Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26258

2026-09-07 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht AWB 26.12332
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-07
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AWB 26.12332
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel Somalië, reëel risico op ernstige schade, beleid voor binnenlandse ontheemden, onderzoek naar adequate opvang, belangen van het kind, beroep gegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.540 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 26/12332


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Igdeli),



en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigden: mr. E. Varol en mr. A. Al-Edani).





Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.



1.1
Eiser heeft op 28 september 2023 in Nederland een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 11 september 2024 afgewezen als ongegrond. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep van eiser tegen dit besluit op 16 januari 2025 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen.



1.2
Eiser heeft op 12 maart 2025 een ingebrekestelling gestuurd wegens het uitblijven van een besluit. Op 17 april 2025 heeft hij beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.



1.3
Met het besluit van 10 juni 2025 heeft de minister de asielaanvraag opnieuw afgewezen als ongegrond. Dit is het bestreden besluit.



1.4
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep wegens niet tijdig beslissen mede betrekking op het bestreden besluit.



1.5
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting in Breda behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, [naam] als tolk, en de gemachtigden van verweerder.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen zes weken na de datum van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Het asielrelaas



4. Eiser stelt dat hij is geboren op [datum] 2007 en dat hij de Somalische nationaliteit heeft. Eiser heeft, kort weergegeven, het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is op vijfjarige leeftijd met zijn ouders gevlucht naar Ethiopië. Na de vlucht zijn eisers ouders gescheiden en is zijn vader hertrouwd. Sindsdien heeft hij zijn moeder niet meer gezien. Eiser werd in Ethiopië slecht behandeld door zijn stiefmoeder. Nadat zijn vader is vermoord door de Oromo’s verslechterde de situatie voor eiser en is hij met regelmaat (ernstig) mishandeld door zijn stiefmoeder. Ook zijn tante (zus van zijn vader) die in Ethiopië woonde, wilde niet voor eiser zorgen. Eiser heeft verder geen familie in Somalië of Ethiopië en om die reden is hij gevlucht.



De vorige procedure



5. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht in het besluit van 11 september 2024. Hij heeft verder geen asielmotieven aangenomen en de aanvraag afgewezen. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit op twee gronden gegrond verklaard: omdat de minister de door eiser aangevoerde omstandigheden ten onrechte niet als asielmotieven heeft aangemerkt en omdat de minister onvoldoende voortvarend is geweest in het onderzoek naar adequate opvang voor eiser in het land van herkomst. Hij heeft eiser zodoende onnodig lang in onzekerheid laten verkeren over zijn verblijfsstatus. Omdat geen van de partijen tegen deze uitspraak rechtsmiddelen heeft aangewend staan deze oordelen in rechte vast.



Het bestreden besluit



6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:


Identiteit, nationaliteit en herkomst;


Eiser behoort tot een minderheidsclan;


Eiser heeft lang in het buitenland verbleven als minderjarige zonder een bij hem bekend sociaal netwerk in Somalië.




6.1
Ten aanzien van de identiteit, nationaliteit en herkomst geldt dat deze niet met documenten zijn aangetoond, maar door de minister als geloofwaardig zijn aangenomen. Ten aanzien van het tweede relevante feit verwijst de minister naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats in de vorige procedure. De rechtbank heeft toen geoordeeld dat de beroepsgrond van eiser dat hij behoort tot een minderheidsstam niet slaagt. Ten aanzien van het derde relevante feit overweegt de minister dat dit geloofwaardig is.



