Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26346
2026-08-11
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/707899 / JE RK 26-1119
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing wordt afgewezen
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.808 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
C/09/707899 / JE RK 26-1119
11 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter
Afwijzing verzoek tot vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing
in de zaak naar aanleiding van het op 25 juni 2026 ingekomen verzoekschrift van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Erkens te Den Haag,
betreffende:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
Leges des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
de gecertificeerde instelling,
gevestigd te Almere,
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie te Den Haag
Het procesverloop
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift.
Op 28 juli 2026 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Dit betrof een gecombineerde zitting waarbij ook het kort geding met zaaknummer C/09/707984 / KG ZA 26-726 is behandeld. Op dit kort geding is bij vonnis van 11 augustus 2026 beslist. Op de zitting zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
- [naam 3], namens de Raad voor de Kinderbescherming.
[minderjarige] is op 28 juli 2026 in raadkamer gehoord.
Feiten
- De ouders hebben een affectieve relatie gehad waaruit [minderjarige] is geboren. De relatie is in 2018 definitief geëindigd. Partijen hebben sindsdien diverse procedures met elkaar gevoerd, onder meer over gezag en omgang en er is tevens hulpverlening ingeschakeld. De vader heeft [minderjarige] erkend. Bij beschikking van 10 augustus 2023 heeft de rechtbank Den Haag een omgangsregeling bepaald met de vader van een zaterdag en een woensdagmiddag per veertien dagen.
- De kinderrechter heeft tevens een ondertoezichtstelling uitgesproken in verband met ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige]. De kinderrechter heeft bij beschikking van 21 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 1 september 2026.
- De vader en de moeder zijn op grond van een beschikking van het gerechtshof Den Haag van 17 december 2025 gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
- De gecertificeerde instelling heeft de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven op 11 juni 2026, ertoe strekkende dat de moeder haar medewerking verleent aan:
- de omgangsregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 10 augustus 2023 en waarbij de moeder [minderjarige] haalt en brengt;
- de hulpverlening, waaronder het NIKA-traject;
- de samenwerking met de gecertificeerde instelling, waarbij de moeder openstaat voor het maken van afspraken met haarzelf en/of [minderjarige] en huisbezoeken.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt er toe voormelde schriftelijke aanwijzing geheel (of gedeeltelijk) vervallen te verklaren.
De gecertificeerde instelling heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Wettelijk kader*Nu het verzoek binnen twee weken na toezending of uitreiking van genoemde beslissing aan de verzoek*ster ter griffie van deze rechtbank is ingediend, is verzoek*ster ontvankelijk in zijn*haar verzoek.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:263, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de gecertificeerde instelling ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De gecertificeerde instelling kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel volgen de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op. Op grond van artikel 1:264, eerste lid BW kan de kinderrechter, op verzoek van de met gezag belaste ouder, een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Volgens het derde lid van dit artikel bedraagt de termijn voor het indienen van het verzoek twee weken en vangt die termijn aan met ingang van de dag na die waarop de schriftelijke aanwijzing is verzonden of uitgereikt.
Ontvankelijkheid
Nu het verzoek binnen twee weken na toezending of uitreiking van genoemde beslissing aan de verzoekster ter griffie van deze rechtbank is ingediend, is de moeder ontvankelijk in haar verzoek.
Beoordeling formele verweren
De moeder is het niet eens met de schriftelijke aanwijzing. Allereerst heeft zij een aantal formele bezwaren naar voren gebracht. Zo is zij van mening dat de procedure rondom de schriftelijke aanwijzing niet op de juiste manier is doorlopen. Volgens de moeder heeft de gecertificeerde instelling in strijd gehandeld met het hoorrecht en is er geen sprake van een zorgvuldige besluitvorming. Verder is de moeder van mening dat de schriftelijke aanwijzing niet voldoet aan de wettelijke eisen die daaraan worden gesteld. Zo draagt de schriftelijke aanwijzing niet bij aan de uitvoering van de taken van de gecertificeerde instelling, is er geen samenhang met de verzorging en opvoeding van [minderjarige], dient de schriftelijke aanwijzing niet ter uitvoering van het hulpverleningsplan en wordt daarmee ook niet de ontwikkelingsbedreiging weggenomen, aldus de moeder.
