Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26237
2026-09-03
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.31264 en NL26.31265
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin/AMbV, herhaald en ingelast, standaard voornemen, non-refoulement/interstatelijk vertrouwensbeginsel, artike 17 Dv, medisch-psychische omstandigheden. afhankelijkheid zoon.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2023:4348 Raad van State 23-11-2023
- ECLI:NL:RVS:2025:1642 Raad van State 11-04-2025
- ECLI:EU:C:2023:934
- ECLI:NL:RVS:2024:2359 Raad van State 12-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.607 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.31264 (beroep) en NL26.31265 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres]
, V-nummer: [V-nummer], eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. T. Thissen)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Erdal).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland ervoor verantwoordelijk is. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen samen met haar gemachtigde en de zoon van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Sareen.
Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1959. Eiseres heeft de Pakistaanse nationaliteit. Op 22 februari 2026 heeft eiseres in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers niet in behandeling genomen, omdat zij eerder in Duitsland asiel heeft aangevraagd. Duitsland is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Allereerst verwijst eiseres naar de inhoud van de zienswijze die als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Eiseres voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Zij wijst op haar hoge leeftijd, medische klachten en beperkte mobiliteit, alsmede op haar psychische en emotionele kwetsbaarheid na het recente overlijden van haar zoon. Daarbij heeft verweerder onvoldoende gewicht toegekend aan eiseres haar suïcidale uitlatingen en aan de steun en nabijheid van haar in Nederland verblijvende zoon. Dat noodzakelijke medische behandeling in Duitsland beschikbaar is, doet volgens eiseres niet af aan deze omstandigheden. Verder stelt eiseres dat zij bij terugkeer naar Pakistan als Ahmadi-vrouw een bijzonder kwetsbare positie heeft en dat verweerder de daarmee samenhangende risico’s op discriminatie, sociale uitsluiting en psychische belasting onvoldoende heeft betrokken. Tot slot betoogt zij dat verweerder ten onrechte heeft volstaan met een standaardvoornemen, zonder voldoende op haar individuele situatie in te gaan. Het bestreden besluit is volgens eiseres daarom onvoldoende zorgvuldig en draagkrachtig gemotiveerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiseres op goede gronden niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
5. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Herhaald en ingelast
6. De rechtbank overweegt allereerst dat het uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiseres eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, niet zonder meer kan worden afgeleid waarom eiseres van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Standaardvoornemen
7. Eiseres voert aan dat in het voornemen is volstaan met standaardoverwegingen en dat daarin niet inhoudelijk is ingegaan op haar verklaringen en op haar specifieke situatie. Het bestreden besluit is daarom volgens eiseres onvoldoende zorgvuldig gemotiveerd.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank maakt het standaardvoornemen niet dat verweerder het besluit van eiseres onzorgvuldig heeft voorbereid. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 23 november 2023 geoordeeld dat het gebruik van een standaardvoornemen in beginsel niet leidt tot het oordeel dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Dit heeft de Afdeling bevestigd in de uitspraak van 11 april 2025. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het voornemen een voorbereidingshandeling is waarbij verweerder het plan bekend maakt om een asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Eiseres krijgt vervolgens de mogelijkheid om op het voornemen te reageren met een zienswijze. Van deze gelegenheid heeft eiseres gebruik gemaakt door op 12 mei 2026 een zienwijze in te dienen. Daarnaast is eiseres gehoord waarbij zij de gelegenheid gehad heeft om haar bezwaren tegen de voorgenomen overdracht kenbaar te maken. Verweerder heeft in het voornemen duidelijk uiteengezet op grond waarvan Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiseres en dat verweerder geen aanleiding ziet om de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. Dat niet alle verklaringen van eiseres zijn opgenomen in het voornemen, vormt op zichzelf geen reden voor de vernietiging van het bestreden besluit. Verweerder is in dit besluit gemotiveerd ingegaan op alle verklaringen van eiseres, op haar specifieke individuele omstandigheden en op wat zij naar voren heeft gebracht in de zienswijze. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Non-refoulement
6. Eiseres stelt dat haar terugkeer naar Pakistan zal leiden tot een situatie die in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Zij voert daartoe aan dat zij behoort tot de Ahmadi-geloofsgemeenschap en dat haar zoon vanwege hetzelfde geloof in Nederland als vluchteling is erkend en een verblijfsvergunning asiel heeft gekregen. Volgens eiseres is van belang dat zij als Ahmadi-vrouw in Pakistan in een bijzonder kwetsbare positie verkeert.
