Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26111

2026-09-09 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.4503, NL25.4504, NL25.4512, NL25.4513, NL25.4507 en NL25.4509
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.4503, NL25.4504, NL25.4512, NL25.4513, NL25.4507 en NL25.4509
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Regulier. Surinaamse nationaliteit. Aanvraag moeder en minderjarige kinderen voor verblijf bij grootmoeder in Nederland. Verblijfsdocument EU/EER. Arrest K.A. Artikel 8 van het EVRM. Bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hechte persoonlijke banden. Beslisvolgorde verblijfsrecht. Vooringenomenheid en discriminatie primaire besluiten. Schending hoorplicht. Beroep gegrond. Vovo afgewezen.

Citeert (9)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.038 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht


Zaaknummers: NL25.4503, NL25.4504, NL25.4512, NL25.4513, NL25.4507 en NL25.4509


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen




[eiseres 1]
, V-nummer [V nummer 1] , geboren op [geboortedatum 1] 1978, van Surinaamse nationaliteit, eiseres,


mede namens haar minderjarige kinderen,


[eiser]
, V-nummer [V nummer 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016, van Surinaamse nationaliteit, eiser,




[eiseres 2]
, V-nummer [V nummer 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2018, van Surinaamse nationaliteit, eiseres 2,
hierna tezamen eisers,
(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. I.A. van der Vegt).



Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een EU/EER verblijfsdocument. Ook wordt uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers.



1.1.
Verweerder heeft de aanvragen met de primaire besluiten van 29 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 januari 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



1.2.
Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en hebben beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens hebben eisers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.



1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


1.4.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, [referente] (referente) en de gemachtigde van verweerder. Voorafgaand aan de zitting heeft de rechtbank in een kindgesprek [eiser] en [eiseres 2] gelijktijdig en apart van de andere procesdeelnemers gehoord.
Bij aanvang van de zitting heeft de rechtbank de volgende samenvatting van dit kindgesprek met partijen gedeeld.




[eiseres 2] : Ik zou het niet leuk vinden om naar Suriname te gaan, want dan ga ik mijn vrienden missen. Ik heb drie goede vrienden in NL. Ik haat Suriname. Ik vind het daar niet leuk. Ik vind het leuk om bij oma te wonen en als dat niet meer mag of kan, dan ga ik haar lekkere macaroni missen. Toen ik nog in Suriname woonde, belde ik met oma. Ik weet niet meer hoe vaak ik dat deed.




[eiser] : Als ik naar Suriname zou moeten dan vind ik dat niet en ook wel leuk. Ik vind het niet leuk omdat ik het fijn vind om in NL te zijn. Ik heb hier heel veel nieuwe vrienden gemaakt en ook leuke dingen meegemaakt, zoals naar een pretpark gaan. Dat heb ik in Suriname nog nooit gedaan. Ik zou het ook wel leuk vinden om naar Suriname te gaan, omdat ik mijn twee broers dan weer kan ontmoeten en ik dan vrij buiten kan spelen. Ik ben gewend om alleen buiten te spelen. Bijvoorbeeld in de regen. Als ik naar Suriname zou moeten gaan zou ik mijn vrienden missen. Ik zou het ook missen om niet naar een voetbalclub te kunnen gaan. Wat ik fijn vind aan oma is dat zij lekkere kouseband kan maken, maar niet zo lekker als die van mijn vader.





Overwegingen

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eisers aan de hand van de argumenten die zij hebben aangevoerd, de beroepsgronden. Ook beoordeelt de rechtbank het verzoek van eisers om een voorlopige voorziening.

3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eisers gegrond is en wijst het verzoek van hen om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Feiten



4. Eisers hebben op 10 mei 2024 een aanvraag ingediend voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 20 van het VWEU waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Eisers stellen dat sprake is van een zeer bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en een burger van de Unie, namelijk referente (de moeder van eiseres en de oma van [eiser] en [eiseres 2] ) als bedoeld in het arrest van het Hof van 8 mei 2018 in het arrest K.A.



Bestreden besluit



5. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat eiseres niet heeft aangetoond dat sprake is van een zodanig uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie tussen haar en referente dat zij op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. Alleen in uitzonderlijke situaties kan tussen twee meerderjarige personen, waarvan één een meerderjarige burger van de Unie betreft, een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU bestaan. Volgens verweerder is er in het geval van eiseres geen sprake van zeer bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in het arrest K.A.


5.1.
Omdat de aanvraag van eiseres is afgewezen, zijn de aanvragen van [eiser] en [eiseres 2] tevens afgewezen en kan voor hen geen verblijfsrecht ontstaan op grond van het arrest XU en QP van het Hof van 5 mei 2022.



