Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26246
2026-09-10
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.46284
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep tegen niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvraag. Het beroep is gegrond. De minister moet opnieuw op de aanvraag beslissen. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij als statushouder bij terugkeer naar Griekenland terecht zal komen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
Citeert (2)
- ECLI:EU:C:2019:219
- ECLI:NL:RVS:2021:1626 Raad van State 28-07-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.115 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46284
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.G. Brands),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiser, als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Griekenland terecht zal komen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 12 juni 2026 een asielaanvraag ingediend. Hij stelt van Soedanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 augustus 2026 deze aanvraag in de versnelde asielprocedure niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I.A.I. Abdelfattah als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?
3. De minister stelt zich op het standpunt dat de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk is, omdat eiser een statushouder is uit Griekenland die als zelfredzaam wordt beschouwd. Uit Eurodac blijkt namelijk dat aan eiser op 15 april 2026 internationale bescherming is verleend in Griekenland. Eiser heeft dit tijdens het nader gehoor bevestigd en een kopie van zijn Griekse verblijfsdocument overgelegd waaruit zijn status blijkt. Van een intrekking van de status is niet gebleken. Verder is eiser een volwassen, alleenstaande man en blijkt niet dat hij kwetsbaar is. Daarnaast blijkt uit landeninformatie dat het voor eiser niet onmogelijk is om in zijn basisbehoeften te voorzien als hij teruggaat naar Griekenland. Hij zal niet terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij geen bescherming kan krijgen van de Griekse autoriteiten, onder meer omdat hij dat nooit heeft geprobeerd. Hij heeft niet onderbouwd dat de Griekse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. Daar komt bij dat eiser niet genoeg heeft gedaan om te krijgen waar hij recht op heeft, terwijl dit wel van hem mag worden verwacht.
Zal eiser bij terugkeer naar Griekenland terechtkomen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest?
Wat is het betoog van eiser?
4. Eiser voert aan dat de minister niet heeft gemotiveerd dat en hoe de situatie in Griekenland is verbeterd sinds de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021, waarom ten aanzien van Griekenland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en waarom de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer naar Griekenland te verduren krijgen niet voldoen aan het criterium van zeer verregaande materiële deprivatie. De minister stelt slechts dat eiser zelfredzaam is en daarvoor moet iemand niet kwetsbaar zijn. Wanneer sprake is van kwetsbaarheid, wordt door de minister echter niet omschreven. Daar komt bij dat eiser bij terugkeer naar Griekenland dezelfde problemen zal ondervinden als gezinnen, vrouwen en kinderen. Waarom die groepen wel worden geconfronteerd met een situatie van verregaande materiële deprivatie en alleenstaande mannen niet, wordt niet door de minister toegelicht. Verder vermeldt de minister niet uit welke landeninformatie blijkt dat het niet onmogelijk is om in de basisbehoeften te voorzien bij terugkeer naar Griekenland. Uit het rapport van RSA van 27 april 2026 en het rapport van AIDA van
23 juli 2026 blijkt namelijk dat de situatie voor en behandeling van statushouders in Griekenland zeer slecht en discriminatoir is. Uit deze informatie komt ook naar voren dat eiser geen vergelijkbare rechten heeft als Griekse staatsburgers, als het gaat om het verkrijgen van de benodigde documenten om toegang te krijgen tot (sociale) voorzieningen. Daarnaast heeft eiser zich tot verschillende instanties en organisaties gewend, maar heeft hij geen hulp gekregen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4.1.
Een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning kan niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Het uitgangspunt is dat de minister daarbij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is dan aan de vreemdeling om dit vermoeden te weerleggen. Voor Griekenland ligt dit echter anders. Uit de, in 4 genoemde, uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021 volgt dat er grote zorgen bestaan over de situatie van terugkerende statushouders in Griekenland. De Afdeling heeft daarom geoordeeld dat de minister niet zonder meer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en kan concluderen dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer in Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken. De minister moet daarom motiveren dat Griekse statushouders bij terugkeer naar Griekenland niet terechtkomen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
4.2.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021 heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken de situatie van statushouders in Griekenland nader onderzocht. In vervolg daarop heeft de minister in IB 2022/84 een vaste gedragslijn neergelegd op grond waarvan hij kon oordelen of in voorkomend geval een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kon worden verklaard. IB 2022/84 is uiteindelijk vervangen door IB 2024/31, IB 2025/20, IB 2026/1 en IB 2026/31. Volgens IB 2024/31 kon een asielaanvraag slechts niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling een verblijfsvergunning, een belastingnummer en een sociaalzekerheids-nummer had. Ook was vereist dat de vreemdeling in Griekenland onderdak en voorzieningen had en deze opnieuw kon verkrijgen. Dit is in IB 2026/1, het IB dat de minister in de zaak van eiser heeft toegepast, losgelaten. Een asielaanvraag van een Griekse statushouder kan nu al niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd. Een vreemdeling wordt zelfredzaam geacht als hij een volwassen, alleenstaande man is die niet kwetsbaar is en beschikt over een geldige verblijfsvergunning.