6.2
Het eerste en derde asielmotief samen leveren naar het oordeel van de minister geen gegronde vrees voor vervolging op en leiden ook niet tot het oordeel dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Ter onderbouwing van dit laatste oordeel verwijst de minister naar het Algemeen Ambtsbericht Somalië van 2023 en in beroep naar het Ambtsbericht uit 2025, waaruit blijkt dat in Mogadishu sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De minister betrekt hierbij dat eiser weliswaar niet bekend is met een sociaal netwerk in Somalië maar dat dit niet betekent dat hij daar geen sociaal netwerk heeft. Eiser behoort immers tot een van de vier grote clans in Somalië, hij heeft de eerste vijf jaar van zijn leven in Mogadishu gewoond, hij heeft ook tijdens zijn verblijf in Ethiopië in Somalische kringen verbleven en spreekt daarom de taal en is bekend met de gebruiken. Voor zover eiser zich er op beroept dat terugkeerders naar Somalië problemen kunnen ondervinden, onderkent de minister dat eiser mogelijk moeite zal ondervinden bij het vinden van werk, maar dat dit geen reëel risico op ernstige schade oplevert. Er is ook geen reden om eiser te behandelen als een intern ontheemde. Ten aanzien van de adequate opvang stelt de minister zich op het standpunt dat hij voldoende voortvarend gehandeld heeft; het onderzoek is inmiddels afgerond en hij verwacht “op afzienbare termijn” een besluit te kunnen nemen.



De gronden van beroep



7. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe, kort weergegeven, het volgende aan. Bij terugkeer naar Somalië loopt eiser wel degelijk een reëel risico op ernstige schade. De minister baseert zich ten onrechte op het Algemeen Ambtsbericht bij de beoordeling van de mate van willekeurig geweld in Mogadishu; uit andere bronnen blijkt dat het geweldsniveau hoger ligt en toeneemt. Hij verwijst in dit verband naar een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 9 juli 2025, dat verwijst naar een rapport over de veiligheidssituatie in Somalië door de EUAA van mei 2025, een rapport van het Belgische CEDOCA van 25 maart 2025, twee kaarten die zijn gepubliceerd door Critical Threats in februari 2025, en naar verschillende mediaberichten. Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers bijzondere, individuele omstandigheden, waaronder zijn jonge leeftijd en het ontbreken van een sociaal netwerk in Somalië. Hij voert hiertoe aan dat een sociaal netwerk dat hij niet kent, niet kan gelden als relevant sociaal netwerk. Uit het Algemeen Ambtsbericht Somalië blijkt juist dat het sociaal netwerk van kritiek belang is voor terugkeerders. Daarnaast voert eiser aan dat het beleid ten aanzien van binnenlandse ontheemden voor hem zou moeten gelden, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 14 januari 2025. Over het door de minister uitgevoerde onderzoek naar adequate opvang in Somalië voert eiser aan dat dit opnieuw te lang heeft geduurd en dat hij daarom een buitenschuldvergunning zou moeten krijgen. Ten slotte voert eiser aan dat het belang van het kind onvoldoende / onvoldoende kenbaar in het bestreden besluit is meegewogen.

De rechtbank oordeelt als volgt




Reëel risico op ernstige schade



8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Mogadishu louter door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (hierna: artikel 15c). De rechtbank oordeelt bovendien dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege individuele factoren een verhoogd risico loopt op ernstige schade en daardoor niet kan terugkeren. Zij motiveert dit oordeel als volgt.



8.1
Artikel 15c gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld, in het kader van een gewapend conflict, zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15c kan ook betrekking hebben op een minder uitzonderlijke situatie. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling. Hoe meer een vreemdeling aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld er is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. In dit kader beoordeelt de rechtbank in het navolgende de mate van willekeurig geweld in Mogadishu, in combinatie met de individuele omstandigheden van eiser.



Mate van willekeurig geweld in Mogadishu





8.2
De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in Mogadishu sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld; eiser heeft het tegendeel niet aangetoond. De rechtbank overweegt in dit verband dat uit zowel het Algemeen Ambtsbericht van 2025, als uit het EEUA-rapport van oktober 2025 en de door eiser overgelegde brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 9 juli 2025, blijkt dat Mogadishu niet onder controle staat van Al-Shabaab. Ook volgt uit het EUAA-rapport niet expliciet dat de situatie sinds het einde van de verslagperiode van het Algemeen Ambtsbericht van 2025 is verslechterd als het gaat om bijvoorbeeld het aantal geweldsincidenten waarbij burgers betrokken zijn of het aantal ontheemden. Uit het feit dat Al Shabaab, zoals eiser stelt, in 2025 aan terrein heeft gewonnen en dat Al Shabaab Mogadishu nadert, volgt zonder nadere onderbouwing niet de conclusie dat de situatie in Mogadishu aanzienlijk is verslechterd en een ander niveau van willekeurig geweld op zijn plaats is.



