Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26309

2026-04-20 Bestuursrecht SGR 25/5966
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-04-20
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/5966
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroepsprocedure. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het verkeersbesluit van verweerder waarmee de bushalte aan de Jan van Houtkade is verplaatst. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit terecht niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Beroep is ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.092 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 25/5966


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen



[eiser], uit [woonplaats], eiser


en




het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Bogers).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen een verkeersbesluit van verweerder.



1.1.
Verweerder heeft op 29 oktober 2024 (het primaire besluit) besloten tot het verplaatsen van een bushalte aan de Jan van Houtkade in Leiden. Met het bestreden besluit van 1 juli 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.



1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam 1] (buurman van eiser) en de gemachtigde van verweerder vergezeld door [naam 2] en [naam 3].





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. In het verkeersbesluit heeft verweerder besloten tot het verplaatsen van de bushalte aan de Jan van Houtkade in Leiden. Dit besluit is genomen in het kader van een beoogde herinrichting van de gehele Jan van Houtkade. Het verkeersbesluit houdt in dat het bestaande haltebord ongeveer anderhalve meter wordt verplaatst richting de Doezastraat en de wit-zwarte blokmarkering wordt verwijderd. Hangende het bezwaar van eiser heeft verweerder het verkeersbesluit gewijzigd, inhoudende dat er toch een wit-zwarte blokmarkering komt, maar dat deze vier meter meer de Jan van Houtkade in komt te liggen en een lengte krijgt van twaalf meter. De beoogde verplaatsing van het haltebord is ongewijzigd gebleven.

3. Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Daartoe heeft verweerder overwogen dat het bezwaar van eiser alleen ziet op de verplaatsing van de abri. Het verplaatsen van de abri is volgens verweerder echter geen onderdeel van het verkeersbesluit, maar al betrokken in het Uitvoeringsbesluit ‘Herinrichting Jan van Houtkade – Koepoortsbrug’ van de gemeenteraad van 12 oktober 2023. Eiser kan daardoor met zijn bezwaar niet het door hem gewenste doel bereiken. Hiermee is verweerder afgeweken van het advies van de Bezwaarschriftencommissie. Deze heeft geadviseerd de verplaatsing van de abri in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw) bij de belangenafweging te betrekken.



Wat vindt eiser in beroep?



4. Eiser stelt dat in het Uitvoeringsbesluit niet expliciet wordt ingegaan op de verplaatsing van de bushalte en de abri. Dit wordt volgens eiser bevestigd door de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 december 2024.

Verder blijkt uit jurisprudentie wel degelijk dat de verplaatsing van een abri onderdeel moet uitmaken van een verkeersbesluit.
Ten aanzien van het debat over de verplaatsing van de abri dat heeft plaatsgevonden in de gemeenteraad stelt eiser dat de wethouder de gemeenteraadsleden onjuist heeft geïnformeerd en dat dit debat daarom buiten beschouwing moet worden gelaten.




Wat is het oordeel van de rechtbank?



5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.


5.1.
Op grond van artikel 15, tweede lid, van de Wvw geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.



5.2.
Op de zitting heeft eiser bevestigd dat hij alleen bezwaar heeft aangetekend tegen het primaire besluit vanwege de verplaatsing van de abri. In het verkeersbesluit wordt de verplaatsing van de abri echter niet genoemd. Verweerder was hiertoe ook niet gehouden, nu de verplaatsing van een abri niet kan worden ondergebracht onder artikel 15, eerste tweede lid, van de Wvw omdat hiermee geen beperking of uitbreiding plaatsvindt van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken. Anders dan eiser heeft betoogd, volgt uit de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 augustus 2020 niet het tegendeel. Dat het bestuursorgaan er in die zaak zelf voor heeft gekozen om de plaatsing van een abri wél onderdeel te laten uitmaken van het verkeersbesluit, betekent niet dat hiertoe, zoals hiervoor al is uitgelegd, een algemene wettelijke verplichting bestaat.



5.3.
Geheel ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op. Op de zitting is naar voren gekomen dat het voor eiser ook niet mogelijk was om de verplaatsing van de abri aan de orde te stellen in een bezwaar tegen het Uitvoeringsbesluit, nu dit een besluit van algemene strekking is waartegen geen rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld. Over de verplaatsing van de abri is evenwel tweemaal gedebatteerd in de gemeenteraad en is er mede op initiatief van eiser een motie ingediend, die ertoe strekte de bushalte te plaatsen zonder abri. Zonder daartoe te zijn gehouden heeft ook verweerder zelf in het wijzigingsbesluit toegelicht waarom hij bij de verplaatsing van de abri een groter gewicht toekent aan het algemene belang dan aan het belang van de omwonenden zoals eiser. Gelet op het voorgaande kan dan ook redelijkerwijs niet worden volgehouden dat bij de verplaatsing van de abri in zijn geheel geen rekening is gehouden met de belangen van eiser. Dat de belangenafweging uiteindelijk niet tot het gewenste resultaat voor eiser heeft geleid maakt het voorgaande niet anders.





Conclusie en gevolgen


6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.


































Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


ECLI:NL:RBDHA:2024:22619.


Zie de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 augustus 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:4059.


Op grond van artikel 8:3, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).