Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26110

2026-08-20 Civiel recht; Arbeidsrecht 12266499 \ EJ VERZ 26-72103
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-20
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12266499 \ EJ VERZ 26-72103
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1466; AR-Updates.nl 2026-1466

Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen. Niet ernstig verwijtbaar. Toekenning transitievergoeding en wettelijke verhoging/wettelijke rente over achterstallig loon.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.220 tekens)
RECHTBANK
DEN HAAG



JL (C)
Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Leiden



Zaaknummer / rekestnummer: 12266499 \ EJ VERZ 26-72103




Beschikking van 20 augustus 2026




in de zaak van




de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid STRANDRESTAURANT NEDERZANDT B.V.,
te Noordwijk,
verzoekende partij,
verwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: Nederzandt,
gemachtigde: mr. R.G. Verheij,



tegen





[partij B]
,
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: mr. M.A.M. van der Putten.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met producties, ingekomen op 10 juni 2026;
- het verweerschrift, met een voorwaardelijk tegenverzoek, ingekomen op 2 juli 2026;
- de aanvullende producties van Nederzandt;
- het aangepaste verweerschrift, met een (voorwaardelijk) tegenverzoek, ingekomen op 10 juli 2026;
- de mondelinge behandeling van 16 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitaantekeningen van mr. Verheij;
- de pleitaantekeningen van mr. Van der Putten.





2De feiten


2.1.

[partij B] , geboren [geboortedatum] 1974, is sinds 5 februari 2026 in dienst bij Nederzandt op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op 30 november 2026 afloopt. De functie van [partij B] is [functienaam] met een loon van € 4.600,00 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag.



2.2.

In de arbeidsovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:

“2.1 Deze arbeidsovereenkomst kan door ieder van beide partijen tussentijds schriftelijk worden opgezegd tegen het einde van de kalendermaand met inachtneming van de wettelijke regels en de wettelijke opzegtermijn.


(…)




3.6


Het loon wordt betaald op de 25e van de maand (…)


(…)




7.2

Binnen de onderneming van de werkgever zijn wel huisregels van toepassing. De inhoud hiervan is de werknemer bekend. Werknemer verklaart door ondertekening van deze overeenkomst een kopie van de huisregels te hebben ontvangen en verklaart de bepalingen uit de huisregels na te komen. Werknemer is er mee bekend en stemt er mee in dat de huisregels eenzijdig door de werkgever kunnen worden gewijzigd.”




2.3.
Op 25 maart 2026 is [partij B] op staande voet ontslagen. Nederzandt heeft het ontslag op staande voet vervolgens ingetrokken.



2.4.
Op 1 mei 2026 heeft [partij B] zich ziekgemeld.



2.5.

Op 4 juni 2026 is [partij B] op het spreekuur van de bedrijfsarts geweest. Naar aanleiding hiervan heeft de bedrijfsarts onder meer het volgende geschreven:

“
Bevindingen/beperkingen/mogelijkheden


Betrokkene is uitgevallen voor zijn werk ten gevolge van een incident met de werkgever, waarbij hij werd aangezegd op staande voet te zijn ontslagen. Per 1 mei werd betrokkene werk aangeboden wat niet tot zijn takenpakket behoorde; betrokkene heeft het werk uitgevoerd en halverwege de dag wilde gaan lunchen. Vanwege zijn beperkingen moet hij op tijd eten; dat mocht van de werkgever niet; lunchpauze is om 16.00 uur merkt de werkgever op.





Advies


Thans ten tijde van het spreekuur is er sprake van beperkingen, welk zijn voortgevloeid door ziekte; betreft energetische beperkingen alsmede beperkingen op het vlak van persoonlijk en sociaal functioneren.


Er is aldus sprake van medisch verzuim; de werk gerelateerde zaken houden het verzuim in stand.


Het uitblijven van loondoorbetaling bij ziekte staat de re-integratie in de weg.”