Zoals reeds op de zitting is aangegeven, gaat de kinderrechter voorbij aan de formele bezwaren van de moeder. Hoewel de motivering van de beslissing om het verweer van de moeder ter zijde te schuiven summier is, kan niet worden gesteld dat een voldoende motivering ontbreekt. De moeder is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen een schriftelijke aanwijzing op te leggen en haar reactie is, blijkens de bewoordingen van de schriftelijke aanwijzing, ook gelezen en beoordeeld. Het enkele feit dat de mening van de moeder niet heeft geleid tot aanpassing van de voorgenomen schriftelijke aanwijzing maakt ook niet, dat er om die reden van moet worden uitgegaan dat het hoorrecht is geschonden. Naar het oordeel van de kinderrechter hangt de schriftelijke aanwijzing bovendien wel degelijk samen met de verzorging en opvoeding van [minderjarige], nu blijkens de OTS-beschikking een van de doelen van de ondertoezichtstelling juist is dat [minderjarige] onbelast en positief contact heeft met de vader. De aanwijzing houdt rechtstreeks verband met die doelen.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de overgelegde stukken en wat op de zitting is besproken, is gebleken dat de moeder zich grote zorgen maken over het welzijn van [minderjarige] bij de vader. Er zijn al jaren zorgwekkende signalen, aldus de moeder, en [minderjarige] toont ook aanzienlijke weerstand tegen contact met de vader. Deze weerstand is volgens de moeder enorm toegenomen na een incident in mei 2026, toen [minderjarige] na een val verschillende verwondingen heeft opgelopen en een tand uit haar mond is gevallen. De kinderrechter stelt vast dat de toedracht van de val, de omvang en ernst van de verwondingen en de rol van de vader daarbij, tussen partijen in geschil zijn. Vast staat wel dát [minderjarige] is gevallen en zich daarbij heeft bezeerd. Naar aanleiding van dit incident heeft de moeder eenzijdig besloten de zorgregeling niet langer na te komen. Sindsdien is [minderjarige] niet meer bij de vader geweest.
De kinderrechter heeft zelf geconstateerd dat [minderjarige] zich momenteel enorm verzet tegen contact met de vader als haar daarnaar wordt gevraagd. De kinderrechter is geschrokken van de heftigheid van [minderjarige] in het gesprek en haar manier van zich uiten. De kinderrechter acht de mate van weerstand dusdanig bijzonder, dat het essentieel is dat wordt onderzocht wat precies de oorzaak hiervan is. Zelfs als zou worden uitgegaan van incidenten bij de vader thuis waarbij de vader een negatieve rol speelt (wat door de vader gemotiveerd wordt betwist), is het gedrag van [minderjarige] dermate extreem, dat niet onbegrijpelijk is dat de gecertificeerde instelling het vermoeden heeft dat er meer aan de hand is en dat mogelijk sprake is van ouderonthechting. Dit moet dan ook met spoed worden onderzocht. De kinderrechter acht het daarom van groot belang dat het NIKA-traject en ook het deskundigenonderzoek waar op de zitting over is gesproken zo spoedig mogelijk worden hervat, c.q. worden opgestart.
