Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26112

2026-08-13 Civiel recht; Arbeidsrecht 11972274 \ CV EXPL 25-3961
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-13
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11972274 \ CV EXPL 25-3961
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1465; AR-Updates.nl 2026-1465; PS-Updates.nl 2026-0418

Inhoudsindicatie

Beroepsziekte. Arbeidsrechtelijke omkeringsregel niet van toepassing. Causaal verband niet onderbouwd. Vordering afgewezen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.116 tekens)
RECHTBANK
DEN HAAG



JL (D)
Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Gouda



Zaaknummer: 11972274 \ CV EXPL 25-3961




Vonnis van 13 augustus 2026




in de zaak van





[eisende partij]
,
te Polen,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. C.H. Ruis,



tegen




de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde partij] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigden: mrs. D.M. Gouweloos en E.L.Q. van Tets.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 november 2025, met producties 1 t/m 26; - de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 17; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de aanvullende producties 27 t/m 33 van [eisende partij] ;
- de aanvullende productie 18 van [gedaagde partij] ;
- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitaantekeningen van de gemachtigden van partijen.





2De feiten


2.1.

[eisende partij] heeft in de periode van 6 juni 2016 tot 31 juli 2023 gewerkt bij (de rechtsvoorganger(s) van) [gedaagde partij] op de afdeling Buitenlandse Kaas.



2.2.

[eisende partij] heeft zich op 11 maart 2021 ziekgemeld.



2.3.

In de probleemanalyse van 25 mei 2021 van de bedrijfsarts is onder meer het volgende vermeld:

“
Reden van het verzuim


Medisch.


Mevrouw [eisende partij] heeft klachten aan beide armen en handen.


Er wordt nu onderzoek verricht naar de oorzaak.


Momenteel verricht zij wel voor 4 uur per dag lichte taken en dat gaat redelijk.


Vanaf 31 mei kan en mag zij in de lichte taken ingezet worden voor haar contacturen.”





2.4.

In de Rapportage Arbeidsdeskundig Onderzoek van 14 januari 2022 van arbeidsdeskundige J. Tourabi (JQ-Advies) is onder meer het volgende vermeld:

“(…)


Samenvatting conclusie en advies



 Werknemer is ongeschikt voor het eigen werk van inpakker voor de oorspronkelijke takenomvang.
 Gezien de vastgestelde beperkingen is het eigen werk niet aan te passen dan wel passend te maken.
 Er zijn op grond van de huidige beperkingen geen concrete re-integratie mogelijkheden intern bij de eigen werkgever. In het kader van arbeidsritme verricht werknemer corona gerelateerde re-integratie werkzaamheden in het magazijn. Deze werkzaamheden leiden niet tot een structurele herplaatsing maar zijn enkel in het kader van arbeidsritme en structuur.
 Re-integratie naar ander passend werk bij een andere werkgever is aan de orde. Het advies is om zo snel mogelijk een re-integratie in Spoor II op te starten.




(…)





FUNCTIEBESCHRIJVING Inpakker B





Taken &


Verantwoordelijkheden Inpakker A:

 Het snijden, verpakken/ insealen, wegen en etiketteren van het product a.d.h.v de verstrekte instructies
 Het controleren van het product op gebreken en verwijderen van slechte delen
 Het controleren van de verpakking op duidelijke prijsaanduidingen, correcte etikettering en lekke verpakkingen
 Het inpakken van de verpakte producten in kratten
 Het registreren van gegevens op productieformulieren
 Het schoonmaken van apparatuur en werkomgeving.




Inpakker B:

 Het snijden, verpakken/ insealen, wegen en etiketteren van het product a.d.h.v de verstrekte instructies
 Het klaarzetten van de te verwerken producten en verpakkingscomponenten
 Het bewaken van het verpakkingsproces
 Het instellen van de verpakkingslijn bij nieuwe run
 Het controleren van het product op gebreken en verwijderen van slechte delen
 Het controleren van de verpakking op duidelijke prijsaanduidingen, correcte etikettering en lekke verpakkingen
 Het inpakken van de verpakte producten in kratten
 Het registreren van gegevens op productieformulieren
 Het schoonmaken van apparatuur en werkomgeving.




