Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26318
2026-07-03
Bestuursrecht
SGR 26/4651
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening procedure. Verweerder heeft aan de derde-partij een vergunning verleend voor het organiseren van de Warmondse Kaagweek. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder deze vergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBMNE:2024:331 Rechtbank Midden-Nederland 24-01-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2025:314 Rechtbank Midden-Nederland 22-01-2025
- ECLI:NL:RVS:2019:1566 Raad van State 15-05-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:1566 Raad van State 15-05-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.869 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/4651
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker 1],
[verzoeker 2],
[verzoeker 3],
[verzoeker 4]
, uit [woonplaats], verzoekers
(gemachtigde: mr. H.C. Lagrouw),
en
het college van burgemeester en wethouders van Teylingen, verweerder
(gemachtigde: mr. D. van den Berg).
Als derde-partij nam aan de zaak deel:
de Vereniging tot Viering van Warmonds Feesten (hierna: de vergunninghouder).
Inleiding
1. Bij besluit van 18 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de vergunninghouder een evenementenvergunning verleend voor het organiseren van de ‘Warmondse Kaagweek’ op de Gemeentehaven in Warmond.
1.1.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Bij brief van 19 juni 2026 hebben verzoekers nadere stukken ingediend.
1.4.
Op 22 juni 2025 heeft de vergunninghouder een nadere reactie ingediend.
1.5.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026. Hieraan hebben deelgenomen: namens verzoekers [verzoeker 1], [verzoeker 2], hun gemachtigde en [naam 1] (deskundige), namens verweerder zijn gemachtigde vergezeld door [naam 2] en [naam 3] en namens de vergunninghouder [naam 4] en [naam 5].
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. De vergunninghouder heeft op 26 maart 2026 een aanvraag ingediend voor het organiseren van de ‘Warmondse Kaagweek’ op de Gemeentehaven in Warmond (hierna: het evenement). Het evenement betreft een jaarlijks terugkerend vierdaags dorpsfeest dat aanvangt op donderdag en eindigt op zondag. In de voorgaande jaren werd het evenement steeds georganiseerd in het park Groot Leerust in Warmond, echter is deze locatie niet langer beschikbaar. Na onderzoek te hebben gedaan naar een alternatieve locatie is de vergunninghouder uitgekomen bij de Gemeentehaven. Met het bestreden besluit van 18 mei 2026 heeft verweerder de aanvraag toegewezen en aan de evenementenvergunning voorschriften verbonden over onder meer de openbare orde en veiligheid, de inzet van beveiliging en het toegestane geluidsniveau. Ook heeft verweerder aan de vergunninghouder ontheffing verleend voor het organiseren van het evenement op zondag en voor het schenken van zwakalcoholhoudende drank.
Wat vinden verzoekers?
3. Verzoekers zijn als direct omwonenden opgekomen tegen de verlening van de evenementenvergunning en hebben tevens de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Kernachtig weergegeven voeren zij daarin het volgende aan. Ten eerste betogen zij dat het evenement geen doorgang mag vinden. Het evenement heeft al lang niet meer het karakter van een dorpsfeest en begint steeds meer te lijken op een festival. Zij wijzen in dat kader op eerdere edities waarbij steeds sprake was van ernstige ordeverstoringen door met name jongeren. In het door de vergunninghouder opgestelde veiligheidsplan is hiermee onvoldoende rekening gehouden. Daarbij is de Gemeentehaven ongeschikt als locatie voor het evenement, nu deze kleiner is dan het park Groot Leerust alwaar het evenement de voorgaande jaren plaatsvond en er sprake is van meer omwonenden. Mocht de voorzieningenrechter desondanks van oordeel zijn dat het evenement wél doorgang kan vinden, dan stellen verzoekers zich subsidiair op het standpunt dat verweerder meer beperkende voorschriften aan de evenementenvergunning had moeten verbinden.
Wat vindt de vergunninghouder?