Op de zitting is gebleken dat het NIKA-traject al is gestart maar weer is stopgezet omdat de contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] geen doorgang meer hebben gevonden. Voor het voortzetten van het NIKA-traject is het essentieel dat de thuissituatie van [minderjarige] bij beide ouders wordt bekeken. Het is dus van belang dat [minderjarige] snel weer naar de vader gaat, zodat de interactie in de thuissituatie kan worden beoordeeld en dat ook de moeder meewerkt aan het traject bij haar thuis. Dit betekent dat de kinderrechter niet alleen van oordeel is dat het NIKA-traject moet worden voortgezet, maar ook dat de zorgregeling zo spoedig mogelijk moet worden hervat. Indien de zorgen van de moeder al dan niet deels terecht zijn en er sprake is van (een mate van) onveiligheid bij de vader thuis, zal dit uit het NIKA-traject kunnen blijken en kan naar aanleiding daarvan zo nodig worden ingegrepen door de jeugdbeschermers. Op dit moment zijn er onvoldoende objectieve aanknopingspunten om aan te nemen dat [minderjarige] wordt mishandeld als zij bij de vader is en die stelling van de moeder vormt dan ook geen reden om de zorgregeling te staken. Ook de mening van [minderjarige] is in dit geval niet doorslaggevend. [minderjarige] heeft weliswaar in het kindgesprek veel weerstand laten zien, maar niet valt uit te sluiten dat een en ander is te wijten aan een extreem loyaliteitsconflict. Daarbij komt dat [minderjarige] pas acht jaar oud is. Hoewel haar stem gehoord moet worden is zij nog te jong om zelf te kunnen beslissen. Daarnaast blijft gelden dat het in beginsel in het belang van kinderen is dat zij contact hebben met beide ouders, mits dat veilig is. Nu er sprake is van een OTS, er twee jeugdbeschermers zijn betrokken, het NIKA-traject zal worden voortgezet, en er naar alle waarschijnlijkheid ook een deskundigenonderzoek zal gaan plaatsvinden, is de veiligheid van [minderjarige] vooralsnog voldoende gewaarborgd. Bovendien komt er door hervatting van de omgang (en het NIKA-traject) op korte termijn meer zicht op de contactmomenten tussen de vader en [minderjarige]. De kinderrechter weegt daarbij nog mee dat er in het verleden al een traject begeleide omgang heeft plaatsgevonden waar geen contra-indicaties voor onbegeleide contactmomenten zijn gesignaleerd en de zorgregeling onbegeleid is voortgezet.
Nu de moeder eigenmachtig de zorgregeling heeft gestaakt heeft de kinderrechter er onvoldoende vertrouwen in dat de moeder de zorgregeling en het Nika-traject op eigen initiatief weer zal voortzetten. Gelet daarop acht de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing begrijpelijk en is het noodzakelijk dat de schriftelijke aanwijzing in stand blijft voor wat betreft het nakomen van de zorgregeling zoals bepaald in de beschikking van 10 augustus 2023, het zelf halen en brengen van [minderjarige] en het meewerken aan het NIKA-traject. Over het halen en brengen merkt de kinderrechter nog op dat het halen en brengen dient plaats te vinden zoals is bepaald in de beschikking van 10 augustus 2023. Dat betekent dat de vader [minderjarige] woensdag zelf ophaalt op school. Voor de overige contactmomenten geldt dat de moeder [minderjarige] zelf dient op te halen en te brengen, tenzij zij vanwege haar werk verhinderd is. De stelling van de moeder dat in de beschikking is bedoeld dat de moeder slechts verantwoordelijk is voor het halen en brengen en niet zelf hoeft te gaan wordt gepasseerd. Het zelf halen en brengen geeft een signaal aan [minderjarige] af dat de moeder emotionele toestemming verleent om naar de vader te gaan, zoals het hof in zijn beschikking van 10 april 2024 ook met zoveel woorden heeft overwogen. Slechts ingeval haar werkrooster het onmogelijk maakt zelf te halen en brengen is de moeder gerechtigd hulp in te schakelen voor het halen en brengen, bijvoorbeeld haar moeder. De kinderrechter begrijpt dat de moeder haar werkrooster niet met de vader wenst te delen maar acht het daarom aangewezen dat de moeder haar rooster met de gecertificeerde instelling deelt en daarbij vermeldt op welke dagen zij [minderjarige] niet zelf kan brengen en/of halen.
Tot slot ziet de schriftelijke aanwijzing op de medewerking van de moeder met de gecertificeerde instelling, waarbij de moeder open dient te staan voor het maken van afspraken met haarzelf of met [minderjarige] en voor huisbezoeken. Voor zover de moeder meent dat deze aanwijzing te ruim geformuleerd is, volgt de kinderrechter haar daarin niet. Duidelijk is dat de gecertificeerde instelling van de moeder vergt mee te werken aan noodzakelijk overleg over [minderjarige], en daartoe afspraken te maken en huisbezoeken toe te staan. Dat is voldoende concreet. Dat deze aanwijzing is gegeven is ook niet onbegrijpelijk, nu gebleken is dat de moeder voorheen geregeld niet of niet tijdig heeft meegewerkt aan het plannen van afspraken en huisbezoeken en/of onredelijke eisen heeft gesteld aan de termijn waarbinnen kon worden gepland. Indien er sprake is van een concrete afspraak of ander punt waarop haar medewerking wordt gevraagd, en de moeder meent dat in dat concrete geval een onredelijke eis aan haar wordt gesteld, heeft de moeder overigens de mogelijkheid om specifiek daartegen in bezwaar te gaan. De omstandigheid dat de moeder, onder de druk van de procedure, vrij recent uiteindelijk een huisbezoek heeft toegestaan, laat onverlet dat er alle reden was voor het geven van de aanwijzing. De kinderrechter ziet daarom ook op dit punt geen aanleiding om de aanwijzing vervallen te verklaren.
Conclusie
Gelet op het voorgaande wordt het verzoek van de moeder tot het (gedeeltelijk) vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing afgewezen.
Beslissing
De kinderrechter:
wijst af het verzoek tot vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 11 augustus 2026.
Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen deze beslissing geen hoger beroep open, maar slechts cassatie in het belang der wet.
Team Jeugd- en Zorgrecht
C/09/707899 / JE RK 26-1119
11 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter
Afwijzing verzoek tot vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing
in de zaak naar aanleiding van het op 25 juni 2026 ingekomen verzoekschrift van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Erkens te Den Haag,
betreffende:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
Leges des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
de gecertificeerde instelling,
gevestigd te Almere,
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie te Den Haag
Het procesverloop
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift.
Op 28 juli 2026 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Dit betrof een gecombineerde zitting waarbij ook het kort geding met zaaknummer C/09/707984 / KG ZA 26-726 is behandeld. Op dit kort geding is bij vonnis van 11 augustus 2026 beslist. Op de zitting zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
- [naam 3], namens de Raad voor de Kinderbescherming.
[minderjarige] is op 28 juli 2026 in raadkamer gehoord.
Feiten
- De ouders hebben een affectieve relatie gehad waaruit [minderjarige] is geboren. De relatie is in 2018 definitief geëindigd. Partijen hebben sindsdien diverse procedures met elkaar gevoerd, onder meer over gezag en omgang en er is tevens hulpverlening ingeschakeld. De vader heeft [minderjarige] erkend. Bij beschikking van 10 augustus 2023 heeft de rechtbank Den Haag een omgangsregeling bepaald met de vader van een zaterdag en een woensdagmiddag per veertien dagen.
- De kinderrechter heeft tevens een ondertoezichtstelling uitgesproken in verband met ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige]. De kinderrechter heeft bij beschikking van 21 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 1 september 2026.
- De vader en de moeder zijn op grond van een beschikking van het gerechtshof Den Haag van 17 december 2025 gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
- De gecertificeerde instelling heeft de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven op 11 juni 2026, ertoe strekkende dat de moeder haar medewerking verleent aan:
- de omgangsregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 10 augustus 2023 en waarbij de moeder [minderjarige] haalt en brengt;
- de hulpverlening, waaronder het NIKA-traject;
- de samenwerking met de gecertificeerde instelling, waarbij de moeder openstaat voor het maken van afspraken met haarzelf en/of [minderjarige] en huisbezoeken.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt er toe voormelde schriftelijke aanwijzing geheel (of gedeeltelijk) vervallen te verklaren.
De gecertificeerde instelling heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Wettelijk kader*Nu het verzoek binnen twee weken na toezending of uitreiking van genoemde beslissing aan de verzoek*ster ter griffie van deze rechtbank is ingediend, is verzoek*ster ontvankelijk in zijn*haar verzoek.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:263, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de gecertificeerde instelling ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De gecertificeerde instelling kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel volgen de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op. Op grond van artikel 1:264, eerste lid BW kan de kinderrechter, op verzoek van de met gezag belaste ouder, een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Volgens het derde lid van dit artikel bedraagt de termijn voor het indienen van het verzoek twee weken en vangt die termijn aan met ingang van de dag na die waarop de schriftelijke aanwijzing is verzonden of uitgereikt.
Ontvankelijkheid
Nu het verzoek binnen twee weken na toezending of uitreiking van genoemde beslissing aan de verzoekster ter griffie van deze rechtbank is ingediend, is de moeder ontvankelijk in haar verzoek.
Beoordeling formele verweren
De moeder is het niet eens met de schriftelijke aanwijzing. Allereerst heeft zij een aantal formele bezwaren naar voren gebracht. Zo is zij van mening dat de procedure rondom de schriftelijke aanwijzing niet op de juiste manier is doorlopen. Volgens de moeder heeft de gecertificeerde instelling in strijd gehandeld met het hoorrecht en is er geen sprake van een zorgvuldige besluitvorming. Verder is de moeder van mening dat de schriftelijke aanwijzing niet voldoet aan de wettelijke eisen die daaraan worden gesteld. Zo draagt de schriftelijke aanwijzing niet bij aan de uitvoering van de taken van de gecertificeerde instelling, is er geen samenhang met de verzorging en opvoeding van [minderjarige], dient de schriftelijke aanwijzing niet ter uitvoering van het hulpverleningsplan en wordt daarmee ook niet de ontwikkelingsbedreiging weggenomen, aldus de moeder.
Zoals reeds op de zitting is aangegeven, gaat de kinderrechter voorbij aan de formele bezwaren van de moeder. Hoewel de motivering van de beslissing om het verweer van de moeder ter zijde te schuiven summier is, kan niet worden gesteld dat een voldoende motivering ontbreekt. De moeder is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen een schriftelijke aanwijzing op te leggen en haar reactie is, blijkens de bewoordingen van de schriftelijke aanwijzing, ook gelezen en beoordeeld. Het enkele feit dat de mening van de moeder niet heeft geleid tot aanpassing van de voorgenomen schriftelijke aanwijzing maakt ook niet, dat er om die reden van moet worden uitgegaan dat het hoorrecht is geschonden. Naar het oordeel van de kinderrechter hangt de schriftelijke aanwijzing bovendien wel degelijk samen met de verzorging en opvoeding van [minderjarige], nu blijkens de OTS-beschikking een van de doelen van de ondertoezichtstelling juist is dat [minderjarige] onbelast en positief contact heeft met de vader. De aanwijzing houdt rechtstreeks verband met die doelen.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de overgelegde stukken en wat op de zitting is besproken, is gebleken dat de moeder zich grote zorgen maken over het welzijn van [minderjarige] bij de vader. Er zijn al jaren zorgwekkende signalen, aldus de moeder, en [minderjarige] toont ook aanzienlijke weerstand tegen contact met de vader. Deze weerstand is volgens de moeder enorm toegenomen na een incident in mei 2026, toen [minderjarige] na een val verschillende verwondingen heeft opgelopen en een tand uit haar mond is gevallen. De kinderrechter stelt vast dat de toedracht van de val, de omvang en ernst van de verwondingen en de rol van de vader daarbij, tussen partijen in geschil zijn. Vast staat wel dát [minderjarige] is gevallen en zich daarbij heeft bezeerd. Naar aanleiding van dit incident heeft de moeder eenzijdig besloten de zorgregeling niet langer na te komen. Sindsdien is [minderjarige] niet meer bij de vader geweest.
