Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26315
2026-09-07
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.34004 en NL26.34005
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel - eiser uitgezet, geen contact met gemachtigde - geen procesbelang
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2013:BY8227 Raad van State 07-01-2013
- ECLI:NL:RVS:2013:1620 Raad van State 15-10-2013
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.487 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.34004 en NL26.34005
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 30 mei 2026 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 juni 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. De gemachtigde van eiser is zonder voorafgaand bericht niet verschenen. Van eiser was bekend dat hij niet aanwezig zou zijn.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Ivoriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988. Zijn eerste asielaanvraag van 17 december 2016 is afgewezen en dat besluit is in rechte vast komen te staan. Verweerder heeft de huidige asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van zijn opvolgende aanvraag.
3. Volgens eiser is er wel sprake van nieuwe en relevante elementen. Hij heeft namelijk een krantenartikel en WhatsAppberichten overgelegd, die onderbouwen dat de Ivoriaanse autoriteiten hem zoeken vanwege politieke problemen. Dat asielmotief had hij ook bij zijn eerste aanvraag aangevoerd, maar nu nader onderbouwd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank moet eerst beoordelen of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. Verweerder heeft bij brief van 5 augustus 2026 meegedeeld dat eiser op 27 juli 2026 is uitgezet. Op 24 augustus 2026 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat hij geen contact meer heeft (gehad) met eiser.
5. Onder verwijzing naar uitspraken van de hoogste bestuursrechter, overweegt de rechtbank dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van het door hem tegen het bestreden besluit ingestelde rechtsmiddel. Dit volgt uit de omstandigheid dat hij na zijn uitzetting uit Nederland geen contact met zijn gemachtigde heeft onderhouden. Reeds hierom heeft eiser geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep.
Conclusie en gevolgen
6. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep, waardoor dit niet-ontvankelijk is.
6.1.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
6.2.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)” dan doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold op 11 juni 2026, direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.
Op basis van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d van de Vw 2000 (oud).
Zie onder meer uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8227 en 15 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1620.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.34004 en NL26.34005
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 30 mei 2026 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 juni 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. De gemachtigde van eiser is zonder voorafgaand bericht niet verschenen. Van eiser was bekend dat hij niet aanwezig zou zijn.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Ivoriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988. Zijn eerste asielaanvraag van 17 december 2016 is afgewezen en dat besluit is in rechte vast komen te staan. Verweerder heeft de huidige asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van zijn opvolgende aanvraag.
3. Volgens eiser is er wel sprake van nieuwe en relevante elementen. Hij heeft namelijk een krantenartikel en WhatsAppberichten overgelegd, die onderbouwen dat de Ivoriaanse autoriteiten hem zoeken vanwege politieke problemen. Dat asielmotief had hij ook bij zijn eerste aanvraag aangevoerd, maar nu nader onderbouwd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank moet eerst beoordelen of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. Verweerder heeft bij brief van 5 augustus 2026 meegedeeld dat eiser op 27 juli 2026 is uitgezet. Op 24 augustus 2026 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat hij geen contact meer heeft (gehad) met eiser.
5. Onder verwijzing naar uitspraken van de hoogste bestuursrechter, overweegt de rechtbank dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van het door hem tegen het bestreden besluit ingestelde rechtsmiddel. Dit volgt uit de omstandigheid dat hij na zijn uitzetting uit Nederland geen contact met zijn gemachtigde heeft onderhouden. Reeds hierom heeft eiser geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep.
Conclusie en gevolgen
6. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep, waardoor dit niet-ontvankelijk is.
6.1.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
6.2.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)” dan doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold op 11 juni 2026, direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.
Op basis van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d van de Vw 2000 (oud).
Zie onder meer uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8227 en 15 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1620.