Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26099

2026-05-13 Civiel recht C/09/675166
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-05-13
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/675166
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Financieel recht. Eisers verwijten gedaagden door hen gepleegde dan wel gefaciliteerde fraude bij het aangaan van (daardoor onverantwoorde) financiële transacties. Gedaagde 4 heeft verweer gevoerd, maar is tijdens de mondelinge behandeling niet verschenen. De fraude kan aan hem worden toegeschreven, zodat de rechtbank de vorderingen van eisers jegens hem zal toewijzen. De rechtbank zal de vorderingen van de Kredietnemers jegens gedaagden 1 t/m 3 ook toewijzen omdat zij van oordeel is dat de gedaagde vennootschap haar zorgplicht jegens de Kredietnemers heeft geschonden, waarvoor de eveneens gedaagde vennoten aansprakelijk zijn. De vordering van eiseressen 1 en 2 jegens gedaagden 1 t/m 3 zal de rechtbank afwijzen omdat zij jegens eiseressen 1 en 2 niet onrechtmatig heeft gehandeld.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (72.042 tekens)
RECHTBANK Den Haag


Team Handel




Zaaknummer: C/09/675166 / HA ZA 24-955




Vonnis van 13 mei 2026




in de zaak van





1
[eiseres 1] B.V. te [vestigingsplaats],2. [eiseres 2] B.V. te [vestigingsplaats],3. [eiser 1] te [woonplaats 1],4. [eiser 2] te [woonplaats 2],5. [eiser 3] te [woonplaats 3],6. [eiser 4] te [woonplaats 4],

eisers,
advocaat: mr. M.N. van Dam,



tegen





1
[gedaagden 1-3, sub 1] te [woonplaats 5],2. [gedaagden 1-3, sub 2] te [woonplaats 5],3. [gedaagden 1-3, sub 3] te [woonplaats 4],
gedaagden,advocaat: mr. W. Schmidt,


en tegen





4
[gedaagde 4] te [woonplaats 6] ([land]),
gedaagde,advocaat: voorheen mr. A. Mao, thans zonder advocaat.


Eisers worden hierna respectievelijk ‘[eiseres 1]’, ‘[eiseres 2]’, ‘[eiser 1]’, ‘[eiser 2]’, ‘[eiser 3]’ en ‘[eiser 4]’ genoemd. Eiseressen onder 1 en 2 worden hierna samen ook [eiseressen 1+2] genoemd. Eisers onder 3 tot en met 6 worden hierna samen ook ‘de Kredietnemers’ genoemd. Gedaagden onder 1 tot en met 3 worden hierna samen ‘[gedaagden 1-3]’ genoemd en ieder afzonderlijk respectievelijk ‘[gedaagden 1-3, sub 1]’, ‘[gedaagden 1-3, sub 2]’ en ‘[gedaagden 1-3, sub 3]’. Gedaagde onder 4 wordt hierna ‘[gedaagde 4]’ genoemd.





1Kern van het geschil1.1. Eisers verwijten gedaagden door hen gepleegde dan wel gefaciliteerde fraude bij het aangaan van (daardoor onverantwoorde) financiële transacties. [gedaagde 4] heeft verweer gevoerd, maar is tijdens de mondelinge behandeling niet verschenen. De fraude kan aan hem worden toegeschreven, zodat de rechtbank de vorderingen van eisers jegens [gedaagde 4] zal toewijzen. De rechtbank zal de vorderingen van de Kredietnemers jegens [gedaagden 1-3] ook toewijzen omdat zij van oordeel is dat [gedaagden 1-3, sub 1] haar zorgplicht jegens Kredietnemers heeft geschonden. De vordering van [eiseressen 1+2] jegens [gedaagden 1-3] zal de rechtbank afwijzen omdat [gedaagden 1-3, sub 1] jegens [eiseressen 1+2] niet onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.