De kinderrechter heeft zelf geconstateerd dat [minderjarige] zich momenteel enorm verzet tegen contact met de vader als haar daarnaar wordt gevraagd. De kinderrechter is geschrokken van de heftigheid van [minderjarige] in het gesprek en haar manier van zich uiten. De kinderrechter acht de mate van weerstand dusdanig bijzonder, dat het essentieel is dat wordt onderzocht wat precies de oorzaak hiervan is. Zelfs als zou worden uitgegaan van incidenten bij de vader thuis waarbij de vader een negatieve rol speelt (wat door de vader gemotiveerd wordt betwist), is het gedrag van [minderjarige] dermate extreem, dat niet onbegrijpelijk is dat de gecertificeerde instelling het vermoeden heeft dat er meer aan de hand is en dat mogelijk sprake is van ouderonthechting. Dit moet dan ook met spoed worden onderzocht. De kinderrechter acht het daarom van groot belang dat het NIKA-traject en ook het deskundigenonderzoek waar op de zitting over is gesproken zo spoedig mogelijk worden hervat, c.q. worden opgestart.
Op de zitting is gebleken dat het NIKA-traject al is gestart maar weer is stopgezet omdat de contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] geen doorgang meer hebben gevonden. Voor het voortzetten van het NIKA-traject is het essentieel dat de thuissituatie van [minderjarige] bij beide ouders wordt bekeken. Het is dus van belang dat [minderjarige] snel weer naar de vader gaat, zodat de interactie in de thuissituatie kan worden beoordeeld en dat ook de moeder meewerkt aan het traject bij haar thuis. Dit betekent dat de kinderrechter niet alleen van oordeel is dat het NIKA-traject moet worden voortgezet, maar ook dat de zorgregeling zo spoedig mogelijk moet worden hervat. Indien de zorgen van de moeder al dan niet deels terecht zijn en er sprake is van (een mate van) onveiligheid bij de vader thuis, zal dit uit het NIKA-traject kunnen blijken en kan naar aanleiding daarvan zo nodig worden ingegrepen door de jeugdbeschermers. Op dit moment zijn er onvoldoende objectieve aanknopingspunten om aan te nemen dat [minderjarige] wordt mishandeld als zij bij de vader is en die stelling van de moeder vormt dan ook geen reden om de zorgregeling te staken. Ook de mening van [minderjarige] is in dit geval niet doorslaggevend. [minderjarige] heeft weliswaar in het kindgesprek veel weerstand laten zien, maar niet valt uit te sluiten dat een en ander is te wijten aan een extreem loyaliteitsconflict. Daarbij komt dat [minderjarige] pas acht jaar oud is. Hoewel haar stem gehoord moet worden is zij nog te jong om zelf te kunnen beslissen. Daarnaast blijft gelden dat het in beginsel in het belang van kinderen is dat zij contact hebben met beide ouders, mits dat veilig is. Nu er sprake is van een OTS, er twee jeugdbeschermers zijn betrokken, het NIKA-traject zal worden voortgezet, en er naar alle waarschijnlijkheid ook een deskundigenonderzoek zal gaan plaatsvinden, is de veiligheid van [minderjarige] vooralsnog voldoende gewaarborgd. Bovendien komt er door hervatting van de omgang (en het NIKA-traject) op korte termijn meer zicht op de contactmomenten tussen de vader en [minderjarige]. De kinderrechter weegt daarbij nog mee dat er in het verleden al een traject begeleide omgang heeft plaatsgevonden waar geen contra-indicaties voor onbegeleide contactmomenten zijn gesignaleerd en de zorgregeling onbegeleid is voortgezet.
