Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26520

2026-08-12 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/702104 / FA RK 26-2950
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-09-12
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/702104 / FA RK 26-2950
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wet tijdelijk huisverbod. Beroep tegen opleggings- en verlengingsbesluit ongegrond. Voldaan aan artikel 2 Wth. Verweerder mocht huisverbod opleggen aan eiser. Geen netwerkgesprek en veiligheidsafspraken, dus verweerder mocht huisverbod ook verlengen

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.390 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige kamer


Rekestnummer: FA RK 26-2950
Zaaknummer: C/09/702104
Datum uitspraak: 12 augustus 2026


Wet tijdelijk huisverbod



Uitspraak inzake:




[eiser],

eiser,
ingeschreven als niet ingezetene in de Registratie Niet Ingezetenen (RNI onbekend),
gemachtigde: mr. R.T. Schrama te Den Haag,



tegen:




de burgemeester van de gemeente ZOETERMEER,
verweerder.


Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[achterblijfster],

achterblijfster tevens de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.




IProcedure

Bij besluit van 11 februari 2026 heeft verweerder aan eiser een huisverbod op grond van artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) opgelegd, van 11 februari 2026 (14:19 uur) tot en met 21 februari 2026 (14:19 uur), ter zake van de woning aan de [adres],

[plaats] tevens inhoudend een contactverbod met de aldaar woonachtige [achterblijfster], achterblijfster.



Bij besluit van 19 februari 2026 heeft verweerder het huis- en contactverbod verlengd tot
11 maart 2026 (14:19 uur).



Tegen beide besluiten heeft eiser bij brief van 25 maart 2026 beroep ingesteld.



Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.



De zaak is, nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over een behandeling ter zitting, zonder zitting afgedaan.








IIBeoordeling
Op grond van artikel 2, eerste lid, Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging conform artikel 9 van deze wet.


Op grond van artikel 9, eerste lid, Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.



Eiser betoogt dat het huisverbod ten onrechte aan hem is opgelegd en dat het huisverbod niet verlengd had mogen worden. Allereerst stelt eiser dat er geen grond was voor het opleggen van het huisverbod. Eiser betwist dat hij achterblijfster van de trap heeft geduwd. Volgens eiser is het vermeende incident uitsluitend op een eenzijdige verklaring van achterblijfster gebaseerd zonder enig objectief bewijs. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte de context van de aangifte niet in het besluit betrokken, hetgeen in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Tot slot betoogt eiser dat er onvoldoende hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Immers, verweerder heeft zijn verweer onvoldoende meegewogen in het besluit.



Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar de bestreden besluiten en de stukken, waaronder het verweerschrift, op het standpunt dat het huisverbod terecht aan eiser is opgelegd en is verlengd.




Ontvankelijkheid beroep

De rechtbank stelt allereerst vast dat het (verlengde) huisverbod als zodanig reeds is afgelopen. Eiser heeft gedurende de oplegging dan wel verlenging geen verzoekschrift ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening, zoals schorsing of opheffing van het huisverbod. Het belang van een verzoek tot gegrondverklaring van het beroep van eiser is, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 mei 2010 in zaak nr. 200907721/1/H3), nog een rechtens te beschermen belang bij beoordeling van de rechtmatigheid van dit besluit. Daarbij is redengevend dat een huisverbod, gelet op de gronden waarop dit wordt opgelegd, een publiekelijke afwijzing van het gedrag van betrokkene impliceert. Gelet hierop is tot op zekere hoogte aannemelijk dat iemand aan wie een huisverbod is opgelegd, als gevolg daarvan in zijn eer en goede naam is geschaad. Eiser is derhalve ontvankelijk in zijn beroep.




Opleggingsbesluit (11 februari 2026)

Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3784, is het opleggen van een huisverbod een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voordoet voor de veiligheid van personen, zo volgt uit artikel 2 van de Wth. Gelet op de spoedeisende aard van een huisverbod is niet vereist dat de juistheid van de aan het huisverbod ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden onomstotelijk vaststaat.
Voldoende is dat aannemelijk is dat die feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan en een ernstig en onmiddellijk gevaar dan wel een ernstig vermoeden van een dergelijk gevaar opleverden. Verweerder heeft beoordelingsruimte bij de beoordeling van dit gevaar. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de rechter in op de vraag of de manier waarop verweerder van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt, in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de rechter nagaan of verweerder redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen.