5.2.
Verweerder heeft verder ambtshalve getoetst of de afwijzing van de aanvragen leidt tot een schending van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft echter geconcludeerd dat de uitzetting van eisers niet in strijd is met het recht op familieleven. Zo heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers er niet in zijn geslaagd om aan te tonen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referente, of dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referente en haar kleinkinderen. Ook heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de afwijzing van de aanvraag van eisers geen strijdigheid oplevert met het recht op respect van het privéleven, eveneens bedoeld in het kader van artikel 8 van het EVRM.



5.3.
Volgens verweerder blijkt uit de beoordeling van het bezwaarschrift van eisers direct dat het bezwaar ongegrond is. Over deze conclusie bestaat geen twijfel en dat betekent dat eisers bezwaar kennelijk ongegrond is. Daarom zijn eisers niet gehoord. Verweerder heeft zich gebaseerd op de artikelen 7:2 en 7:3 van de Awb.



Toetsingskader





Arrest K.A.




6. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan een afhankelijkheidsrelatie tussen een meerderjarige Unieburger en een meerderjarige derdelander op grond van het arrest K.A. grondslag zijn voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU. De lat voor het aannemen van afhankelijkheid ligt bij twee meerderjarigen hoog, omdat zij in principe in staat zijn om onafhankelijk van elkaar een leven te leiden. De bewijslast ligt bij de vreemdeling die aannemelijk moet maken dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat weigering van het verblijfsrecht ertoe zal leiden dat de Unieburger gedwongen zal zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Bij volwassenen is slechts in zeer uitzonderlijke gevallen voorstelbaar dat zich een afhankelijkheidsverhouding voordoet, namelijk in gevallen waarin de betrokkenen, gelet op alle omstandigheden, op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden.




6.1.
Deze afhankelijkheidsverhouding kan zich ook voordoen in de relatie tussen grootouders en kleinkinderen. Ook in die gevallen is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat tussen hem en de burger van de Unie een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat, dat een weigering van een verblijfsrecht ertoe zal leiden dat de Unieburger gedwongen zal zijn het grondgebied van de Unie te verlaten.



Bijkomende elementen van afhankelijkheid artikel 8 van het EVRM



7. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM volgt dat relaties tussen volwassen familieleden onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM kunnen vallen, als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Dit is een kwestie van feitelijke aard. Bij de beoordeling van de vraag of er tussen volwassen familieleden bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, moeten alle individuele omstandigheden van het geval worden betrokken. Zo kan van belang zijn de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden hebben samengewoond.



Hechte persoonlijke banden artikel 8 van het EVRM



8. Volgens jurisprudentie van het EHRM kan tussen een minderjarig kind en de grootouder familie- of gezinsleven, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, worden aangenomen als uit de feiten en omstandigheden volgt dat daadwerkelijk sprake is van hechte persoonlijke banden. Dit is een kwestie van feitelijke aard. Hierbij moeten alle relevante individuele aspecten worden betrokken. Omstandigheden die hierop kunnen duiden zijn bijvoorbeeld als betrokkenen een hechte band hebben door regelmatig contact, of als betrokkenen hebben samengewoond.



Standpunten en beoordeling door de rechtbank





Beslisvolgorde verblijfsrecht



9. Eisers stellen dat verweerder op grond van het arrest Subdelegación van het Hof een onjuiste beslisvolgorde heeft gehanteerd en verweerder zodoende eerst had moeten kijken of zij op grond van het nationaal recht in aanmerking komen voor een verblijfsrecht, voordat aan artikel 20 van het VWEU werd getoetst.
10. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het arrest Subdelegación geen steun voor de opvatting van eisers dat eerst in volle omvang moet worden getoetst aan nationaal verblijfsrecht alvorens artikel 20 van het VWEU kan worden betrokken. Wel volgt uit het arrest dat, indien geen verblijfsrecht op een andere grond kan worden toegekend, er moet worden beoordeeld of tussen de betrokken Unieburger en de derdelander een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat weigering van verblijf tot gevolg heeft dat de Unieburger feitelijk het grondgebied van de Unie zou moeten verlaten. Dat betekent echter niet dat een specifieke beslisvolgorde geldt zoals eisers die voorstaan.



10.1.
De beroepsgrond slaagt niet.



Vooringenomenheid en discriminatie primaire besluiten



11. Eisers stellen dat verweerder in zowel de aanvraag- als de bezwaarfase de relevante omstandigheden ten gunste van hen en referente had moeten meewegen. Volgens eisers is het buiten toepassing laten van artikel 4:5 van de Awb, namelijk het bieden van herstel verzuim tijdens de aanvraagfase, in strijd met onder meer het verbod van ingenomenheid zoals gesteld in artikel 2:4 van de Awb, en het discriminatieverbod zoals gesteld in artikel 18 van de VWEU en zijn de primaire besluiten onzorgvuldig tot stand is gekomen op grond van artikel 3:2 van de Awb.

