Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26310
2026-05-21
Bestuursrecht
SGR 25/2618
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroepsprocedure. Eiseres, een restaurant, heeft beroep ingesteld tegen het besluit waarmee verweerder haar aanvraag om een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning voor het restaurant buiten behandeling heeft gesteld omdat op grond van de aangeleverde gegevens geen inhoudelijk oordeel over de mate van gevaar in de zin van de Wet Bibob kon worden gegeven. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het beroep is daarom gegrond. Verweerder zal een nieuwe beslissing op het bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2019:497 Raad van State 20-02-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:497 Raad van State 20-02-2019
- ECLI:NL:RVS:2018:407 Raad van State 07-02-2018
- ECLI:NL:RVS:2021:1329 Raad van State 23-06-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.921 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2618
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen
Restaurant De Boerderij Voorburg B.V., uit Voorburg, eiseres
en
de burgemeester van Leidschendam-Voorburg, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Dos Santos).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld tegen het besluit waarmee verweerder haar aanvraag om een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning voor ‘Restaurant De Boerderij’, gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: het restaurant), buiten behandeling heeft gesteld.
1.1.
Met het primaire besluit van 23 februari 2024 heeft verweerder deze beslissing genomen. Met het bestreden besluit van 25 februari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [naam 1] (eigenaresse van de onderneming), [naam 2] en [naam 3] en namens verweerder zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Mevrouw [naam 1] heeft het restaurant op 16 augustus 2023 overgenomen door middel van een koopovereenkomst. Voor deze locatie waren eerder aan de vorige eigenaar al een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning verleend. De geldigheid van de exploitatievergunning liep op 9 januari 2023 af. Op 29 november 2023 heeft de nieuwe eigenaresse namens eiseres een aanvraag ingediend voor een nieuwe exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning (hierna: de vergunningen). Verweerder heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld omdat hierbij onvoldoende gegevens werden aangeleverd op grond waarvan een inhoudelijk oordeel over de mate van gevaar in de zin van de Wet Bibob kon worden gegeven.
Wat zijn de regels?
3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat vindt eiseres?
4. In de kern betwist eiseres bij de eerste aanvraag onvoldoende gegevens te hebben aangeleverd. Zij stelt steeds de gevraagde stukken te hebben aangeleverd. Soms werden er zelfs meer stukken toegestuurd dan waar om werd gevraagd. Telkens als eiseres de gevraagde stukken aanleverde, werden er weer nieuwe vragen gesteld en informatie gevraagd. Verweerder heeft haar niet genoeg tijd gegeven om deze nieuwe vragen te beantwoorden. Ook stelt eiseres dat er bij de tweede aanvraag vragen werden gesteld die niet eerder bij de eerste aanvraag aan de orde kwamen zodat de vergelijking die verweerder maakt niet opgaat. Voorts doet eiseres haar beklag over de wijze waarop de bezwaarprocedure is verlopen. Zo is tijdens de hoorzitting op 3 oktober 2024 overeengekomen dat verweerder een vergelijking zou opstellen van de stukken die tijdens de eerste en de tweede aanvraag van eiseres zijn aangeleverd. Vervolgens zou eiseres de gelegenheid krijgen om hierop te reageren. Uiteindelijk heeft verweerder plotseling en zonder nadere uitleg op 25 februari 2025 de beslissing op bezwaar genomen. Door deze gang van zaken voelt eiseres zich onvoldoende gehoord.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Is er sprake van procesbelang?
5. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseres nog procesbelang heeft bij dit beroep, nu verweerder een nieuwe (tweede) aanvraag van eiseres om de vergunningen met het besluit van 29 maart 2024 alsnog heeft toegewezen.
5.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de bestuursrechter een beroep alleen inhoudelijk hoeft te beoordelen als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis moet zijn. Met andere woorden, de indiener dient een actueel en reëel belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.Procesbelang kan bestaan als de betrokkene stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk als gevolg van deze bestuurlijke besluitvorming is geleden.
5.2.
Op de zitting heeft de eigenaresse aangegeven dat het restaurant in de periode tussen de afwijzing van de eerste aanvraag en de toewijzing van de tweede aanvraag zo’n vijf weken gesloten is geweest en daardoor geen inkomsten konden worden gegenereerd. Als zij gelijk krijgt in deze procedure kan zij de geleden schade bij verweerder verhalen. Dat het restaurant in de tussenliggende periode gesloten is geweest, wordt door verweerder niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een actueel en reëel belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van het beroep.
