Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26508
2026-08-12
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/691835 / FA RK 25-7094
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervangende toestemming erkenning, gezamenlijk gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Overeenstemming op de zitting.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.948 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-7094
Zaaknummer: C/09/691835
Datum beschikking: 12 augustus 2026 (bij vervroeging)
Vervangende toestemming erkenning, gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling
Beschikking op het op 16 september 2025 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.V. Garib in Rotterdam , voorheen: mr. B.H. van der Zwan in Rotterdam .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T.Y. Tsang in ’s-Gravenhage, voorheen: mr. M.S. Odink in ’s-Gravenhage.
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ,
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. M.E.M. Beijersbergen,
advocaat in ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het bericht met bijlagen van 13 oktober 2025 van de man;
de e-mail van 19 december 2025 van de moeder;
het bericht van 22 december 2025 van de man;
het bericht van 27 januari 2026 van de man;
het verslag van de bijzondere curator van 28 april 2026;
het bericht van 8 mei 2026 van de moeder;
het bericht van 13 mei 2026 van de man.
Op 29 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de man bijgestaan door zijn advocaat;
de advocaat van de moeder;
de bijzondere curator;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De moeder was niet aanwezig op de zitting.
Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
Uit de moeder is geboren: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1] .
[minderjarige] is niet erkend.
De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.
Bij beschikking van deze rechtbank van 2 februari 2026 is mr. M.E.M. Beijersbergen voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde [minderjarige] op grond van artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.
Verzoek en verweer
De man verzoekt:
een bijzondere curator te benoemen over [minderjarige] ;
aan hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij [minderjarige] kan erkennen;
te bepalen dat de man en de moeder gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen;
een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] :
iedere week drie nachten bij de man verblijft;
partijen iedere maand (na ontvangst van hun rooster) bepalen welke drie nachten per week [minderjarige] bij de man zal verblijven en op welke tijdstippen de overdrachtsmomenten zullen plaatsvinden;
door de man wordt opgehaald bij de moeder, en de moeder [minderjarige] weer ophaalt bij de man;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De bijzondere curator adviseert om het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen zodat hij [minderjarige] kan erkennen, toe te wijzen.
Beoordeling
Vervangende toestemming erkenning
Wettelijk kader
Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
Inhoudelijke beoordeling
De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man toe te wijzen omdat het belangrijk is dat er een familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en de man ontstaat. Namens de moeder is op de zitting aangegeven dat zij zich niet langer verzet tegen toewijzing van het verzoek van de man.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] of de belangen van [minderjarige] zal schaden. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man tot vervangende toestemming om [minderjarige] te erkennen, toewijzen.
De rechtbank merkt op dat de man, nadat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, er zelf voor moet zorgen dat de beslissing tot vervangende toestemming om [minderjarige] te mogen erkennen, in het register van de burgerlijke stand wordt ingeschreven.
Ontslag bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Gezag
De rechtbank zal de man hierna aanmerken als vader, omdat het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning wordt toegewezen.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Conform lid 2 van dit artikel wordt een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt slechts afgewezen, indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal de vader mede met het gezag over [minderjarige] belasten en overweegt daartoe als volgt. Het uitgangspunt van de wetgever is dat gezamenlijk gezag in het belang van een kind is. Alleen in uitzonderingsgevallen mag worden aangenomen dat het belang van een kind vereist dat één van de ouders met het gezag wordt belast. Namens de moeder is op de zitting ingestemd met het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag. Het is de rechtbank gebleken dat de vader en de moeder nu beter afspraken kunnen maken over [minderjarige] dan bij de indiening van het verzoekschrift. De rechtbank zal daarom in het belang van [minderjarige] het verzoek van de vader toewijzen en bepalen dat de ouders voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen. Niet is gebleken dat door toewijzing van het verzoek [minderjarige] klem dan wel verloren zal raken.
De rechtbank kan echter pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde moet zijn gegaan. De rechtbank geeft de vader dan ook een termijn van 5 maanden om de erkenning van [minderjarige] door hem bij de gemeente te laten registreren. De rechtbank verzoekt de advocaat van de man om de akte van erkenning aan de rechtbank te sturen. Na ontvangst van de akte van erkenning zal de definitieve beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag worden gegeven. De rechtbank zal de zaak in afwachting van de akte van erkenning pro forma aanhouden tot 15 januari 2027. De rechtbank overweegt dat als de man aan het hiervoor bepaalde niet voldoet de zaak met toepassing van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal worden afgedaan.
Vanwege deze beslissing wordt in het vervolg van deze beschikking gesproken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de zorgregeling.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan deze regeling een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten (zorgregeling). De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting zijn er afspraken gemaakt over de zorgregeling waarbij [minderjarige] drie aaneengesloten nachten per week bij de vader zal verblijven. De vader en de moeder zullen vanwege hun wisselende roosters iedere maand deze dagen vooruitplannen voor de volgende maand zodra de werkroosters beschikbaar zijn. De rechtbank zal conform de afspraken van de vader en de moeder beslissen, nu deze afspraak in het belang van [minderjarige] is.
Beslissing
De rechtbank:
*
verleent de man, [de man] geboren op [geboortedatum 2] 1999 in [geboorteplaats 2] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 2003 in [geboorteplaats 2] , vervangt tot erkenning van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
*
bepaalt een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in die zin dat [minderjarige] bij de man is:
- drie aaneengesloten dagen per week, in onderling overleg een maand van tevoren te bepalen aan de hand van de werkroosters van de vader en de moeder;
*
bepaalt dat de beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt aangehouden tot 15 januari 2027 pro forma;
*
bepaalt dat de man vóór de genoemde pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen;
*
bepaalt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 augustus 2026.