12. De rechtbank overweegt dat niet de primaire besluiten, maar het bestreden besluit ter toetsing voorligt. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat eisers hun standpunt dat tijdens de besluitvorming sprake zou zijn geweest van vooringenomenheid en discriminatie, op geen enkele wijze nader hebben onderbouwd. Dat volgens eisers geen gelegenheid tot herstel verzuim is geboden tijdens de aanvraagfase, biedt daarvoor onvoldoende grond. Daarbij merkt de rechtbank op dat eisers in de bezwaarfase bij brief van 3 december 2024 wel in de gelegenheid zijn gesteld door verweerder om het bezwaar nader aan te vullen.



12.1.
De beroepsgrond slaagt niet.



Hoorplicht



13. Eisers stellen voorts dat verweerder hen ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar.

14. De rechtbank overweegt als volgt. Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.



14.1.
Eiseres heeft in bezwaar een verklaring van zichzelf en een verklaring van referente overgelegd, gedateerd van 7 november 2024. Eiseres heeft verklaard dat referente altijd een groot deel heeft uitgemaakt van het leven van eiseres, [eiser] en [eiseres 2] en dat referente voor haar kleinkinderen heeft geleefd. Referente heeft verklaard dat zij afhankelijk is van de relatie die zij heeft met haar dochter en haar kleinkinderen en dat dit ook haar sociale kring is. Op de zitting heeft eiseres verder verklaard dat referente rond 2014 naar Suriname is gegaan en daar altijd aanwezig is geweest bij de opvoeding van [eiser] en [eiseres 2] , en dat zij pas in 2021 terug is gegaan naar Nederland vanwege haar pensioen. Eiseres heeft verder op de zitting verklaard dat referente een hele grote rol heeft bij de opvoeding van de kinderen en dat referente, naast eiseres, de feitelijke opvoeder van de kinderen is.



14.2.
Gelet op de in bezwaar overgelegde verklaringen, aangevuld met hetgeen eiseres hierover ter zitting heeft verklaard, is de rechtbank van oordeel dat eisers voldoende inspanningen hebben verricht om de gevraagde informatie aan te leveren. Verweerder kan dan ook niet worden gevolgd in zijn standpunt dat uit de beoordeling van het bezwaarschrift reeds volgt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat een hoorzitting niet tot een andere uitkomst zou kunnen leiden. Uit de overgelegde verklaringen en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, volgt namelijk dat de band tussen referente en haar kleinkinderen mogelijk meer omvat dan verweerder bij zijn beoordeling heeft aangenomen. Daarbij is van belang dat referente, zoals uit de verklaringen naar voren komt, een zekere rol lijkt te vervullen bij de opvoeding van haar kleinkinderen. Dit geeft aanleiding om nader te onderzoeken welke betekenis deze rol heeft voor de band tussen referente en haar kleinkinderen. Daarbij had het op de weg van verweerder gelegen om eiseres en referente te horen en de kinderen de gelegenheid te bieden om hen te horen. Op die manier kan verweerder tevens de belangen van de kinderen nader in kaart brengen, met het oog op de beoordeling of tussen [eiser] en [eiseres 2] en referente sprake is van hechte persoonlijke banden die kunnen leiden tot het aannemen van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM of dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen hen, zoals bedoeld in het arrest K.A.



14.3.
Het bestreden besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid. Dat is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De beroepsgrond van eisers slaagt en de rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren.



De overige beroepsgronden




15. De rechtbank overweegt, wat betreft de overige beroepsgronden, dat deze voornamelijk zien op het in algemene zin verwijzen naar uitspraken, (internationale) wetsartikelen en het handboek van de Europese Commissie. De rechtbank kan hieruit niet afleiden waarom eisers van mening zijn dat het bestreden besluit onjuist is. Bovendien hebben eisers op geen enkele wijze toegelicht waarom de aangehaalde uitspraken en wetsartikelen op hun situatie van toepassing zijn. Verder merkt de rechtbank op dat deze overige beroepsgronden (grotendeels) uitsluitend een herhaling zijn van wat eisers al in bezwaar naar voren hebben gebracht. Daarop is verweerder in het bestreden besluit al gemotiveerd ingegaan. Eisers hebben niet aangegeven wat op deze punten niet juist is aan de motivering van het bestreden besluit. De rechtbank zal deze beroepsgronden daarom niet nader bespreken.





Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is, gezien hetgeen is overwogen onder 14-14.3, gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat verweerder een hoorzitting moet houden, geeft de rechtbank verweerder hiervoor twaalf weken.

17. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen noodzaak tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.

18. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor 1). Verweerder moet ook het betaalde griffierecht aan eisers vergoeden.