4.3.
In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat eiser zelfredzaam is. Volgens de minister blijkt namelijk uit landeninformatie dat eiser niet zal terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie bij terugkeer naar Griekenland, omdat het voor hem niet onmogelijk is om daar in zijn basisbehoeften te voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister hiermee een te zware eis aan eiser. Een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie, zoals bedoeld in het, in 3 genoemde, arrest Ibrahim, is namelijk wezenlijk anders dan een situatie waarin het niet onmogelijk is om in de basisbehoeften te voorzien.
4.4.
Als onderbouwing voor het standpunt dat eiser niet in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt heeft de minister in het verweerschrift nog verwezen naar de verslagen van onderzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 24 juni 2022 en 3 september 2024 en naar de Update 2023 en Update 2024 van AIDA. Hieruit volgt volgens de minister dat zowel de overheid als veel NGO’s actief zijn om statushouders te ondersteunen, dat het mogelijk is om onderdak te verkrijgen en dat de situatie op de arbeidsmarkt is verbeterd. Dit volgt de rechtbank niet. De stukken dateren van een aantal jaren geleden. Uit het rapport van RSA van 27 april 2026 en het rapport van AIDA van 23 juli 2026, waar eiser naar heeft verwezen en die van recentere data zijn, blijkt dat de problematiek niet is afgenomen ondanks de inspanningen die zijn gedaan. Statushouders lopen volgens het rapport van AIDA zelfs nog steeds een direct en ernstig risico te worden blootgesteld aan omstandigheden van materiële deprivatie, zonder toegang tot basisvoorzieningen en zonder de noodzakelijke documenten om hun integratie te starten. De verwijzing door de minister naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 19 december 2025 en zittingsplaats Rotterdam, van 22 mei 2026 leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraken was geen sprake van een soortgelijke situatie als de situatie van eiser, alleen al omdat de ene vreemdeling meerdere jaren in Griekenland had verbleven en de andere vreemdeling de Griekse taal machtig was. Eiser heeft slechts een maand in Griekenland verbleven nadat hij een asielvergunning had gekregen en is de Griekse taal niet machtig. De minister heeft verder onvoldoende gemotiveerd waarom gezinnen niet zelfredzaam worden geacht en alleenstaande mannen wel. Het is voorstelbaar dat de Griekse autoriteiten zich juist meer zullen inspannen om voorzieningen voor gezinnen te regelen dan voor alleenstaande mannen.
4.5
Het standpunt van de minister dat uit de omstandigheid dat eiser slechts een maand in Griekenland is gebleven nadat hij zijn verblijfsvergunning kreeg, kan worden afgeleid dat hij niet heeft geprobeerd om zijn situatie in Griekenland te verbeteren volgt de rechtbank ook niet. Eiser heeft inzichtelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk was langer in Griekenland te blijven, omdat hij geen onderdak had, niet kon werken en geen toegang had tot gezondheidszorg en sociale voorzieningen. Zo volgt uit eerdergenoemd RSA-rapport van 27 april 2026 dat een sociaalzekerheidsnummer (AMKA) nodig is om toegang te hebben tot die zorg en voorzieningen en tot de arbeidsmarkt, maar dat je dat nummer niet krijgt zonder een arbeidsovereenkomst. Weliswaar had eiser in het kamp wel toegang tot gezondheidszorg, maar nadat hij zijn vergunning had gekregen had hij hier geen recht meer op. Het enige waar eiser wel aanspraak op kon maken was voedsel, maar dit kreeg hij niet van de autoriteiten, maar van een hulporganisatie voor daklozen.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Griekenland terecht zal komen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
De minister heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Deze zaak ging tot nu toe namelijk alleen over de ontvankelijkheid van de aanvraag van eiser en het is nu aan de minister een inhoudelijk besluit te nemen op de aanvraag.
5.1.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor tien weken.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Brandwacht-Kampman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Korporaal-Wisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Arrest Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2021:1626.
Refugee Support Aegean.
Asylum Information Database.
Informatiebericht
Zie bijvoorbeeld pagina 281 van het AIDA-rapport van 23 juli 2026.
Geregistreerd onder zaaknummer NL25.24602.
Geregistreerd onder zaaknummer NL25.40432.
Zie r.o. 3 van zaak NL25.24602.