4. De vergunninghouder verzoekt de voorzieningenrechter om de evenementenvergunning in stand te laten. Op de zitting heeft [naam 4] een nadere toelichting gegeven op de maatregelen die als voorschriften aan de vergunning zijn verbonden en aangegeven zich niet te herkennen in het door verzoekers geschetste beeld van een feest dat de afgelopen jaren is ontaard in ernstige wanordelijkheden. Hij vindt het jammer dat het is gekomen tot een juridische procedure omdat hij verwacht dat dit de verstandhouding tussen betrokkenen alleen maar meer op scherp zal zetten.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de procedure van een voorlopige voorziening niet de plaats is voor een diepgaand onderzoek naar de juridische houdbaarheid van de aan de vergunninghouder verleende evenementenvergunning. Een dergelijke beoordeling zal moeten plaatsvinden bij de heroverweging van het primaire besluit in de bezwaarfase en een eventueel daarop volgende bodemprocedure bij de rechtbank. De voorzieningenrechter zal daarom in deze uitspraak de gronden van verzoekers niet tot in detail bespreken en zich beperken tot het geven van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over de vraag of verweerder in redelijkheid de evenementenvergunning met bijbehorende voorschriften aan de vergunninghouder heeft mogen verlenen.
6. Verweerder kan de aanvraag om een evenementenvergunning weigeren in het belang van:
a. de openbare orde;
b. de openbare veiligheid;
c. de volksgezondheid;
d. de bescherming van het milieu.
6.1.
Met als doel inzichtelijk te maken welke risico’s het evenement met zich meebrengt en welke maatregelen op grond daarvan moeten worden getroffen, heeft de vergunninghouder op 15 april 2026 een veiligheidsplan opgesteld. Aan de hand van dit veiligheidsplan heeft de Veiligheidsregio Holland-Midden (hierna: de Veiligheidsregio) een risicoscan gemaakt. Op basis van deze risicoscan hebben zowel de Veiligheidsregio als de politie verweerder geadviseerd over nog te nemen aanvullende maatregelen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat met het als gevolg van dit proces tot stand gekomen pakket aan voorgenomen maatregelen voldoende tegemoet wordt gekomen aan de zorgen die bij omwonenden leven over het plaatsvinden van het evenement. Zo worden er extra (extern ingehuurde) gecertificeerde beveiligers ingezet die het evenemententerrein ook na afloop van het evenement bewaken en is er een telefoonnummer gedeeld waar omwonenden in het geval van calamiteiten gebruik van kunnen maken. Verder komen er twee nooduitgangen en een aparte in-/uitgang voor bezoekers op het evenemententerrein en blijven Koudenhoorn, Coazy en Rederij van Hulst te allen tijde bereikbaar. Ook heeft verweerder aangegeven dat de door de Omgevingsdienst West-Holland geadviseerde en in de evenementenvergunning opgenomen geluidsnormen van 80 dB(A) en 92 dB(C) ter hoogte van de woningen gedurende het evenement op regelmatige basis met professionele apparatuur zullen worden gecontroleerd. Dit laat de steekproefcontroles die de vergunninghouder in dit verband zelf uitvoert, onverlet. Daarbij is het feestpaviljoen op het evenemententerrein zodanig ingericht dat het geproduceerde geluid zo min mogelijk op de nabijgelegen woningen afstraalt. Voorts draagt de vergunninghouder er zorg voor dat het maximumaantal bezoekers van het evenement van 1.500 wordt gemonitord. Op de vrijdag- en zaterdagavond is sprake van kaartverkoop en wordt de toegangscontrole verzorgd door de beveiliging. Op de donderdagavond wordt het bezoekersaantal handmatig door de beveiliging bijgehouden, terwijl op de zondagavond gelet op de aard van de activiteiten die dan plaatsvinden geen aanvullende maatregelen nodig zijn. Ook het bestuur van de vergunninghouder surveilleert periodiek op het evenemententerrein en in de nabijgelegen Jan Steenlaan. Voorts heeft de politie toegezegd stand-by te staan en zo nodig te kunnen opschalen. Tot slot heeft de vergunninghouder op de zitting aangegeven dat het evenemententerrein zal worden afgezet met hekken van 3,20 meter hoog, waar dat voorgaande jaren nog hekken met een hoogte van 2 meter betroffen.
