Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26467
2026-09-11
Strafrecht; Materieel strafrecht
09/767178-13 (ontneming) en 09/817921-14 (ontneming) (ttz. gev.)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Declaratoir ontnemingsvonnis. Schikking. Zaak is van rechtswege geëindigd ingevolge artikel 6:4:18 Sv.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.650 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/767178-13 (ontneming) en 09/817921-14 (ontneming) (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 11 september 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr)
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde]
,
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1De vordering en het procesverloop
Op 18 januari 2018 heeft de officier van justitie een vordering ingediend die strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een bedrag van € 35.790,02.
De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 16 februari 2018 en 5 juli 2023. Tijdens laatstgenoemde zitting is het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, waarna een aantal schriftelijke rondes met conclusiewisselingen hebben plaatsgevonden tussen de officier van justitie en de raadsman van de veroordeelde. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan.
De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting op 28 augustus 2026 hervat. Tijdens deze zitting heeft zij kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen.
De veroordeelde en zijn raadsman, mr. D.C.E. Timmermans, zijn – met voorafgaand bericht – niet verschenen.
2Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting bevestigd dat op grond van het bepaalde in artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een schikking is getroffen tussen het Openbaar Ministerie en de veroordeelde, welke schikking (onder meer) inhoudt de betaling aan de Staat van een overeengekomen geldbedrag van € 15.000,00.
Inmiddels is door betaling van voornoemd bedrag in termijnen aan de uitvoering van die schikking gevolg gegeven, zoals blijkt uit de brief van 2 april 2026 van het Centraal Justitieel Incasso Bureau.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht in een declaratoir vonnis te bepalen dat de ontnemingszaak van rechtswege is geëindigd.
3Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de veroordeelde heeft per e-mailbericht van 27 augustus 2026 aan de rechtbank medegedeeld dat de veroordeelde inderdaad aan de uit de schikking voortvloeiende betalingsverplichtingen heeft voldaan en dat hij zich kan vinden in het verzoek van de officier van justitie.
4Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie op 21 november 2023 een schikking met de veroordeelde is aangegaan tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van het ingevolge artikel 36e Sr voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel, en dat aan de termen van de schikking is voldaan.
In het stelsel van strafvordering ligt besloten dat een eenmaal aangevangen ontnemingsprocedure wordt afgesloten met een rechterlijke uitspraak. Een uitzondering hierop kan alleen worden aangenomen in die gevallen waarin de wet expliciet regelt dat deze hoofdregel niet van toepassing is. In het geval van een ontnemingsvordering geldt deze uitzondering wanneer een schikking als bedoeld in artikel 511c Sv tot stand is gekomen en aan de termen van die schikking door de verdachte is voldaan. In artikel 6:4:18 Sv is bepaald dat door voldoening aan die termen, in het geval de vordering al is ingediend zoals in dit geval, de zaak van rechtswege is geëindigd. Daarom zal de rechtbank verstaan dat de ontnemingszaak van rechtswege is geëindigd.
5De beslissing
De rechtbank verstaat dat de zaak van rechtswege is geëindigd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S. Pereth, voorzitter,
mr. F.C. Berg, rechter,
mr. T.A.B. Mentink, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 september 2026.
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/767178-13 (ontneming) en 09/817921-14 (ontneming) (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 11 september 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr)
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde]
,
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1De vordering en het procesverloop
Op 18 januari 2018 heeft de officier van justitie een vordering ingediend die strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een bedrag van € 35.790,02.
De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 16 februari 2018 en 5 juli 2023. Tijdens laatstgenoemde zitting is het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, waarna een aantal schriftelijke rondes met conclusiewisselingen hebben plaatsgevonden tussen de officier van justitie en de raadsman van de veroordeelde. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan.
De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting op 28 augustus 2026 hervat. Tijdens deze zitting heeft zij kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen.
De veroordeelde en zijn raadsman, mr. D.C.E. Timmermans, zijn – met voorafgaand bericht – niet verschenen.
2Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting bevestigd dat op grond van het bepaalde in artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een schikking is getroffen tussen het Openbaar Ministerie en de veroordeelde, welke schikking (onder meer) inhoudt de betaling aan de Staat van een overeengekomen geldbedrag van € 15.000,00.
Inmiddels is door betaling van voornoemd bedrag in termijnen aan de uitvoering van die schikking gevolg gegeven, zoals blijkt uit de brief van 2 april 2026 van het Centraal Justitieel Incasso Bureau.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht in een declaratoir vonnis te bepalen dat de ontnemingszaak van rechtswege is geëindigd.
3Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de veroordeelde heeft per e-mailbericht van 27 augustus 2026 aan de rechtbank medegedeeld dat de veroordeelde inderdaad aan de uit de schikking voortvloeiende betalingsverplichtingen heeft voldaan en dat hij zich kan vinden in het verzoek van de officier van justitie.
4Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie op 21 november 2023 een schikking met de veroordeelde is aangegaan tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van het ingevolge artikel 36e Sr voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel, en dat aan de termen van de schikking is voldaan.
In het stelsel van strafvordering ligt besloten dat een eenmaal aangevangen ontnemingsprocedure wordt afgesloten met een rechterlijke uitspraak. Een uitzondering hierop kan alleen worden aangenomen in die gevallen waarin de wet expliciet regelt dat deze hoofdregel niet van toepassing is. In het geval van een ontnemingsvordering geldt deze uitzondering wanneer een schikking als bedoeld in artikel 511c Sv tot stand is gekomen en aan de termen van die schikking door de verdachte is voldaan. In artikel 6:4:18 Sv is bepaald dat door voldoening aan die termen, in het geval de vordering al is ingediend zoals in dit geval, de zaak van rechtswege is geëindigd. Daarom zal de rechtbank verstaan dat de ontnemingszaak van rechtswege is geëindigd.
5De beslissing
De rechtbank verstaat dat de zaak van rechtswege is geëindigd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S. Pereth, voorzitter,
mr. F.C. Berg, rechter,
mr. T.A.B. Mentink, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 september 2026.