Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26105
2026-09-09
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.51341 en NL22.25344
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke medische behandeling in Nigeria voor hem feitelijk niet toegankelijk is. Beroep ongegrond. Vovo verzoek niet-ontvankelijk.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2023:2046 Raad van State 26-05-2023
- ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.506 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.51341 (beroep) en NL22.25344 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1989, van Nigeriaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser),
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. V.J.C.M. Tielemans).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om eiser geen uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank en de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het besluit van de minister. Verder beoordeelt zij het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met een besluit van 24 mei 2022 heeft de minister de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.1.
Met een besluit van 9 december 2022 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft op dezelfde datum tegen dit besluit beroep ingesteld en de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt om gedurende de beroepsprocedure verwijdering uit Nederland te voorkomen en continuering van de verstrekkingen die eiser ontvangt te waarborgen.
2.2.
Op 30 januari 2024 heeft de minister het besluit van 9 december 2022 ingetrokken. Hierop heeft eiser het beroep van 9 december 2022 ingetrokken.
2.3.
Met het bestreden besluit van 17 december 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard.
2.4.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
2.5.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, zijn begeleider van VluchtelingenWerk [persoon] , I.D.O. Onwuegbuchu als tolk in de taal Pidgin Engels en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Griffierecht
3. Eiser heeft in beide zaken verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen.
Achtergrond
4. Eiser is sinds 2018 in Nederland. Zijn asielaanvragen zijn afgewezen. Vervolgens heeft de minister ambtshalve beoordeeld of aan eiser uitstel van vertrek moet worden verleend op grond van artikel 64 van de Vw. Eiser lijdt aan een hoge bloeddruk, epilepsie en psychische klachten. In mei 2024 heeft hij een hersenbloeding gehad. Aanvankelijk was daarna sprake van een spraakstoornis en een gedeeltelijke verlamming van de rechterarm en het rechterbeen. Tijdens zijn opname is dit niet volledig verbeterd, waardoor eiser nog een instabiel looppatroon heeft.
Het bestreden besluit
5. De minister heeft aan eiser geen uitstel van vertrek verleend. De minister heeft dit besluit gebaseerd op een BMA-advies van 5 juni 2024. Uit dit advies blijkt dat er bij eiser sprake is van meerdere gezondheidsproblemen die bij het uitblijven van medische behandeling leiden tot een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden. Eiser kan reizen onder begeleiding van een psychiatrisch verpleegkundige. Een fysieke overdracht direct na de reis is noodzakelijk. De noodzakelijke medische behandeling en ondersteuning door thuiszorg zijn in Nigeria aanwezig. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke medische behandeling in Nigeria voor hem niet feitelijk toegankelijk is.
Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat de noodzakelijke medische behandeling in Nigeria voor hem feitelijk niet toegankelijk is?
6. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke medische behandeling in Nigeria voor hem feitelijk niet toegankelijk is.
6.1.
Eiser overlegt in beroep informatie van 7 februari 2025 van [psychiater] , psychiater in het [instantie] in Lagos, Nigeria. Eiser stelt dat uit de informatie volgt dat de medische zorg die hij nodig heeft in Nigeria onbetaalbaar is. De vereiste medicatie kost volgens de psychiater 1.140.000 Nigeriaanse Naira per zes weken.
6.2.
Ook stelt eiser dat specialistische zorg slechts toegankelijk is voor de zeer rijken in Nigeria. Er is bovendien geen compensatie mogelijk vanuit de Nigeriaanse overheid. Een nationale zorgverzekering bestaat niet in Nigeria.
6.3.
Tot slot overlegt eiser in beroep een brief van Patriotic Citizen Initiatives (PCI) van 6 mei 2025 die vermeldt:
‘Patriotic Citizen Initiatives (PCT) is a registered organization in Nigeria committed to supporting vulnerable individuals, including returnees and victims of trafficking, by providing advocacy and reintegration support.
Based on our experience and continuous fieldwork across Nigeria, we can confirm that the average monthly wage for low-skilled jobs such as security guard, domestic worker, or shop assistant ranges between 30,000 Naira and 60,000 Naira (approximately €20 to €40). For individuals with medical limitations or chronic health conditions, opportunities are drastically reduced, and income may fall below this range or be entirely absent.