6.2.
Op het eerste oog ziet de voorzieningenrechter in de door verzoekers aangevoerde gronden geen aanleiding om te veronderstellen dat het bestreden besluit in de bezwaarfase geen stand houdt, omdat met het hiervoor genoemde pakket aan voorgenomen maatregelen onvoldoende tegemoet zou worden gekomen aan de zorgen die omwonenden hebben over de openbare orde en veiligheid. Het door verzoekers ingediende verzoek wordt om die reden afgewezen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.
6.2.1.
Over de door verzoekers opgeworpen twijfel of het aantal ingehuurde beveiligers wel genoeg is, merkt de voorzieningenrechter het volgende op. Bij het veiligheidsplan, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, heeft de vergunninghouder een overzicht gevoegd waarop te zien is hoeveel beveiligers op welk tijdvak op welke avond worden ingezet. Op de donderdag, vrijdag- en zaterdagavond zijn dat in totaal negen beveiligers, waarbij zoals gezegd door de vergunninghouder aanvullende maatregelen worden genomen en ook de politie stand-by zal staan om op te schalen indien nodig. In haar advies van 23 april 2026 heeft de politie over de voorgenomen inzet aangegeven dat deze voldoet aan het adviesaantal van de politie, waarbij onder meer rekening is gehouden met de uitslag van de risicoscan en het publieksprofiel. Zoals onder rechtsoverweging 6.1 al is aangegeven, houdt de vergunninghouder zelf ook een oogje in het zeil en staat de politie stand-by om op te schalen indien nodig. Verzoekers hebben geen stukken ingebracht waaruit volgt dat de voorgenomen inzet, in tegenstelling tot het voorgaande, redelijkerwijs niet volstaat. De stelling dat dit jaar minder beveiligers worden ingehuurd dan bij de vorige edities is daarvoor onvoldoende, alleen al omdat gelet op de verschillende locaties geen deugdelijke vergelijking op dit onderdeel mogelijk is.
6.2.2.
Voorts staat in het door de vergunninghouder opgestelde veiligheidsplan opgenomen dat het aantal bezoekers van het evenement wordt geprognosticeerd op circa 1.500. Op de zitting heeft de vergunninghouder evenwel aangegeven dat het veiligheidsplan zo moet worden gelezen dat moet worden uitgegaan van een maximumaantal bezoekers in dit verband. Zoals onder rechtsoverweging 6.1 al is aangegeven, heeft de vergunninghouder verschillende maatregelen genomen om dit aantal gedurende het evenement te monitoren. Hiermee wordt ook tegemoetgekomen aan het advies dat de politie heeft gegeven op dit onderdeel. Nu het veiligheidsplan dus onderdeel uitmaakt van de evenementenvergunning, kan op het maximumaantal bezoekers worden gehandhaafd en is het hiervoor niet nodig om een apart vergunningvoorschrift in het leven te roepen.
6.2.3.
Verder heeft verweerder op de zitting afdoende toegelicht dat het, gelet op de wens van leveranciers om na afloop van het evenement zo snel mogelijk hun goederen op te halen, noodzakelijk is om ’s nachts al te beginnen met afbouwen. Daarbij hebben verzoekers aanvankelijk nog betoogd dat ten onrechte niet in de evenementenvergunning is gespecificeerd wat voor hekken rondom het evenemententerrein moeten worden geplaatst, echter was dit nog vóórdat op de zitting duidelijk werd dat dit jaar het evenemententerrein zal worden afgezet met hekken ter hoogte van 3,20 meter. Nu verzoekers op dit laatste geen reactie meer hebben gegeven, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat op dit onderdeel tegemoet wordt gekomen aan de zorgen van verzoekers en daarmee geen belang meer bestaat om dit nog op te nemen als vergunningvoorschrift.
6.2.4.