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-7094
Zaaknummer: C/09/691835
Datum beschikking: 12 augustus 2026 (bij vervroeging)
Vervangende toestemming erkenning, gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling
Beschikking op het op 16 september 2025 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.V. Garib in Rotterdam , voorheen: mr. B.H. van der Zwan in Rotterdam .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T.Y. Tsang in ’s-Gravenhage, voorheen: mr. M.S. Odink in ’s-Gravenhage.
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ,
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. M.E.M. Beijersbergen,
advocaat in ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het bericht met bijlagen van 13 oktober 2025 van de man;
de e-mail van 19 december 2025 van de moeder;
het bericht van 22 december 2025 van de man;
het bericht van 27 januari 2026 van de man;
het verslag van de bijzondere curator van 28 april 2026;
het bericht van 8 mei 2026 van de moeder;
het bericht van 13 mei 2026 van de man.
Op 29 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de man bijgestaan door zijn advocaat;
de advocaat van de moeder;
de bijzondere curator;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De moeder was niet aanwezig op de zitting.
Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
Uit de moeder is geboren: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1] .
[minderjarige] is niet erkend.
De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.
Bij beschikking van deze rechtbank van 2 februari 2026 is mr. M.E.M. Beijersbergen voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde [minderjarige] op grond van artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.
Verzoek en verweer
De man verzoekt:
een bijzondere curator te benoemen over [minderjarige] ;
aan hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij [minderjarige] kan erkennen;
te bepalen dat de man en de moeder gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen;
een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] :
iedere week drie nachten bij de man verblijft;
partijen iedere maand (na ontvangst van hun rooster) bepalen welke drie nachten per week [minderjarige] bij de man zal verblijven en op welke tijdstippen de overdrachtsmomenten zullen plaatsvinden;
door de man wordt opgehaald bij de moeder, en de moeder [minderjarige] weer ophaalt bij de man;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De bijzondere curator adviseert om het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen zodat hij [minderjarige] kan erkennen, toe te wijzen.
Beoordeling
Vervangende toestemming erkenning
Wettelijk kader
Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
Inhoudelijke beoordeling
De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man toe te wijzen omdat het belangrijk is dat er een familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en de man ontstaat. Namens de moeder is op de zitting aangegeven dat zij zich niet langer verzet tegen toewijzing van het verzoek van de man.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] of de belangen van [minderjarige] zal schaden. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man tot vervangende toestemming om [minderjarige] te erkennen, toewijzen.
De rechtbank merkt op dat de man, nadat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, er zelf voor moet zorgen dat de beslissing tot vervangende toestemming om [minderjarige] te mogen erkennen, in het register van de burgerlijke stand wordt ingeschreven.
Ontslag bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Gezag
De rechtbank zal de man hierna aanmerken als vader, omdat het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning wordt toegewezen.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Conform lid 2 van dit artikel wordt een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt slechts afgewezen, indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal de vader mede met het gezag over [minderjarige] belasten en overweegt daartoe als volgt. Het uitgangspunt van de wetgever is dat gezamenlijk gezag in het belang van een kind is. Alleen in uitzonderingsgevallen mag worden aangenomen dat het belang van een kind vereist dat één van de ouders met het gezag wordt belast. Namens de moeder is op de zitting ingestemd met het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag. Het is de rechtbank gebleken dat de vader en de moeder nu beter afspraken kunnen maken over [minderjarige] dan bij de indiening van het verzoekschrift. De rechtbank zal daarom in het belang van [minderjarige] het verzoek van de vader toewijzen en bepalen dat de ouders voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen. Niet is gebleken dat door toewijzing van het verzoek [minderjarige] klem dan wel verloren zal raken.
De rechtbank kan echter pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde moet zijn gegaan. De rechtbank geeft de vader dan ook een termijn van 5 maanden om de erkenning van [minderjarige] door hem bij de gemeente te laten registreren. De rechtbank verzoekt de advocaat van de man om de akte van erkenning aan de rechtbank te sturen. Na ontvangst van de akte van erkenning zal de definitieve beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag worden gegeven. De rechtbank zal de zaak in afwachting van de akte van erkenning pro forma aanhouden tot 15 januari 2027. De rechtbank overweegt dat als de man aan het hiervoor bepaalde niet voldoet de zaak met toepassing van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal worden afgedaan.
Vanwege deze beslissing wordt in het vervolg van deze beschikking gesproken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de zorgregeling.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan deze regeling een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten (zorgregeling). De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting zijn er afspraken gemaakt over de zorgregeling waarbij [minderjarige] drie aaneengesloten nachten per week bij de vader zal verblijven. De vader en de moeder zullen vanwege hun wisselende roosters iedere maand deze dagen vooruitplannen voor de volgende maand zodra de werkroosters beschikbaar zijn. De rechtbank zal conform de afspraken van de vader en de moeder beslissen, nu deze afspraak in het belang van [minderjarige] is.
Beslissing
De rechtbank:
*
verleent de man, [de man] geboren op [geboortedatum 2] 1999 in [geboorteplaats 2] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 2003 in [geboorteplaats 2] , vervangt tot erkenning van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
*
bepaalt een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in die zin dat [minderjarige] bij de man is:
- drie aaneengesloten dagen per week, in onderling overleg een maand van tevoren te bepalen aan de hand van de werkroosters van de vader en de moeder;
*
bepaalt dat de beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt aangehouden tot 15 januari 2027 pro forma;
*
bepaalt dat de man vóór de genoemde pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen;
*
bepaalt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 augustus 2026.