3Het verzoek, het verweer en het (voorwaardelijk) tegenverzoek


3.1.
Nederzandt verzoekt - samengevat - de arbeidsovereenkomst met [partij B] te ontbinden, primair vanwege (ernstig) verwijtbaar handelen en/of het bestaan van een verstoorde arbeidsverhouding, subsidiair vanwege een combinatie van de genoemde omstandigheden, met veroordeling van [partij B] in de proceskosten.



3.2.

[partij B] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [partij B] in het (voorwaardelijk) tegenverzoek - samengevat - om toekenning van een billijke vergoeding, een transitievergoeding en de wettelijke verhoging en wettelijke rente vanaf 25 juni 2026 over het loon voor de maand juni 2026, alsmede over het loon na juni 2026 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd.



3.3.
De voor de beoordeling relevante stellingen van partijen worden hierna besproken.





4De beoordeling



in het verzoek





Ontbinding arbeidsovereenkomst (verwijtbaar handelen)




4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.



4.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Verder moet de kantonrechter nagaan of het verzoek verband houdt met een opzegverbod.



4.3.

De kantonrechter stelt vast dat [partij B] sinds 1 mei 2026 ziek is en dat het verzoek tot ontbinding is ingediend na de ziekmelding. Dat betekent dat het opzegverbod tijdens ziekte van toepassing is en de arbeidsovereenkomst in beginsel niet kan worden ontbonden.
De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst toch ontbinden als er geen verband bestaat tussen het ontbindingsverzoek en de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. Alleen als de omstandigheden van de verzochte ontbinding los kunnen worden gezien van de arbeidsongeschiktheid, is voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat er geen verband is.




4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat er in dit geval geen verband bestaat tussen het ontbindingsverzoek en de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft, omdat de omstandigheden die Nederzandt aan het ontbindingsverzoek ten grondslag heeft gelegd ook een redelijke grond voor ontbinding vormen als de arbeidsongeschiktheid van [partij B] wordt weggedacht. De kantonrechter licht dat als volgt toe.



4.5.
Nederzandt heeft haar ontbindingsverzoek gegrond op artikel 7:669 lid 3 sub e BW, te weten (ernstig) verwijtbaar handelen. Nederzandt verwijt [partij B] dat hij op 22 maart 2026 alcohol heeft gedronken tijdens werktijd. Nederzandt stelt dat [partij B] die dag een shift had van 11.31 uur tot 22.01 uur en op de camerabeelden is te zien dat hij rond 16.10 uur een blik bier drinkt. Het drinken van alcohol tijdens werktijd is volgens Nederzandt niet toegestaan. Dat blijkt ook uit de huisregels die [partij B] bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst heeft ontvangen, waarvoor hij heeft getekend. [partij B] betwist niet dat hij alcohol heeft gedronken, maar wel dat dit tijdens werktijd was. Volgens [partij B] was zijn shift om 16.00 uur afgelopen en was het binnen het bedrijf toegestaan om na werktijd alcohol te drinken. Daarnaast betwist [partij B] dat het niet was toegestaan om tijdens werktijd alcohol te drinken. Volgens hem werd dit binnen het bedrijf gedoogd. Ook betwist [partij B] dat hij de huisregels heeft ontvangen en gezien.