Over de grond van verzoekers dat de in de vergunning opgenomen geluidswaarden te ruim zijn en zullen leiden tot onduldbare hinder, overweegt de voorzieningenrechter dat uit vaste rechtspraak volgt dat naar objectieve gronden niet valt vast te stellen wanneer een omwonende ten gevolge van een evenement onduldbare geluidsoverlast ondervindt. Het oordeel of geluidshinder onaanvaardbaar is, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of verweerder aan de belangen die zijn gediend met de activiteit die dat geluid veroorzaakt, redelijkerwijs doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen. In haar advies aan verweerder op dit onderdeel heeft de Omgevingsdienst Midden-Holland overwogen dat bij het vaststellen van de maximale geluidsnormen van 80 dB(A) en 92 dB(C) het maatschappelijk belang van het evenement is afgewogen tegen de tijdelijke aantasting van het woon- en leefklimaat. Het evenement is een traditioneel volksfeest met een grote verbindende waarde in Warmond. Een significant verhoogd geluidsniveau is voor reguliere activiteiten onaanvaardbaar, maar is voor een evenement met een dergelijk breed draagvlak toelaatbaar. De gestelde eindtijden van het evenement waarborgen dat er voldoende nachtrust voor omwonenden resteert. De voorzieningenrechter vindt deze gemaakte belangenafweging op zichzelf niet onredelijk en weegt daarbij ook mee dat aanvullende maatregelen worden getroffen om de hinder zoveel als mogelijk te beperken, waaronder het op regelmatige basis met professionele apparatuur meten van het geluidsniveau gedurende het evenement.
6.2.5.
Daarbij hebben verzoekers aangegeven dat de verleende vergunning in strijd is met het Evenementenbeleid Teylingen, nu op grond daarvan maximaal vier overlastcategorie 1-evenementen per locatie per jaar mogen plaatsvinden en dit aantal met Schippertjesdag in aantocht uitkomt op vijf. De voorzieningenrechter volgt ook dit betoog niet, alleen al omdat de vergunninghouder op de zitting onweersproken heeft gesteld dat, zou de redenering van verzoekers worden gevolgd, de zondag gelet op de aard van de dan plaatsvindende activiteiten niet kan worden aangemerkt als een overlastcategorie 1-evenement, waarmee het totaalaantal daarmee alsnog onder de vijf zou uitkomen.
6.2.6.
Tot slot ziet de voorzieningenrechter niet in op welke wijze een vermelding van de risicocategorie van het evenement in de evenementenvergunning zelf had kunnen leiden tot andere vergunningvoorschriften op dit onderdeel. Op grond van het door de vergunninghouder opgestelde veiligheidsplan heeft de Veiligheidsregio een risicoscan ingevuld, waar een score van 25 is uitgekomen. Op basis van deze uitkomst hebben de Veiligheidsregio en de politie vervolgens adviezen aan verweerder uitgebracht. Hoewel deze adviezen geen onderdeel uitmaken van de vergunning zelf, heeft verweerder aangegeven ze wel bij de aanvraag te hebben betrokken en, al dan niet gedeeltelijk, als voorschriften aan de evenementenvergunning te hebben verbonden. Of het evenement nu moet worden geclassificeerd als een categorie B- of, zoals verzoekers betogen, B/C-evenement, feit blijft dat de betrokken veiligheidspartners bij het opstellen van hun adviezen over nog te treffen maatregelen de score van de risicoscan in samenhang met het door de vergunninghouder ingediende veiligheidsplan hebben bekeken. Zoals verweerder terecht heeft aangegeven, kan een risicoclassificatie daarbij worden gebruikt als hulpmiddel, maar doet het niet af aan de deugdelijkheid van de op het evenement toegespitste beoordeling die door de betrokken veiligheidspartners is gemaakt.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
De beslissing is aan partijen medegedeeld op 24 juni 2026 en op 3 juli 2026, tezamen met de motivering hiervan, in het openbaar uitgesproken.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening Teylingen 2024 (hierna: de Apv).
Op grond van artikel 4 van de Zondagswet.
Op grond van artikel 35 van de Alcoholwet.