2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen, tevens incidentele vordering ex artikel 843a Rv, van 28 oktober 2024;
- de door eisers overgelegde beslagstukken genummerd 1 t/m 13;
- de akte overlegging producties van eisers, met producties 1 t/m 29;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 4];
- de conclusie van antwoord in het incident ex art. 843a Rv van [gedaagden 1-3];- het vonnis in (artikel 843a Rv) incident van 16 april 2025;
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [gedaagden 1-3], met producties 1 t/m 13;
- de incidentele conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident van [eiseressen 1+2];
- het vonnis in (vrijwarings)incident van 9 juli 2025;- de akte overlegging producties van [eiseressen 1+2] en de Kredietnemers, met producties 30 t/m 32;- de conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagden 1-3], met de producties 1 t/m 6, 7.a.tm 7.i., 8.a. t/m 8.k., 9.a. t/m 9.i., 10.a. t/m 10.h., 11.a. t/m 11.f. en 12.a. t/m 12.f.;
- de akte overlegging producties van [eiseressen 1+2] en de Kredietnemers, met de productie 33 t/m 42.



2.2.
Op 28 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de aanwezige partijen hun standpunten nader toegelicht; de advocaten hebben spreekaantekeningen voorgedragen die aan het dossier zijn toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.



2.3.

Bij rolbeslissing van 11 maart 2026 heeft de rechtbank eisers vervolgens in de gelegenheid gesteld bij akte nadere stukken te overleggen met betrekking tot de hypotheekaanvraag van [eiser 3] en [eiser 4], waarop [gedaagden 1-3] vervolgens bij antwoordakte kon reageren. De volgende processtukken zijn ontvangen: - de akte overlegging producties aan de zijde van [eiseressen 1+2] en de Kredietnemers, met de producties 43a tot en met 43f en 44;
- de antwoordakte na akte overlegging producties aan de zijde van [gedaagden 1-3]



2.4.
Ten slotte is de datum voor vonnis bepaald op vandaag.





3De feiten


3.1.

[eiseres 1] houdt een AFM-vergunning voor het aanbieden van hypothecair krediet. [eiseres 1] is enig aandeelhouder van [eiseres 2]. [eiseres 2] verstrekt – onder voornoemde AFM-vergunning – hypothecair krediet aan kredietnemers. Het beheer van de hypotheken vindt plaats vanuit [eiseres 1]. [eiseres 2] verstrekt alleen hypothecair krediet door tussenkomst van een hypotheekadviseur die beschikt over een AFM-vergunning. 3.2. [gedaagden 1-3, sub 1] is een vennootschap onder firma met als vennoten [gedaagden 1-3, sub 2] en [gedaagden 1-3, sub 3] (hierna: de vennoten). [gedaagden 1-3, sub 1] houdt zich bezig met financiële dienstverlening. Voor [gedaagden 1-3, sub 1] zijn, naast de twee vennoten, twee medewerkers werkzaam (geweest). [gedaagden 1-3, sub 1] adviseert en bemiddelt als tussenpersoon in financiële producten en diensten van diverse aanbieders, waaronder hypothecaire kredieten. [gedaagden 1-3, sub 1] beschikt over een AFM-vergunning. [gedaagden 1-3, sub 1] houdt kantoor te [plaats 3].



3.3.

[gedaagde 4] prijst zichzelf op social media aan als aankoop- en hypotheekbemiddelaar. [gedaagde 4] was voorheen makelaar. [gedaagde 4] beschikt niet over een AFM-vergunning.



3.4.
In de periode februari 2022 – juli 2024 heeft [gedaagden 1-3, sub 1] voor twintig (aspirant)kredietnemers financieringsaanvragen bij [eiseressen 1+2] ingediend, waaronder voor de Kredietnemers. Daarop heeft [eiseres 2] dertien financieringen verstrekt. In de andere zeven gevallen is afgezien van hypotheekverstrekking.



3.5.
In juli 2024 kwam fraude aan het licht bij een andere financiële instelling, welke fraude aan [eiseressen 1+2] is gemeld. Naar aanleiding van die fraudemelding is [eiseressen 1+2] een onderzoek gestart naar de door [gedaagden 1-3, sub 1] aangebrachte dossiers. Dit heeft ertoe geleid dat de zeven op dat moment nog lopende aanvragen voor een hypothecair krediet zijn afgewezen.