Zie r.o. 12 van zaak NL25.40432.
Zie pagina 38 van het RSA-rapport van 27 april 2026.
Zie pagina 37 van het RSA-rapport van 27 april 2026.
Strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46284
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.G. Brands),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiser, als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Griekenland terecht zal komen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 12 juni 2026 een asielaanvraag ingediend. Hij stelt van Soedanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 augustus 2026 deze aanvraag in de versnelde asielprocedure niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I.A.I. Abdelfattah als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?
3. De minister stelt zich op het standpunt dat de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk is, omdat eiser een statushouder is uit Griekenland die als zelfredzaam wordt beschouwd. Uit Eurodac blijkt namelijk dat aan eiser op 15 april 2026 internationale bescherming is verleend in Griekenland. Eiser heeft dit tijdens het nader gehoor bevestigd en een kopie van zijn Griekse verblijfsdocument overgelegd waaruit zijn status blijkt. Van een intrekking van de status is niet gebleken. Verder is eiser een volwassen, alleenstaande man en blijkt niet dat hij kwetsbaar is. Daarnaast blijkt uit landeninformatie dat het voor eiser niet onmogelijk is om in zijn basisbehoeften te voorzien als hij teruggaat naar Griekenland. Hij zal niet terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij geen bescherming kan krijgen van de Griekse autoriteiten, onder meer omdat hij dat nooit heeft geprobeerd. Hij heeft niet onderbouwd dat de Griekse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. Daar komt bij dat eiser niet genoeg heeft gedaan om te krijgen waar hij recht op heeft, terwijl dit wel van hem mag worden verwacht.
Zal eiser bij terugkeer naar Griekenland terechtkomen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest?
Wat is het betoog van eiser?
4. Eiser voert aan dat de minister niet heeft gemotiveerd dat en hoe de situatie in Griekenland is verbeterd sinds de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021, waarom ten aanzien van Griekenland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en waarom de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer naar Griekenland te verduren krijgen niet voldoen aan het criterium van zeer verregaande materiële deprivatie. De minister stelt slechts dat eiser zelfredzaam is en daarvoor moet iemand niet kwetsbaar zijn. Wanneer sprake is van kwetsbaarheid, wordt door de minister echter niet omschreven. Daar komt bij dat eiser bij terugkeer naar Griekenland dezelfde problemen zal ondervinden als gezinnen, vrouwen en kinderen. Waarom die groepen wel worden geconfronteerd met een situatie van verregaande materiële deprivatie en alleenstaande mannen niet, wordt niet door de minister toegelicht. Verder vermeldt de minister niet uit welke landeninformatie blijkt dat het niet onmogelijk is om in de basisbehoeften te voorzien bij terugkeer naar Griekenland. Uit het rapport van RSA van 27 april 2026 en het rapport van AIDA van
23 juli 2026 blijkt namelijk dat de situatie voor en behandeling van statushouders in Griekenland zeer slecht en discriminatoir is. Uit deze informatie komt ook naar voren dat eiser geen vergelijkbare rechten heeft als Griekse staatsburgers, als het gaat om het verkrijgen van de benodigde documenten om toegang te krijgen tot (sociale) voorzieningen. Daarnaast heeft eiser zich tot verschillende instanties en organisaties gewend, maar heeft hij geen hulp gekregen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4.1.
Een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning kan niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Het uitgangspunt is dat de minister daarbij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is dan aan de vreemdeling om dit vermoeden te weerleggen. Voor Griekenland ligt dit echter anders. Uit de, in 4 genoemde, uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021 volgt dat er grote zorgen bestaan over de situatie van terugkerende statushouders in Griekenland. De Afdeling heeft daarom geoordeeld dat de minister niet zonder meer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en kan concluderen dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer in Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken. De minister moet daarom motiveren dat Griekse statushouders bij terugkeer naar Griekenland niet terechtkomen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
4.2.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021 heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken de situatie van statushouders in Griekenland nader onderzocht. In vervolg daarop heeft de minister in IB 2022/84 een vaste gedragslijn neergelegd op grond waarvan hij kon oordelen of in voorkomend geval een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kon worden verklaard. IB 2022/84 is uiteindelijk vervangen door IB 2024/31, IB 2025/20, IB 2026/1 en IB 2026/31. Volgens IB 2024/31 kon een asielaanvraag slechts niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling een verblijfsvergunning, een belastingnummer en een sociaalzekerheids-nummer had. Ook was vereist dat de vreemdeling in Griekenland onderdak en voorzieningen had en deze opnieuw kon verkrijgen. Dit is in IB 2026/1, het IB dat de minister in de zaak van eiser heeft toegepast, losgelaten. Een asielaanvraag van een Griekse statushouder kan nu al niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd. Een vreemdeling wordt zelfredzaam geacht als hij een volwassen, alleenstaande man is die niet kwetsbaar is en beschikt over een geldige verblijfsvergunning.