6.1
Ten opzichte van de stelling van eiseres dat een overdracht aan Duitsland zal leiden tot indirect refoulement naar Pakistan overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op het arrest van het Hof van 30 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 kan de rechtbank binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordelen of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement als gevolg van het in een andere lidstaat gevoerde beschermingsbeleid. Dit is alleen anders indien niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van het betreffende land. Deze uitzondering is niet aan de orde. De door eiseres aangevoerde omstandigheden dat zij Ahmadi-moslim en vrouw is, maakt dit niet anders. De Duitse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiseres in behandeling wordt genomen met inachtneming van alle relevante internationale verplichtingen. In dat kader zijn de Duitse autoriteiten gehouden eiseres niet uit te zetten indien dit in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Mocht eiseres problemen ervaren, dan ligt het op haar weg om daarover te klagen bij de Duitse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Duitse autoriteiten voor eiseres onmogelijk zal zijn. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. De rechtbank overweegt dat artikel 17 van de Dublinverordening een discretionaire bevoegdheid bevat om een asielverzoek in behandeling te nemen. In paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat dat verweerder hiervan terughoudend gebruik maakt als Nederland daartoe, op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria, niet verplicht is. Verweerder gebruikt de bevoegdheid in ieder geval als ‘bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt’. Vanwege de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om deze hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing terughoudend.
7.2.
De rechtbank is van oordeel, uitgaande van voornoemde terughoudende toets, dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat de situatie van eiseres geen aanleiding vormt om haar asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. Er mag op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit worden gegaan dat de Duitse autoriteiten eiseres zullen helpen en dat zij toegang zal hebben tot medische voorzieningen. De door eiseres aangevoerde medische en emotionele omstandigheden zijn niet zodanig bijzonder en individueel dat verweerder daarin aanleiding had moeten zien om vanwege onevenredige hardheid af te zien van overdracht aan Duitsland. Daarbij komt dat eiseres haar psychische omstandigheden niet met (medische) stukken heeft onderbouwd. Ten aanzien van de gestelde afhankelijkheid van eiseres ten opzichte van haar zoon in Nederland overweegt de rechtbank als volgt. Allereerst is geen sprake van een onderbouwd standpunt dat aannemelijk maakt dat sprake is van een afhankelijkheid tussen eiseres en haar hier verblijvende zoon als bedoeld in artikel 16 van de Dublinverordening. Voorts geldt dat hoewel de rechtbank begrip heeft voor de emotionele situatie als gevolg van het recente overlijden van de andere zoon van eiseres bij wie zij in Duitsland verbleef, de onder deze omstandigheden begrijpelijkerwijs sterke wens om bij haar zoon in Nederland te blijven op zichzelf onvoldoende is voor het oordeel dat verweerder gehouden was om de behandeling van eiseres haar asielaanvraag aan zich te trekken. Eiseres heeft niet aangetoond dat als zij in Duitsland is, zij geen contact meer zou kunnen hebben met haar zoon en dat hij haar niet meer zou kunnen ondersteunen. Daarnaast volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat de Dublinverordening niet bedoeld is als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een gezinslid in Nederland kan worden verkregen.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Duitsland ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)”, doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.
Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RVS:2023:4348.
ECLI:NL:RVS:2025:1642.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
ECLI:EU:C:2023:934.
ECLI:NL:RVS:2024:2359.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.31264 (beroep) en NL26.31265 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres]
, V-nummer: [V-nummer], eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. T. Thissen)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Erdal).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland ervoor verantwoordelijk is. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen samen met haar gemachtigde en de zoon van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Sareen.
Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1959. Eiseres heeft de Pakistaanse nationaliteit. Op 22 februari 2026 heeft eiseres in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers niet in behandeling genomen, omdat zij eerder in Duitsland asiel heeft aangevraagd. Duitsland is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Allereerst verwijst eiseres naar de inhoud van de zienswijze die als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Eiseres voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Zij wijst op haar hoge leeftijd, medische klachten en beperkte mobiliteit, alsmede op haar psychische en emotionele kwetsbaarheid na het recente overlijden van haar zoon. Daarbij heeft verweerder onvoldoende gewicht toegekend aan eiseres haar suïcidale uitlatingen en aan de steun en nabijheid van haar in Nederland verblijvende zoon. Dat noodzakelijke medische behandeling in Duitsland beschikbaar is, doet volgens eiseres niet af aan deze omstandigheden. Verder stelt eiseres dat zij bij terugkeer naar Pakistan als Ahmadi-vrouw een bijzonder kwetsbare positie heeft en dat verweerder de daarmee samenhangende risico’s op discriminatie, sociale uitsluiting en psychische belasting onvoldoende heeft betrokken. Tot slot betoogt zij dat verweerder ten onrechte heeft volstaan met een standaardvoornemen, zonder voldoende op haar individuele situatie in te gaan. Het bestreden besluit is volgens eiseres daarom onvoldoende zorgvuldig en draagkrachtig gemotiveerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiseres op goede gronden niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
5. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Herhaald en ingelast
6. De rechtbank overweegt allereerst dat het uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiseres eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, niet zonder meer kan worden afgeleid waarom eiseres van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Standaardvoornemen