Individuele omstandigheden van eiser





8.3
De minister heeft in het bestreden besluit terecht rekening gehouden met het gegeven dat eiser Somalisch spreekt, is opgegroeid in de Somalische cultuur en beroep zou kunnen doen op hulp en steun van zijn clan, en mogelijk van zijn familie. Uit de overgelegde vertrekgesprekken die eiser met DT&V heeft gevoerd blijkt dat eiser wel contact kan opnemen met clanleden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen beroep kan doen op dit netwerk. Voor zover de minister het bestreden besluit mede heeft gebaseerd op het feit dat eiser van zijn geboorte tot zijn vijfde jaar in Mogadishu heeft gewoond, volgt de rechtbank dit niet. In de eerste vijf levensjaren is een kind volledig afhankelijk van het gezin waarin hij opgroeit; de buitenwereld heeft dan beperkt belang. Dat mensen in Mogadishu eiser nog zouden kennen of herkennen uit die periode, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, is volgens de rechtbank niet aannemelijk en evenmin onderbouwd. Ondanks deze constatering oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit ten aanzien van de individuele omstandigheden van eiser voldoende is onderbouwd omdat het verblijf van vijf jaar in Somalië slechts een van de elementen betreft die aan de afweging ten grondslag zijn gelegd.



8.4
Uit wat eiser heeft aangevoerd en de informatie die hij heeft betrokken uit algemene bronnen volgt dat het waarschijnlijk is dat hij bij terugkeer naar Somalië grote moeite zal krijgen om zich financieel en sociaal staande te houden. Hij heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat deze problemen als een zodanige ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon moeten worden aangemerkt dat ze, in aanmerking nemend de mate van willekeurig geweld in Mogadishu, moesten leiden tot inwilliging van zijn verzoek om subsidiaire bescherming.



Beleid voor binnenlandse ontheemden



9. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade, is er geen ruimte voor een beoordeling of het beleid ten aanzien van binnenlandse ontheemden ook in eisers situatie zou moeten worden toegepast. In het hoger beroep tegen de door eiser aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 14 januari 2025, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat de vraag naar een vestigingsalternatief pas aan de orde kan komen nadat is vastgesteld dat de betrokken vreemdeling een reëel risico op ernstige schade loopt.



Onderzoek naar adequate opvang



10. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek naar adequate opvang opnieuw te lang heeft geduurd. De minister heeft er op geen enkele manier blijk van gegeven dat hij op een voortvarende wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van deze rechtbank in de voorgaande procedure om zo de minderjarige vreemdeling zo kort mogelijk in onzekerheid te laten over de uitkomst van zijn aanvraag. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.



10.1
In haar uitspraak in de vorige procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld en heeft het beroep mede om deze reden gegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de minister niet kenbaar rekening had gehouden met het gegeven dat in Somalië geen algemene opvangvoorzieningen beschikbaar en/of toereikend zijn, en dat de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. Voor verweerder bestond naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen noodzaak om daarover contact op te nemen met de autoriteiten van Somalië gedurende de asielprocedure. Verweerder heeft destijds niet geschetst welk nader onderzoek hij of de DT&V zou verrichten, op welke wijze dat zou plaatsvinden en of contact met de autoriteiten van Somalië of Ethiopië daarvoor noodzakelijk of mogelijk was. Verder was de minister onvoldoende ingegaan op het verweer van eiser dat in Ethiopië geen adequate opvang voor hem beschikbaar is omdat hij geen toegang zal krijgen tot dat land en dat hij (ernstig) is mishandeld door zowel zijn stiefmoeder als zijn tante.



