Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26226

2026-09-08 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.19473
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-08
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.19473
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel Sierra Leone; referentiekader, Unierecht en de geloofwaardigheidsbeoordeling; geloofwaardigheid asielrelaas

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.125 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.19473


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Maalsen),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L. Drenthe).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de homoseksuele gerichtheid van eiser terecht ongeloofwaardig geacht en daarmee ook de daaruit volgende problemen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 april 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank

3. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.



Het asielrelaas


4. Eiser heeft de Sierra Leoonse nationaliteit en behoort tot de Sousou bevolkingsgroep. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij homoseksueel is en vanaf zijn tiende levensjaar uiting heeft gegeven aan zijn homoseksuele gerichtheid. Hij had toen een relatie met [persoon 1] en was vanaf dat moment seksueel actief. Toen eiser samen met [persoon 1] werd betrapt in het bos, is hij door zijn vader mishandeld waarna hij is verhuisd naar zijn oma. Eiser heeft vervolgens negen jaar lang een geheime relatie gehad met [persoon 1] . De relatie duurde tot 2016. Via zijn werk heeft eiser vervolgens in 2017 [persoon 2] leren kennen. Vervolgens heeft hij gedurende vijf jaar een geheime relatie met [persoon 2] gehad. In 2022 werd eiser samen met [persoon 2] betrapt, waarna hij is gevlucht uit Sierra Leone. Bij terugkeer naar Sierra Leone vreest eiser vanwege zijn homoseksuele gerichtheid te worden vervolgd door zijn familie, de gemeenschap en de politie.


4.1.
Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser 13 foto’s overgelegd waaruit zou blijken dat eiser bijeenkomsten van diverse LHBTI-organisaties in Nederland bijwoont en daarvoor ook actief is. Ook heeft eiser brieven van Rainbow Den Haag en QueerWork overgelegd die zijn aanwezigheid en betrokkenheid bij de bijeenkomsten van de organisaties onderbouwen.



Het bestreden besluit


5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- seksuele gerichtheid en de daaruit volgende problemen.


De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De seksuele gerichtheid en de daaruit volgende problemen wordt door de minister niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft dit asielmotief niet onderbouwd met objectieve documenten die het asielmotief volledig onderbouwen. De minister heeft daarom beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is niet het geval omdat eisers verklaringen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hij voldoet daarom niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Er is volgens de minister geen reden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Sierra Leone heeft te vrezen voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarom heeft de minister de aanvraag afgewezen als ongegrond.




Arrest Ebilum


6. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest Ebilum van het Hof van Justitie, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld, maar zal het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid vol toetsen.



Strijdigheid met het Unierecht


7. Dat de door de minister toegepaste, en in de Werkinstructie (WI) 2024/6 opgenomen, geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het Unierecht, waaronder de jurisprudentie van het Hof van Justitie, zoals eiser heeft betoogd, volgt de rechtbank niet. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspaken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 en van 8 september 2025. De beroepsgrond slaagt niet.



Heeft de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst ten onrechte aangemerkt als asielmotief?


8. Eiser betoogt dat de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst in het bestreden besluit ten onrechte aanmerkt en behandelt als een asielmotief. Dit is niet in lijn met WI 2024/6.



8.1.
De rechtbank stelt vast dat in WI 2024/6 onder paragraaf 3.2 is opgenomen dat het asielrelaas van een vreemdeling bestaat uit de gegevens die zien op de persoon van de vreemdeling en één of meerdere asielmotieven. Met gegevens die zien op de persoon van de vreemdeling wordt, onder meer, de identiteit, nationaliteit, herkomst en etniciteit van een vreemdeling bedoeld, aldus de WI. De rechtbank leidt uit deze passage af dat de identiteit, nationaliteit en herkomst naar de letter van de tekst weliswaar behoren tot het asielrelaas maar zelf geen asielmotief zijn. Het betreffen gegevens die zien op de persoon van de vreemdeling. Uit paragraaf 4 van de WI volgt dat gegevens die zien op de persoon van de vreemdeling in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling op dezelfde manier worden beoordeeld als de asielmotieven. Dat in de besluitvorming de identiteit, nationaliteit en herkomst als ‘asielmotief’ zijn aangemerkt in plaats van ‘gegevens die zien op de persoon van eiser’ maakt voor de beoordeling van de aanvraag dus geen verschil. Tijdens de zitting heeft eiser ook bevestigd dat de beoordeling van geloofwaardigheid van de identiteit, nationaliteit en herkomst heeft plaatsgevonden conform WI 2024/6. Het betreft dus enkel een taalkundig punt, waarbij eiser tijdens de zitting niet kon aangeven op welke wijze dit de (materiële) besluitvorming onjuist maakt. Te meer omdat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst door de minister geloofwaardig zijn bevonden en ook, in het kader van zwaarwegendheid, zijn doorgetoetst. De beroepsgrond slaagt niet.