Mocht verweerder de vergunningaanvraag van verzoekster buiten behandeling stellen?
6. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
6.1.
Op grond van artikel 7a, eerste, van de Wet Bibob kan het bestuursorgaan een eigen onderzoek instellen naar feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat een exploitatievergunning of een alcoholwetvergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen. Om het bestuursorgaan in staat te stellen tot het eigen onderzoek, verschaft de betrokkene op grond van het tweede lid, onder h, van dit artikel onder meer gegevens waaruit kan worden afgeleid hoe de onderneming is gefinancierd.
6.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de eerste aanvraag nooit zodanig is aangevuld dat hierop een beslissing kon worden genomen. Ter illustratie hiervan heeft verweerder in het verweerschrift een opsomming gegeven van de stukken die wél bij de tweede aanvraag zijn aangeleverd, maar niet bij de eerste aanvraag, terwijl hier volgens verweerder toen wel degelijk om gevraagd is. Het gaat hierbij om de volgende stukken:
- bewijs van winstuitkering en kosten van de BV: pas met de mail van 29 februari 2024 heeft de eigenaar een grootboek overlegd. Ook zijn met de mail van 17 maart 2024 nadere bankafschriften overlegd;
- bewijs van inkomen: pas met de mail van 17 maart 2024 zijn de belastingaangiften van de jaren 2021 en 2022 aangeleverd;
- financieringsbegroting: pas met de mail van 17 maart 2024 is hierover voldoende duidelijkheid gekomen;
- opbouw van eigen vermogen: pas met de mail van 17 maart 2024 zijn bankafschriften overlegd van een spaarrekening;
-
bewijs van vermogensopbouw van dhr. [naam 3]pas met de mail van 17 maart 2024 zijn afrekennota’s van de notaris overlegd met betrekking tot de verkoop van vier bouwkavels in mei/juni 2019.
De rechtbank begrijpt verweerder zo dat deze gegevens voor verweerder van doorslaggevend belang zijn geweest om de tweede aanvraag wel in behandeling te nemen.
6.2.1.
Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat vanwege de ontbrekende gegevens zoals genoemd in het advies van de commissie de eerste aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld volgt de rechtbank dit standpunt niet. Immers een deel van die gegevens zijn niet overgelegd bij de tweede aanvraag terwijl die wel in behandeling is genomen. De vraag die aldus moet worden beantwoord is of de eigenaresse de gegevens zoals genoemd in het verweerschrift niet heeft overgelegd terwijl daar door verweerder wel naar gevraagd is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
6.2.2.
Uit wat op de zitting is besproken leidt de rechtbank af dat het ontbreken van informatie over de vermogensopbouw van [naam 3] voor verweerder de belangrijkste reden is geweest om de eerste aanvraag van eiseres buiten behandeling te stellen en de tweede aanvraag wel in behandeling te nemen. De heer [naam 3] heeft de eigenaresse in het verleden een lening verstrekt van € 320.000,- voor de aankoop van een winkelpand waaruit zij huurinkomsten ontvangt en wordt daarom aangemerkt als een financier in de zin van de Wet Bibob. Uit de beschikbare stukken blijkt echter dat verweerder alleen in de mail van 18 januari 2024 aan de eigenaresse om opheldering heeft verzocht op dit punt. In de daaropvolgende e-mail van 19 februari 2024 waarin verweerder een overzicht geeft van ontbrekende stukken, verzoekt verweerder slechts om een bewijs van aflossing van de lening die [naam 3] heeft verstrekt en wordt niet aangegeven dat nog onduidelijkheid bestaat over diens vermogensopbouw. Pas nadat eiseres haar tweede aanvraag had ingediend, heeft verweerder met de e-mail van 4 maart 2024 weer verzocht om aan te tonen hoe [naam 3] zijn vermogen heeft opgebouwd. Het had echter op de weg gelegen van verweerder om dit ook in de e-mail van 19 februari 2024 aan de orde te stellen, te meer nu de rechtbank het gelet op de vele vragen die zijn gesteld, de hoeveelheid stukken die zijn ingediend en de complexiteit van de materie voorstelbaar vindt dat bij eiseres het volledige overzicht ontbrak. Deze opvatting ligt ook in lijn met de wetsgeschiedenis van artikel 4:5 van de Awb, waaruit volgt dat dit artikel met name in het leven is geroepen ten dienste van de aanvrager indien niet duidelijk is wat van hem wordt verwacht. De rechtbank is daarom van oordeel dat redelijkerwijs niet aan eiseres kan worden tegengeworpen dat zij bij de eerste aanvraag onvoldoende informatie heeft verschaft over de vermogensopbouw van [naam 3].
