Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26228

2026-09-04 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.36069
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-04
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.36069
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Visum; hoorplicht; gegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.836 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.36069


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. C. Huy),


en


de minister van Buitenlandse Zaken,
(gemachtigde: mr. N. Peters)


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een visum voor kort verblijf van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eiser in bezwaar ten onrechte niet heeft gehoord. Eiser krijgt op dit punt gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 9 december 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 juni 2026 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.




Beoordeling door de rechtbank



De besluitvorming

3. Eiser is geboren op [geboortedag] 1985 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 12 november 2025 heeft hij een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf met als doel familiebezoek bij referent. Referent is de oom van eiser. De aanvraag is afgewezen en de minister heeft deze beslissing in zijn besluit op bezwaar van 2 juni 2026 gehandhaafd.



3.1.
De minister heeft in het bestreden besluit een tweetal weigeringsgronden gehandhaafd. Eiser heeft volgens de minister niet aangetoond dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de duur van het verblijf en de terugreis naar zijn land van herkomst. De minister heeft daarbij betrokken dat de door eiser opgegeven garantsteller niet garant kan staan, omdat het in bezwaar overgelegde garantieformulier niet is gelegaliseerd. Verder bestaat er redelijke twijfel of eiser het voornemen heeft het Schengengebied te verlaten voordat het visum verstrijkt. De minister acht in dat kader de economische en sociale binding met Marokko onvoldoende aangetoond, waardoor een tijdige terugkeer onvoldoende is gewaarborgd.



3.2.
De minister heeft eiser niet gehoord in bezwaar. Hieraan legt de minister ten grondslag dat een hoorzitting niets verandert aan de economische banden met Marokko en eisers financiële situatie. Daarom is op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgezien van het horen als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb.



3.3.
De minister heeft tijdens de zitting aangegeven niet langer tegen te werpen dat de garantsteller niet garant kan staan.



Had de minister eiser moeten horen?

4. Eiser betoogt dat de minister hem had moeten horen. Eiser heeft in bezwaar uitdrukkelijk verzocht om te worden gehoord als de minister niet tot gegrondverklaring van het bezwaar zou overgaan. De minister baseert de afwijzing op diverse onduidelijkheden over de werkzaamheden van eiser, de hoogte en herkomst van zijn
inkomsten, de facturen, de bankstortingen, zijn toegang tot zijn banksaldo en de vorm van de garantstelling. Dit zijn onderwerpen waarover eiser en referent tijdens een hoorzitting een nadere toelichting hadden kunnen geven. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn betoog naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats.




4.1.
De minister mag alleen afzien van horen in bezwaar, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Volgens vaste rechtspraak is het horen van een vreemdeling in bezwaar het uitgangspunt en moet terughoudend worden omgegaan met uitzonderingen op de hoorplicht. Uit deze rechtspraak volgt ook dat aan het uitgangspunt dat een vreemdeling in bezwaar wordt gehoord, bijzonder belang toekomt in bijvoorbeeld de situatie waarin een vreemdeling in de bezwaarfase nog niet alle relevante informatie en bewijsstukken heeft overgelegd die van hem worden verlangd, of de situatie waarin er – om welke reden dan ook – nog onduidelijkheden over het te beoordelen feitencomplex bestaan. Het komt in die situaties bijzonder belang toe omdat er veel omstandigheden denkbaar zijn die meebrengen dat een vreemdeling niet alle verzochte informatie kan overleggen en dat met een gehoor deze verzochte informatie boven tafel kan komen of gerezen problemen kunnen worden opgelost.



4.2.
De beroepsgrond slaagt. De minister stelt zich ten onrechte op het standpunt dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.


4.2.1.
Eiser heeft tijdens de besluitvormingsfase verschillende stukken overgelegd om te onderbouwen dat hij zelfstandig ondernemer is en economische binding heeft met Marokko. Het gaat dan om onder meer een aanvraag tot inschrijving voor het betalen en registreren van de inkomstenbelasting, certificaat van de Kamer van Ambachten, bankverklaring met banksaldo, bankafschriften, facturen van de aankoop van verf- en bouwmaterialen en foto’s waarop eiser tijdens schilderwerkzaamheden te zien zou zijn. Eiser heeft in bezwaar een nadere toelichting gegeven over het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf in Nederland en zijn tijdige terugkeer naar Marokko in relatie tot zijn economische en sociale binding met dat land. Ook heeft hij gesteld dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de duur van het verblijf en de terugreis naar zijn land van herkomst.