Vergelijk de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 24 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:331 en van 22 januari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:314.
Op grond van artikel 1:8, eerste lid jo. artikel 2:25 van de Apv.
Ter onderbouwing hiervan verwijzen verzoekers naar de Nota Limburg.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1566.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1566.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/4651
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker 1],
[verzoeker 2],
[verzoeker 3],
[verzoeker 4]
, uit [woonplaats], verzoekers
(gemachtigde: mr. H.C. Lagrouw),
en
het college van burgemeester en wethouders van Teylingen, verweerder
(gemachtigde: mr. D. van den Berg).
Als derde-partij nam aan de zaak deel:
de Vereniging tot Viering van Warmonds Feesten (hierna: de vergunninghouder).
Inleiding
1. Bij besluit van 18 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de vergunninghouder een evenementenvergunning verleend voor het organiseren van de ‘Warmondse Kaagweek’ op de Gemeentehaven in Warmond.
1.1.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Bij brief van 19 juni 2026 hebben verzoekers nadere stukken ingediend.
1.4.
Op 22 juni 2025 heeft de vergunninghouder een nadere reactie ingediend.
1.5.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026. Hieraan hebben deelgenomen: namens verzoekers [verzoeker 1], [verzoeker 2], hun gemachtigde en [naam 1] (deskundige), namens verweerder zijn gemachtigde vergezeld door [naam 2] en [naam 3] en namens de vergunninghouder [naam 4] en [naam 5].
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. De vergunninghouder heeft op 26 maart 2026 een aanvraag ingediend voor het organiseren van de ‘Warmondse Kaagweek’ op de Gemeentehaven in Warmond (hierna: het evenement). Het evenement betreft een jaarlijks terugkerend vierdaags dorpsfeest dat aanvangt op donderdag en eindigt op zondag. In de voorgaande jaren werd het evenement steeds georganiseerd in het park Groot Leerust in Warmond, echter is deze locatie niet langer beschikbaar. Na onderzoek te hebben gedaan naar een alternatieve locatie is de vergunninghouder uitgekomen bij de Gemeentehaven. Met het bestreden besluit van 18 mei 2026 heeft verweerder de aanvraag toegewezen en aan de evenementenvergunning voorschriften verbonden over onder meer de openbare orde en veiligheid, de inzet van beveiliging en het toegestane geluidsniveau. Ook heeft verweerder aan de vergunninghouder ontheffing verleend voor het organiseren van het evenement op zondag en voor het schenken van zwakalcoholhoudende drank.
Wat vinden verzoekers?
3. Verzoekers zijn als direct omwonenden opgekomen tegen de verlening van de evenementenvergunning en hebben tevens de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Kernachtig weergegeven voeren zij daarin het volgende aan. Ten eerste betogen zij dat het evenement geen doorgang mag vinden. Het evenement heeft al lang niet meer het karakter van een dorpsfeest en begint steeds meer te lijken op een festival. Zij wijzen in dat kader op eerdere edities waarbij steeds sprake was van ernstige ordeverstoringen door met name jongeren. In het door de vergunninghouder opgestelde veiligheidsplan is hiermee onvoldoende rekening gehouden. Daarbij is de Gemeentehaven ongeschikt als locatie voor het evenement, nu deze kleiner is dan het park Groot Leerust alwaar het evenement de voorgaande jaren plaatsvond en er sprake is van meer omwonenden. Mocht de voorzieningenrechter desondanks van oordeel zijn dat het evenement wél doorgang kan vinden, dan stellen verzoekers zich subsidiair op het standpunt dat verweerder meer beperkende voorschriften aan de evenementenvergunning had moeten verbinden.
Wat vindt de vergunninghouder?