6.2.3.
Verder is op de zitting duidelijk geworden dat verweerder in het traject van de eerste aanvraag nimmer heeft verzocht om belastingaangiften. In de e-mails van 30 november 2023, 18 januari 2024 en 19 februari 2024 wordt steeds gevraagd om (definitieve) belastingaanslagen van de jaren 2021 en 2022. Eiseres heeft echter onweersproken gesteld dat zij ten tijde van de eerste aanvraag nog niet beschikte over de definitieve belastingaanslagen en daarom heeft volstaan met het verstrekken van een voorlopige belastingaanslag. Naar het oordeel van de rechtbank kan het eiseres daarom ook niet worden verweten dat zij ten tijde van de eerste aanvraag geen belastingaangiften dan wel definitieve belastingaanslagen van de jaren 2021 en 2022 heeft overlegd.
6.2.4.
Ook voor wat betreft het punt van de financieringsbegroting is het de rechtbank niet geheel helder wat eiseres wordt verweten. Blijkens de stukken heeft eiseres op 20 december 2023 op verzoek van verweerder een begroting overlegd, die is opgemaakt door ‘[naam 4], Administratieve Dienstverlening CA’. Op de zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat dit dezelfde begroting betreft als die bij de tweede aanvraag op 17 maart 2023 is verstrekt, maar dat toen ook nog extra stukken zijn aangeleverd naar aanleiding van nadere vragen die door verweerder zijn gesteld. Op de vraag waarom die vragen niet al bij de eerste aanvraag zijn gesteld, heeft verweerder geen duidelijk antwoord kunnen geven.
6.3.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder in ieder geval van drie van de vijf in het verweerschrift genoemde punten, waaronder de volgens verweerder zelf belangrijkste over de vermogensopbouw van dhr. [naam 3], niet aan eiseres mocht tegenwerpen dat zij hierover niet al bij de eerste aanvraag de nodige duidelijkheid had verschaft. Het besluit is daarmee onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
6.4.
De vraag of het besluit tot buiten behandelingstelling van de eerste aanvraag van eiseres kan worden gedragen door de twee overgebleven punten, is er niet één die de rechtbank kan en moet beantwoorden. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt namelijk dat het aan het bevoegde bestuursorgaan is om te beoordelen of het over voldoende gegevens en bescheiden beschikt om een besluit op een aanvraag te nemen. De rechtbank draagt verweerder om die reden op om binnen een termijn van zes weken een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen waarin dit opnieuw wordt beoordeeld.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal verweerder opdragen binnen een termijn van zes weken een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder ook het door eiseres betaalde griffierecht betalen. Voor de toekenning van een proceskostenvergoeding bestaat op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht geen aanleiding omdat geen sprake is van door een derde verleende rechtsbijstand.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 25 februari 2025 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 25 februari 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen als de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
Wet Bibob
Op grond van artikel 3, eerste lid van de Wet Bibob kan een bestuursorgaan een aangevraagde beschikking weigeren te geven indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om a) uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of b) strafbare feiten te plegen.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de mate van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onder a, vastgesteld op basis van a) feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b) ingeval van vermoeden de ernst daarvan, c) de aard van de relatie en d) de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.
Op grond van het derde lid van artikel 3 van de Wet Bibob wordt de mate van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onder b, vastgesteld op basis van a) feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven, b) ingeval van vermoeden de ernst daarvan, (c de aard van de relatie en d) het aantal van de gepleegde strafbare feiten.
Alcoholwet
Op grond van artikel 27, derde lid, van de Alcoholwet kan een vergunning worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoel in artikel 3 van de Wet Bibob.