4.6.
De kantonrechter is van oordeel dat [partij B] niet gemotiveerd heeft weersproken dat hij alcohol heeft gedronken tijdens werktijd. [partij B] heeft namelijk geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij om 16.00 uur al klaar was met zijn shift. Nederzandt heeft daarentegen een uitdraai uit het kloksysteem overgelegd, waaruit blijkt dat [partij B] op 22 maart 2026 om 22.01 uur heeft uitgeklokt. Het had op de weg van [partij B] gelegen om daar iets tegen in te brengen en dat heeft hij niet gedaan. Dat betekent dat vast staat dat [partij B] tijdens werktijd alcohol heeft gedronken. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter verwijtbaar, omdat het evident is dat het drinken van alcohol tijdens werktijd in de functie van [functienaam] niet is toegestaan. [partij B] is als [functienaam] verantwoordelijk voor de veiligheid van onder meer het voedsel en zijn collega’s in de keuken. Het drinken van alcohol past daar niet bij. Het is een feit van algemene bekendheid dat alcohol invloed heeft op het bewustzijn en dat is in de functie van [partij B] niet acceptabel. Aan het betoog van [partij B] dat het drinken van alcohol tijdens werktijd binnen het bedrijf werd gedoogd, gaat de kantonrechter ook voorbij vanwege het ontbreken van stukken op dit punt. Daar komt bij dat het volgens de huisregels van Nederzandt ook niet is toegestaan om alcohol te drinken tijdens werktijd. [partij B] betwist weliswaar dat hij deze heeft ontvangen, maar hij heeft hiervoor wel getekend. Op de zitting heeft [partij B] erkend dat het zijn handtekening is. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat [partij B] de stukken heeft ontvangen. Dat hij de stukken niet heeft gelezen, komt voor zijn eigen rekening en risico.



4.7.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van zodanig verwijtbaar handelen van [partij B] , dat van Nederzandt niet kan worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. Het verwijtbaar handelen van [partij B] (het drinken van alcohol tijdens werktijd terwijl dit niet was toegestaan) heeft plaatsgevonden voordat hij ziek werd. Niet is gebleken dat dit handelen van [partij B] verband houdt met de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. Dat volgt naar het oordeel van de kantonrechter ook uit het bericht van de bedrijfsarts, waarin staat dat [partij B] ziek is geworden als gevolg van het incident met Nederzandt. Ook als de arbeidsongeschiktheid van Nederzandt wordt weggedacht, is dus sprake van een voldragen e-grond.



4.8.
Herplaatsing van [partij B] binnen een redelijke termijn ligt niet in de rede, omdat de arbeidsovereenkomst op de e-grond wordt ontbonden.



4.9.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. De kantonrechter volgt Nederzandt niet in haar stelling dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [partij B] en dat daarom geen rekening moet worden gehouden met een opzegtermijn. Deze uitzondering heeft een beperkte reikwijdte en moet terughoudend worden toegepast. Uitsluitend in uitzonderlijke gevallen kan hiervan sprake zijn, waarin evident is dat het handelen of nalaten van de werknemer niet slechts als verwijtbaar, maar als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Niet duidelijk is welke gevolgen Nederzandt in het algemeen verbindt aan het nuttigen van alcohol tijdens werktijd, zodat [partij B] niet heeft kunnen voorzien dat Nederzandt zijn handelwijze als zijnde ernstig verwijtbaar zou aanrekenen. Nederzandt heeft ook geen bijkomende omstandigheden aangevoerd die maken dat het gedrag van [partij B] ernstig verwijtbaar is. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal daarom worden bepaald op 1 oktober 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure, met dien verstande dat er een termijn van ten minste één maand resteert. In artikel 2.1 van de arbeidsovereenkomst is namelijk een tussentijds opzegbeding overeengekomen waarin is bepaald dat moeten worden opgezegd volgens de wettelijke regels.



4.10.
Nederzandt hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden, zoals hierna in het (voorwaardelijk) tegenverzoek wordt overwogen.



Proceskosten





4.11.
De proceskosten komen voor rekening van [partij B] , omdat [partij B] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van [partij B] . De proceskosten aan de zijde van Nederzandt worden begroot op € 1.148,00 (€ 139,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.



in het (voorwaardelijk) tegenverzoek





4.12.
Omdat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, komt de kantonrechter toe aan de beoordeling in het voorwaardelijk tegenverzoek.



Billijke vergoeding





4.13.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [partij B] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat is hier niet het geval.



Transitievergoeding





4.14.
Het verzoek om Nederzandt te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding kan worden toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Nederzandt. Bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2026 bedraagt de transitievergoeding, uitgaande van een bruto maandloon van € 4.968,00 inclusief 8% vakantietoeslag en een dienstverband van 7 maanden en 25 dagen, € 1.079,42. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 2 november 2026.



