart van de onderneming (al dan niet bewust) hebben gefrustreerd. Voor zover [gedaagde 2] heeft bedoeld te betogen dat daardoor sprake is van eigen schuld van NIBC, overweegt de rechtbank als volgt. NIBC heeft gemotiveerd weersproken dat de factoringonderneming van ECP in 2020 nog levensvatbaar was, onder verwijzing naar twee expertiserapporten. Daartegenover heeft [gedaagde 2] het tegendeel onvoldoende onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen reden te oordelen dat er onnodig voor gekozen is om aan te sturen op een einde van de factoringonderneming.
Tegenover de gemotiveerde betwisting van NIBC heeft [gedaagde 2] ook onvoldoende onderbouwd dat er met behulp van een geïnteresseerde derde een doorstart had kunnen worden gemaakt waarmee de factoringonderneming had kunnen worden gered, als [naam 1] en [naam 2] voldoende hadden meegewerkt. Reeds daarom is ook in zoverre geen sprake van eigen schuld van NIBC.




4.15.
De conclusie luidt dat het beroep van [gedaagde 2] op eigen schuld van NIBC wordt gepasseerd.



4.16.
Artikel 6:109 BW kent de rechter de (discretionaire) bevoegdheid toe om een wettelijke verplichting tot schadevergoeding te matigen indien toekenning van de volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. [gedaagde 2] heeft een beroep op matiging gedaan. De rechtbank overweegt dat bij externe bestuurdersaansprakelijkheid de aard van de aansprakelijkheid steeds is dat sprake is van ernstige verwijtbaarheid. In het geval van [gedaagde 2] komt daar nog bij dat hij NIBC opzettelijk heeft misleid. Weliswaar zijn er geen aanwijzingen dat hij zichzelf rechtstreeks persoonlijk heeft verrijkt, maar zijn misleiding zal toch mede zijn ingegeven door voor hem te behalen voordeel op de lange termijn door het beoogde succes van de factoringonderneming. Alleen al vanwege deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat toekenning van de volledige schadevergoeding aan NIBC niet tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen leidt. Het beroep van [gedaagde 2] op matiging wordt daarom verworpen.



4.17.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank het gevorderde schadebedrag van € 5.557.302,02 toewijzen. Aangezien daarbij reeds rente tot en met 19 december 2024 is inbegrepen, zal de rechtbank de door NIBC gevorderde rente toewijzen vanaf 20 december 2024.



4.18.
NIBC heeft, naast een concreet schadebedrag, verwijzing naar de schadestaat gevorderd voor ‘de door NIBC geleden en nog te lijden schade’. Blijkens haar toelichting heeft NIBC daarbij concreet er het oog op dat na dit vonnis zou kunnen blijken dat het niet mogelijk blijkt om de volledige – in haar schadeberekening veronderstelde – € 5,5 miljoen nog te incasseren (zie hiervoor onder 4.4). Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat de verdere inspanningen om de vorderingenportefeuille te innen een lager bedrag zullen opleveren dan € 5,5 miljoen. De rechtbank zal [gedaagde 2] daarom, zoals gevorderd, ook veroordelen tot verdere schadevergoeding, op te maken bij staat, ter bepaling van deze nadere schade.



4.19.
De rechtbank wijst de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure af voor zover deze zou zien op andere schade dan het verschil tussen de veronderstelde ‘restincasso’ van € 5,5 miljoen en de daadwerkelijke ‘restincasso’. Dat NIBC nog andere schade heeft geleden is door haar niet aannemelijk gemaakt. Immers is bij de berekening in het feitelijke scenario uitgegaan van de door NIBC gestelde openstaande vordering van NIBC op ECP Factoring en van het volgens NIBC reeds geïncasseerde bedrag. Een andere voor de schadeberekening relevante onzekere factor dan voornoemde € 5,5 miljoen is niet aannemelijk gemaakt. De verwijzing naar de schadestaatprocedure ziet dus uitsluitend op de hiervoor onder 4.18 omschreven mogelijke nadere schade.



Ten aanzien van [gedaagde 1]





4.20.
De huidige (verminderde) primaire vordering tegen [gedaagde 1] zal als de rechtbank niet onrechtmatig en ongegrond voorkomend worden toegewezen, op de wijze zoals in de beslissing uitgewerkt en met dien verstande dat de lopende rente over het schadevergoedingsbedrag wordt toegewezen vanaf 19 december 2024.



Proceskosten





4.21.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, op de hierna weergegeven wijze worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van NIBC.



4.22.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden (hoofdelijk) veroordeeld tot vergoeding van de volgende proceskosten van NIBC:
- dagvaardingsexploot € 129,86
- beslagexploten € 11.599,43
- griffierecht € 5.914,00
- salaris advocaat € 9.262,00 (1 punt dagvaarding + 1 punt beslagverlof × tarief VIII)
- nakosten € 189,00 (met de in de beslissing genoemde eventuele verhoging)
totaal € 27.094,29.



4.23.

[gedaagde 2] wordt daarnaast veroordeeld tot vergoeding aan NIBC van de extra (advocaat)kosten die NIBC door zijn verweer heeft moeten maken, namelijk (1 punt x tarief VIII is) € 4.631. Dat NIBC na de mondelinge behandeling nog een akte heeft moeten nemen, was het gevolg van een redeneerfout van NIBC bij het maken van haar oorspronkelijke schadeberekening. De kosten van deze akte laat de rechtbank daarom voor rekening van NIBC.



4.24.
De rente die NIBC over de proceskosten heeft gevorderd, zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing opgenomen.





5De beslissing


De rechtbank:



5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig jegens NIBC hebben gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die NIBC als gevolg daarvan heeft geleden;



5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan NIBC van € 5.557.302,02 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 december 2024 tot aan de dag van volledige betaling;



5.3.
veroordeelt van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot verdere schadevergoeding als gevolg van hun onrechtmatige handelen, op te maken bij staat;



5.4.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan NIBC van € 27.094,29 aan proceskosten te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe;



5.5.
veroordeelt [gedaagde 2] om daarnaast € 4.631 aan verdere proceskosten aan NIBC te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe;



5.6.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om, indien zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, € 98 extra aan nakosten te betalen, plus de kosten van betekening;



5.7.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;



5.8.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 5.2 tot en met 5.7 opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers, mr. M.A. Schueler en (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.



1769