Beslissing


De rechtbank,



in de zaken geregistreerd onder nummer NL25.4503, NL25.4507 en NL25.4512:




verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit van 23 januari 2025;


draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvragen van eisers met inachtneming van deze uitspraak.


bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden.




De voorzieningenrechter,



in de zaken geregistreerd onder nummer NL25.4504, NL25.4509 en NL25.4513


- wijst het verzoek af.


De rechtbank en voorzieningenrechter, in alle zaken:


- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.802,-;


Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.



Bijlage: Brief aan [eiser] en [eiseres 2]



Beste [eiser] en [eiseres 2] ,



Op 2 juli hebben wij met elkaar gepraat bij de rechtbank. Supergoed van jullie dat jullie waren gekomen en mij hebben verteld wat jullie vinden.




[eiseres 2] , jij hebt me verteld dat je het niet leuk zou vinden om naar Suriname te gaan, want dan ga jij je vrienden missen. Jij hebt drie goede vrienden in Nederland. Je haat Suriname. Je vindt het daar niet leuk. Je vindt het leuk om bij oma te wonen en als dat niet meer mag of kan, dan ga jij haar lekkere macaroni missen. Toen je nog in Suriname woonde, belde je met oma, maar je weet niet meer hoe vaak je dat deed.




[eiser] , jij hebt me verteld dat als je naar Suriname zou moeten dat je dat niet en ook wel leuk vindt. Je vindt het niet leuk omdat je het fijn vindt om in Nederland te zijn, je hebt hier heel veel nieuwe vrienden gemaakt en ook leuke dingen meegemaakt, zoals naar een pretpark gaan. Dat heb je in Suriname nog nooit gedaan. Je zou het ook wel leuk vinden om naar Suriname te gaan, omdat je jouw twee broers dan weer kan ontmoeten en je dan vrij buiten kunt spelen. Je bent gewend om alleen buiten te spelen, bijv. in de regen. Als je naar Suriname zou moeten gaan zou je jouw vrienden missen. Je zou het ook missen om hier niet naar een voetbalclub te kunnen gaan. Wat jij fijn vindt aan oma is dat zij lekkere kouseband kan maken, maar niet zo lekker als die van je vader.



Aan het eind van ons gesprek hebben we samen afgesproken dat ik dit mocht vertellen op de rechtszitting. Ook hebben we toen samen afgesproken dat ik jullie zou laten weten wat mijn beslissing zou zijn. Daarom schrijf ik jullie nu deze brief.



Mijn beslissing is dat ik vind dat de minister zijn werk niet goed genoeg heeft gedaan. Ik vind dat de minister niet goed heeft nagedacht over wat het voor jullie en jullie moeder betekent als jullie zonder jullie oma naar Suriname moeten terugkeren. De minister had jullie moeder en oma moeten uitnodigen om daar hun verhaal over te vertellen. En als jullie dat willen moet de minister ook jullie voor een gesprek uitnodigen.



De minister moet dat van mij alsnog gaan doen. Daarna moet de minister opnieuw een beslissing nemen op jullie aanvraag om in Nederland bij jullie oma te blijven wonen.



Ik wil jullie ook vertellen dat het kan zijn dat de minister het niet eens is met mijn beslissing. Hij kan dan ‘in hoger beroep’ gaan. Dat betekent dat hij dan aan hogere rechters vraagt of mijn beslissing juist is. Als de minister niet ‘in hoger beroep’ gaat dan is mijn beslissing definitief en moet de minister dus een nieuw besluit nemen. Dat kan trouwens nog best wel een paar maanden duren.



Ik hoop dat het voor jullie zo duidelijk is wat ik heb beslist, en waarom ik die beslissing heb genomen. Verder hoop ik dat het goed met jullie zal gaan.



Hartelijke groet,



Rein Odink, de rechter



Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.


In deze uitspraak worden voor de leesbaarheid eiser en eiseres 2, afhankelijk van de context, genoemd bij hun voornamen of aangeduid als ‘de kinderen’ van eiseres of als ‘de kleinkinderen’ van referente.


Europese Unie/Europese Economische Ruimte.


Zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).


Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.


Hof van Justitie van de Europese Unie.


ECLI:EU:C:2018:308.


ECLI:EU:C:2022:354.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Algemene wet bestuursrecht.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2024:2541, rechtsoverweging 2.1.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:788, rechtsoverweging 4.2.


Europees Hof voor de Rechten van de Mens.


Zie onder meer het arrest Azerkane tegen Nederland van het EHRM van 2 september 2022, ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD000313816.


Zie het arrest Kruškić tegen Kroatië van het EHRM van 25 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013, paragraaf 108.


Arrest van 1 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.


Zie punt 41 en 42 van het arrest Subdelegación.


Vergelijk de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CBB:2022:694, rechtsoverweging 6.2.2, waaruit volgt dat het bestreden besluit de buitengrens van het geding vormt.


Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.