10.2
De minister had op basis van de genoemde uitspraak van de rechtbank uiterlijk op 27 februari 2025 een nieuw besluit moeten nemen. Hij heeft dat pas op 10 juni 2025 gedaan; dat is ruim drie maanden te laat. De minister heeft destijds verklaard dat het onderzoek naar adequate opvang maximaal een jaar duurt, gerekend vanaf de datum van het asielbesluit. Het onderzoek naar adequate opvang is na het bestreden besluit van 10 juni 2025 door de minister weer opgepakt. In het voornemen bij het bestreden besluit heeft de minister aangegeven dat het onderzoek tot uiterlijk [datum] 2025 zou duren, omdat eiser op die dag meerderjarig wordt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de minister in dit kader zes gesprekken heeft gevoerd met eiser. Eiser heeft contact opgenomen met het Rode Kruis om zijn moeder te zoeken. Ook heeft hij contact gezocht met een Somalische moskee en een Somalische winkel die hem mogelijk in contact kunnen brengen met familieleden. De rechtbank stelt vast dat de minister zelf geen concrete acties heeft ondernomen, zoals hij eerder wel had aangegeven. Hij heeft bijvoorbeeld geen contact opgenomen met de Somalische of Ethiopische autoriteiten, terwijl hij in de vorige procedure juist had aangegeven dat dat de reden was waarom hij niet tijdens de asielprocedure al kon starten met het onderzoek. Op het moment van de zitting, op 27 augustus 2026, was aan eiser nog geen besluit ten aanzien van de adequate opvang uitgereikt.



Belangen van het kind



11. De minister heeft de belangen van het kind kenbaar in zijn besluitvorming betrokken. Eiser heeft geen concrete gronden aangevoerd op welke punten het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd zou zijn. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.



Beroep niet tijdig beslissen



12. Eiser heeft op 28 september 2023 asiel aangevraagd. Op 16 januari 2025 heeft de rechtbank de minister opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op de aanvraag. Op 12 maart 2025 heeft eiser een ingebrekestelling verstuurd vanwege het uitblijven van een besluit. In deze ingebrekestelling heeft eiser de minister verzocht om binnen twee weken een beschikking te geven. De minister heeft niet aan dit verzoek voldaan. Eiser heeft daarom op 17 april 2025 een beroep niet tijdig beslissen ingediend. De minister heeft op 10 juni 2025 het bestreden besluit genomen. Eiser verzoekt om toekenning van de proceskosten voor het beroep niet tijdig beslissen.



12.1
De rechtbank is van oordeel dat nu de minister inmiddels wel op de asielaanvraag van eiser heeft beslist, het belang van eiser bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag is komen te vervallen. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen, is om deze reden niet-ontvankelijk.



12.2
De minister heeft niet betwist dat de beslistermijn is overschreden en dat hij pas na deze overschrijding een besluit heeft genomen op de aanvraag van eiser. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep niet tijdig beslissen.





Conclusie en gevolgen


13. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien omdat de minister het nader onderzoek naar adequate opvang voor eiser moet uitvoeren. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank acht het in het belang van eiser dat de minister binnen zes weken na de datum van deze uitspraak een nieuwe beslissing op de aanvraag neemt.



13.1
Voor zover het beroep zich richt tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.



13.2
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1).



13.3
De rechtbank ziet ook aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 0,5).









Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;


verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit, gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


draagt de minister op om binnen zes weken na de datum van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;


veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.335,- (tweeduizenddriehonderdvijfendertig euro) aan proceskosten aan eiser.





Deze uitspraak is gedaan op 7 september 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspaak.nl.

















griffier rechter
Uitgesproken en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:RBDHA:2025:570.


Idem, overweging 13.


European Union Agency for Asylum.


De onderzoeksdienst van het Commissariaat-Generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.


Zie voetnoot 3.


Richtlijn 2011/95; artikel 15 beschrijft de voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming; dit artikel is in de Nederlandse situatie geïmplementeerd in artikel 29a (voorheen: artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b), van de Vw 2000.


Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.


European Union Agency for Asylum, Country Guidance: Somalia.


Dienst Terugkeer & Vertrek.


Uitspraak van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2243, overweging 2.1.


ECLI:NL:RBDHA:2025:570, overweging 17.


Paragraaf C7/30.6, nu C9/30.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).


ECLI:NL:RBDHA:2025:570, overweging 16.


Pagina 8 en 9 van het voornemen dat ten grondslag lag aan het bestreden besluit.


Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.


Idem.