4. De vergunninghouder verzoekt de voorzieningenrechter om de evenementenvergunning in stand te laten. Op de zitting heeft [naam 4] een nadere toelichting gegeven op de maatregelen die als voorschriften aan de vergunning zijn verbonden en aangegeven zich niet te herkennen in het door verzoekers geschetste beeld van een feest dat de afgelopen jaren is ontaard in ernstige wanordelijkheden. Hij vindt het jammer dat het is gekomen tot een juridische procedure omdat hij verwacht dat dit de verstandhouding tussen betrokkenen alleen maar meer op scherp zal zetten.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de procedure van een voorlopige voorziening niet de plaats is voor een diepgaand onderzoek naar de juridische houdbaarheid van de aan de vergunninghouder verleende evenementenvergunning. Een dergelijke beoordeling zal moeten plaatsvinden bij de heroverweging van het primaire besluit in de bezwaarfase en een eventueel daarop volgende bodemprocedure bij de rechtbank. De voorzieningenrechter zal daarom in deze uitspraak de gronden van verzoekers niet tot in detail bespreken en zich beperken tot het geven van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over de vraag of verweerder in redelijkheid de evenementenvergunning met bijbehorende voorschriften aan de vergunninghouder heeft mogen verlenen.
6. Verweerder kan de aanvraag om een evenementenvergunning weigeren in het belang van:
a. de openbare orde;
b. de openbare veiligheid;
c. de volksgezondheid;
d. de bescherming van het milieu.
6.1.
Met als doel inzichtelijk te maken welke risico’s het evenement met zich meebrengt en welke maatregelen op grond daarvan moeten worden getroffen, heeft de vergunninghouder op 15 april 2026 een veiligheidsplan opgesteld. Aan de hand van dit veiligheidsplan heeft de Veiligheidsregio Holland-Midden (hierna: de Veiligheidsregio) een risicoscan gemaakt. Op basis van deze risicoscan hebben zowel de Veiligheidsregio als de politie verweerder geadviseerd over nog te nemen aanvullende maatregelen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat met het als gevolg van dit proces tot stand gekomen pakket aan voorgenomen maatregelen voldoende tegemoet wordt gekomen aan de zorgen die bij omwonenden leven over het plaatsvinden van het evenement. Zo worden er extra (extern ingehuurde) gecertificeerde beveiligers ingezet die het evenemententerrein ook na afloop van het evenement bewaken en is er een telefoonnummer gedeeld waar omwonenden in het geval van calamiteiten gebruik van kunnen maken. Verder komen er twee nooduitgangen en een aparte in-/uitgang voor bezoekers op het evenemententerrein en blijven Koudenhoorn, Coazy en Rederij van Hulst te allen tijde bereikbaar. Ook heeft verweerder aangegeven dat de door de Omgevingsdienst West-Holland geadviseerde en in de evenementenvergunning opgenomen geluidsnormen van 80 dB(A) en 92 dB(C) ter hoogte van de woningen gedurende het evenement op regelmatige basis met professionele apparatuur zullen worden gecontroleerd. Dit laat de steekproefcontroles die de vergunninghouder in dit verband zelf uitvoert, onverlet. Daarbij is het feestpaviljoen op het evenemententerrein zodanig ingericht dat het geproduceerde geluid zo min mogelijk op de nabijgelegen woningen afstraalt. Voorts draagt de vergunninghouder er zorg voor dat het maximumaantal bezoekers van het evenement van 1.500 wordt gemonitord. Op de vrijdag- en zaterdagavond is sprake van kaartverkoop en wordt de toegangscontrole verzorgd door de beveiliging. Op de donderdagavond wordt het bezoekersaantal handmatig door de beveiliging bijgehouden, terwijl op de zondagavond gelet op de aard van de activiteiten die dan plaatsvinden geen aanvullende maatregelen nodig zijn. Ook het bestuur van de vergunninghouder surveilleert periodiek op het evenemententerrein en in de nabijgelegen Jan Steenlaan. Voorts heeft de politie toegezegd stand-by te staan en zo nodig te kunnen opschalen. Tot slot heeft de vergunninghouder op de zitting aangegeven dat het evenemententerrein zal worden afgezet met hekken van 3,20 meter hoog, waar dat voorgaande jaren nog hekken met een hoogte van 2 meter betroffen.
6.2.