In the case of (…) [eiser], whose previous occupation as a truck driver is no longer viable due to his health condition, the likelihood of securing any meaningful employment in Nigeria is extremely low. Additionally, the cost of regular medical care, diagnostics, and medication in Nigeria typically exceeds N50,000 to N100,000 monthly (around €35 to €70), depending on the condition, an amount clearly unaffordable to someone in (…) [eiser]s situation.
Therefore, it is our professional assessment that (…) [eiser] would not be able to afford necessary medical treatment if returned to Nigeria.’
6.4.
Eiser stelt dat gelet op het gemiddelde inkomensniveau in Nigeria dat PCI noemt, de benodigde medische voorzieningen en medicatie voor hem onbetaalbaar zijn. Bovendien is eiser door zijn medische klachten niet in staat om te werken en inkomsten te verwerven.
7. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke medische behandeling in Nigeria voor hem feitelijk niet toegankelijk is. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
7.1.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 26 mei 2023, volgt uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het Hof) dat het aan een vreemdeling zelf is om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheid een reëel risico in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) loopt en dat, indien deze beschikbaar is, de medische zorg in zijn geval niet feitelijk toegankelijk is. Dit hoeft volgens het Hof geen ‘clear proof’ te zijn. Dit betekent onder meer dat eiser aannemelijk moet maken wat de kosten van de behandeling in Nigeria zijn en, indien hij stelt dat deze behandeling om financiële of andere redenen feitelijk niet toegankelijk is, hij ook dat met concrete gegevens aannemelijk moet maken.
7.2.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiser onvoldoende concrete gegevens heeft overgelegd om aannemelijk te maken dat de noodzakelijke medische behandeling voor hem in Nigeria feitelijk niet toegankelijk is. Hoewel eiser met de informatie van de psychiater enig inzicht heeft gegeven in de kosten van de medicijnen die hij nodig heeft, heeft eiser niet onderbouwd dat hij deze kosten niet kan dragen.
7.3.
De stelling van eiser dat hij door zijn medische klachten niet in staat is om te werken en inkomsten te verwerven, heeft hij niet toegelicht. De rechtbank gaat hier dan ook niet van uit. Daarbij volgt de rechtbank het standpunt van de minister dat de informatie van PCI over het gemiddelde inkomensniveau in Nigeria onvoldoende is toegespitst op de specifieke situatie van eiser.
7.4.
Verder heeft eiser geen enkel inzicht gegeven in zijn financiële situatie. De stellingen van eiser, die hij voor het eerst op zitting heeft ingenomen, dat hij € 75,- leefgeld per maand krijgt en dat hij geen vermogen heeft, zijn niet nader onderbouwd. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat de kosten van de medicijnen en behandeling niet kunnen worden gedragen door familie, vrienden of een verzekeraar. De rechtbank ziet niet dat eiser een poging heeft gedaan om een verzekering te krijgen of hulp van familie en vrienden. De enkele stellingen dat eiser met niemand in Nigeria contact heeft, dat hij zijn jongste zus niet kan opsporen en dat in Nigeria geen nationale zorgverzekering bestaat, zijn hiervoor onvoldoende.
7.5.
De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister eiser moeten horen in bezwaar?
8. Tot slot voert eiser aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord alvorens een besluit op het bezwaar te nemen. Als de minister eiser had gehoord, dan had de minister zelf kunnen constateren dat eiser een zeer kwetsbare man is die onmogelijk kan worden uitgezet naar Nigeria.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden. De minister heeft eiser in de gelegenheid gesteld om gehoord te worden. In het verweerschrift heeft de minister gesteld dat eiser op 24 september 2024 via zijn gemachtigde aan de minister heeft laten weten dat eiser geen gebruik wilde maken van zijn recht om gehoord te worden. Eiser heeft dit niet betwist.
9.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Voorlopige voorziening
10. Het verzoek om een voorlopige voorziening dat eiser op 9 december 2022 heeft ingediend is niet-ontvankelijk. Het verzoek is immers ingediend hangende het beroep van 9 december 2022, dat eiser heeft ingetrokken. Er wordt dus niet voldaan aan het vereiste van formele connexiteit.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
12. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL24.51341:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL22.25344:
- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Bureau Medische Advisering.