4.15.
Omdat de arbeidsovereenkomst niet wordt ontbonden op grond van de cumulatiegrond, komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijke verzoek om naast de transitievergoeding een extra vergoeding toe te kennen.



Wettelijke verhoging/rente over loon





4.16.

[partij B] maakt aanspraak op de wettelijke verhoging over het loon voor de maand juni 2026. De wettelijke verhoging is pas verschuldigd als het loon te laat is betaald en dit aan de werkgever is toe te rekenen. Partijen zijn het erover eens dat Nederzandt het loon voor de maand juni 2026 te laat heeft betaald, namelijk op 15 juli 2026. Partijen verschillen van mening over de dag die als startpunt moet worden genomen voor de berekening van de wettelijke verhoging. [partij B] stelt dat Nederzandt op grond van artikel 3.6 van de arbeidsovereenkomst het loon iedere 25e van de maand moet betalen, zodat 25 juni 2026 als startpunt moet worden genomen. Volgens Nederzandt moet worden aangesloten bij de in artikelen 7:623 en 7:624 lid 1 BW genoemde betalingsdag, omdat artikel 7:625 lid 1 BW hiernaar verwijst.



4.17.
De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval 25 juni 2026 geldt als startpunt voor de berekening van de wettelijke verhoging. Artikel 7:625 lid 1 BW verwijst weliswaar naar de artikelen 7:623 en 7:624 lid 1 BW, maar partijen kunnen daarvan afwijken. Partijen zijn in de arbeidsovereenkomst ook een andere betalingsdag overeengekomen, namelijk de 25e van de maand. In dat geval geldt die dag als startpunt voor de berekening van de van de wettelijke verhoging, ook als dit niet een door de artikelen 7:623 of 7:624 lid 1 BW aangewezen betalingsdag is. [partij B] hoeft dus niet te wachten tot dat de in die artikelen bedoelde kalenderperiode is verstreken, voordat de termijn van de wettelijke verhoging kan gaan lopen.



4.18.
De wettelijke verhoging van 31% wordt toegewezen over het loon voor de maand juni 2026 van € 4.370,00 (95% in verband met ziekte). Dat komt neer op een bedrag van (31% x € 4.370,00 =) € 1.354,70. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen, omdat Nederzandt het loon ten onrechte te laat heeft betaald. De wettelijke rente over het loon wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld.



4.19.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het (toekomstige) loon voor de maanden na juni 2026 toe te wijzen, omdat op dit moment nog niet bekend is of Nederzandt het loon (op tijd) zal betalen.



Proceskosten





4.20.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen in het tegenverzoek ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat beide partijen op punten ongelijk krijgen.






5De beslissing


De kantonrechter




in het verzoek




5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2026,



5.2.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 1.148,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,



in het (voorwaardelijk) tegenverzoek





5.3.
veroordeelt Nederzandt om aan [partij B] een transitievergoeding te betalen van € 1.079,42 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,



5.4.
veroordeelt Nederzandt tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 4.370,00 (het te laat betaalde loon voor juni 2026), vanaf de dag van opeisbaarheid tot 15 juli 2026,



5.5.
veroordeelt Nederzandt tot betaling van € 1.354,70 bruto aan wettelijke verhoging over het te laat betaalde loon voor juni 2026,



5.6.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,



in het verzoek en in het (voorwaardelijk) tegenverzoek





5.7.
verklaart de veroordelingen achter 5.2., 5.3., 5.4. en 5.5. uitvoerbaar bij voorraad,



5.8.
wijs het meer of anders verzochte af.









Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Nomen en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026.










Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).


Artikel 7:669 lid 1 BW.


Artikel 7:671b lid 2 BW jo. 7:670 BW.


Artikel 7:671b lid 2 BW.


Artikel 7:671b lid 6, onder a, BW.


Artikel 7:669 lid 1 BW.


Artikel 7:671b lid 9, onder b, BW.


Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.


Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.


Artikel 7:625 lid 1 BW.


Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.