Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26235
2026-09-04
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.49198
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring; ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2026:1005 Raad van State 26-02-2026
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.796 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.49198
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [X] , eiser
(gemachtigde: mr. R.P. Duijn),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 25 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. De vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen.
Poolse tolk
3. Eiser betoogt allereerst dat de minister hem ten onrechte geen Poolse tolk ter beschikking heeft gesteld bij de uitreiking van het besluit van 20 april 2026 – waarmee zijn unierechtelijke verblijfsrecht is ingetrokken – en tijdens het vertrekgesprek van 26 augustus 2026. Volgens eiser is daarom niet gewaarborgd dat hij de inhoud en strekking van de beschikking heeft begrepen. Hij voert verder aan dat de minister niet heeft gemotiveerd waarom geen beëdigde tolk beschikbaar was en daarmee in strijd heeft gehandeld met artikel 28 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit artikel 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers volgt dat de Koninklijke Marechaussee, behoudens toepassing van het derde lid, een beëdigde tolk of vertaler inschakelt als het gebruik daarvan nodig wordt geacht. Uit het uitreikingsblad van het besluit van 9 mei 2026 volgt dat de strekking van dut besluit in het Engels aan eiser is meegedeeld, nadat eiser had verklaard de Engelse taal te beheersen. Ook tijdens het vertrekgesprek van 26 augustus 2026 is met eiser in het Engels gesproken. Uit het proces-verbaal van 25 augustus 2026 volgt eveneens dat eiser de Engelse taal voldoende machtig was. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze vaststellingen te twijfelen. Een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal biedt in beginsel grond voor het oordeel dat de daarin opgenomen bevindingen juist en volledig zijn, tenzij concrete aanknopingspunten voor het tegendeel bestaan. Eiser heeft dergelijke aanknopingspunten niet naar voren gebracht.
3.2.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat hij de strekking van het besluit van 20 april 2026 niet heeft begrepen. Uit het uitreikingsblad blijkt dat de strekking van het besluit in het Engels aan eiser is meegedeeld, nadat hij had verklaard de Engelse taal te beheersen. Bovendien is hem tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling voorgehouden dat zijn rechtmatig verblijf bij dat besluit was beëindigd. Eiser heeft daarop verklaard dat hij niet naar Polen wil terugkeren en liever op straat in Nederland leeft. Uit deze verklaring volgt dat eiser ervan op de hoogte was dat hij niet langer rechtmatig in Nederland verbleef en dat hij Nederland diende te verlaten. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat eiser door het ontbreken van een Poolse tolk bij de uitreiking van het besluit of tijdens het vertrekgesprek in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toets
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb 2000.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000.
de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1005).
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.49198
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [X] , eiser
(gemachtigde: mr. R.P. Duijn),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 25 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. De vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen.
Poolse tolk
3. Eiser betoogt allereerst dat de minister hem ten onrechte geen Poolse tolk ter beschikking heeft gesteld bij de uitreiking van het besluit van 20 april 2026 – waarmee zijn unierechtelijke verblijfsrecht is ingetrokken – en tijdens het vertrekgesprek van 26 augustus 2026. Volgens eiser is daarom niet gewaarborgd dat hij de inhoud en strekking van de beschikking heeft begrepen. Hij voert verder aan dat de minister niet heeft gemotiveerd waarom geen beëdigde tolk beschikbaar was en daarmee in strijd heeft gehandeld met artikel 28 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit artikel 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers volgt dat de Koninklijke Marechaussee, behoudens toepassing van het derde lid, een beëdigde tolk of vertaler inschakelt als het gebruik daarvan nodig wordt geacht. Uit het uitreikingsblad van het besluit van 9 mei 2026 volgt dat de strekking van dut besluit in het Engels aan eiser is meegedeeld, nadat eiser had verklaard de Engelse taal te beheersen. Ook tijdens het vertrekgesprek van 26 augustus 2026 is met eiser in het Engels gesproken. Uit het proces-verbaal van 25 augustus 2026 volgt eveneens dat eiser de Engelse taal voldoende machtig was. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze vaststellingen te twijfelen. Een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal biedt in beginsel grond voor het oordeel dat de daarin opgenomen bevindingen juist en volledig zijn, tenzij concrete aanknopingspunten voor het tegendeel bestaan. Eiser heeft dergelijke aanknopingspunten niet naar voren gebracht.
3.2.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat hij de strekking van het besluit van 20 april 2026 niet heeft begrepen. Uit het uitreikingsblad blijkt dat de strekking van het besluit in het Engels aan eiser is meegedeeld, nadat hij had verklaard de Engelse taal te beheersen. Bovendien is hem tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling voorgehouden dat zijn rechtmatig verblijf bij dat besluit was beëindigd. Eiser heeft daarop verklaard dat hij niet naar Polen wil terugkeren en liever op straat in Nederland leeft. Uit deze verklaring volgt dat eiser ervan op de hoogte was dat hij niet langer rechtmatig in Nederland verbleef en dat hij Nederland diende te verlaten. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat eiser door het ontbreken van een Poolse tolk bij de uitreiking van het besluit of tijdens het vertrekgesprek in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toets
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb 2000.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000.
de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1005).
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.