4.2.2.

Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister verschillende vragen heeft over de economische binding van eiser met Marokko en ook over de vraag of eiser beschikt over voldoende financiële middelen. Met betrekking tot de financiële middelen heeft de minister in het bestreden besluit bijvoorbeeld opgemerkt dat het lijkt alsof eiser voldoende geld op zijn bankrekening heeft staan, maar dat het niet duidelijk is waar dit geld vandaan komt en of eiser dit geld vrij kan besteden. Eiser heeft niet aangetoond hoe het saldo op de bankrekening tot stand is gekomen. Eiser heeft daarom volgens de minister niet bewezen dat hij genoeg geld heeft voor zijn reis en verblijf.
Met betrekking tot de economische binding in relatie tot het vestigingsgevaar heeft de minister in het bestreden besluit overwogen dat eiser met alle overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk economisch actief is en werkzaam is als ambachtsman/schilder en hiermee een geregeld inkomen verdient. Eiser heeft geen toelichting gegeven over de facturen en niet aangetoond dat hij het factuurbedrag daadwerkelijk heeft ontvangen. Ook is niet duidelijk waar de stortingen op de bankafschriften vandaan komen. Uit de overige stukken volgt volgens de minister evenmin dat eiser daadwerkelijk inkomsten heeft ontvangen. Verder maken volgens de minister de documenten die zien op de registratie voor het betalen van inkomstenbelasting niet aannemelijk dat eiser zelfstandig ondernemer is, omdat daaruit onder andere blijkt dat eiser pas op 19 mei 2026 is ingeschreven.




4.2.3.

De rechtbank overweegt dat, zoals uit de onder 4.1. genoemde rechtspraak volgt,
een hoorzitting juist is aangewezen wanneer in de bezwaarfase nog niet alle relevante informatie en bewijsstukken zijn overgelegd. Ook is een hoorzitting van belang als onduidelijkheden bestaan over het te beoordelen feitencomplex. Tijdens een hoorzitting kan deze verzochte informatie boven tafel komen of kunnen gerezen vragen of onduidelijkheden worden opgehelderd. Die situatie doet zich in deze zaak voor. Eiser had tijdens een hoorzitting geïnformeerd kunnen worden welke stukken ontbreken of welke toelichting op die stukken van hem wordt verlangd. Hoewel het aan eiser is om zijn stellingen met stukken te onderbouwen, moet het voor hem wel voldoende duidelijk zijn welke vragen de minister over de stukken heeft of welke (extra) stukken de minister wenst te ontvangen. De minister heeft nu in het bestreden besluit vragen gesteld over de stukken en – zonder dat eiser wist dat de minister die vragen had en zonder eiser de kans te geven die vragen te beantwoorden – op basis van die vragen conclusies getrokken en de afwijzing van het visumverzoek gehandhaafd. De vragen die de minister in het bestreden besluit opwerpt, zijn naar het oordeel van de rechtbank bij uitstek onderwerpen die tijdens een hoorzitting aan de orde kunnen komen. De minister kan zich daarom niet zonder eiser te horen op het standpunt stellen dat bepaalde informatie ontbreekt en/of dat stellingen onvoldoende zijn onderbouwd. Eiser moeten de gelegenheid krijgen om deze onduidelijkheden weg te nemen. Een hoorzitting is daarvoor het aangewezen middel.





4.3.
Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit genomen in strijd met de artikel 7:2 van de Awb. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.




Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:2 van de Awb. De rechtbank zal de minister opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van acht weken.



5.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Ook moet de minister het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


draagt de minister op om binnen acht weken na verzending van deze uitspraak en met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen;


veroordeelt de minister tot betaling aan eiser van € 1868 aan proceskosten;


bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van € 200 vergoedt.





Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
S. Voolstra, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.




Rb Den Haag, zp. Arnhem, 28 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9491.


ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.