Op het eerste oog ziet de voorzieningenrechter in de door verzoekers aangevoerde gronden geen aanleiding om te veronderstellen dat het bestreden besluit in de bezwaarfase geen stand houdt, omdat met het hiervoor genoemde pakket aan voorgenomen maatregelen onvoldoende tegemoet zou worden gekomen aan de zorgen die omwonenden hebben over de openbare orde en veiligheid. Het door verzoekers ingediende verzoek wordt om die reden afgewezen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.
6.2.1.
Over de door verzoekers opgeworpen twijfel of het aantal ingehuurde beveiligers wel genoeg is, merkt de voorzieningenrechter het volgende op. Bij het veiligheidsplan, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, heeft de vergunninghouder een overzicht gevoegd waarop te zien is hoeveel beveiligers op welk tijdvak op welke avond worden ingezet. Op de donderdag, vrijdag- en zaterdagavond zijn dat in totaal negen beveiligers, waarbij zoals gezegd door de vergunninghouder aanvullende maatregelen worden genomen en ook de politie stand-by zal staan om op te schalen indien nodig. In haar advies van 23 april 2026 heeft de politie over de voorgenomen inzet aangegeven dat deze voldoet aan het adviesaantal van de politie, waarbij onder meer rekening is gehouden met de uitslag van de risicoscan en het publieksprofiel. Zoals onder rechtsoverweging 6.1 al is aangegeven, houdt de vergunninghouder zelf ook een oogje in het zeil en staat de politie stand-by om op te schalen indien nodig. Verzoekers hebben geen stukken ingebracht waaruit volgt dat de voorgenomen inzet, in tegenstelling tot het voorgaande, redelijkerwijs niet volstaat. De stelling dat dit jaar minder beveiligers worden ingehuurd dan bij de vorige edities is daarvoor onvoldoende, alleen al omdat gelet op de verschillende locaties geen deugdelijke vergelijking op dit onderdeel mogelijk is.
6.2.2.
Voorts staat in het door de vergunninghouder opgestelde veiligheidsplan opgenomen dat het aantal bezoekers van het evenement wordt geprognosticeerd op circa 1.500. Op de zitting heeft de vergunninghouder evenwel aangegeven dat het veiligheidsplan zo moet worden gelezen dat moet worden uitgegaan van een maximumaantal bezoekers in dit verband. Zoals onder rechtsoverweging 6.1 al is aangegeven, heeft de vergunninghouder verschillende maatregelen genomen om dit aantal gedurende het evenement te monitoren. Hiermee wordt ook tegemoetgekomen aan het advies dat de politie heeft gegeven op dit onderdeel. Nu het veiligheidsplan dus onderdeel uitmaakt van de evenementenvergunning, kan op het maximumaantal bezoekers worden gehandhaafd en is het hiervoor niet nodig om een apart vergunningvoorschrift in het leven te roepen.
6.2.3.
Verder heeft verweerder op de zitting afdoende toegelicht dat het, gelet op de wens van leveranciers om na afloop van het evenement zo snel mogelijk hun goederen op te halen, noodzakelijk is om ’s nachts al te beginnen met afbouwen. Daarbij hebben verzoekers aanvankelijk nog betoogd dat ten onrechte niet in de evenementenvergunning is gespecificeerd wat voor hekken rondom het evenemententerrein moeten worden geplaatst, echter was dit nog vóórdat op de zitting duidelijk werd dat dit jaar het evenemententerrein zal worden afgezet met hekken ter hoogte van 3,20 meter. Nu verzoekers op dit laatste geen reactie meer hebben gegeven, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat op dit onderdeel tegemoet wordt gekomen aan de zorgen van verzoekers en daarmee geen belang meer bestaat om dit nog op te nemen als vergunningvoorschrift.
6.2.4.