(…)





Belasting in het werk/ functie


Er is sprake van de volgende belasting:


 Werken in een koele omgeving waar het ongeveer tussen de 12 en 17 graden ℃ is. Het werk wordt volledig staand uitgevoerd met soms een paar passen lopen, voorts sprake van samenwerken, afleiding door activiteiten van anderen, deadlines/ productiepieken, rumoerige werkomgeving (omgevingsprikkels), bij bepaalde lijnen deadlines/ productiepieken (echter niet fors), dwingend handelingstempo (wel doorwerken/ lopende band is bepalend), frequent lichte lasten hanteren (tot 4 kg), tillen tot 15 kg, intensief hand- vingergebruik (repetitief en knijp- grijpkracht de hele dag door), frequent reiken (niet bovennormaal), staan (hele dag, lopen (1 uur gedurende de dag), frequent buigen (bij het verpakken van kaas), frequent hoofdbeweringen maken (tot 45 graden), torderen, etc.



Belasting versus belastbaarheid


Geschikt eigen werk:


Gelet op de vastgestelde belastbaarheid versus de belasting in het eigen werk zijn er overschrijdingen voor o.a.;


 Intensief hand- vingergebruik (repetitief en knijp- grijpkracht), frequent reiken (2-armig), dwingend handelingstempo, afwisseling van houdingen niet mogelijk (langdurig staan en paar passen lopen kunnen niet worden afgewisseld met zitten).



Deze belastingaspecten zijn inherent aan de functie van inpakker. Werknemer is derhalve ongeschikt voor het eigen werk van inpakker voor de volle takenomvang.”





2.5.
Partijen hebben op 19 juli 2023 een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van het dienstverband wegens langdurige arbeidsongeschiktheid van [eisende partij] .



2.6.

[eisende partij] ontvangt sinds 11 augustus 2023 een WGA-uitkering, die per 4 maart 2025 is omgezet naar een IVA-uitkering.



2.7.

[eisende partij] heeft [gedaagde partij] op 29 november 2023 aansprakelijk gesteld op grond van werkgeversaansprakelijkheid. [gedaagde partij] heeft naar aanleiding daarvan Cordaet Personenschade B.V. ingeschakeld om de arbeidsomstandigheden van [eisende partij] in kaart te brengen. Cordaet heeft in dat kader op 7 november 2025 een rapport uitgebracht.



2.8.

Cordaet heeft medisch adviseur [naam 1] ( [bedrijf] ) ingeschakeld voor medisch advies. [naam 1] heeft in totaal vijf adviezen uitgebracht. In het laatste medisch advies van 5 januari 2026 is onder meer het volgende vermeld:

“
Advies:


(…)



2. Uit deze informatie komt een beeld naar voren van een gegeneraliseerde artrose, slijtage, van zowel de handen, elleboog, schouder, rug, heupen, knieën en voeten. Radiologisch lijkt deze nog beperkt, maar daarnaast is er ook sprake van tendomyogene klachten, dus van de pezen en spieren, waarvoor diverse specialisten het belang van bewegen onder begeleiding hebben benadrukt.


3. Inmiddels zijn er ook mentale klachten ontstaan waarvoor betrokkene begeleid wordt door een Pools sprekende psycholoog. Aangegeven wordt dat hierop reeds enige verbetering is bereikt, een verdere verbetering mogelijk wordt geacht.


4. Wederom is de vraag of de gegeneraliseerde artrose/tendomyogene klachten het gevolg zijn van de werkzaamheden die betrokkene heeft verricht. De verzekeringsarts geeft in de rapportage aan dat betrokkene “vanuit langdurige overbelasting fysiek gedecompenseerd is”, maar heeft geen reden gezien om de daadwerkelijke fysieke belasting in het werk na te vragen/te onderzoeken.


5. Hetzelfde geldt voor de psycholoog die het volgende in haar brief beschrijft:


“cliënt beschrijft sinds 2021 hevige chronische pijnklachten na het hebben gedaan van zwaar lichamelijk werk sinds 2009.” Een verdere specificatie van dit zware lichamelijke werk wordt echter niet gegeven, evenmin wordt beschreven welke werkzaamheden betrokkene in de loop van de tijd heeft verricht.


6. Een beroepsziekte, die ontstaat door een (te hoge) blootstelling aan bepaalde factoren op het werk, leidt normaliter tot een vrij specifieke aandoening, vandaar ook de diverse richtlijnen van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten. Een gegeneraliseerde artrose wijst meer op een interpersoonlijke factor waarbij het werk zeker te zwaar kan zijn, maar waarbij het werk niet de oorzaak is van de aandoening. Alles overziende lijkt daarvan in deze casus sprake.