Hanteert de minister een juist referentiekader bij de geloofwaardigheidsbeoordeling?

9. Eiser betoogt dat de minister zijn referentiekader onvoldoende bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken. De minister gaat er volgens eiser aan voorbij dat hij heeft aangegeven dat hij het lastig vond om alles te vertellen en dat hij soms ook een gevoel van paniek had tijdens het gehoor. De minister heeft verder onvoldoende rekening gehouden met het gegeven dat eiser gelet op zijn culturele en religieuze achtergrond moeite heeft om te verklaren over zijn homoseksuele gerichtheid.




9.1.
De rechtbank begrijpt dat niet iedereen even makkelijk over zijn gevoelens praat en wil aannemen dat dit ook voor eiser geldt. Dat neemt echter niet weg dat, naar het oordeel van de rechtbank, de minister redelijkerwijs van eiser mag verlangen dat hij zijn authentieke verhaal naar voren brengt en zijn eigen ervaringen, gevoelens en keuzes inzichtelijk maakt. Uit het rapport van het nader gehoor blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser in lijn met (de destijds geldende) WI 2019/17 is bevraagd en dat de hoormedewerker open vragen heeft gesteld, heeft doorgevraagd en vragen nader heeft toegelicht om deze begrijpelijk te maken voor eiser. Tijdens het nader gehoor is eiser meermaals gevraagd hoe het met hem ging. Eiser heeft uitgebreid de gelegenheid gekregen om zijn verhaal te doen. Daarbij heeft eiser zelf aangegeven dat hij zich vrij voelde om te spreken en dat hij het prettig vond om over zijn vriend te praten. Ook is hem de mogelijkheid geboden om indien nodig een pauze te nemen. De rechtbank overweegt verder dat eiser weliswaar uit een cultuur komt en een religieuze achtergrond heeft waar niet open wordt gesproken over (homo)seksuele gerichtheid, maar dat eiser inmiddels als volwassen man al geruime tijd in Nederland is, waar hij zich vrij kan uiten, zoals ook blijkt uit de overgelegde brief van Rainbow Den Haag. Tot slot acht de rechtbank van belang dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd op welke punten in de besluitvorming onvoldoende rekening is gehouden met zijn referentiekader. Het is de rechtbank niet gebleken dat de minister bij de beoordeling van eisers verklaringen en de geloofwaardigheid daarvan, onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.



Heeft de minister eisers homoseksuele gerichtheid terecht ongeloofwaardig geacht?

10. Eiser betoogt dat de minister zijn homoseksuele gerichtheid en de daaruit volgende problemen ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Samengevat betoogt eiser dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij zijn asielmotief niet volledig met objectieve documenten heeft onderbouwd. Verder stelt de minister zich ten onrechte op het standpunt dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Ook heeft de minister geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verricht waarbij de door eiser overgelegde documenten deugdelijk worden afgewogen tegen de door hem afgelegde verklaringen.




10.1.
De rechtbank gaat hieronder stapsgewijs in op de verschillende door eiser aangedragen bezwaren tegen het bestreden besluit en zal daarbij zijn beroepsgrond per onderdeel nader toelichten.