ECLI:NL:RVS:2023:2046.
Arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, onder 186.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.51341 (beroep) en NL22.25344 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1989, van Nigeriaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser),
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. V.J.C.M. Tielemans).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om eiser geen uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank en de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het besluit van de minister. Verder beoordeelt zij het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met een besluit van 24 mei 2022 heeft de minister de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.1.
Met een besluit van 9 december 2022 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft op dezelfde datum tegen dit besluit beroep ingesteld en de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt om gedurende de beroepsprocedure verwijdering uit Nederland te voorkomen en continuering van de verstrekkingen die eiser ontvangt te waarborgen.
2.2.
Op 30 januari 2024 heeft de minister het besluit van 9 december 2022 ingetrokken. Hierop heeft eiser het beroep van 9 december 2022 ingetrokken.
2.3.
Met het bestreden besluit van 17 december 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard.
2.4.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
2.5.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, zijn begeleider van VluchtelingenWerk [persoon] , I.D.O. Onwuegbuchu als tolk in de taal Pidgin Engels en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Griffierecht
3. Eiser heeft in beide zaken verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen.
Achtergrond
4. Eiser is sinds 2018 in Nederland. Zijn asielaanvragen zijn afgewezen. Vervolgens heeft de minister ambtshalve beoordeeld of aan eiser uitstel van vertrek moet worden verleend op grond van artikel 64 van de Vw. Eiser lijdt aan een hoge bloeddruk, epilepsie en psychische klachten. In mei 2024 heeft hij een hersenbloeding gehad. Aanvankelijk was daarna sprake van een spraakstoornis en een gedeeltelijke verlamming van de rechterarm en het rechterbeen. Tijdens zijn opname is dit niet volledig verbeterd, waardoor eiser nog een instabiel looppatroon heeft.
Het bestreden besluit
5. De minister heeft aan eiser geen uitstel van vertrek verleend. De minister heeft dit besluit gebaseerd op een BMA-advies van 5 juni 2024. Uit dit advies blijkt dat er bij eiser sprake is van meerdere gezondheidsproblemen die bij het uitblijven van medische behandeling leiden tot een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden. Eiser kan reizen onder begeleiding van een psychiatrisch verpleegkundige. Een fysieke overdracht direct na de reis is noodzakelijk. De noodzakelijke medische behandeling en ondersteuning door thuiszorg zijn in Nigeria aanwezig. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke medische behandeling in Nigeria voor hem niet feitelijk toegankelijk is.
Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat de noodzakelijke medische behandeling in Nigeria voor hem feitelijk niet toegankelijk is?
6. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke medische behandeling in Nigeria voor hem feitelijk niet toegankelijk is.
6.1.
Eiser overlegt in beroep informatie van 7 februari 2025 van [psychiater] , psychiater in het [instantie] in Lagos, Nigeria. Eiser stelt dat uit de informatie volgt dat de medische zorg die hij nodig heeft in Nigeria onbetaalbaar is. De vereiste medicatie kost volgens de psychiater 1.140.000 Nigeriaanse Naira per zes weken.
6.2.
Ook stelt eiser dat specialistische zorg slechts toegankelijk is voor de zeer rijken in Nigeria. Er is bovendien geen compensatie mogelijk vanuit de Nigeriaanse overheid. Een nationale zorgverzekering bestaat niet in Nigeria.
6.3.
Tot slot overlegt eiser in beroep een brief van Patriotic Citizen Initiatives (PCI) van 6 mei 2025 die vermeldt:
‘Patriotic Citizen Initiatives (PCT) is a registered organization in Nigeria committed to supporting vulnerable individuals, including returnees and victims of trafficking, by providing advocacy and reintegration support.
Based on our experience and continuous fieldwork across Nigeria, we can confirm that the average monthly wage for low-skilled jobs such as security guard, domestic worker, or shop assistant ranges between 30,000 Naira and 60,000 Naira (approximately €20 to €40). For individuals with medical limitations or chronic health conditions, opportunities are drastically reduced, and income may fall below this range or be entirely absent.