7. Eiseres voert aan dat in het voornemen is volstaan met standaardoverwegingen en dat daarin niet inhoudelijk is ingegaan op haar verklaringen en op haar specifieke situatie. Het bestreden besluit is daarom volgens eiseres onvoldoende zorgvuldig gemotiveerd.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank maakt het standaardvoornemen niet dat verweerder het besluit van eiseres onzorgvuldig heeft voorbereid. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 23 november 2023 geoordeeld dat het gebruik van een standaardvoornemen in beginsel niet leidt tot het oordeel dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Dit heeft de Afdeling bevestigd in de uitspraak van 11 april 2025. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het voornemen een voorbereidingshandeling is waarbij verweerder het plan bekend maakt om een asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Eiseres krijgt vervolgens de mogelijkheid om op het voornemen te reageren met een zienswijze. Van deze gelegenheid heeft eiseres gebruik gemaakt door op 12 mei 2026 een zienwijze in te dienen. Daarnaast is eiseres gehoord waarbij zij de gelegenheid gehad heeft om haar bezwaren tegen de voorgenomen overdracht kenbaar te maken. Verweerder heeft in het voornemen duidelijk uiteengezet op grond waarvan Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiseres en dat verweerder geen aanleiding ziet om de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. Dat niet alle verklaringen van eiseres zijn opgenomen in het voornemen, vormt op zichzelf geen reden voor de vernietiging van het bestreden besluit. Verweerder is in dit besluit gemotiveerd ingegaan op alle verklaringen van eiseres, op haar specifieke individuele omstandigheden en op wat zij naar voren heeft gebracht in de zienswijze. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Non-refoulement
6. Eiseres stelt dat haar terugkeer naar Pakistan zal leiden tot een situatie die in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Zij voert daartoe aan dat zij behoort tot de Ahmadi-geloofsgemeenschap en dat haar zoon vanwege hetzelfde geloof in Nederland als vluchteling is erkend en een verblijfsvergunning asiel heeft gekregen. Volgens eiseres is van belang dat zij als Ahmadi-vrouw in Pakistan in een bijzonder kwetsbare positie verkeert.
6.1
Ten opzichte van de stelling van eiseres dat een overdracht aan Duitsland zal leiden tot indirect refoulement naar Pakistan overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op het arrest van het Hof van 30 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 kan de rechtbank binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordelen of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement als gevolg van het in een andere lidstaat gevoerde beschermingsbeleid. Dit is alleen anders indien niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van het betreffende land. Deze uitzondering is niet aan de orde. De door eiseres aangevoerde omstandigheden dat zij Ahmadi-moslim en vrouw is, maakt dit niet anders. De Duitse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiseres in behandeling wordt genomen met inachtneming van alle relevante internationale verplichtingen. In dat kader zijn de Duitse autoriteiten gehouden eiseres niet uit te zetten indien dit in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Mocht eiseres problemen ervaren, dan ligt het op haar weg om daarover te klagen bij de Duitse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Duitse autoriteiten voor eiseres onmogelijk zal zijn. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. De rechtbank overweegt dat artikel 17 van de Dublinverordening een discretionaire bevoegdheid bevat om een asielverzoek in behandeling te nemen. In paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat dat verweerder hiervan terughoudend gebruik maakt als Nederland daartoe, op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria, niet verplicht is. Verweerder gebruikt de bevoegdheid in ieder geval als ‘bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt’. Vanwege de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om deze hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing terughoudend.
7.2.
De rechtbank is van oordeel, uitgaande van voornoemde terughoudende toets, dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat de situatie van eiseres geen aanleiding vormt om haar asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. Er mag op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit worden gegaan dat de Duitse autoriteiten eiseres zullen helpen en dat zij toegang zal hebben tot medische voorzieningen. De door eiseres aangevoerde medische en emotionele omstandigheden zijn niet zodanig bijzonder en individueel dat verweerder daarin aanleiding had moeten zien om vanwege onevenredige hardheid af te zien van overdracht aan Duitsland. Daarbij komt dat eiseres haar psychische omstandigheden niet met (medische) stukken heeft onderbouwd. Ten aanzien van de gestelde afhankelijkheid van eiseres ten opzichte van haar zoon in Nederland overweegt de rechtbank als volgt. Allereerst is geen sprake van een onderbouwd standpunt dat aannemelijk maakt dat sprake is van een afhankelijkheid tussen eiseres en haar hier verblijvende zoon als bedoeld in artikel 16 van de Dublinverordening. Voorts geldt dat hoewel de rechtbank begrip heeft voor de emotionele situatie als gevolg van het recente overlijden van de andere zoon van eiseres bij wie zij in Duitsland verbleef, de onder deze omstandigheden begrijpelijkerwijs sterke wens om bij haar zoon in Nederland te blijven op zichzelf onvoldoende is voor het oordeel dat verweerder gehouden was om de behandeling van eiseres haar asielaanvraag aan zich te trekken. Eiseres heeft niet aangetoond dat als zij in Duitsland is, zij geen contact meer zou kunnen hebben met haar zoon en dat hij haar niet meer zou kunnen ondersteunen. Daarnaast volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat de Dublinverordening niet bedoeld is als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een gezinslid in Nederland kan worden verkregen.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Duitsland ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)”, doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.
Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RVS:2023:4348.
ECLI:NL:RVS:2025:1642.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
ECLI:EU:C:2023:934.
ECLI:NL:RVS:2024:2359.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.