Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26242
2026-09-01
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.47521
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring art. 59a, eerste lid, van de Vw 2000; grond e betwist; lichter middel; ongegrond.
Citeert (6)
- ECLI:NL:RVS:2015:674 Raad van State 23-02-2015
- ECLI:NL:RVS:2015:1309 Raad van State 10-04-2015
- ECLI:EU:C:2014:1320
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:NL:RVS:2026:329 Raad van State 23-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.807 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47521
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [X] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 18 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen met behulp van een beeldverbinding. Verder zijn verschenen de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-verordening) van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMB-verordening. In de AMB-verordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
3.1.
Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb 2000 zich voordoen.
3.2.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Aan de maatregel heeft de minister ten grondslag gelegd dat een concreet aanknopingspunt voor overdracht bestaat en dat sprake is van een onderduikrisico.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
p: zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.2.
Eiser betwist grond e die aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Hij voert aan dat hij niet weet waarop deze grond is gebaseerd en dat dit niet uit het dossier blijkt. Volgens eiser klopt het niet dat hij zich zonder noodzaak van zijn reis- of identiteitsdocumenten heeft ontdaan.
4.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Vooropgesteld dat het betwisten van één van zes aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet kan leiden tot het daarmee beoogde resultaat, is de rechtbank van oordeel dat grond e feitelijk juist is. Uit de maatregel blijkt dat eiser zijn documenten doelbewust in Algerije heeft achtergelaten en daardoor zonder identiteitsdocumenten is gaan reizen. Eiser heeft de overige gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist. De aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden zijn feitelijk juist en, waar nodig, voldoende toegelicht, en kunnen de maatregel dragen.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Hij wijst erop dat zijn asielprocedure nog loopt en dat ten tijde van het opleggen van de maatregel nog geen besluit op zijn asielaanvraag was genomen. Volgens eiser is verder nog onduidelijk of een terugnameverzoek aan Zwitserland, Spanje of Duitsland wordt gedaan. Ook heeft eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling aangegeven dat hij moe is en niet in Nederland of de Europese Unie wil rondzwerven, maar in de opvang wil blijven en de uitkomst van zijn asielprocedure wil afwachten. Hij voert aan dat hij zich, als zijn asielaanvraag wordt afgewezen en hij daartegen zonder succes beroep instelt, aan zijn verplichtingen zal houden, of dat nu terugkeer of overdracht aan een andere lidstaat betekent. Daarom had bijvoorbeeld plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie kunnen worden toegepast.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: een enkele verwijzing naar de gronden van de vreemdelingenbewaring volstaat niet.
5.2.
De minister stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser heeft drie Eurodac-registraties op zijn naam staan en heeft zich niet gehouden aan de verplichting om zich beschikbaar te houden in het land waar hij zijn asielaanvraag heeft ingediend. De minister heeft op de zitting toegelicht dat de Duitse autoriteiten hebben laten weten dat zij niet verantwoordelijk zijn en dat volgens hen Spanje verantwoordelijk is. Het is daarom nog nodig het verdere verloop van dit traject af te wachten. Dat (ten tijde van het opleggen van de maatregel) nog geen besluit op de asielaanvraag is genomen en nog niet duidelijk is welke lidstaat verantwoordelijk is, maakt dit niet anders. Wat eiser tijdens het gehoor heeft verklaard, doet niet af aan de noodzaak om doeltreffende maatregelen te treffen om te voorkomen dat een vreemdeling die verplicht is zich in een andere lidstaat te bevinden, onderduikt. Gelet op het feit dat eiser eerder andere lidstaten voortijdig heeft verlaten, heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat een lichter middel niet toereikend is.
5.3.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiser, als hij graag naar Algerije wil terugkeren, dit zelf kan bewerkstelligen via het IOM, zoals de minister ter zitting heeft toegelicht. Eiser heeft daarin echter nog geen concrete stappen gezet en het enkele uiten van een vertrekwens naar het land van herkomst is daarvoor niet voldoende.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMB-verordening.
Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb 2000.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.
Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47521
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [X] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 18 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen met behulp van een beeldverbinding. Verder zijn verschenen de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-verordening) van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMB-verordening. In de AMB-verordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
3.1.
Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb 2000 zich voordoen.
3.2.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Aan de maatregel heeft de minister ten grondslag gelegd dat een concreet aanknopingspunt voor overdracht bestaat en dat sprake is van een onderduikrisico.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
p: zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.2.
Eiser betwist grond e die aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Hij voert aan dat hij niet weet waarop deze grond is gebaseerd en dat dit niet uit het dossier blijkt. Volgens eiser klopt het niet dat hij zich zonder noodzaak van zijn reis- of identiteitsdocumenten heeft ontdaan.
4.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Vooropgesteld dat het betwisten van één van zes aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet kan leiden tot het daarmee beoogde resultaat, is de rechtbank van oordeel dat grond e feitelijk juist is. Uit de maatregel blijkt dat eiser zijn documenten doelbewust in Algerije heeft achtergelaten en daardoor zonder identiteitsdocumenten is gaan reizen. Eiser heeft de overige gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist. De aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden zijn feitelijk juist en, waar nodig, voldoende toegelicht, en kunnen de maatregel dragen.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Hij wijst erop dat zijn asielprocedure nog loopt en dat ten tijde van het opleggen van de maatregel nog geen besluit op zijn asielaanvraag was genomen. Volgens eiser is verder nog onduidelijk of een terugnameverzoek aan Zwitserland, Spanje of Duitsland wordt gedaan. Ook heeft eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling aangegeven dat hij moe is en niet in Nederland of de Europese Unie wil rondzwerven, maar in de opvang wil blijven en de uitkomst van zijn asielprocedure wil afwachten. Hij voert aan dat hij zich, als zijn asielaanvraag wordt afgewezen en hij daartegen zonder succes beroep instelt, aan zijn verplichtingen zal houden, of dat nu terugkeer of overdracht aan een andere lidstaat betekent. Daarom had bijvoorbeeld plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie kunnen worden toegepast.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: een enkele verwijzing naar de gronden van de vreemdelingenbewaring volstaat niet.
5.2.
De minister stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser heeft drie Eurodac-registraties op zijn naam staan en heeft zich niet gehouden aan de verplichting om zich beschikbaar te houden in het land waar hij zijn asielaanvraag heeft ingediend. De minister heeft op de zitting toegelicht dat de Duitse autoriteiten hebben laten weten dat zij niet verantwoordelijk zijn en dat volgens hen Spanje verantwoordelijk is. Het is daarom nog nodig het verdere verloop van dit traject af te wachten. Dat (ten tijde van het opleggen van de maatregel) nog geen besluit op de asielaanvraag is genomen en nog niet duidelijk is welke lidstaat verantwoordelijk is, maakt dit niet anders. Wat eiser tijdens het gehoor heeft verklaard, doet niet af aan de noodzaak om doeltreffende maatregelen te treffen om te voorkomen dat een vreemdeling die verplicht is zich in een andere lidstaat te bevinden, onderduikt. Gelet op het feit dat eiser eerder andere lidstaten voortijdig heeft verlaten, heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat een lichter middel niet toereikend is.
5.3.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiser, als hij graag naar Algerije wil terugkeren, dit zelf kan bewerkstelligen via het IOM, zoals de minister ter zitting heeft toegelicht. Eiser heeft daarin echter nog geen concrete stappen gezet en het enkele uiten van een vertrekwens naar het land van herkomst is daarvoor niet voldoende.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMB-verordening.
Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb 2000.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.
Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.