7. Concluderend leidt de nu ontvangen informatie niet tot een ander conclusie en zie ik onvoldoende aanwijzingen dat hier sprake is van een beroepsgebonden aandoening waarbij de oorzaak van de klachten/aandoening voor >50% in de werkzaamheden gelegen is. Het feit dat de bedrijfsarts de klacht ook niet heeft gemeld als beroepsgebonden aandoening pleit hiervoor, net als het feit dat de klachten zich uitbreiden op het moment dat de werkzaamheden al lange tijd zijn gestaakt.


(…)”.






3Het geschil


3.1.

[eisende partij] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


I. te verklaren voor recht dat [gedaagde partij] aansprakelijk is voor de schade die [eisende partij] heeft geleden tijdens en vanwege haar dienstverband bij [gedaagde partij] , nader op te maken bij staat;



II. [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 18.972,00 als voorschot op de nader vast te stellen schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente;



III. [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van de nader vast te stellen schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente;



IV. [gedaagde partij] te veroordelen tot verstrekking van een belastinggarantie ten aanzien van de toe te wijzen schadevergoeding, met oplegging van een dwangsom;



V. [gedaagde partij] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.




3.2.

[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde partij] op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die [eisende partij] stelt te hebben geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden.



4.2.

In artikel 7:658 lid 1 BW is bepaald dat de werkgever verplicht is de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.
Op grond van lid 2 is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.




4.3.
In lijn met de hoofdregel van artikel 150 Rv dient de werknemer, die zijn werkgever aansprakelijk houdt voor een schending van diens zorgplicht, te stellen en - bij betwisting - te bewijzen dat hij gezondheidsschade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Daarnaast is het aan de werkgever om te stellen en - bij betwisting - te bewijzen dat hij zijn verplichting om voor een veilige werkplek en arbeidsomstandigheden te zorgen is nagekomen.



4.4.
Vaststaat dat [eisende partij] verschillende pijnklachten heeft. Uit de medische stukken maakt de kantonrechter op dat sprake is van gegeneraliseerde artrose in handen, elleboog, schouder, rug, heupen, knieën en voeten, lichte artrose in CMC1-gewrichten, tendinitis (peesontsteking) in schouder en veranderingen in de lumbale wervelkolom. Daarnaast kampt [eisende partij] met mentale problemen. Deze aandoeningen hebben een multi-causaal ziektebeeld. Dat wil zeggen dat er meerdere mogelijke oorzaken kunnen zijn. Wil [eisende partij] met succes een beroep doen op artikel 7:658 BW, dan zal zij voldoende feiten en omstandigheden moeten stellen over haar werksituatie zodat op grond daarvan kan worden aangenomen dat haar klachten door die werksituatie (en niet door iets anders, bijvoorbeeld ook door omstandigheden in haar privésituatie) zijn ontstaan.



4.5.
Het kan voor de werknemer lastig zijn aan te tonen dat er een causaal verband bestaat tussen de opgelopen schade en de werkzaamheden, in het bijzonder als het gaat om beroepsziekten. De Hoge Raad is de werknemer daarom tegemoet gekomen met de zogenoemde arbeidsrechtelijke omkeringsregel. De werknemer moet stellen en bij betwisting aannemelijk maken (i) dat hij bij het verrichten van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en (ii) dat hij lijdt aan een ziekte of gezondheidsklachten die door deze blootstelling kunnen zijn veroorzaakt. De werkgever is vervolgens aansprakelijk op grond van het vermoeden dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin hij zijn werkzaamheden heeft verricht, tenzij de werkgever kan aantonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Dat vermoeden van causaal verband is niet op zijn plaats als het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. Er geldt dus een ondergrens voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel (vgl. HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717 (SVB/Van de Wege) en ECLI:NL:HR:2013:BZ1721 (Lansink/Ritsma)).



4.6.

[eisende partij] stelt dat de aandoeningen waaraan zij lijdt een rechtstreeks gevolg zijn van de zware werkomstandigheden bij [gedaagde partij] . [eisende partij] stelt in dat kader dat zij de onder de volgende omstandigheden werkte:
- [eisende partij] sneed gemiddeld 1.000 tot 5.000 kazen van tussen de 0,25 en 20 kilogram tijdens een dienst van 6,5 uur, waarbij zij repeterende bewegingen maakte en - afhankelijk van de hardheid van de kazen - veel kracht moest zetten;
- [eisende partij] verpakte kazen en deed deze vervolgens in kratten;
- [eisende partij] plaatste de kratten met een gewicht tot 20 kilogram op pallets;
- [eisende partij] verplaatste met een handmatige pompwagen de pallets met een gewicht tussen de 100 en 300 kilogram naar een andere ruimte, waarbij zij trek- en duwbewegingen maakte;
- de werkomgeving was vochtig, koud en glad.



