Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26320

2026-05-28 Bestuursrecht SGR 26/3762
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-05-28
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 26/3762
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningprocedure. Verweerder heeft besloten om de woning van verzoeker voor de duur van een maand te sluiten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de noodzaak van de sluiting onvoldoende heeft gemotiveerd. De voorlopige voorziening wordt toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.274 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 26/3762


uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 mei 2026 in de zaak tussen



[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. A.G. de Jong),


en




de burgemeester van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. J.J. Markerink).




Inleiding


1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de sluiting van zijn woning aan de [adres] in [plaats].



1.1.
Bij besluit van 4 mei 2026 heeft verweerder besloten de woning van verzoeker te sluiten voor de duur van een maand. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.



1.2.
Verweerder heeft laten weten de sluiting van de woning op te schorten tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.



1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder vergezeld door mr. M.N.D. Snel.




Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Op 25 februari 2026 heeft verweerder van een medewerker van het basisteam Segbroek van de Politie Eenheid Den Haag (hierna: de politie) een bestuurlijke rapportage ontvangen. Hieruit volgt dat de politie naar aanleiding van een melding over de mogelijke aanwezigheid van een hennepkwekerij op 24 januari 2026 de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning) is binnengetreden. In de woning, die bestaat uit twee woonlagen en een vliering, is vervolgens het volgende aangetroffen:

- 72 vrouwelijke hennepplanten;
- 226 moederplanten;
- 556 stekjes (wortelklonen);
- 40 led groeilampen;
- zeven groeimiddelen;
- elf weegschalen;
- sealmachine;
- dertien knipbenodigdheden;
- zes kweektenten;
- vijf koolstoffilters;
- vier luchtzuigers;
- meerdere elektronische apparaten zoals transformatoren en ventilatoren.


2.1.
Verzoeker is eigenaar van de woning en verhuurde deze ten tijde van de politie-inval aan dhr. [de huurder] (hierna: de huurder). Verzoeker heeft verklaard dat de huurder verantwoordelijk is voor de aangetroffen hennepkwekerij en dat hij hier zelf niet van op de hoogte was. Verzoeker heeft inmiddels de huurrelatie met de huurder verbroken.



2.2.
Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de bestuurlijke rapportage van 25 februari 2026 voldoende aannemelijk maakt dat in de woning een hoeveelheid softdrugs aanwezig was die de gebruikershoeveelheid overschrijdt en die bestemd is voor de verkoop, aflevering of verstrekking aan derden. Hoewel door de beëindiging van de huurovereenkomst met de huurder de kans op herhaling van een ernstige verstoring van de openbare orde aanzienlijk is verminderd en de relatie van het pand met het criminele milieu en de handel in verdovende middelen ogenschijnlijk is verbroken, stelt verweerder zich op het standpunt dat met een tijdelijke sluiting van de woning toch nog enkele doelen worden gediend. Het gaat hierbij om het afgeven van een signaal aan zowel drugscriminelen en omwonenden dat de geconstateerde feiten onacceptabel zijn en dat de overheid hiertegen optreedt en het herstel van de openbare orde alsmede een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen. Met inachtneming hiervan is verweerder afgeweken van zijn aanvankelijke voornemen om de woning voor de duur van drie maanden te sluiten en heeft hij in plaats daarvan besloten de woning voor de periode van een maand te sluiten.



Wat vindt verzoeker?



3. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de sluiting en daarnaast de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Hij betwist allereerst dat de sluiting nog langer noodzakelijk is, nu de huurrelatie met de huurder, waarvan verweerder niet betwist dat deze verantwoordelijk is voor de aangetroffen hennepkwekerij, inmiddels is verbroken. Dat er nog resterende doelen zijn die met de sluiting zijn gediend, volgt verzoeker niet. Voor wat betreft de signaalfunctie stelt hij dat deze al voldoende is uitgedragen door de politie-inval en zijn eigen interventie jegens de huurder zelf. Verder is een sluiting van de woning ook niet meer nodig om de openbare orde te herstellen dan wel een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen. Het brandgevaar dat door de hennepkwekerij werd veroorzaakt, is door de inbeslagname van de betreffende goederen namelijk niet meer aanwezig. Daarbij geldt dat de woning is gelegen op de eerste verdieping en daarmee nauwelijks zichtbaar is voor het publiek. Tekenend in dat kader is ook dat er geen meldingen van omwonenden zijn binnengekomen vanwege drugsoverlast. Bovendien zou een tijdelijke sluiting van de woning het voornemen van verzoeker om de woning op te knappen doorkruisen en daarmee afbreuk doen aan een sneller herstel van de openbare orde. Verder is de woningsluiting ook niet evenredig. Verweerder heeft zich in dat kader ten onrechte op het standpunt gesteld dat verzoeker verwijtbaar heeft gehandeld, nu de huurrelatie met de huurder op het moment van het bestreden besluit al was verbroken en hij om die reden geen zorgplicht meer had om de woning als eigenaar te controleren. Tot slot moet ook worden meegewogen dat een sluiting van de woning dubbele financiële lasten voor verzoeker meebrengt, nu hij naast het voor een maand niet meer kunnen verhuren van de woning ook moet opdraaien voor de kosten van de sluiting zelf.



Beoordeling door de voorzieningenrechter





Spoedeisend belang


4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Het besluit betreft de sluiting van de woning van verzoeker. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, dan heeft verzoeker een maand geen toegang tot zijn woning. Het spoedeisend belang is hiermee gegeven.



Bevoegdheid


5. Op grond van artikel 13b van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning softdrugs of harddrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel als zij daartoe aanwezig zijn. Dit betekent dat de enkele aanwezigheid van drugs niet voldoende is om gebruik te mogen maken van de bevoegdheid. Gezien de woorden “daartoe aanwezig” moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt wordt daarbij aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs of meer dan 5 gram softdrugs de aangetroffen drugs in beginsel ook bestemd worden geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de appellant om het tegendeel aannemelijk te maken. Als het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om voor de woning een last onder bestuursdwang op te leggen.



5.1.
Dat in de woning een handelshoeveelheid softdrugs is aangetroffen, wordt door verzoeker niet betwist. Dat betekent dat verweerder bevoegd was om tot sluiting van de woning over te gaan.



Is de sluiting noodzakelijk?

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de noodzaak van de sluiting van de woning voor de periode van een maand onvoldoende heeft onderbouwd. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




6.1.
Over de noodzaak van de sluiting heeft verweerder er allereerst op gewezen dat sprake is van een ernstige overtreding. In de woning werd een professionele en grootschalige hennepkwekerij aangetroffen. Door het gebruik van meerdere groeilampen en andere elektronica zijn er op meerdere momenten stroomstoringen in het pand geweest, wat tot een brandgevaarlijke situatie had kunnen leiden. Als er daadwerkelijk brand was uitgebroken, dan zouden de gevolgen voor de bewoners van het pand niet te overzien zijn geweest. Bovendien levert de aanwezigheid van een dergelijke hoeveelheid verdovende middelen een gevaar op voor de omgeving en een risico voor de omwonenden. De handel in drugs wordt namelijk in toenemende mate aangestuurd door criminele organisaties die het gebruik van geweld niet schuwen. Daarbij is het gelet op de professionaliteit van de aangetroffen hennepkwekerij die bestemd was voor bedrijfsmatige hennepkweek aannemelijk dat hierbij behalve de huurder nog meer partijen betrokken zijn. In het verlengde daarvan acht verweerder het ook waarschijnlijk dat sprake is geweest van overlast die niet is gemeld. Verder is de woning gelegen in een zeer kwetsbaar gebied waar diverse vormen van overlast, agressie en criminaliteit voorkomen. In het gebied wonen veel personen die worstelen met verslavingsproblematiek. Dit alles maakt dat het enkele verbreken van de huurrelatie tussen verzoeker en de huurder niet voldoende is en dat sluiting van de woning nog steeds noodzakelijk is om de openbare orde te herstellen alsmede een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen. Op de zitting heeft verweerder aangegeven bij het bepalen van de duur van de sluiting het tijdsverloop te hebben meegewogen. Vanwege dit tijdsverloop is de duur van de sluiting teruggebracht naar een maand. Voorts wordt met de sluiting ook beoogd om een signaal af te geven aan drugscriminelen en omwonenden dat de geconstateerde feiten onacceptabel zijn en dat hiertegen wordt opgetreden.