Algemene plaatselijke verordening Leidschendam-Voorburg
Op grond van artikel 2:28, eerste lid, van de Apv is het verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. Een leidinggevende is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag.
Op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo. artikel 27, derde lid, van de Alcoholwet.
Als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:497.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:497.
Op grond van artikel 3:2 van de Awb.
Op grond van artikel 3:46 van de Awb.
Zie in dat verband de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:407.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1329.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2618
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen
Restaurant De Boerderij Voorburg B.V., uit Voorburg, eiseres
en
de burgemeester van Leidschendam-Voorburg, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Dos Santos).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld tegen het besluit waarmee verweerder haar aanvraag om een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning voor ‘Restaurant De Boerderij’, gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: het restaurant), buiten behandeling heeft gesteld.
1.1.
Met het primaire besluit van 23 februari 2024 heeft verweerder deze beslissing genomen. Met het bestreden besluit van 25 februari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [naam 1] (eigenaresse van de onderneming), [naam 2] en [naam 3] en namens verweerder zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Mevrouw [naam 1] heeft het restaurant op 16 augustus 2023 overgenomen door middel van een koopovereenkomst. Voor deze locatie waren eerder aan de vorige eigenaar al een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning verleend. De geldigheid van de exploitatievergunning liep op 9 januari 2023 af. Op 29 november 2023 heeft de nieuwe eigenaresse namens eiseres een aanvraag ingediend voor een nieuwe exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning (hierna: de vergunningen). Verweerder heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld omdat hierbij onvoldoende gegevens werden aangeleverd op grond waarvan een inhoudelijk oordeel over de mate van gevaar in de zin van de Wet Bibob kon worden gegeven.
Wat zijn de regels?
3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat vindt eiseres?
4. In de kern betwist eiseres bij de eerste aanvraag onvoldoende gegevens te hebben aangeleverd. Zij stelt steeds de gevraagde stukken te hebben aangeleverd. Soms werden er zelfs meer stukken toegestuurd dan waar om werd gevraagd. Telkens als eiseres de gevraagde stukken aanleverde, werden er weer nieuwe vragen gesteld en informatie gevraagd. Verweerder heeft haar niet genoeg tijd gegeven om deze nieuwe vragen te beantwoorden. Ook stelt eiseres dat er bij de tweede aanvraag vragen werden gesteld die niet eerder bij de eerste aanvraag aan de orde kwamen zodat de vergelijking die verweerder maakt niet opgaat. Voorts doet eiseres haar beklag over de wijze waarop de bezwaarprocedure is verlopen. Zo is tijdens de hoorzitting op 3 oktober 2024 overeengekomen dat verweerder een vergelijking zou opstellen van de stukken die tijdens de eerste en de tweede aanvraag van eiseres zijn aangeleverd. Vervolgens zou eiseres de gelegenheid krijgen om hierop te reageren. Uiteindelijk heeft verweerder plotseling en zonder nadere uitleg op 25 februari 2025 de beslissing op bezwaar genomen. Door deze gang van zaken voelt eiseres zich onvoldoende gehoord.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Is er sprake van procesbelang?
5. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseres nog procesbelang heeft bij dit beroep, nu verweerder een nieuwe (tweede) aanvraag van eiseres om de vergunningen met het besluit van 29 maart 2024 alsnog heeft toegewezen.
5.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de bestuursrechter een beroep alleen inhoudelijk hoeft te beoordelen als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis moet zijn. Met andere woorden, de indiener dient een actueel en reëel belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.Procesbelang kan bestaan als de betrokkene stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk als gevolg van deze bestuurlijke besluitvorming is geleden.
5.2.
Op de zitting heeft de eigenaresse aangegeven dat het restaurant in de periode tussen de afwijzing van de eerste aanvraag en de toewijzing van de tweede aanvraag zo’n vijf weken gesloten is geweest en daardoor geen inkomsten konden worden gegenereerd. Als zij gelijk krijgt in deze procedure kan zij de geleden schade bij verweerder verhalen. Dat het restaurant in de tussenliggende periode gesloten is geweest, wordt door verweerder niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een actueel en reëel belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van het beroep.
Mocht verweerder de vergunningaanvraag van verzoekster buiten behandeling stellen?
6. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
6.1.