4.3.
In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat eiser zelfredzaam is. Volgens de minister blijkt namelijk uit landeninformatie dat eiser niet zal terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie bij terugkeer naar Griekenland, omdat het voor hem niet onmogelijk is om daar in zijn basisbehoeften te voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister hiermee een te zware eis aan eiser. Een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie, zoals bedoeld in het, in 3 genoemde, arrest Ibrahim, is namelijk wezenlijk anders dan een situatie waarin het niet onmogelijk is om in de basisbehoeften te voorzien.
4.4.
Als onderbouwing voor het standpunt dat eiser niet in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt heeft de minister in het verweerschrift nog verwezen naar de verslagen van onderzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 24 juni 2022 en 3 september 2024 en naar de Update 2023 en Update 2024 van AIDA. Hieruit volgt volgens de minister dat zowel de overheid als veel NGO’s actief zijn om statushouders te ondersteunen, dat het mogelijk is om onderdak te verkrijgen en dat de situatie op de arbeidsmarkt is verbeterd. Dit volgt de rechtbank niet. De stukken dateren van een aantal jaren geleden. Uit het rapport van RSA van 27 april 2026 en het rapport van AIDA van 23 juli 2026, waar eiser naar heeft verwezen en die van recentere data zijn, blijkt dat de problematiek niet is afgenomen ondanks de inspanningen die zijn gedaan. Statushouders lopen volgens het rapport van AIDA zelfs nog steeds een direct en ernstig risico te worden blootgesteld aan omstandigheden van materiële deprivatie, zonder toegang tot basisvoorzieningen en zonder de noodzakelijke documenten om hun integratie te starten. De verwijzing door de minister naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 19 december 2025 en zittingsplaats Rotterdam, van 22 mei 2026 leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraken was geen sprake van een soortgelijke situatie als de situatie van eiser, alleen al omdat de ene vreemdeling meerdere jaren in Griekenland had verbleven en de andere vreemdeling de Griekse taal machtig was. Eiser heeft slechts een maand in Griekenland verbleven nadat hij een asielvergunning had gekregen en is de Griekse taal niet machtig. De minister heeft verder onvoldoende gemotiveerd waarom gezinnen niet zelfredzaam worden geacht en alleenstaande mannen wel. Het is voorstelbaar dat de Griekse autoriteiten zich juist meer zullen inspannen om voorzieningen voor gezinnen te regelen dan voor alleenstaande mannen.
4.5
Het standpunt van de minister dat uit de omstandigheid dat eiser slechts een maand in Griekenland is gebleven nadat hij zijn verblijfsvergunning kreeg, kan worden afgeleid dat hij niet heeft geprobeerd om zijn situatie in Griekenland te verbeteren volgt de rechtbank ook niet. Eiser heeft inzichtelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk was langer in Griekenland te blijven, omdat hij geen onderdak had, niet kon werken en geen toegang had tot gezondheidszorg en sociale voorzieningen. Zo volgt uit eerdergenoemd RSA-rapport van 27 april 2026 dat een sociaalzekerheidsnummer (AMKA) nodig is om toegang te hebben tot die zorg en voorzieningen en tot de arbeidsmarkt, maar dat je dat nummer niet krijgt zonder een arbeidsovereenkomst. Weliswaar had eiser in het kamp wel toegang tot gezondheidszorg, maar nadat hij zijn vergunning had gekregen had hij hier geen recht meer op. Het enige waar eiser wel aanspraak op kon maken was voedsel, maar dit kreeg hij niet van de autoriteiten, maar van een hulporganisatie voor daklozen.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Griekenland terecht zal komen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
De minister heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Deze zaak ging tot nu toe namelijk alleen over de ontvankelijkheid van de aanvraag van eiser en het is nu aan de minister een inhoudelijk besluit te nemen op de aanvraag.
5.1.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor tien weken.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Brandwacht-Kampman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Korporaal-Wisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Arrest Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2021:1626.
Refugee Support Aegean.
Asylum Information Database.
Informatiebericht
Zie bijvoorbeeld pagina 281 van het AIDA-rapport van 23 juli 2026.
Geregistreerd onder zaaknummer NL25.24602.
Geregistreerd onder zaaknummer NL25.40432.
Zie r.o. 3 van zaak NL25.24602.
Zie r.o. 12 van zaak NL25.40432.
Zie pagina 38 van het RSA-rapport van 27 april 2026.
Zie pagina 37 van het RSA-rapport van 27 april 2026.
Strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb