Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26344

2026-08-11 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/702598 / FA RK 26-3255
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-09-11
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/702598 / FA RK 26-3255
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/531

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening, Nederlands rechts toegepast i.p.v. Duits recht, partneralimentatie

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.189 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige kamer


Rekestnummer: FA RK 26-3255
Zaaknummer: C/09/702598
Datum beschikking: 11 augustus 2026


Voorlopige voorzieningen



Beschikking op het op 2 april 2026 ingekomen verzoek van:




[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. de Graaf – Bakker in Emmen.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank onbekend adres,
advocaat: mr. V.R.L. Berkhout in Heerhugowaard.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:


het verzoekschrift;


het verweerschrift;


het F9-formulier van 14 april 2026, met bijlagen, van de vrouw;


het F9-formulier van 23 april 2026, met bijlagen, van de vrouw;


het F9-formulier van 20 mei 2026, met bijlagen, van de vrouw;


het F9-formulier van 2 juni 2026, met bijlagen, van de vrouw;


het F9-formulier van 1 juli 2026 van de vrouw;


de brief met het F9-formulier van 15 juli 2026 van de vrouw;


het F9-formulier van 23 juli 2026 van de man;


de brief met het F9-formulier van 24 juli 2026, met bijlagen, van de vrouw.




In eerste instantie zou de zaak op de zitting van 16 juni 2026 inhoudelijk behandeld worden. De vrouw en haar advocaat waren destijds aanwezig op de rechtbank. Tijdens de zitting is het de rechtbank gebleken dat de man niet juist was opgeroepen, waardoor de zaak is aangehouden.



Op 28 juli 2026 is de zaak digitaal op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:



de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;


de man, bijgestaan door zijn advocaat.





Feiten


Partijen zijn op [datum] 2022 in [plaats] gehuwd.


Beide partijen verblijven in Duitsland.


Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.


Op 2 april 2026 is door de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend, geregistreerd onder het kenmerk: C/09/709136 FA RK 26-7244.





Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw zoals dat thans luidt strekt ertoe dat:
- de man wordt veroordeeld om aan de vrouw, bij vooruitbetaling, een bijdrage in haar levensonderhoud te voldoen van minimaal € 1.500,- netto per maand met ingang van de datum waarop de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten, zijnde 29 november 2025, dan wel met ingang van de datum van dit verzoekschrift, dan wel met ingang van de datum van de in de voorlopige voorzieningenprocedure te wijzen beschikking dan wel met ingang van een datum die de rechtbank juist acht.



De man voert verweer tegen de verzochte partneralimentatie dat – voor zover nodig – zal worden besproken.




Beoordeling


Partneralimentatie


Rechtsmacht

De rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ten aanzien van het verzoek om voorlopige partneralimentatie. Uit artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009) volgt dat ingeval het verzoek tot partneralimentatie is ingediend als een nevenverzoek bij het verzoek tot echtscheiding, en de Nederlandse rechter ten aanzien daarvan rechtsmacht heeft, hij ook bevoegd is om van het verzoek tot alimentatie kennis te nemen. In dit geval is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot echtscheiding, nu beide partijen de Nederlandse nationaliteit hebben. De Nederlandse rechter komt daarom rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot voorlopige partneralimentatie. Bovendien brengt artikel 14 van de Verordening, ten overvloede, mee dat voorlopige maatregelen die zijn voorzien in de wetgeving van een lidstaat kunnen worden gevraagd bij de rechter van die staat, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat krachtens de verordening bevoegd is ten aanzien van het bodemgeschil.




Toepasselijk recht

Op het verzoek tot partneralimentatie is op grond van artikel 3 van het Haags Protocol van 23 november 2007 dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, in beginsel Duits recht van toepassing, nu de vrouw (als alimentatiegerechtigde) haar gewone verblijfplaats in Duitsland heeft. Echter, gelet op het feit dat het een voorlopige voorzieningen-procedure en dus een ordemaatregel betreft, leent deze procedure zich onvoldoende voor de toepassing van het Duits recht. De rechtbank is daarom van oordeel dat zij kan terugvallen op de toepassing van haar eigen recht. Partijen hebben hier op de zitting geen bezwaar tegen gemaakt, zodat de rechtbank ervoor kiest om in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toepassing toe te passen.




Relatieve bevoegdheid

Op grond van art. 269 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de rechtbank Den Haag bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.




Inhoudelijke beoordeling

De vrouw verzoekt een voorlopige partneralimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.



De vrouw stelt behoefte te hebben aan de vaststelling van voorlopige partneralimentatie nu zij vanwege haar lichamelijk gesteldheid niet kan werken en zij niet over vermogen beschikt. Volgens de vrouw heeft de man voldoende draagkracht om een bijdrage aan haar te betalen.



De man stelt dat de vrouw niet behoeftig is, nu zij een verdiencapaciteit heeft. De man betwist daarnaast dat hij de draagkracht heeft om een bijdrage aan de vrouw te betalen.




Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.



De rechtbank zal als ingangsdatum de datum van indiening van het verzoekschrift hanteren, nu de man vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een door hem te betalen bedrag aan voorlopige partneralimentatie.




Behoefte vrouw

De rechtbank zal er bij de berekening van de behoefte van de vrouw van uitgaan dat partijen eind 2025 (feitelijk) uit elkaar zijn gegaan. De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen.



Tussen partijen is niet in geschil dat zij tijdens het huwelijk leefden van het inkomen van de man. De vrouw heeft een stuk ingediend waaruit blijkt dat de man in december 2025 op zijn rekening een bedrag van € 3.327,72 netto per maand ontving. De man heeft op de zitting aangegeven dat dit bedrag klopt, zodat de hoogte van het inkomen van de man in 2025 niet in geschil is tussen partijen.



De rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2025 op € 3.327,72 netto per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond € 1.996, - netto per maand (60% van € 3.327, - per maand).



Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 2.088, - netto per maand.




Behoeftigheid

Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en zich die in redelijkheid ook niet kan verwerven.



De man betwist dat de vrouw behoeftig is. Hij voert ter onderbouwing daarvan aan dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft om in de behoefte te voorzien. Zoals eerder overwogen, wordt in het kader van de voorlopige voorzieningen procedure zoveel als mogelijk aangesloten bij de actuele situatie van partijen. De vraag of rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit aan de kant van de vrouw bij het berekenen van een voorlopige partneralimentatie, vergt nader onderzoek waarvoor in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen ruimte is. Daar komt bij dat de rechtbank het in deze situatie voldoende aannemelijk vindt dat de vrouw op dit moment niet in staat is om te werken en zij geen recht heeft op sociale voorzieningen in Duitsland. De rechtbank merkt daarbij nadrukkelijk op dat in de bodemprocedure de partneralimentatie definitief kan worden berekend en vastgesteld, waarbij de verdiencapaciteit van de vrouw één van de verschillende factoren is waarmee rekening zou kunnen worden gehouden.



Gelet op het voorstaand acht de rechtbank de vrouw in het kader van deze voorlopige voorziening niet in staat volledig in haar eigen behoefte te voorzien. Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de draagkracht van de man.




Draagkracht man

De vrouw stelt dat het inkomensverlies van de man verwijtbaar is, zodat er wat haar betreft ook voor de draagkracht van de man van een inkomen van € 3.327,72 netto per maand uitgegaan moet worden. Voor zover de vrouw bekend, is de man in Duitsland aangehouden wegens rijden onder invloed. Hierdoor is hij zijn rijbewijs kwijt en heeft hij zich ziek gemeld bij de werkgever. Subsidiair zou er, volgens de vrouw, uitgegaan moeten worden van 70% van het nettoloon (als ziekengeld) en meer subsidiair van het gemiddelde inkomen van de man de afgelopen maanden. In alle gevallen moet rekening gehouden worden met de inkomsten uit verhuur van de man, volgens de vrouw. Op de zitting heeft de vrouw naar voren gebracht dat de man van de rekening van zijn B.V., [bedrijfsnaam] B.V., de volgende bedragen heeft opgenomen; in januari 2026 een bedrag van € 1.100, -, in februari 2026 een bedrag van € 1.372, - en in maart 2026 een bedrag van € 1.316, -.



De man stelt dat hij wegens ziekte thuis zit en beperkte inkomsten heeft in Duitsland. Hij slikt medicatie, waardoor hij zijn werk als vrachtwagenchauffeur niet uit kan voeren. De afgelopen zeven maanden verdiende hij gemiddeld € 914,- netto per maand. Daarnaast ontvangt hij nagenoeg niets uit de onderneming waarmee hij een pand verhuurt in Nederland en gesteld dat hij maandelijks € 100,- ‘uit de BV haalt’. De man heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij op 3 augustus 2026 opnieuw gekeurd zal worden door de huisarts. Hij krijgt dan mogelijk andere medicijnen, zodat hij daarna hoopt weer aan het werk te kunnen. Dit is mogelijk omdat ook de rijontzegging afloopt.



De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de actuele situatie van partijen. De man heeft de afgelopen maanden wisselende inkomsten ontvangen. In januari 2026 ontving hij een bedrag van € 2.778,15 netto, in februari 2026 een bedrag van € 1.467,70 netto en in mei 2026 een bedrag van € 2.156,82 netto. In totaal ontving hij de afgelopen zeven maanden, januari 2026 t/m juli 2026, aan salaris een bedrag van € 6.402,67 netto. Dit is een bedrag van € 915,- netto per maand. Hoewel de man naar voren heeft gebracht dat hij mogelijk na de keuring bij de huisarts op 3 augustus 2026 weer aan het werk kan gaan, acht de rechtbank dit te onzeker om hiervan al uit te gaan en zal zij aansluiten bij de actuele situatie. De eventuele huurinkomsten van de man worden buiten beschouwing gelaten. De vrouw heeft onvoldoende concreet stelling ingenomen welk bedrag de man hier maandelijks aan over hield zodat het de rechtbank onvoldoende aannemelijk is geworden dat hij hier structureel inkomsten uit verwierf. Het is de rechtbank wel gebleken dat de man zijn huidige inkomen aanvult door geld op te nemen uit de B.V. De vrouw heeft inzage gegeven in de rekeningafschriften van de rekening op naam van de BV van de eerste drie maanden van 2026 heeft onttrokken. De door de vrouw genoemde bedragen per maand kan de rechtbank echter niet relateren aan de verschillende opnames en betalingen die vanaf die rekening zijn gedaan. De rechtbank sluit daarom aan bij de stelling van de man dat hij maandelijks € 100,- uit de BV haalt en gaat ervan uit dat de man hiermee maandelijks zijn inkomen aanvulde, zodat zij hiermee rekening zal houden. De rechtbank gaat ervan uit dat de man op dit moment een netto loon ontvangt van € 915,- per maand en dit aanvulde met aanvullende opnames van € 100, - per maand. In totaal gaat de rechtbank uit van een netto inkomen van € 1.015,- per maand.



De rechtbank zal voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1365)] toepassen.



Hieruit volgt dat de man geen draagkracht heeft. Het verzoek van de vrouw zal dan ook worden afgewezen.




Beslissing
De rechtbank:


wijst het verzoek van de vrouw af;










Deze beschikking is gegeven door mr. E Boot, rechter, bijgestaan door mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 augustus 2026.