Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26474
2026-09-10
Bestuursrecht
SGR 26/6816
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De bestuursrechter is niet bevoegd. In het geval van verzoekster gaat het om een beoordelingsbeslissing, namelijk of de dochter van verzoekers voldoet aan de vereisten om over te gaan naar het zesde leerjaar van het vwo. Hierbij wordt in de overgangsvergadering besproken of zij de vaardigheden heeft om over te gaan. Door de hoogste bestuursrechter is eerder bepaald dat artikel 8:4, derde lid, van de Awb juist geldt voor besluiten waaraan een beoordeling ten grondslag ligt van intellectuele en fysieke vaardigheden die door studie of oefening verkregen kunnen worden.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2019:1075 Raad van State 10-04-2019
- ECLI:NL:RVS:1999:ZF3777 Raad van State 16-04-1999
- ECLI:NL:GHARL:2019:5125 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-06-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.290 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/6816
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] e.a., uit [woonplaats] , verzoeker
en
Stichting Voortgezet Onderwijs Haaglanden, verweerder
(gemachtigde: mr. W. Lindeboom).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen het besluit van de directeur van lyceum [plaats] . Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Met het besluit van 3 augustus 2026 heeft de directeur van lyceum [plaats] het eerdere besluit van de docentenvergadering gehandhaafd inhoudende dat de dochter van verzoekers een jaar moet doubleren. Verzoekers hebben hiertegen een beroepschrift ingediend bij verweerder.
1.2.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is, doet hij uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom hij onbevoegd is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. De dochter van verzoekers heeft aan het einde van het schooljaar 2025/2026 te horen gekregen dat zij niet bevorderd wordt naar het zesde leerjaar van het vwo. Zij moet het vijfde leerjaar van het vwo overdoen. De dochter van verzoekers was een bespreekgeval en is daarom individueel besproken in de overgangsvergadering. In deze vergadering is geconstateerd dat het nu beter voor haar is de basis met een doublure van het vijfde leerjaar te verstevigen om een jaar later een redelijke kans te maken in het zesde leerjaar. Op 3 augustus 2026 heeft de directeur van de school bevestigd dat dit besluit in stand blijft. Verzoekers zijn het hier niet mee eens en hebben een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Wat vinden verzoekers?
3. Volgens verzoekers heeft er onvoldoende zorgvuldig onderzoek plaatsgevonden naar de situatie van hun dochter. Uit de overgelegde verklaring van de huisarts blijkt duidelijk dat het moeten overdoen van het vijfde leerjaar schadelijke gevolgen kan hebben voor [naam] . Daarbij komt dat de mentor van de dochter van verzoekers in de cruciale fase van de besluitvorming langdurig afwezig was waardoor deze niet is gekend in de beslissing. Ook is gebleken dat vakdocenten niet op de hoogte waren van de volledige medische situatie van [naam] . Er is gedurende het schooljaar geen passende ondersteuning geboden ondanks de bekende gezondheidsproblematiek. Indien geen voorlopige voorziening wordt getroffen, wordt [naam] gedwongen te doubleren. Hierdoor zal zij niet alleen studievertraging oplopen, maar ook worden geconfronteerd met ernstige gevolgen voor haar gezondheid en welzijn.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Is er sprake van een beoordeling van het kennen of kunnen van een leerling?
4. Artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing. Uit de toelichting op het laatste deel van deze bepaling blijkt dat daarmee onder meer is beoogd beroep uit te sluiten van iedere regeling van beoordelingsnormen voor examens en toetsen, op de grond dat deze regelingen ten nauwste verbonden zijn met beoordeling van kennen en kunnen en het achteraf vrijwel ondoenlijk is om examens nog in het algemeen te herzien. Bij de invoering van deze bepaling was de achterliggende gedachte dat dergelijke beoordelingsbeslissingen zich niet zouden lenen voor beoordeling door de administratieve rechter.
4.1.
Voor het openbaar onderwijs geldt dat een beoordelingsbeslissing wel als besluit in de zin van de Awb kan worden aangemerkt. Tegen zo’n besluit staat alleen geen beroep (en daarmee geen voorlopige voorzieningenprocedure) bij de bestuursrechter open. Het gaat hier namelijk om een beoordeling die ziet op het kennen of kunnen van een leerling. In het geval van verzoekster gaat het om een zo’n beoordelingsbeslissing, namelijk of de dochter van verzoekers voldoet aan de vereisten om over te gaan naar het zesde leerjaar van het vwo. Hierbij wordt in de overgangsvergadering besproken of zij de vaardigheden heeft om over te gaan. Door de hoogste bestuursrechter is eerder bepaald dat artikel 8:4, derde lid, van de Awb juist geldt voor besluiten waaraan een beoordeling ten grondslag ligt van intellectuele en fysieke vaardigheden die door studie of oefening verkregen kunnen worden. De bestuursrechter is dan ook niet bevoegd en daarmee heeft de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb evenmin een bevoegdheid om een voorlopige voorziening te treffen.
5. Nu er voor verzoekers geen mogelijkheid bestaat om het geschil aan de bestuursrechter voor te leggen kunnen zij zich wenden tot de burgerlijke rechter als zogenaamde “rest-rechter”.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter is onbevoegd om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om een voorlopige voorziening te treffen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. Uitgesproken op 10 september 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Algemene wet bestuursrecht.
Kamerstukken II (https://statengeneraaldigitaal.nl/uitgebreidzoeken/zoekresultaten?documentType=Kamerstukken&kamer%5b%5d=Tweede%20Kamer&vergaderjaar%5bvan%5d=1993%20-%201994&vergaderjaar%5btot%5d=1993%20-%201994&kamerstukken%5bkamerstuknummer%5d=23258&kamerstukken%5bondernummer%5d=5&idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust)1993/94, 23258, p. 5 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1075.
