Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26240

2026-09-10 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.50998
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-10
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.50998
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring – 59b – lichter middel.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.828 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Zwolle



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.50998


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.






Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 31 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.


2.2.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op3 september 2026 zijn gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 8 september 2026 een verweerschrift ingediend.


2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 8 september 2026 gesloten.




Beoordeling door de rechtbank



De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.


3.1.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.



3.3.
De minister heeft voorts aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.



Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?

4. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat de bewaring hem zwaar valt. Eiser wil graag in vrijheid de rest van zijn procedure afwachten. Daar komt bij dat de bewaring het contact met eisers kinderen bemoeilijkt. Vanuit bewaring kan eiser geen contact met hen leggen en vanwege het contactverbod met de moeder van de kinderen kan hij ook geen contact met hen opnemen via haar. Het valt eiser erg zwaar om al die tijd gescheiden te zijn van zijn kinderen en niet goed op de hoogte te zijn van hoe het met zijn kinderen gaat.



4.1.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft bij de beoordeling van het lichter middel, onder meer, terecht het gedrag van eiser, de gronden, eisers medische omstandigheden en de situatie met eisers kinderen betrokken. Dat de opgelegde maatregel van bewaring eiser zwaar valt, acht de rechtbank begrijpelijk, maar leidt niet tot het oordeel dat daarom met een lichter middel zou moeten worden volstaan. Voor wat betreft de kinderen van eiser verwijst de rechtbank (ook nog) naar wat zij over het contact van eiser met zijn kinderen in het kader van een belangenafweging heeft overwogen in de uitspraak van 11 juni 2026. Gelet op het voorgaande behoeft de minister dan ook niet het risico te lopen dat eiser toch (weer) onderduikt en niet verschijnt op de met hem gemaakte afspraken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.







Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.



Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van D.K. Bloemers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Vreemdelingenwet 2000 (Vw).


Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Zie rechtsoverweging 9. in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats, ECLI:NL:RBDHA:2026:15709.



Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.