In the case of (…) [eiser], whose previous occupation as a truck driver is no longer viable due to his health condition, the likelihood of securing any meaningful employment in Nigeria is extremely low. Additionally, the cost of regular medical care, diagnostics, and medication in Nigeria typically exceeds N50,000 to N100,000 monthly (around €35 to €70), depending on the condition, an amount clearly unaffordable to someone in (…) [eiser]s situation.
Therefore, it is our professional assessment that (…) [eiser] would not be able to afford necessary medical treatment if returned to Nigeria.’
6.4.
Eiser stelt dat gelet op het gemiddelde inkomensniveau in Nigeria dat PCI noemt, de benodigde medische voorzieningen en medicatie voor hem onbetaalbaar zijn. Bovendien is eiser door zijn medische klachten niet in staat om te werken en inkomsten te verwerven.
7. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke medische behandeling in Nigeria voor hem feitelijk niet toegankelijk is. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
7.1.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 26 mei 2023, volgt uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het Hof) dat het aan een vreemdeling zelf is om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheid een reëel risico in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) loopt en dat, indien deze beschikbaar is, de medische zorg in zijn geval niet feitelijk toegankelijk is. Dit hoeft volgens het Hof geen ‘clear proof’ te zijn. Dit betekent onder meer dat eiser aannemelijk moet maken wat de kosten van de behandeling in Nigeria zijn en, indien hij stelt dat deze behandeling om financiële of andere redenen feitelijk niet toegankelijk is, hij ook dat met concrete gegevens aannemelijk moet maken.
7.2.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiser onvoldoende concrete gegevens heeft overgelegd om aannemelijk te maken dat de noodzakelijke medische behandeling voor hem in Nigeria feitelijk niet toegankelijk is. Hoewel eiser met de informatie van de psychiater enig inzicht heeft gegeven in de kosten van de medicijnen die hij nodig heeft, heeft eiser niet onderbouwd dat hij deze kosten niet kan dragen.
7.3.
De stelling van eiser dat hij door zijn medische klachten niet in staat is om te werken en inkomsten te verwerven, heeft hij niet toegelicht. De rechtbank gaat hier dan ook niet van uit. Daarbij volgt de rechtbank het standpunt van de minister dat de informatie van PCI over het gemiddelde inkomensniveau in Nigeria onvoldoende is toegespitst op de specifieke situatie van eiser.
7.4.
Verder heeft eiser geen enkel inzicht gegeven in zijn financiële situatie. De stellingen van eiser, die hij voor het eerst op zitting heeft ingenomen, dat hij € 75,- leefgeld per maand krijgt en dat hij geen vermogen heeft, zijn niet nader onderbouwd. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat de kosten van de medicijnen en behandeling niet kunnen worden gedragen door familie, vrienden of een verzekeraar. De rechtbank ziet niet dat eiser een poging heeft gedaan om een verzekering te krijgen of hulp van familie en vrienden. De enkele stellingen dat eiser met niemand in Nigeria contact heeft, dat hij zijn jongste zus niet kan opsporen en dat in Nigeria geen nationale zorgverzekering bestaat, zijn hiervoor onvoldoende.
7.5.
De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister eiser moeten horen in bezwaar?
8. Tot slot voert eiser aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord alvorens een besluit op het bezwaar te nemen. Als de minister eiser had gehoord, dan had de minister zelf kunnen constateren dat eiser een zeer kwetsbare man is die onmogelijk kan worden uitgezet naar Nigeria.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden. De minister heeft eiser in de gelegenheid gesteld om gehoord te worden. In het verweerschrift heeft de minister gesteld dat eiser op 24 september 2024 via zijn gemachtigde aan de minister heeft laten weten dat eiser geen gebruik wilde maken van zijn recht om gehoord te worden. Eiser heeft dit niet betwist.
9.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Voorlopige voorziening
10. Het verzoek om een voorlopige voorziening dat eiser op 9 december 2022 heeft ingediend is niet-ontvankelijk. Het verzoek is immers ingediend hangende het beroep van 9 december 2022, dat eiser heeft ingetrokken. Er wordt dus niet voldaan aan het vereiste van formele connexiteit.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
12. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL24.51341:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL22.25344:
- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Bureau Medische Advisering.
ECLI:NL:RVS:2023:2046.
Arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, onder 186.