Onderbouwing met documenten (stap 2a)

11. Eiser betoogt dat de minister niet, althans onvoldoende motiveert waarom de overgelegde documenten niet worden aangemerkt als objectieve documenten die het asielmotief volledig onderbouwen. De kern van het asielrelaas is de seksuele gerichtheid van eiser en de overgelegde documenten onderbouwen zijn verklaringen daarover. De overlegde documenten bevatten feitelijke informatie, namelijk dat eiser te zien is op foto’s bij verschillende LHBTI-bijeenkomsten en dat hij lid is van Rainbow Den Haag. Verder volgt uit de brieven van Rainbow Den Haag en QueerWork dat eiser deelneemt aan bijeenkomsten. De informatie in de brieven is gebaseerd op eigen wetenschap en is gebaseerd op feiten.




11.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de door eiser overgelegde foto’s en verklaringen geen objectieve documenten zijn die zijn asielmotief homoseksuele gerichtheid volledig onderbouwen. De minister stelt terecht dat het aanwezig zijn bij en deelnemen aan LHBTI-bijeenkomsten niet zonder meer maakt dat eisers homoseksuele gerichtheid moet worden aangenomen. De overgelegde brief van QueerWork is daarnaast algemeen van aard en beschrijft vooral de activiteiten die worden aangeboden. Dat geldt ook voor de brief van Rainbow Den Haag waarbij de rechtbank nog toevoegt dat de beschrijving die in die brief van eiser wordt gegeven vooral is gebaseerd op wat eiser zelf heeft verteld of welke indruk hij geeft. Dat betreft geen objectieve onderbouwing van de seksuele gerichtheid. De overgelegde foto’s en verklaringen zeggen bovendien niets over de gebeurtenissen en problemen die zich volgens eiser in zijn land van herkomst hebben voorgedaan. De foto’s en verklaringen ondersteunen gelet op dit alles het asielrelaas maar in beperkte mate omdat ze een beperkte bewijskracht hebben en niet zien op het volledige asielrelaas.



11.2.
De minister heeft daarom terecht aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 beoordeeld of de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid en daaruit volgende problemen alsnog geloofwaardig zijn. Dat is volgens de minister niet het geval. Eiser voldoet volgens de minister niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000, omdat de verklaringen over zijn seksuele gerichtheid (homoseksualiteit) niet samenhangend en aannemelijk zijn. De rechtbank gaat daar hieronder verder op in.



Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000 (stap 2b)

12. Eiser betoogt dat de minister zijn homoseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig acht omdat zijn verklaringen niet worden aangemerkt als een samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser weerspreekt dat hij vaag en summier heeft verklaard over het moment van bewustwording van zijn seksuele geaardheid. Ook voert eiser aan dat hij niet onlogisch heeft verklaard over zijn handelingen.




12.1.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser geen samenhangende en aannemelijk verklaringen heeft afgelegd. Eiser heeft verklaard dat hij is opgegroeid en opgevoed met negatieve verhalen over homoseksualiteit. In de gemeenschap en in de moskee, waar de vader van eiser imam was, werd slecht over homoseksualiteit gesproken en binnen de familie werd gezegd dat personen die zich bezighouden met homoseksualiteit vervloekt zijn en dat God een hele natie verwoest vanwege homoseksualiteit. Tegen die culturele en religieuze achtergrond bezien heeft eiser nauwelijks inzicht gegeven hoe hij er toe komt om op tienjarige leeftijd, terwijl hij niet weet of [persoon 1] op mannen valt, met hem gaat zoenen en gemeenschap heeft. Dat geldt ook voor de verklaring van eiser dat hij, al toen hij heel jong was, zich goed voelde toen hij merkte dat hij zich seksueel aangetrokken voelde tot mannen omdat God hem zo heeft gemaakt. Dat rijmt niet met het gegeven dat in Sierra Leone homoseksualiteit maatschappelijk gezien niet wordt geaccepteerd en zelfs strafbaar is gesteld. De minister mag van eiser verlangen dat hij diepgaander verklaard over zijn gedachtegang en het omgaan met de ontdekking van zijn seksuele gerichtheid. Eiser geeft namelijk nauwelijks inzicht in het proces dat hij heeft doorgemaakt om zijn homoseksualiteit te accepteren: hij had in het begin wel twijfel maar heeft dat naar eigen zeggen, op tienjarige leeftijd, gewoon geaccepteerd en is doorgegaan met zijn leven. Hij voelde zich goed. De minister heeft daarom terecht tegengeworpen dat eiser summier en onvoldoende diepgaand heeft verklaard over het moment (en het proces) van bewustwording, zeker bezien in het licht van een samenleving en familie die een en al weerstand ademt tegen homoseksualiteit. Ondanks de lange duur van de relaties (respectievelijk negen en vijf jaar) verklaart eiser bovendien vooral oppervlakkig over die relaties en beschrijft vooral de activiteiten en seksuele handelingen, maar niet de gevoelens en gedachten die eiser daarbij had.
De minister heeft het verder ongerijmd mogen vinden dat eiser relatief makkelijk en zonder enige aanwijzingen van een homoseksuele gerichtheid van [persoon 1] en [persoon 2] fysiek met hen werd, terwijl de gevolgen voor hem heel groot hadden kunnen zijn als zij niet zouden zijn ingaan op zijn avances. Gelet ook op deze risico’s, die bij eiser bekend waren, heeft de minister niet hoeven volgen dat eiser met [persoon 1] in een onderbroek in een minder bebost deel is gaan zitten en dat hij gemeenschap heeft gehad met [persoon 2] terwijl de deur niet op slot zat en anderen dus binnen konden lopen.