4.7.

[eisende partij] onderbouwt haar stelling met verschillende verklaringen van (oud)werknemers van [gedaagde partij] . Daarnaast verwijst [eisende partij] naar een aantal Registratierichtlijnen van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB), die volgens haar ruimschoots zijn overschreden door [gedaagde partij] . [eisende partij] stelt verder dat zij volgens de NIOSH-methode - gelet op haar lengte en gewicht - maximaal 23 kilogram mocht tillen in optimale omstandigheden en in extra zware omstandigheden, zoals een lage temperatuur, maximaal 12 kilogram.



4.8.

[gedaagde partij] betwist niet dat het werk dat [eisende partij] verrichtte zwaar was, maar zij heeft de geschetste werkomstandigheden op bepaalde punten gemotiveerd weersproken. Zij betwist met name de frequentie (aantal kazen dat per dag moest worden gesneden) en de intensiteit (aantal uur dat achter elkaar moest worden gesneden en aantal kilo’s dat moest worden getild) van de werkzaamheden. [gedaagde partij] verwijst daarvoor onder meer naar het rapport van Cordaet van 7 november 2025, een verklaring van de heer [naam 2] (eigenaar van de rechtsvoorganger van [gedaagde partij] ) en een RI&E uit 2017.



4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat [eisende partij] de blootstelling aan schadelijke werkomstandigheden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De door [eisende partij] overgelegde getuigenverklaringen van (oud)werknemers van [gedaagde partij] zijn hiervoor, tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde partij] , onvoldoende. Verder geldt dat, zelfs al zou van de door [eisende partij] geschetste werkomstandigheden worden uitgegaan, [eisende partij] geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de werkomstandigheden ook schadelijk konden zijn voor de gezondheid. De enkele verwijzing naar de Registratierichtlijnen van het NCvB en de NIOSH-methode, zonder duidelijke toelichting daarop, is eveneens onvoldoende. Onder die omstandigheden had van [eisende partij] een nadere onderbouwing mogen worden verwacht, maar die ontbreekt. Daarmee is niet aan het eerste vereiste voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel voldaan.



4.10.
Ook aan het tweede vereiste is niet voldaan, omdat naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende is komen vast te staan dat de klachten van [eisende partij] kunnen zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden. Verzekeringsarts [naam 3] van het UWV heeft in zijn rapport van 22 mei 2025 weliswaar gesteld dat de gegeneraliseerde artrose in verband kan worden gebracht met langdurige fysieke overbelasting op het werk, maar gesteld noch gebleken is dat deze verzekeringsarts onderzoek heeft gedaan naar de werkomstandigheden bij [gedaagde partij] . Daartegenover staat het rapport van verzekeringsarts [naam 1] , die uiteen heeft gezet dat de klachten niet objectief in medisch causaal verband kunnen worden gebracht met de verrichte werkzaamheden. Dat laatste heeft verzekeringsarts [naam 3] niet beoordeeld, zodat dat een onvoldoende onderbouwing is.



4.11.
Dat betekent dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel in dit geval niet van toepassing is en dat op [eisende partij] de volledige bewijslast rust van haar stelling dat de gezondheidsklachten in de uitoefening van haar werkzaamheden zijn ontstaan. Pas als zij hierin is geslaagd, komt de vraag aan de orde of [gedaagde partij] de op haar rustende zorgplicht is nagekomen.



4.12.
Onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverweging 4.10. is overwogen, oordeelt de kantonrechter dat een oorzakelijke relatie tussen de klachten van [eisende partij] en de werkomstandigheden bij [gedaagde partij] op basis van het huidige dossier niet kan worden vastgesteld. [eisende partij] heeft voor haar stelling dat er een causaal verband bestaat tussen haar klachten en haar werkzaamheden bij [gedaagde partij] slechts verwezen naar de stelling van verzekeringsarts [naam 3] . Dat is, zeker gelet op de medische rapporten van verzekeringsarts [naam 1] die [gedaagde partij] in het geding heeft gebracht, onvoldoende. Het had op de weg van [eisende partij] gelegen om stukken over te leggen die haar stelling ondersteunen, maar dat heeft zij niet gedaan. De kantonrechter komt daarom niet toe aan verdere bewijslevering.



4.13.
De conclusie is dat de vorderingen van [eisende partij] worden afgewezen. [eisende partij] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:









- salaris gemachtigde


€


864,00


(2 punten × € 432,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.008,00











4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,



5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,


5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.









Dit vonnis is gewezen door mr. M. Nijenhuis en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.