Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26391

2026-08-11 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/707317 / JE RK 26-1072
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-09-11
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/707317 / JE RK 26-1072
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beschikking van de kinderrechter tot verlenging ondertoezichtstelling (artikel 1:260 BW) en machtiging tot uithuisplaatsing (artikel 1:265b eerste lid BW).

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.395 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Jeugd- en Zorgrecht



Zaaknummer: C/09/707317 / JE RK 26-1072
Datum uitspraak: 11 augustus 2026




Beschikking van de kinderrechter tot verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van




Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. R. Sarican te Den Haag,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat: mr. M.S. Polat te Rijswijk.





[grootmoeder vz]
en [grootvader vz]
hierna te noemen: de grootouders vaderszijde,
wonende in [woonplaats 1].





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 juni 2026;


het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) als bedoeld in artikel 1:265j lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van 17 juni 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:



[naam] namens de gecertificeerde instelling;


de vader, bijgestaan door zijn advocaat die via een videoverbinding aan de zitting deelnam;


- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.


De grootouders vaderszijde zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de grootouders vaderszijde wel juist zijn opgeroepen.






2De feiten


2.1.

[minderjarige] is erkend door de vader.



2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.3.

[minderjarige] verblijft met de vader, bij de grootouders.



2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 16 augustus 2026 en de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 16 augustus 2026.




3Het verzoek en de gronden


3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in de categorie overig voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] wordt voornamelijk opgevoed door de vader en de oma. [minderjarige] wordt gestimuleerd in haar spraakontwikkeling, motoriek en gezondheid. De vader en [minderjarige] zullen binnenkort naar een eigen woning verhuizen. De betrokken hulpverleners vanuit VUHP zullen de vader ondersteunen en een plan maken voor wat hij nodig heeft wanneer hij volledig zelfstandig de zorg voor [minderjarige] draagt. Tijdens de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de moeder wordt gezien dat de band sterker wordt. De moeder reageert goed op [minderjarige] , stimuleert en begrenst haar. De omgangsmomenten worden langzaam uitbreid en er wordt binnenkort gestart met een overnachting. De gecertificeerde instelling maakt zich echter nog steeds zorgen om de moeizame communicatie en samenwerking tussen de vader en de moeder. Beiden hebben de relatiebreuk nog niet geaccepteerd en lijken ook nog de wens te hebben om samen vorm te geven aan het ouderschap. Zij verschillen echter in de manier waarop zij dit willen waardoor dit niet lukt en er escalaties ontstaan. De vader en de moeder zijn op die momenten onvoldoende in staat om in het belang van [minderjarige] te denken. Hulpverleners van VUHP zien dat er nog steeds veel spanningen merkbaar zijn tijdens de overdrachten waardoor het belangrijk is dat deze nog steeds worden begeleid. De gecertificeerde instelling wil het komend jaar werken aan het stabiliseren van de omgang tussen [minderjarige] en de moeder. Daarnaast is de gecertificeerde instelling voornemens te werken aan de onderlinge samenwerking tussen de vader en de moeder en hun emotieregulatie. Hiervoor wordt advies gevraagd bij [zorginstantie].







4De standpunten van de belanghebbenden


4.1.
Door en namens de vader is ingestemd met het verzochte. De vader vindt het jammer dat het lang heeft geduurd voordat VUHP betrokken is geraakt, maar is positief dat zij niet echt zorgen hebben over de vader en dat hij binnenkort met [minderjarige] naar zijn eigen woning kan. De vader hoopt dat de moeder haar toestemming zal geven om [minderjarige] op zijn adres in te schrijven.



4.2.
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzochte. De moeder vraagt om de duur van de maatregelen te bekorten en uit te spreken voor een periode van zes maanden met aanhouding van het overige. De moeder staat ervoor open om te werken aan het verbeteren van de communicatie met de vader. De omgangsmomenten met [minderjarige] verlopen goed en er wordt binnenkort gestart met overnachtingen. De moeder merkt daarbij op dat ze graag ziet dat de logeernachten gaan plaatsvinden in het weekend vanwege de verplichtingen die zij doordeweeks heeft.





5De beoordeling


5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.



5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Die bedreiging is hoofdzakelijk gelegen in de moeizame en conflictueuze relatie van de vader en de moeder. Die verstandhouding wordt gekenmerkt door conflicten en escalaties, Veilig Thuis-meldingen en negatieve uitlatingen over en weer. De ouders kunnen niet nalaten het elkaar moeilijk te maken. Dat levert vaak grote spanningen op die voelbaar zijn tijdens de overdracht bij de omgangsmomenten. Dit is belastend voor [minderjarige] . Het lukt de vader en de moeder niet om in het belang van [minderjarige] te communiceren. [minderjarige] is nog erg jong; de ouders zullen de komende jaren de nodige gezagsbeslissingen over haar moeten nemen en daarvoor is het noodzakelijk dat zij constructief communiceren en samenwerken. Het lukt hen niet om dat op eigen kracht vorm te geven, daarom zal voor zowel de vader als de moeder hulpverlening moeten worden ingezet om dat te verbeteren. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dat onderzocht wordt welke hulpverlening daarvoor passend is. Daarnaast zal gewerkt worden aan het stabiliseren en uitbreiden van de omgang tussen [minderjarige] en de moeder. Ook dat vergt een soepele communicatie en goede afstemming, waartoe de ouders nu (nog) niet zelfstandig in staat zijn. Het is noodzakelijk dat de jeugdbeschermer hier zicht op houdt. [minderjarige] ontwikkelt zich goed bij de vader en de grootouders. De gecertificeerde instelling heeft er vertrouwen in dat die lijn zich voortzet als de vader binnenkort samen met [minderjarige] verhuist. Hij zal dan ondersteuning bij de opvoeding krijgen van VUHP. De machtiging tot uithuisplaatsing zal daarom worden verleend. De gecertificeerde instelling heeft verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing in de categorie ‘overig’. De kinderrechter begrijpt uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht dat de gecertificeerde instelling hiermee bedoelt dat [minderjarige] bij de vader geplaatst wordt, zij zal immers met hem mee verhuizen naar zijn nieuwe woning. Daarom zal de kinderrechter een machtiging verlenen voor de plaatsing van [minderjarige] in de categorie ‘overig’, te weten bij de vader met gezag. Een machtiging voor de duur van een jaar, zoals verzocht, is weliswaar lang voor een kind van zo jonge leeftijd, maar de hiervoor geschetste omstandigheden geven grond voor een plaatsing voor langere duur, waarbij zwaar weegt dat het gaat om een plaatsing bij een van de ouders met gezag en er frequent en opbouwend contact met de andere ouder plaatsvindt.



5.3.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar verlengen en zal een machtiging verlenen om [minderjarige] gedurende de dag en de nacht uit huis te plaatsen bij de vader met gezag voor de duur van de ondertoezichtstelling.


5.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.



5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 16 augustus 2027;



6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in de categorie overig, te weten bij de vader met gezag, met ingang van 16 augustus 2026 tot 16 augustus 2027;


6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026 door mr. M.H. Rochat, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier. De schriftelijke uitwerking daarvan is vastgesteld op 31 augustus 2026.









Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:260 BW.


Artikel 1:265b, eerste lid, BW.


Artikel 2 Besluit gezagsregisters.