Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26247
2026-09-01
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.47537
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000; beëindiging van het rechtmatig verblijf deugdelijk bekendgemaakt in de zin van de Awb; geen opnieuw rechtmatig verblijf in Nederland na kort vertrek naar Polen; betwist alle gronden; ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:EU:C:2021:506
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:NL:RVS:2026:329 Raad van State 23-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.005 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47537
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [X] , eiser
(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 18 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen.
Is de beëindiging van het rechtmatig verblijf van eiser deugdelijk bekendgemaakt?
4. Eiser voert in de eerste plaats aan dat zijn rechtmatig verblijf niet is geëindigd. Hij stelt dat het besluit van 7 oktober 2025, waarbij zijn verblijfsrecht is ingetrokken, niet op de juiste wijze aan hem bekend is gemaakt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 7 maart 2026 blijkt dat hij het uitreikingsblad niet heeft ondertekend, omdat hem geen pen is gegeven. Volgens eiser is daarom geen sprake van een rechtsgeldige bekendmaking als bedoeld in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is zijn rechtmatig verblijf blijven doorlopen.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het besluit van 7 oktober 2025 wel deugdelijk en op juiste wijze aan eiser bekend is gemaakt. Uit het uitreikingsblad blijkt dat het besluit op 7 maart 2026 in persoon aan eiser is uitgereikt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van dezelfde datum blijkt daarnaast dat het besluit wel aan eiser is meegedeeld, maar dat hem op advies van collega’s geen pen is gegeven, omdat hij recalcitrant gedrag vertoonde en de mogelijkheid bestond dat hij zich met de pen zou kunnen verwonden. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt verder dat eiser het besluit in ontvangst heeft genomen. Dat eiser het uitreikingsblad niet heeft ondertekend, maakt niet dat het besluit niet op de juiste wijze bekend is gemaakt in de zin van de Awb. De rechtbank volgt daarom het betoog van eiser niet dat het rechtmatig verblijf van eiser na 7 maart 2026 is blijven voortduren.
Heeft eiser na zijn vertrek naar Polen opnieuw rechtmatig verblijf in Nederland verkregen?
5. Eiser voert subsidiair aan dat hij, nadat hij op 4 augustus 2026 naar Polen is uitgezet, zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk heeft beëindigd. Omdat hij daarna naar Nederland is teruggekeerd, stelt eiser dat hij opnieuw een periode van zes maanden moet kunnen krijgen om hier werk te zoeken en zich te vestigen.
5.1.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van 22 juni 2021 volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat daarvoor niet. Daarbij zijn onder meer de duur van de afwezigheid, de omstandigheden waaruit blijkt dat de banden met het gastland zijn verbroken en de vraag of de Unieburger bestendig in een andere lidstaat heeft verbleven van belang.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief beëindigd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eisers rechtmatig verblijf op 7 oktober 2025 is beëindigd vanwege zijn vele contacten met politie en justitie wegens overlastmeldingen en strafbare feiten, het ontbreken van werk en het leiden van een zwervend bestaan. Eiser is vervolgens op 4 augustus 2026 op grond van de Overleveringswet gedwongen aan de Poolse autoriteiten overgedragen. Op 17 augustus 2026 is eiser alweer in Nederland in aanraking gekomen met de politie en aangehouden naar aanleiding van een melding. Hij was op heterdaad aangehouden als verdachte van lokaalvredebreuk. De rechtbank acht gelet hierop de periode waarin eiser in Polen verbleef te kort om aan te nemen dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Bovendien is niet gesteld of onderbouwd dat hij in Polen gedurende die korte periode een bestendig verblijf heeft gehad. Dat eiser feitelijk naar Polen is overgedragen, is daarom onvoldoende om aan te nemen dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Dat eiser na zijn overdracht aan Polen naar Nederland is teruggekeerd en hier wilde verblijven, maakt gelet op deze omstandigheden niet dat hij opnieuw rechtmatig verblijf in Nederland heeft verkregen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
6. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
6.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p: zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6.2.
Op de zitting heeft de minister de grond s laten vallen.
6.3.
