Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26493
2026-09-11
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.28698
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring, vervolgberoep, presentatie in persoon geregeld tijdens asielprocedure ondanks toezegging dat niet te doen, onbehoorlijk, onzorgvuldig en in strijd met vertrouwensbeginsel gehandeld door verweerder, voortduring daarom onevenredig bezwarend, beroep gegrond
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15564 Rechtbank Den Haag 09-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:5547 Raad van State 19-11-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.148 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28698
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2025 is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid,
juncto het zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende
maatregel opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 9 juni 2026 de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Akachar. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J. Kaikai. Het onderzoek is ter zitting gesloten.
Op 9 juni 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de asielprocedure van eiser. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend op 16 juni 2026.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 opnieuw op zitting behandeld. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt allereerst vast dat op de zitting van 10 juni 2026 is gebleken dat eiser op die datum nog in detentie verbleef. Verweerder heeft in dit verband toegezegd dat de vrijheidsontnemende maatregel alsnog op 10 juni 2026 daadwerkelijk zou worden opgeheven en dat aan eiser schadevergoeding zou worden toegekend.
2. De rechtbank overweegt verder dat zij deze vrijheidsontnemende maatregel al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 april 2026 (in de zaak NL26.20838) volgt dat de vrijheidsontneming tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. Eiser betoogt dat verweerder onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld door op 13 mei 2026 alsnog een presentatie in persoon te organiseren bij Algerije, ondanks verweerders toezegging op de zitting van 21 april 2026 dat niet te zullen doen. Volgens eiser moet dit leiden tot onrechtmatigheid van de maatregel. Eiser doet een beroep op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
19 november 2025.
4. In de eerdergenoemde uitspraak van 23 april 2026 is het volgende opgenomen:
“Ten slotte volgt de rechtbank de minister in zijn uitleg van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 november 2025, waarin is geoordeeld dat vreemdelingen niet in persoon mogen worden gepresenteerd bij hun vermoedelijke land van herkomst hangende de behandeling van het asielberoep. Hoewel in eisers geval in het asielbesluit is overwogen dat hij zijn beroep en zijn verzoek om een voorlopige voorziening niet mag afwachten in Nederland maakt de Afdeling geen onderscheid tussen de situatie waarin het beroep wél mag worden afgewacht en een situatie als die van eiser. De rechtbank leidt, net als de minister, daaruit af dat de minister ook in eisers geval nog niet mocht overgaan tot een presentatie in persoon, voor zover de Algerijnse vertegenwoordiging dat nodig acht. Op eisers asielberoep en zijn verzoek om een voorlopige voorziening is immers nog geen uitspraak gedaan.”
5. Niet is in geschil dat op 13 mei 2026 een presentatie in persoon bij de Algerijnse autoriteiten is gepland voor eiser. Eiser is echter niet verschenen om gepresenteerd te worden, zodat alleen een schriftelijke presentatie heeft plaatsgevonden. Hoewel de rechtbank geen reden ziet om aan te nemen dat verweerder de rechtbank op de zitting van 21 april 2026 doelbewust onjuist heeft ingelicht, meent de rechtbank toch dat het handelen van verweerder nadien, door hangende de asielprocedure van eiser een presentatie in persoon te plannen, gezien de eerdere toezegging van verweerder dat niet te doen en de overwegingen van de rechtbank in haar uitspraak van 23 april 2026, uiterst laakbaar is. Het handelen van verweerder moet worden gekenmerkt als onbehoorlijk, onzorgvuldig en in strijd met vertrouwensbeginsel. Het handelen van verweerder maakt dat de voortduring van de vrijheidsontneming onevenredig bezwarend en daarmee onrechtmatig is geweest. Dat feitelijk geen presentatie in persoon heeft plaatsgevonden maakt hierbij geen verschil.
6. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De vrijheidsontnemende maatregel is met ingang van 22 april 2026 onrechtmatig. Wat verder is aangevoerd, behoeft daarom geen nadere bespreking meer.
7. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen vanaf de voorgaande uitspraak voor 50 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 50 x € 120,-- (verblijf detentiecentrum) = € 6.000,--.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 6.000,--, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zaaknummers NL25.62547 en NL25.62548, ECLI:NL:RBDHA:2026:15564.
ECLI:NL:RVS:2025:5547.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28698
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2025 is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid,
juncto het zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende
maatregel opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 9 juni 2026 de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Akachar. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J. Kaikai. Het onderzoek is ter zitting gesloten.
Op 9 juni 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de asielprocedure van eiser. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend op 16 juni 2026.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 opnieuw op zitting behandeld. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt allereerst vast dat op de zitting van 10 juni 2026 is gebleken dat eiser op die datum nog in detentie verbleef. Verweerder heeft in dit verband toegezegd dat de vrijheidsontnemende maatregel alsnog op 10 juni 2026 daadwerkelijk zou worden opgeheven en dat aan eiser schadevergoeding zou worden toegekend.
2. De rechtbank overweegt verder dat zij deze vrijheidsontnemende maatregel al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 april 2026 (in de zaak NL26.20838) volgt dat de vrijheidsontneming tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. Eiser betoogt dat verweerder onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld door op 13 mei 2026 alsnog een presentatie in persoon te organiseren bij Algerije, ondanks verweerders toezegging op de zitting van 21 april 2026 dat niet te zullen doen. Volgens eiser moet dit leiden tot onrechtmatigheid van de maatregel. Eiser doet een beroep op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
19 november 2025.
4. In de eerdergenoemde uitspraak van 23 april 2026 is het volgende opgenomen:
“Ten slotte volgt de rechtbank de minister in zijn uitleg van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 november 2025, waarin is geoordeeld dat vreemdelingen niet in persoon mogen worden gepresenteerd bij hun vermoedelijke land van herkomst hangende de behandeling van het asielberoep. Hoewel in eisers geval in het asielbesluit is overwogen dat hij zijn beroep en zijn verzoek om een voorlopige voorziening niet mag afwachten in Nederland maakt de Afdeling geen onderscheid tussen de situatie waarin het beroep wél mag worden afgewacht en een situatie als die van eiser. De rechtbank leidt, net als de minister, daaruit af dat de minister ook in eisers geval nog niet mocht overgaan tot een presentatie in persoon, voor zover de Algerijnse vertegenwoordiging dat nodig acht. Op eisers asielberoep en zijn verzoek om een voorlopige voorziening is immers nog geen uitspraak gedaan.”
5. Niet is in geschil dat op 13 mei 2026 een presentatie in persoon bij de Algerijnse autoriteiten is gepland voor eiser. Eiser is echter niet verschenen om gepresenteerd te worden, zodat alleen een schriftelijke presentatie heeft plaatsgevonden. Hoewel de rechtbank geen reden ziet om aan te nemen dat verweerder de rechtbank op de zitting van 21 april 2026 doelbewust onjuist heeft ingelicht, meent de rechtbank toch dat het handelen van verweerder nadien, door hangende de asielprocedure van eiser een presentatie in persoon te plannen, gezien de eerdere toezegging van verweerder dat niet te doen en de overwegingen van de rechtbank in haar uitspraak van 23 april 2026, uiterst laakbaar is. Het handelen van verweerder moet worden gekenmerkt als onbehoorlijk, onzorgvuldig en in strijd met vertrouwensbeginsel. Het handelen van verweerder maakt dat de voortduring van de vrijheidsontneming onevenredig bezwarend en daarmee onrechtmatig is geweest. Dat feitelijk geen presentatie in persoon heeft plaatsgevonden maakt hierbij geen verschil.
6. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De vrijheidsontnemende maatregel is met ingang van 22 april 2026 onrechtmatig. Wat verder is aangevoerd, behoeft daarom geen nadere bespreking meer.
7. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen vanaf de voorgaande uitspraak voor 50 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 50 x € 120,-- (verblijf detentiecentrum) = € 6.000,--.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 6.000,--, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zaaknummers NL25.62547 en NL25.62548, ECLI:NL:RBDHA:2026:15564.
ECLI:NL:RVS:2025:5547.