6.2.
De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat de ernst van de overtreding op zichzelf niet doorslaggevend is voor de vraag of de sluiting van de woning noodzakelijk is. Ook moet in ogenschouw worden genomen wat de impact van de overtreding op de omgeving is (geweest). In dat kader overweegt de voorzieningenrechter dat tijdens de politie-inval de druggerelateerde goederen in beslag zijn genomen en dat verzoeker naderhand de huurovereenkomst met de huurder heeft beëindigd. Het potentiële brandgevaar is daarmee weggenomen. Hoewel de politie-inval het gevolg was van meerdere meldingen van stroomuitval, zijn er geen overlastmeldingen bekend van omwonenden en is er geen loop naar en vanuit de woning waargenomen. Dat het gelet op de professionaliteit van de aangetroffen hennepkwekerij waarschijnlijk is dat sprake was van overlast die niet is gemeld, heeft verweerder onvoldoende gestaafd met objectieve gegevens. Ook in de periode van ruim drie maanden tussen de politie-inval en het bestreden besluit is niet gebleken van enige onrust rondom de woning. Desgevraagd kon verweerder op de zitting ook geen nadere informatie geven over het politieonderzoek dat nog gaande is. Al met al ziet de voorzieningenrechter met de huidige stand van zaken niet in op welke wijze de doelstellingen van herstel van de openbare orde alsmede een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen nog met een sluiting worden gediend en waarom niet had kunnen worden volstaan met een minder vergaand middel.



6.3.
Voor zover verweerder met de sluiting van de woning een signaal naar de buurt wil afgeven, overweegt de voorzieningenrechter dat een bestuursrechtelijke herstelsanctie niet is bedoeld om als afschrikking te dienen of uitsluitend nog om uit te dragen dat verweerder handhavend optreedt. Ook deze door verweerder genoemde doelstelling kan de sluiting van de woning van verzoeker daarom niet dragen.


7. Nu verweerder gelet op het voorgaande de noodzakelijkheid van de sluiting onvoldoende heeft onderbouwd, komt de voorzieningenrechter niet toe aan het bespreken van de evenwichtigheid van de voorgenomen sluiting.






Conclusie en gevolgen


8. De voorzieningenrechter concludeert dat verweerder bevoegd is om tot sluiting van de woning over te gaan. Verweerder heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom woningsluiting in dit geval noodzakelijk is en niet met een minder zwaar middel kan worden volstaan. Omdat een redelijke kans bestaat dat het bezwaar tot een andere uitkomst leidt, zal de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen. Zij schorst het bestreden besluit tot zes weken na de door de verweerder te nemen beslissing op bezwaar. Dat betekent dat verweerder de woning nu niet mag sluiten.



8.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt hij een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag per proceshandeling met een waarde van € 934,- per proceshandeling. Omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen, leidt dit tot een totaalbedrag van € 1.868,-.





























Beslissing


De voorzieningenrechter:


- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit tot zes weken na de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.



Op grond van artikel 3 en 13b van de Opiumwet in combinatie met de Beleidsregel toepassing artikel 13b Opiumwet Den Haag 2023.


Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4612.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2281.


Zie ook ECLI:NL:RVS:2026:2281.