Over de grond van verzoekers dat de in de vergunning opgenomen geluidswaarden te ruim zijn en zullen leiden tot onduldbare hinder, overweegt de voorzieningenrechter dat uit vaste rechtspraak volgt dat naar objectieve gronden niet valt vast te stellen wanneer een omwonende ten gevolge van een evenement onduldbare geluidsoverlast ondervindt. Het oordeel of geluidshinder onaanvaardbaar is, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of verweerder aan de belangen die zijn gediend met de activiteit die dat geluid veroorzaakt, redelijkerwijs doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen. In haar advies aan verweerder op dit onderdeel heeft de Omgevingsdienst Midden-Holland overwogen dat bij het vaststellen van de maximale geluidsnormen van 80 dB(A) en 92 dB(C) het maatschappelijk belang van het evenement is afgewogen tegen de tijdelijke aantasting van het woon- en leefklimaat. Het evenement is een traditioneel volksfeest met een grote verbindende waarde in Warmond. Een significant verhoogd geluidsniveau is voor reguliere activiteiten onaanvaardbaar, maar is voor een evenement met een dergelijk breed draagvlak toelaatbaar. De gestelde eindtijden van het evenement waarborgen dat er voldoende nachtrust voor omwonenden resteert. De voorzieningenrechter vindt deze gemaakte belangenafweging op zichzelf niet onredelijk en weegt daarbij ook mee dat aanvullende maatregelen worden getroffen om de hinder zoveel als mogelijk te beperken, waaronder het op regelmatige basis met professionele apparatuur meten van het geluidsniveau gedurende het evenement.
6.2.5.
Daarbij hebben verzoekers aangegeven dat de verleende vergunning in strijd is met het Evenementenbeleid Teylingen, nu op grond daarvan maximaal vier overlastcategorie 1-evenementen per locatie per jaar mogen plaatsvinden en dit aantal met Schippertjesdag in aantocht uitkomt op vijf. De voorzieningenrechter volgt ook dit betoog niet, alleen al omdat de vergunninghouder op de zitting onweersproken heeft gesteld dat, zou de redenering van verzoekers worden gevolgd, de zondag gelet op de aard van de dan plaatsvindende activiteiten niet kan worden aangemerkt als een overlastcategorie 1-evenement, waarmee het totaalaantal daarmee alsnog onder de vijf zou uitkomen.
6.2.6.
Tot slot ziet de voorzieningenrechter niet in op welke wijze een vermelding van de risicocategorie van het evenement in de evenementenvergunning zelf had kunnen leiden tot andere vergunningvoorschriften op dit onderdeel. Op grond van het door de vergunninghouder opgestelde veiligheidsplan heeft de Veiligheidsregio een risicoscan ingevuld, waar een score van 25 is uitgekomen. Op basis van deze uitkomst hebben de Veiligheidsregio en de politie vervolgens adviezen aan verweerder uitgebracht. Hoewel deze adviezen geen onderdeel uitmaken van de vergunning zelf, heeft verweerder aangegeven ze wel bij de aanvraag te hebben betrokken en, al dan niet gedeeltelijk, als voorschriften aan de evenementenvergunning te hebben verbonden. Of het evenement nu moet worden geclassificeerd als een categorie B- of, zoals verzoekers betogen, B/C-evenement, feit blijft dat de betrokken veiligheidspartners bij het opstellen van hun adviezen over nog te treffen maatregelen de score van de risicoscan in samenhang met het door de vergunninghouder ingediende veiligheidsplan hebben bekeken. Zoals verweerder terecht heeft aangegeven, kan een risicoclassificatie daarbij worden gebruikt als hulpmiddel, maar doet het niet af aan de deugdelijkheid van de op het evenement toegespitste beoordeling die door de betrokken veiligheidspartners is gemaakt.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
De beslissing is aan partijen medegedeeld op 24 juni 2026 en op 3 juli 2026, tezamen met de motivering hiervan, in het openbaar uitgesproken.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening Teylingen 2024 (hierna: de Apv).
Op grond van artikel 4 van de Zondagswet.
Op grond van artikel 35 van de Alcoholwet.
Vergelijk de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 24 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:331 en van 22 januari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:314.
Op grond van artikel 1:8, eerste lid jo. artikel 2:25 van de Apv.
Ter onderbouwing hiervan verwijzen verzoekers naar de Nota Limburg.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1566.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1566.