Op grond van artikel 7a, eerste, van de Wet Bibob kan het bestuursorgaan een eigen onderzoek instellen naar feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat een exploitatievergunning of een alcoholwetvergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen. Om het bestuursorgaan in staat te stellen tot het eigen onderzoek, verschaft de betrokkene op grond van het tweede lid, onder h, van dit artikel onder meer gegevens waaruit kan worden afgeleid hoe de onderneming is gefinancierd.
6.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de eerste aanvraag nooit zodanig is aangevuld dat hierop een beslissing kon worden genomen. Ter illustratie hiervan heeft verweerder in het verweerschrift een opsomming gegeven van de stukken die wél bij de tweede aanvraag zijn aangeleverd, maar niet bij de eerste aanvraag, terwijl hier volgens verweerder toen wel degelijk om gevraagd is. Het gaat hierbij om de volgende stukken:
- bewijs van winstuitkering en kosten van de BV: pas met de mail van 29 februari 2024 heeft de eigenaar een grootboek overlegd. Ook zijn met de mail van 17 maart 2024 nadere bankafschriften overlegd;
- bewijs van inkomen: pas met de mail van 17 maart 2024 zijn de belastingaangiften van de jaren 2021 en 2022 aangeleverd;
- financieringsbegroting: pas met de mail van 17 maart 2024 is hierover voldoende duidelijkheid gekomen;
- opbouw van eigen vermogen: pas met de mail van 17 maart 2024 zijn bankafschriften overlegd van een spaarrekening;
-
bewijs van vermogensopbouw van dhr. [naam 3]pas met de mail van 17 maart 2024 zijn afrekennota’s van de notaris overlegd met betrekking tot de verkoop van vier bouwkavels in mei/juni 2019.
De rechtbank begrijpt verweerder zo dat deze gegevens voor verweerder van doorslaggevend belang zijn geweest om de tweede aanvraag wel in behandeling te nemen.
6.2.1.
Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat vanwege de ontbrekende gegevens zoals genoemd in het advies van de commissie de eerste aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld volgt de rechtbank dit standpunt niet. Immers een deel van die gegevens zijn niet overgelegd bij de tweede aanvraag terwijl die wel in behandeling is genomen. De vraag die aldus moet worden beantwoord is of de eigenaresse de gegevens zoals genoemd in het verweerschrift niet heeft overgelegd terwijl daar door verweerder wel naar gevraagd is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
6.2.2.
Uit wat op de zitting is besproken leidt de rechtbank af dat het ontbreken van informatie over de vermogensopbouw van [naam 3] voor verweerder de belangrijkste reden is geweest om de eerste aanvraag van eiseres buiten behandeling te stellen en de tweede aanvraag wel in behandeling te nemen. De heer [naam 3] heeft de eigenaresse in het verleden een lening verstrekt van € 320.000,- voor de aankoop van een winkelpand waaruit zij huurinkomsten ontvangt en wordt daarom aangemerkt als een financier in de zin van de Wet Bibob. Uit de beschikbare stukken blijkt echter dat verweerder alleen in de mail van 18 januari 2024 aan de eigenaresse om opheldering heeft verzocht op dit punt. In de daaropvolgende e-mail van 19 februari 2024 waarin verweerder een overzicht geeft van ontbrekende stukken, verzoekt verweerder slechts om een bewijs van aflossing van de lening die [naam 3] heeft verstrekt en wordt niet aangegeven dat nog onduidelijkheid bestaat over diens vermogensopbouw. Pas nadat eiseres haar tweede aanvraag had ingediend, heeft verweerder met de e-mail van 4 maart 2024 weer verzocht om aan te tonen hoe [naam 3] zijn vermogen heeft opgebouwd. Het had echter op de weg gelegen van verweerder om dit ook in de e-mail van 19 februari 2024 aan de orde te stellen, te meer nu de rechtbank het gelet op de vele vragen die zijn gesteld, de hoeveelheid stukken die zijn ingediend en de complexiteit van de materie voorstelbaar vindt dat bij eiseres het volledige overzicht ontbrak. Deze opvatting ligt ook in lijn met de wetsgeschiedenis van artikel 4:5 van de Awb, waaruit volgt dat dit artikel met name in het leven is geroepen ten dienste van de aanvrager indien niet duidelijk is wat van hem wordt verwacht. De rechtbank is daarom van oordeel dat redelijkerwijs niet aan eiseres kan worden tegengeworpen dat zij bij de eerste aanvraag onvoldoende informatie heeft verschaft over de vermogensopbouw van [naam 3].
6.2.3.
Verder is op de zitting duidelijk geworden dat verweerder in het traject van de eerste aanvraag nimmer heeft verzocht om belastingaangiften. In de e-mails van 30 november 2023, 18 januari 2024 en 19 februari 2024 wordt steeds gevraagd om (definitieve) belastingaanslagen van de jaren 2021 en 2022. Eiseres heeft echter onweersproken gesteld dat zij ten tijde van de eerste aanvraag nog niet beschikte over de definitieve belastingaanslagen en daarom heeft volstaan met het verstrekken van een voorlopige belastingaanslag. Naar het oordeel van de rechtbank kan het eiseres daarom ook niet worden verweten dat zij ten tijde van de eerste aanvraag geen belastingaangiften dan wel definitieve belastingaanslagen van de jaren 2021 en 2022 heeft overlegd.
6.2.4.
Ook voor wat betreft het punt van de financieringsbegroting is het de rechtbank niet geheel helder wat eiseres wordt verweten. Blijkens de stukken heeft eiseres op 20 december 2023 op verzoek van verweerder een begroting overlegd, die is opgemaakt door ‘[naam 4], Administratieve Dienstverlening CA’. Op de zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat dit dezelfde begroting betreft als die bij de tweede aanvraag op 17 maart 2023 is verstrekt, maar dat toen ook nog extra stukken zijn aangeleverd naar aanleiding van nadere vragen die door verweerder zijn gesteld. Op de vraag waarom die vragen niet al bij de eerste aanvraag zijn gesteld, heeft verweerder geen duidelijk antwoord kunnen geven.
6.3.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder in ieder geval van drie van de vijf in het verweerschrift genoemde punten, waaronder de volgens verweerder zelf belangrijkste over de vermogensopbouw van dhr. [naam 3], niet aan eiseres mocht tegenwerpen dat zij hierover niet al bij de eerste aanvraag de nodige duidelijkheid had verschaft. Het besluit is daarmee onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
6.4.
De vraag of het besluit tot buiten behandelingstelling van de eerste aanvraag van eiseres kan worden gedragen door de twee overgebleven punten, is er niet één die de rechtbank kan en moet beantwoorden. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt namelijk dat het aan het bevoegde bestuursorgaan is om te beoordelen of het over voldoende gegevens en bescheiden beschikt om een besluit op een aanvraag te nemen. De rechtbank draagt verweerder om die reden op om binnen een termijn van zes weken een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen waarin dit opnieuw wordt beoordeeld.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal verweerder opdragen binnen een termijn van zes weken een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder ook het door eiseres betaalde griffierecht betalen. Voor de toekenning van een proceskostenvergoeding bestaat op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht geen aanleiding omdat geen sprake is van door een derde verleende rechtsbijstand.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 25 februari 2025 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 25 februari 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen als de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
Wet Bibob
Op grond van artikel 3, eerste lid van de Wet Bibob kan een bestuursorgaan een aangevraagde beschikking weigeren te geven indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om a) uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of b) strafbare feiten te plegen.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de mate van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onder a, vastgesteld op basis van a) feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b) ingeval van vermoeden de ernst daarvan, c) de aard van de relatie en d) de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.
Op grond van het derde lid van artikel 3 van de Wet Bibob wordt de mate van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onder b, vastgesteld op basis van a) feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven, b) ingeval van vermoeden de ernst daarvan, (c de aard van de relatie en d) het aantal van de gepleegde strafbare feiten.
Alcoholwet
Op grond van artikel 27, derde lid, van de Alcoholwet kan een vergunning worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoel in artikel 3 van de Wet Bibob.
Algemene plaatselijke verordening Leidschendam-Voorburg
Op grond van artikel 2:28, eerste lid, van de Apv is het verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. Een leidinggevende is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag.
Op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo. artikel 27, derde lid, van de Alcoholwet.
Als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:497.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:497.
Op grond van artikel 3:2 van de Awb.
Op grond van artikel 3:46 van de Awb.
Zie in dat verband de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:407.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1329.