Nu de moeder eigenmachtig de zorgregeling heeft gestaakt heeft de kinderrechter er onvoldoende vertrouwen in dat de moeder de zorgregeling en het Nika-traject op eigen initiatief weer zal voortzetten. Gelet daarop acht de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing begrijpelijk en is het noodzakelijk dat de schriftelijke aanwijzing in stand blijft voor wat betreft het nakomen van de zorgregeling zoals bepaald in de beschikking van 10 augustus 2023, het zelf halen en brengen van [minderjarige] en het meewerken aan het NIKA-traject. Over het halen en brengen merkt de kinderrechter nog op dat het halen en brengen dient plaats te vinden zoals is bepaald in de beschikking van 10 augustus 2023. Dat betekent dat de vader [minderjarige] woensdag zelf ophaalt op school. Voor de overige contactmomenten geldt dat de moeder [minderjarige] zelf dient op te halen en te brengen, tenzij zij vanwege haar werk verhinderd is. De stelling van de moeder dat in de beschikking is bedoeld dat de moeder slechts verantwoordelijk is voor het halen en brengen en niet zelf hoeft te gaan wordt gepasseerd. Het zelf halen en brengen geeft een signaal aan [minderjarige] af dat de moeder emotionele toestemming verleent om naar de vader te gaan, zoals het hof in zijn beschikking van 10 april 2024 ook met zoveel woorden heeft overwogen. Slechts ingeval haar werkrooster het onmogelijk maakt zelf te halen en brengen is de moeder gerechtigd hulp in te schakelen voor het halen en brengen, bijvoorbeeld haar moeder. De kinderrechter begrijpt dat de moeder haar werkrooster niet met de vader wenst te delen maar acht het daarom aangewezen dat de moeder haar rooster met de gecertificeerde instelling deelt en daarbij vermeldt op welke dagen zij [minderjarige] niet zelf kan brengen en/of halen.
Tot slot ziet de schriftelijke aanwijzing op de medewerking van de moeder met de gecertificeerde instelling, waarbij de moeder open dient te staan voor het maken van afspraken met haarzelf of met [minderjarige] en voor huisbezoeken. Voor zover de moeder meent dat deze aanwijzing te ruim geformuleerd is, volgt de kinderrechter haar daarin niet. Duidelijk is dat de gecertificeerde instelling van de moeder vergt mee te werken aan noodzakelijk overleg over [minderjarige], en daartoe afspraken te maken en huisbezoeken toe te staan. Dat is voldoende concreet. Dat deze aanwijzing is gegeven is ook niet onbegrijpelijk, nu gebleken is dat de moeder voorheen geregeld niet of niet tijdig heeft meegewerkt aan het plannen van afspraken en huisbezoeken en/of onredelijke eisen heeft gesteld aan de termijn waarbinnen kon worden gepland. Indien er sprake is van een concrete afspraak of ander punt waarop haar medewerking wordt gevraagd, en de moeder meent dat in dat concrete geval een onredelijke eis aan haar wordt gesteld, heeft de moeder overigens de mogelijkheid om specifiek daartegen in bezwaar te gaan. De omstandigheid dat de moeder, onder de druk van de procedure, vrij recent uiteindelijk een huisbezoek heeft toegestaan, laat onverlet dat er alle reden was voor het geven van de aanwijzing. De kinderrechter ziet daarom ook op dit punt geen aanleiding om de aanwijzing vervallen te verklaren.
Conclusie
Gelet op het voorgaande wordt het verzoek van de moeder tot het (gedeeltelijk) vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing afgewezen.
Beslissing
De kinderrechter:
wijst af het verzoek tot vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 11 augustus 2026.
Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen deze beslissing geen hoger beroep open, maar slechts cassatie in het belang der wet.