Kamerstukken II 1991/92, 22495, nr. 3, p. 105.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 april 1999, ECLI:NL:RVS:1999:ZF3777 en de uitspraak van het gerechtshof Arnhem Leeuwarden van 18 juni 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5125.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/6816
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] e.a., uit [woonplaats] , verzoeker
en
Stichting Voortgezet Onderwijs Haaglanden, verweerder
(gemachtigde: mr. W. Lindeboom).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen het besluit van de directeur van lyceum [plaats] . Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Met het besluit van 3 augustus 2026 heeft de directeur van lyceum [plaats] het eerdere besluit van de docentenvergadering gehandhaafd inhoudende dat de dochter van verzoekers een jaar moet doubleren. Verzoekers hebben hiertegen een beroepschrift ingediend bij verweerder.
1.2.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is, doet hij uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom hij onbevoegd is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. De dochter van verzoekers heeft aan het einde van het schooljaar 2025/2026 te horen gekregen dat zij niet bevorderd wordt naar het zesde leerjaar van het vwo. Zij moet het vijfde leerjaar van het vwo overdoen. De dochter van verzoekers was een bespreekgeval en is daarom individueel besproken in de overgangsvergadering. In deze vergadering is geconstateerd dat het nu beter voor haar is de basis met een doublure van het vijfde leerjaar te verstevigen om een jaar later een redelijke kans te maken in het zesde leerjaar. Op 3 augustus 2026 heeft de directeur van de school bevestigd dat dit besluit in stand blijft. Verzoekers zijn het hier niet mee eens en hebben een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Wat vinden verzoekers?
3. Volgens verzoekers heeft er onvoldoende zorgvuldig onderzoek plaatsgevonden naar de situatie van hun dochter. Uit de overgelegde verklaring van de huisarts blijkt duidelijk dat het moeten overdoen van het vijfde leerjaar schadelijke gevolgen kan hebben voor [naam] . Daarbij komt dat de mentor van de dochter van verzoekers in de cruciale fase van de besluitvorming langdurig afwezig was waardoor deze niet is gekend in de beslissing. Ook is gebleken dat vakdocenten niet op de hoogte waren van de volledige medische situatie van [naam] . Er is gedurende het schooljaar geen passende ondersteuning geboden ondanks de bekende gezondheidsproblematiek. Indien geen voorlopige voorziening wordt getroffen, wordt [naam] gedwongen te doubleren. Hierdoor zal zij niet alleen studievertraging oplopen, maar ook worden geconfronteerd met ernstige gevolgen voor haar gezondheid en welzijn.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Is er sprake van een beoordeling van het kennen of kunnen van een leerling?
4. Artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing. Uit de toelichting op het laatste deel van deze bepaling blijkt dat daarmee onder meer is beoogd beroep uit te sluiten van iedere regeling van beoordelingsnormen voor examens en toetsen, op de grond dat deze regelingen ten nauwste verbonden zijn met beoordeling van kennen en kunnen en het achteraf vrijwel ondoenlijk is om examens nog in het algemeen te herzien. Bij de invoering van deze bepaling was de achterliggende gedachte dat dergelijke beoordelingsbeslissingen zich niet zouden lenen voor beoordeling door de administratieve rechter.
4.1.
Voor het openbaar onderwijs geldt dat een beoordelingsbeslissing wel als besluit in de zin van de Awb kan worden aangemerkt. Tegen zo’n besluit staat alleen geen beroep (en daarmee geen voorlopige voorzieningenprocedure) bij de bestuursrechter open. Het gaat hier namelijk om een beoordeling die ziet op het kennen of kunnen van een leerling. In het geval van verzoekster gaat het om een zo’n beoordelingsbeslissing, namelijk of de dochter van verzoekers voldoet aan de vereisten om over te gaan naar het zesde leerjaar van het vwo. Hierbij wordt in de overgangsvergadering besproken of zij de vaardigheden heeft om over te gaan. Door de hoogste bestuursrechter is eerder bepaald dat artikel 8:4, derde lid, van de Awb juist geldt voor besluiten waaraan een beoordeling ten grondslag ligt van intellectuele en fysieke vaardigheden die door studie of oefening verkregen kunnen worden. De bestuursrechter is dan ook niet bevoegd en daarmee heeft de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb evenmin een bevoegdheid om een voorlopige voorziening te treffen.
5. Nu er voor verzoekers geen mogelijkheid bestaat om het geschil aan de bestuursrechter voor te leggen kunnen zij zich wenden tot de burgerlijke rechter als zogenaamde “rest-rechter”.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter is onbevoegd om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om een voorlopige voorziening te treffen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. Uitgesproken op 10 september 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Algemene wet bestuursrecht.
Kamerstukken II (https://statengeneraaldigitaal.nl/uitgebreidzoeken/zoekresultaten?documentType=Kamerstukken&kamer%5b%5d=Tweede%20Kamer&vergaderjaar%5bvan%5d=1993%20-%201994&vergaderjaar%5btot%5d=1993%20-%201994&kamerstukken%5bkamerstuknummer%5d=23258&kamerstukken%5bondernummer%5d=5&idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust)1993/94, 23258, p. 5 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1075.
Kamerstukken II 1991/92, 22495, nr. 3, p. 105.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 april 1999, ECLI:NL:RVS:1999:ZF3777 en de uitspraak van het gerechtshof Arnhem Leeuwarden van 18 juni 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5125.