Eiser betwist alle aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden. Hij voert ten aanzien van grond a aan dat hij een Poolse identiteitskaart bij zich had. Ten aanzien van grond b voert eiser aan dat de beschikking waarbij zijn verblijfsrecht is beëindigd niet op de juiste wijze aan hem is uitgereikt en dat hij daarom niet gehouden was zich aan de daaruit voortvloeiende vertrekplicht te houden. Ten aanzien van grond p voert eiser eveneens aan dat hij zich niet hoefde te melden. Ten aanzien van grond r voert eiser aan dat hij kort daarvoor in Nederland is teruggekeerd en bezig was zich hier te settelen.
6.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister de gronden a, b, p en r aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen. Ten aanzien van grond a overweegt de rechtbank dat deze grond feitelijk juist is, omdat eiser zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie heeft bewogen. Dat eiser bij zijn aanhouding over een Poolse identiteitskaart beschikte, maakt dit niet anders. Ten aanzien van grond b overweegt de rechtbank dat, zoals hiervoor onder 4.1 en 5.2 is overwogen, het besluit van 7 oktober 2025 op de juiste wijze aan eiser bekend is gemaakt en zijn rechtmatig verblijf daarmee is beëindigd. Eiser was daarom gehouden gevolg te geven aan de daaruit voortvloeiende vertrekplicht. Dat eiser het uitreikingsblad niet heeft ondertekend, maakt dit niet anders. Ten aanzien van grond p volgt de rechtbank eiser evenmin in zijn betoog dat hij zich niet hoefde te melden. Zoals hiervoor is overwogen, was het besluit van 7 oktober 2025 op de juiste wijze aan eiser bekendgemaakt en was zijn rechtmatig verblijf beëindigd. Ten aanzien van grond r is de rechtbank van oordeel dat deze grond feitelijk juist is. Eiser beschikte ten tijde van de maatregel niet over een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en leidde een zwervend bestaan. Dat eiser naar eigen zeggen bezig was zich in Nederland te settelen, maakt niet dat deze grond niet aan de maatregel ten grondslag mocht worden gelegd. De gronden a, b, p en r zijn feitelijk juist en, waar nodig, voldoende toegelicht, en kunnen de maatregel dragen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb 2000.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000.
HvJEU 22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:506, FS tegen Nederland, het FS-arrest.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47537
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [X] , eiser
(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 18 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen.
Is de beëindiging van het rechtmatig verblijf van eiser deugdelijk bekendgemaakt?
4. Eiser voert in de eerste plaats aan dat zijn rechtmatig verblijf niet is geëindigd. Hij stelt dat het besluit van 7 oktober 2025, waarbij zijn verblijfsrecht is ingetrokken, niet op de juiste wijze aan hem bekend is gemaakt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 7 maart 2026 blijkt dat hij het uitreikingsblad niet heeft ondertekend, omdat hem geen pen is gegeven. Volgens eiser is daarom geen sprake van een rechtsgeldige bekendmaking als bedoeld in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is zijn rechtmatig verblijf blijven doorlopen.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het besluit van 7 oktober 2025 wel deugdelijk en op juiste wijze aan eiser bekend is gemaakt. Uit het uitreikingsblad blijkt dat het besluit op 7 maart 2026 in persoon aan eiser is uitgereikt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van dezelfde datum blijkt daarnaast dat het besluit wel aan eiser is meegedeeld, maar dat hem op advies van collega’s geen pen is gegeven, omdat hij recalcitrant gedrag vertoonde en de mogelijkheid bestond dat hij zich met de pen zou kunnen verwonden. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt verder dat eiser het besluit in ontvangst heeft genomen. Dat eiser het uitreikingsblad niet heeft ondertekend, maakt niet dat het besluit niet op de juiste wijze bekend is gemaakt in de zin van de Awb. De rechtbank volgt daarom het betoog van eiser niet dat het rechtmatig verblijf van eiser na 7 maart 2026 is blijven voortduren.
Heeft eiser na zijn vertrek naar Polen opnieuw rechtmatig verblijf in Nederland verkregen?