Verweerder heeft het besluit tot oplegging van het huisverbod onder meer gebaseerd op een door de politie opgesteld Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (RiHG) waaruit blijkt dat er sprake is van gevaar als bedoeld in artikel 2 van de Wth. Daarin staat dat achterblijfster op 10 februari 2026 aangifte heeft gedaan van poging doodslag/moord. Volgens achterblijfster heeft eiser haar die dag van de trap geduwd en heeft, terwijl zij op de trap lag, de woning verlaten. Op het moment dat eiser de woning had verlaten, kwam de slotenmaker. Achterblijfster had 8 februari 2026 aan de slotenmaker gevraagd de sloten te vervangen, omdat eiser haar huissleutels had afgepakt. Toen eiser op 10 februari 2026 terugkwam naar de woning, kon hij niet meer naar binnen en heeft hij de politie gebeld. De politie kwam ter plaatse en trof achterblijfster met pijn in bed aan. De politie heeft een ambulance gebeld en achterblijfster is naar het ziekenhuis vervoerd. Eiser is hierop aangehouden.



Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich wegens de door de politie geconstateerde situatie, het geconstateerde letsel bij achterblijfster en de afgelegde verklaringen, zoals vermeld in het RiHG, redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat voldoende aannemelijk is dat de aanwezigheid van eiser een ernstig vermoeden van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van achterblijfster opleverde. Daarbij is van belang dat het huisverbod moet worden gezien als een bestuurlijke maatregel, die ook kan worden ingezet wanneer zich geen strafbare feiten hebben voorgedaan, maar een situatie is ontstaan waarbij acute en dringende behoefte bestaat aan het creëren van een afkoelingsperiode om escalatie te voorkomen (Kamerstukken II 2005/06, 30 657, nr. 3,
blz. 2). Vanwege de feiten en omstandigheden die zijn vermeld in het RiHG, is aannemelijk dat de veiligheid van achterblijfster op dat moment in het geding was, waarvoor een afkoelingsperiode van belang was. Daarbij is niet van belang of er ook daadwerkelijk fysiek geweld heeft plaatsgevonden dan wel dat eiser achterblijfster van de trap heeft geduwd, omdat de verklaringen van achterblijfster en eiser hierover verschillen. Voldoende is dat de spanningen op 10 februari 2026 hebben geleid tot een incident waarbij de politie is gebeld en dat een afkoelingsperiode noodzakelijk was om van daaruit de noodzakelijke hulpverlening op te starten. Dat er in het besluit nog naar overige feiten en/of omstandigheden wordt verwezen, doet hieraan verder niet af.



Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat het belang van een periode van rust en veiligheid zwaarder moet wegen dan het belang van eiser bij het gebruik van de woning. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook redelijkerwijs gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een huisverbod.



De stelling van eiser dat de besluitvorming niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden, het (opleggings)besluit gebrekkig is gemotiveerd en er sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor, treft geen doel. Naar het oordeel van de rechtbank is het (opleggings)besluit voldoende gemotiveerd omdat daarin de redenen van het opleggen van het huisverbod zijn opgenomen.
Verder blijkt de motivering van het besluit ook uit de onderliggende stukken, zoals de situatie ter plaatse, het proces-verbaal van bevindingen HOvJ voor een beslissing huisverbod, het RiHG en de crisisrapportage Huisverbod, die overeenkomstig jurisprudentie onderdeel uitmaken van het besluit. Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin sprake van onzorgvuldige besluitvorming. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op de afzonderlijke verklaringen van betrokkenen, de bevindingen van de politie, het RiHG en de informatie van de hulpverlening. Daarnaast staat vast dat eiser is gehoord voorafgaand aan het besluit en dat zijn verklaring is meegewogen bij het nemen van het besluit. De stelling van eiser dat bij het nemen van de beslissing het verweer van eiser onvoldoende is meegewogen kan de rechtbank dan ook niet volgen.



Gelet op dit alles heeft verweerder terecht het huisverbod aan eiser opgelegd.




Verlengingsbesluit (19 februari 2026)

Eiser kan zich niet verenigen met het besluit tot verlenging van het huisverbod en heeft in dat verband dezelfde gronden aangevoerd als tegen het besluit tot oplegging van het huisverbod.



De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft aangenomen dat op het moment van verlenging van het huisverbod nog immer sprake was van dreiging van gevaar of het ernstige vermoeden daarvan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het netwerkgesprek op het moment van het verlengingsbesluit nog niet had plaatsgevonden en er geen veiligheidsafspraken tussen eiser en achterblijfster waren gemaakt.



Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 9 Wth gebruik heeft gemaakt.



Concluderend zal de rechtbank het beroep tegen het opleggings- en verlengingsbesluit ongegrond verklaren. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Voor zover eiser een verzoek tot schadevergoeding heeft gedaan, zal de rechtbank dit verzoek afwijzen omdat de besluiten niet onrechtmatig zijn.





IIIBeslissing
De rechtbank:


*
verklaart de beroepen ongegrond;



*
wijst het verzoek tot proceskostenveroordeling en schadevergoeding af.











Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, bijgestaan door
mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 augustus 2026.








Een belanghebbende – onder wie in elk geval eiser wordt begrepen – en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.




Afschrift verzonden op: