Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26497

2026-09-09 Civiel recht C/09/706596 HA ZA 26-559
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-11
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/706596 HA ZA 26-559
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Incident. Onbevoegdheid, zekerheidsstelling voor proceskosten en vrijwaring. Eiser in hoofdzaak is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Onbevoegdheid afgewezen. Eiser in hoofdzaak wordt in gelegenheid gesteld zekerheid te stellen voor proceskosten. Vrijwaring toegewezen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.630 tekens)
RECHTBANK Den Haag


Team handel



Zaaknummer / rolnummer: C/09/706596 / HA ZA 26-559




Vonnis in incidenten van 9 september 2026




in de zaak van





[eiser]
te [woonplaats 1],
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in de incidenten,
advocaat: mr. T.J. Wittendorp te Maastricht-Airport (gemeente Beek),



tegen





1BURGERME NEDERLAND B.V.te Leiderdorp,

2. BURGERME MARKETING B.V. te Leiderdorp,
gedaagden in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident tot onbevoegdheid,
advocaat: mr. A.E. van Zoest te Amsterdam,3. [gedaagde 3] te [woonplaats 2],
gedaagde in de hoofdzaak,
advocaat: mr. J.J.Y. Kleingeld te Rijswijk,4. GEWOONDOEN B.V. te Almere,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident tot oproeping in vrijwaring,
advocaat: mr. W.F. Wienen te Almere,



Partijen worden hierna achtereenvolgens [eiser], Burgerme NL, Burgerme Marketing, [gedaagde 3] en GewoonDoen genoemd. Burgerme NL en Burgerme Marketing worden gezamenlijk Burgerme c.s. genoemd.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 mei 2026 met producties 1 tot en met 29;
- de incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkheid van Burgerme c.s. met producties 1 tot en met 3;
- de conclusie van antwoord in het incident tot niet-ontvankelijkheid van GewoonDoen;
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van GewoonDoen met producties 1 en 2;
- de conclusie van antwoord in de incidenten van [eiser].



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.







2De feiten voor zover van belang in de incidenten


2.1.
Burgerme NL is franchisegever van de Burgerme-formule in Nederland. De franchisenemers van Burgerme exploiteren als zelfstandig ondernemer een hamburgerrestaurant. Burgerme Marketing is een aan Burgerme NL gelieerde onderneming die marketing activiteiten ontplooit ten behoeve van de franchiseformule van Burgerme en ten behoeve van de franchisenemers.



2.2.
In augustus 2021 heeft [eiser] als franchisenemer met Burgerme NL als franchisegever een franchiseovereenkomst gesloten, op grond waarvan [eiser] onder meer gerechtigd was om onder Burgerme-formule een restaurant in Beverwijk uit te baten.



2.3.

[eiser] heeft aan [gedaagde 3] opdracht verstrekt voor het vinden van een geschikte locatie voor een Burgerme-vestiging. Voor de advisering met betrekking tot het geschikt maken van de locatie voor het gebruik als hamburgerrestaurant heeft [eiser] opdracht verstrekt aan GewoonDoen.



2.4.

[eiser] heeft in 2023 een procedure jegens Burgerme c.s. en [gedaagde 3] aanhangig gemaakt. [eiser] is hangende de procedure failliet verklaard. Deze rechtbank heeft bij vonnis van 11 oktober 2023 ontslag van instantie verleend op grond van artikel 27 lid Faillissementswet (Fw).



2.5.

[eiser] is met ingang van 6 maart 2025 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling op basis van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp).



2.6.
De beëindigingszitting in het Wsnp-traject van [eiser] zal op 6 oktober 2026 plaatsvinden.





3Het geschil in de hoofdzaak


3.1.

[eiser] vordert – samengevat – primair een verklaring voor recht dat hij de franchiseovereenkomst rechtsgeldig heeft vernietigd en restitutie van betalingen die hij in het kader van deze overeenkomst aan gedaagden in de hoofdzaak heeft verricht. [eiser] vordert subsidiair verschillende bedragen van gedaagden in de hoofdzaak in verband met gesteld tekortschieten en/of onrechtmatig handelen.



3.2.

[eiser] legt daaraan ten grondslag dat hij de franchiseovereenkomst rechtsgeldig heeft vernietigd, nu Burgerme NL verplichtingen uit de Wet Franchise heeft geschonden dan wel de franchiseovereenkomst is gesloten onder invloed van dwaling en/of bedrog. Volgens [eiser] is Burgerme NL als franchisegever toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen, onder andere door het verstrekken van misleidende omzetprognoses en het niet naleven van wettelijke precontractuele informatieverplichtingen. Daarnaast voert [eiser] aan dat Burgerme Marketing onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door geen marketingondersteuning te verlenen. Ten slotte zijn [gedaagde 3] en GewoonDoen volgens [eiser] tekort geschoten in de nakoming van hun verplichtingen om hem deugdelijk te adviseren.





4Het geschil en de beoordeling in de incidenten



het incident tot niet-ontvankelijkheid




4.1.
Burgerme c.s. verzoeken primair om [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair verzoeken Burgerme c.s. om [eiser] te veroordelen tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten ter hoogte van € 27.572.



4.2.
Burgerme c.s. voeren daartoe aan dat [eiser] niet procesbevoegd is, omdat schriftelijke toestemming van de rechter-commissaris voor het voeren van de procedure in de hoofdzaak ontbreekt. Daarnaast is volgens Burgerme c.s. sprake van rechtsverwerking en/of misbruik van procesrecht, omdat [eiser] in de eerdere procedure soortgelijke vorderingen heeft ingesteld. Ook leidt de omstandigheid dat Burgerme c.s. zijn erkend als schuldeiser in het faillissement van [eiser] volgens Burgerme c.s. tot niet-ontvankelijkheid. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat [eiser] ontvankelijk is in zijn vorderingen, voeren Burgerme c.s. aan dat [eiser] gehouden is zekerheid te stellen voor de proceskosten.



4.3.

[eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 296 Fw bepaalt dat de saniet (in dit geval [eiser]) door de uitspraak tot toepassing van de Wsnp de bevoegdheid verliest om over de tot de boedel behorende goederen te beschikken. Op basis van artikel 25 lid 1 Fw in samenhang met artikel 313 Fw geldt als hoofdregel dat, gedurende de Wsnp, rechtsvorderingen die rechten of verplichtingen tot onderwerp hebben die tot de boedel behoren, door of tegen de bewindvoerder moeten worden ingesteld. Dit laat onverlet dat de saniet door toepassing van de Wsnp niet de bevoegdheid verliest om in rechte op te treden. Dat volgt uit artikel 25 lid 2 Fw in samenhang met artikel 313 Fw, waarin is bepaald dat wanneer een rechtsvordering door of tegen de saniet is ingesteld of voortgezet en een veroordeling tot gevolg heeft, die veroordeling tegenover de boedel geen rechtskracht heeft, maar wel tegenover de saniet. Omdat een eventuele veroordeling mogelijk niet op de saniet kan worden verhaald, komt de wederpartij, als de schuldenaar zelf procedeert, een beroep toe op niet-ontvankelijkheid van de saniet. De reden die hiervoor wordt gegeven is dat van de wederpartij niet mag worden verwacht dat hij/zij deelneemt aan de procedure, terwijl niet duidelijk is of hij/zij vanwege het faillissement of de schuldsanering van de eisende partij een eventuele proceskostenveroordeling kan verhalen. Dit een en ander zou betekenen dat de incidentele vordering van Burgerme c.s. moet worden toegewezen en dat [eiser] in zijn vorderingen jegens Burgerme c.s. niet-ontvankelijk moet worden verklaard.



4.5.
De rechtbank ziet echter reden om daar in onderhavig geval van af te wijken. Hiertoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de beëindigingsvergadering in het Wsnp-traject van [eiser] op korte termijn, 6 oktober 2026, is bepaald. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat de beëindigingsvergadering niet zal plaatsvinden op deze datum. Na het eindigen van de Wsnp zal een eventuele (proceskosten)veroordeling van [eiser] op zijn vermogen te verhalen zijn. Bovendien kan [eiser], indien de rechtbank hem niet-ontvankelijk zou verklaren, na het eindigen van de Wsnp op kennelijk korte termijn, de dagvaarding opnieuw uitbrengen. Daarvoor zou hij wel extra kosten moeten maken, terwijl zijn budget, zoals blijkt uit de processtukken en gelet op zijn positie als saniet, al krap is.



4.6.

[eiser] heeft, onweersproken door Burgerme c.s., gesteld dat de schuldsaneringspositie waarin [eiser] thans verkeert het gevolg is van zijn beslissing om een franchiseovereenkomst met Burgerme NL te sluiten. Indien hij thans niet kan procederen, terwijl hij wel als gevolg van een rechtsbijstandsverzekering, over middelen daartoe beschikt, kan hij degene die zijn huidige situatie mogelijk heeft veroorzaakt, daarvoor niet aanspreken.



4.7.
Daarnaast is de bewindvoerder van [eiser] door de advocaat van [eiser] geïnformeerd over het instellen van de rechtsvorderingen in de hoofdzaak. Eventueel aan [eiser] toe te wijzen bedragen zullen, na aftrek van kosten, als nagekomen baten aan de boedel toekomen. Verder heeft de rechter-commissaris toestemming verleend voor het instellen van de vorderingen in de hoofdzaak buiten bezwaar van de boedel. Alhoewel voor de rechtbank de wettelijke grondslag van deze toestemming niet duidelijk is, betekent dit wel dat [eiser] niet geheel op eigen houtje, maar slechts op eigen rekening, de procedure is aangevangen.



4.8.
Ten slotte leidt de rechtbank uit het verweer van [eiser] af dat hij, alhoewel daartoe een uitdrukkelijke wettelijke grondslag ontbreekt, bereid en in staat is om zekerheid te stellen voor de proceskosten. In de (subsidiair) aangevoerde stellingen van Burgerme c.s. leest de rechtbank dat zij het procederen door [eiser] niet uitgesloten achten, mits zekerheid wordt gesteld voor de proceskosten.



4.9.
De mogelijkheid dat zekerheid wordt gesteld voor proceskosten is algemeen aanvaard voor de situatie dat een procedure al aanhangig is op het moment dat een faillissement wordt uitgesproken. Artikel 27 Fw bepaalt voor die situatie dat de procedure wordt geschorst en de curator in de gelegenheid wordt gesteld zich uit te spreken over de voortzetting van de procedure. Indien de curator de procedure niet wil voortzetten, maar de failliet wel, kan de wederpartij ontslag van instantie vorderen. In dat geval zal de rechtbank moeten overwegen of de goede procesorde zich tegen het verzochte ontslag van instantie verzet. In de jurisprudentie wordt in het algemeen aanvaard dat de goede procesorde zich tegen het ontslag van instantie verzet, indien de failliet afdoende zekerheid stelt voor de proceskosten. Deze bepaling is ook van toepassing in geval van een schuldsanering.



4.10.
In de literatuur wordt verdedigd dat ook in een situatie als bedoeld in artikel 25 lid 2 Fw het aanbieden van zekerheid voor de proceskosten, reden zou moeten zijn een verzoek tot niet-ontvankelijkheid af te wijzen. Dit sluit ook aan bij de praktijk, die kennelijk bestaat en in dit geval ook is toegepast, dat de rechter-commissaris de saniet toestemming verleent om buiten bezwaar van de boedel om een procedure te beginnen. Door ook in die situatie het stellen van zekerheid voor de proceskosten verplicht te stellen, worden de rechten van de wederpartij beter gewaarborgd.



4.11.
Gelet op dit een en ander zal de rechtbank [eiser] in de gelegenheid stellen om zekerheid te stellen voor de proceskosten van Burgerme c.s. Als [eiser] zekerheid voor de proceskosten verstrekt, dan heeft Burgerme c.s. geen belang meer bij het verzoek tot niet-ontvankelijkheidverklaring, terwijl [eiser] wel een zwaarwegend belang heeft bij het kunnen instellen van de rechtsvorderingen in de hoofzaak.



4.12.
Burgerme c.s. leggen nog aan het verzoek tot niet-ontvankelijkheidverklaring ten grondslag dat sprake is van rechtsverwerking en/of misbruik van (proces)recht. Deze stelling slaagt niet. De omstandigheid dat in de eerdere procedure ontslag van instantie in de zin van artikel 27 lid 2 Fw is verleend, staat er niet aan in de weg dat [eiser] zijn vorderingen opnieuw kan instellen. Als gevolg van het verlenen van ontslag van instantie zijn de vorderingen van [eiser] immers niet inhoudelijk behandeld. De omstandigheid dat Burgerme c.s. als schuldeisers zijn erkend in het faillissement van [eiser] brengt evenmin mee dat [eiser] niet-ontvankelijk is. De procedure in de hoofdzaak kan immers leiden tot een verrekenbare tegenvordering op Burgerme c.s.



4.13.
Het voorgaande leidt ertoe dat [eiser] in de gelegenheid zal worden gesteld om zekerheid te stellen voor de proceskosten van Burgerme c.s., op straffe van niet-ontvankelijkheid. De te stellen zekerheid zal, op basis van de toepasselijke liquidatietarieven en uitgaande van een procesverloop zonder complicaties, ten aanzien van Burgerme c.s. (samen) worden vastgesteld op € 13.102 (te weten € 7.062 aan griffierecht, twee punten conform liquidatietarief VI à € 2.885 per punt en € 270 aan nakosten). Anders dan Burgerme c.s., neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat in de hoofdzaak de enige proceshandelingen voor Burgerme c.s. een conclusie van antwoord en een mondelinge behandeling zullen zijn. Burgerme c.s. hebben hun standpunt dat meer proceshandelingen nodig zijn onvoldoende toegelicht.



4.14.
Voor de wijze waarop zekerheid moet worden gesteld, moet worden aangesloten bij het bepaalde in artikel 6:51 BW. Artikel 6:51 lid 2 BW bepaalt dat de aangeboden zekerheid zodanig moet zijn, dat de wederpartij bij een proceskostenveroordeling ten gunste van haar zonder moeite verhaal kan nemen. Het is aan [eiser] om de vorm van de te stellen zekerheid te bepalen. De rechtbank ziet aanleiding om aan de zekerheidsstelling een termijn van vier weken te verbinden na de datum van deze uitspraak.



4.15.
Nu geen van de partijen in het incident kan worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij, zullen de proceskosten in het incident worden gecompenseerd.



het vrijwaringsincident





4.16.
GewoonDoen vordert dat het haar wordt toegestaan Burgerme c.s. en [gedaagde 3] in vrijwaring op te roepen en te dagvaarden tegen een terechtzitting die niet eerder zal zijn dan acht weken na dit vonnis.



4.17.
GewoonDoen voert daartoe aan dat Burgerme c.s. en [gedaagde 3] onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld door haar onjuist en/of onvolledig te informeren met betrekking tot de locatie van de Burgerme-vestiging in Beverwijk, terwijl die informatie van belang kon zijn voor haar advies aan [eiser]. GewoonDoen heeft daarom belang bij het vrijwaring oproepen van Burgerme c.s. en [gedaagde 3].



4.18.

[eiser] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.



4.19.
De rechtbank stelt voorop dat een vordering tot oproeping van een derde in vrijwaring in beginsel toewijsbaar is, indien voldoende gemotiveerd en concreet wordt gesteld dat men krachtens een rechtsverhouding met die derde recht en belang heeft om de nadelige gevolgen van een ongunstige afloop van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk op die derde te verhalen, dit in een zo veel mogelijk tegelijkertijd met de hoofdzaak te behandelen vrijwaringszaak.



4.20.
Gelet op de stellingen die GewoonDoen aan haar vordering tot oproeping in vrijwaring ten grondslag heeft gelegd, valt niet uit te sluiten dat GewoonDoen, indien de beslissing in de hoofdzaak voor haar nadelig zal uitvallen, verhaal heeft op Burgerme c.s. en [gedaagde 3]. De vordering tot oproeping in vrijwaring zal dan ook worden toegewezen.



4.21.

Nu geen van de partijen in het vrijwaringsincident kan worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij, zullen de proceskosten in het vrijwaringsincident worden gecompenseerd.

in de hoofdzaak





4.22.
De hoofdzaak zal worden verwezen naar de rolzitting van 14 oktober 2026 voor conclusie van antwoord.





5De beslissing


De rechtbank:




in het incident tot niet-ontvankelijkheid




5.1.
stelt [eiser] in de gelegenheid op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak voor wat betreft zijn vorderingen jegens Burgerme c.s., tot zekerheidstelling op uiterlijk 7 oktober 2026 voor een bedrag van € 13.102 ter zake van de proceskosten tot betaling waarvan hij in de hoofdzaak veroordeeld kan worden ten behoeve van Burgerme c.s.;



5.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;



5.3.
verklaart dit vonnis voor onderdeel 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;



5.4.
wijst het anders of meer gevorderde af;



in het vrijwaringsincident





5.5.
staat GewoonDoen toe om Burgerme c.s. en [gedaagde 3] in vrijwaring te dagvaarden tegen de rolzitting van 14 oktober 2026;



5.6.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak





5.7.
bepaalt dat de zaak op de rol van 14 oktober 2026 zal komen voor conclusie van antwoord;



5.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.



3219




HR 1 mei 1914, ECLI:NL:HR:1914:149


Zie de conclusie PG 7 februari 2020 ECLI:NL:PHR:2020:121, r.o. 2.35, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen de instemming van de RC of curator en op kosten van de boedel versus de instemming van de RC of curator maar de kosten buiten de boedel om.


F.M.J. Verstijlen in zijn noot, punt 6, onder HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1243, NJ 2020/235.