5. Eiser voert subsidiair aan dat hij, nadat hij op 4 augustus 2026 naar Polen is uitgezet, zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk heeft beëindigd. Omdat hij daarna naar Nederland is teruggekeerd, stelt eiser dat hij opnieuw een periode van zes maanden moet kunnen krijgen om hier werk te zoeken en zich te vestigen.
5.1.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van 22 juni 2021 volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat daarvoor niet. Daarbij zijn onder meer de duur van de afwezigheid, de omstandigheden waaruit blijkt dat de banden met het gastland zijn verbroken en de vraag of de Unieburger bestendig in een andere lidstaat heeft verbleven van belang.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief beëindigd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eisers rechtmatig verblijf op 7 oktober 2025 is beëindigd vanwege zijn vele contacten met politie en justitie wegens overlastmeldingen en strafbare feiten, het ontbreken van werk en het leiden van een zwervend bestaan. Eiser is vervolgens op 4 augustus 2026 op grond van de Overleveringswet gedwongen aan de Poolse autoriteiten overgedragen. Op 17 augustus 2026 is eiser alweer in Nederland in aanraking gekomen met de politie en aangehouden naar aanleiding van een melding. Hij was op heterdaad aangehouden als verdachte van lokaalvredebreuk. De rechtbank acht gelet hierop de periode waarin eiser in Polen verbleef te kort om aan te nemen dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Bovendien is niet gesteld of onderbouwd dat hij in Polen gedurende die korte periode een bestendig verblijf heeft gehad. Dat eiser feitelijk naar Polen is overgedragen, is daarom onvoldoende om aan te nemen dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Dat eiser na zijn overdracht aan Polen naar Nederland is teruggekeerd en hier wilde verblijven, maakt gelet op deze omstandigheden niet dat hij opnieuw rechtmatig verblijf in Nederland heeft verkregen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
6. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
6.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p: zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6.2.
Op de zitting heeft de minister de grond s laten vallen.
6.3.
Eiser betwist alle aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden. Hij voert ten aanzien van grond a aan dat hij een Poolse identiteitskaart bij zich had. Ten aanzien van grond b voert eiser aan dat de beschikking waarbij zijn verblijfsrecht is beëindigd niet op de juiste wijze aan hem is uitgereikt en dat hij daarom niet gehouden was zich aan de daaruit voortvloeiende vertrekplicht te houden. Ten aanzien van grond p voert eiser eveneens aan dat hij zich niet hoefde te melden. Ten aanzien van grond r voert eiser aan dat hij kort daarvoor in Nederland is teruggekeerd en bezig was zich hier te settelen.
6.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister de gronden a, b, p en r aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen. Ten aanzien van grond a overweegt de rechtbank dat deze grond feitelijk juist is, omdat eiser zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie heeft bewogen. Dat eiser bij zijn aanhouding over een Poolse identiteitskaart beschikte, maakt dit niet anders. Ten aanzien van grond b overweegt de rechtbank dat, zoals hiervoor onder 4.1 en 5.2 is overwogen, het besluit van 7 oktober 2025 op de juiste wijze aan eiser bekend is gemaakt en zijn rechtmatig verblijf daarmee is beëindigd. Eiser was daarom gehouden gevolg te geven aan de daaruit voortvloeiende vertrekplicht. Dat eiser het uitreikingsblad niet heeft ondertekend, maakt dit niet anders. Ten aanzien van grond p volgt de rechtbank eiser evenmin in zijn betoog dat hij zich niet hoefde te melden. Zoals hiervoor is overwogen, was het besluit van 7 oktober 2025 op de juiste wijze aan eiser bekendgemaakt en was zijn rechtmatig verblijf beëindigd. Ten aanzien van grond r is de rechtbank van oordeel dat deze grond feitelijk juist is. Eiser beschikte ten tijde van de maatregel niet over een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en leidde een zwervend bestaan. Dat eiser naar eigen zeggen bezig was zich in Nederland te settelen, maakt niet dat deze grond niet aan de maatregel ten grondslag mocht worden gelegd. De gronden a, b, p en r zijn feitelijk juist en, waar nodig, voldoende toegelicht, en kunnen de maatregel dragen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb 2000.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000.
HvJEU 22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:506, FS tegen Nederland, het FS-arrest.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.