Integrale geloofwaardigheidsbeoordeling

13. Eiser betoogt dat de minister geen integrale beoordeling heeft verricht. De minister gaat er ten onrechte aan voorbij dat juist bij een afwijzing enkel op grond van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000, de overige bewijsstukken bij de beoordeling betrokken moeten worden. Door de bewijzen enkel te betrekken bij stap 2a heeft de minister hiervan onvoldoende blijk gegeven. Ter onderbouwing verwijst eiser tevens naar rechtspraak van deze rechtbank, zittingsplaatsen Roermond en Groningen. Uit die rechtspraak volgt volgens eiser dat de minister bij de beoordeling van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000, de geloofwaardigheid in zijn geheel moet beoordelen en alle naar voren gebrachte feiten en omstandigheden moet betrekken.




13.1.
De rechtbank volgt het betoog van eiser niet en oordeelt dat de minister de door eiser overgelegde documenten (foto’s en brieven) integraal in de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken. De documenten zijn namelijk in de besluitvorming door de minister afgezet tegen de verklaringen over eisers ervaringen vanaf zijn tiende levensjaar tot en met zijn vertrek. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser met de overgelegde foto’s en brieven (de documenten) niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een homoseksuele gerichtheid heeft en problemen heeft ondervonden die gevolg zijn van die seksuele gerichtheid. De rechtbank betrekt hierbij ook dat uit WI 2019/17 en vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat in LHBTI-zaken het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling ligt bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaring met betrekking tot zijn gestelde seksuele gerichtheid. Uit de besluitvorming blijkt dat de door eiser overgelegde documenten integraal zijn meegewogen. Dat hieraan niet de waarde toekomt die eiser daaraan wil hechten maakt dit niet anders.


14. De minister heeft eisers homoseksuele gerichtheid en de daaruit volgende problemen gelet op de door hem gedane verklaringen en overgelegde documenten, terecht ongeloofwaardig geacht.





Conclusie en gevolgen


15. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



HvJ EU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.


Rb. Den Haag, zp. Arnhem 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149.


Rb. Den Haag, zp. Arnhem 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613.


WI 2019/17 ‘Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd’.


Bijvoorbeeld pagina 2 en 29 van het nader gehoor.


Pagina 10 van het nader gehoor


Pagina 3 van het nader gehoor.


Pagina 12 van het nader gehoor.


Pagina 19 van het nader gehoor.


Pagina 15 van het nader gehoor.


Pagina 12 en 13 van het nader gehoor.


Pagina 19 en 25 van het nader gehoor.


ECLI:NL:RBDHA:2025:139.


ECLI:NL:RBDHA:2025:14853.


Zie bijvoorbeeld ABRvS 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1885, r.o. 6.3.