3.6.
De Kredietnemer [eiser 2] is werkzaam in de vervoersbranche. Hij is op enig moment doorverwezen naar [gedaagde 4]. [gedaagde 4] heeft zijn dossier aangebracht bij [gedaagden 1-3, sub 1]. [eiser 2] heeft een overeenkomst van opdracht van [gedaagden 1-3, sub 1] ondertekend, gedateerd 23 september 2023. Met deze overeenkomst heeft hij [gedaagden 1-3, sub 1] opdracht gegeven voor hem te bemiddelen bij het aanvragen van een hypothecair krediet. De door hem hiervoor te betalen vergoeding bedroeg € 4.000.



3.7.

[eiser 2] heeft aan [gedaagde 4] stukken inzake zijn financiën gegeven. [gedaagde 4] heeft deze stukken aan [gedaagden 1-3, sub 1] gestuurd. [gedaagden 1-3, sub 1] heeft namens [eiser 2] een kredietaanvraag bij [eiseressen 1+2] ingediend. [eiser 2] is één van de dertien kredietnemers die een hypothecair krediet van [eiseres 2] heeft ontvangen.


3.8.
De Kredietnemer [eiser 1] is werkzaam als kapster. In haar zoektocht naar een hypotheek voor de aankoop van een woning is zij via vrienden terechtgekomen bij [gedaagde 4]. Zij vertrouwde [gedaagde 4] en heeft [gedaagde 4] onder meer via haar DigiD laten inloggen. [gedaagde 4] heeft het dossier van [eiser 1] aangebracht bij [gedaagden 1-3, sub 1]. Op enig moment heeft [eiser 1] een (ongedateerde) overeenkomst van opdracht van [gedaagden 1-3, sub 1] ondertekend waarmee zij [gedaagden 1-3, sub 1] opdracht heeft gegeven voor haar te bemiddelen bij het aanvragen van een hypothecair krediet. De door haar hiervoor te betalen vergoeding bedroeg € 4.500.



3.9.

[eiser 1] heeft aan [gedaagde 4] stukken inzake haar financiën gegeven. [gedaagde 4] heeft deze stukken aan [gedaagden 1-3, sub 1] gestuurd. [gedaagden 1-3, sub 1] heeft namens [eiser 1] een kredietaanvraag bij [eiseressen 1+2] ingediend. [eiseres 1] heeft een financieringsaanbod uitgebracht, maar uiteindelijk afgezien van kredietverstrekking in verband met geconstateerde ‘onregelmatigheden’. Op dat moment had [eiser 1] al een koopovereenkomst voor een woning afgesloten.



3.10.
De Kredietnemers [eiser 3] en [eiser 4] zijn ongehuwd samenwonende partners. [eiser 3] is werkzaam in de horeca en [eiser 4] is administratief medewerker. Daarnaast hebben zij samen een webshop in schoonheidsartikelen. [eiser 3] heeft [gedaagde 4] bij de kapper leren kennen, waarbij laatstgenoemde heeft aangeboden [eiser 3] en [eiser 4] te helpen bij hun zoektocht naar een nieuwe woning. In een eerste gesprek heeft [gedaagde 4] hun geadviseerd hun lopende hypothecaire lening bij ING met een rentetarief van 1,94% op te zeggen.


3.11.
Op enig moment hebben [eiser 3] en [eiser 4] een (ongedateerde) overeenkomst ondertekend waarmee zij [gedaagden 1-3, sub 1] opdracht hebben gegeven voor hun te bemiddelen bij het aanvragen van een hypothecair krediet. De door hen hiervoor te betalen vergoeding bedroeg € 4.500. [eiser 3] en [eiser 4] hebben aan [gedaagde 4] stukken inzake hun financiën gegeven. [gedaagde 4] heeft deze stukken aan [gedaagden 1-3, sub 1] gestuurd. [gedaagden 1-3, sub 1] heeft namens [eiser 3] en [eiser 4] een kredietaanvraag bij [eiseressen 1+2] ingediend. [eiseressen 1+2] heeft de kredietaanvraag van [eiser 3] en [eiser 4] afgewezen op een moment dat zij de koopovereenkomst voor een woning in [plaats 1] al hadden gesloten.


3.12.
De Kredietnemers waren op het moment van het aanvragen van het hypothecaire krediet ondernemers. [gedaagden 1-3, sub 1] heeft bij iedere aanvraag voor hypothecair krediet voor de Kredietnemers bij [eiseressen 1+2] een Inkomensverklaring Ondernemer (IKV) overgelegd. De IKV’s werden op initiatief van [gedaagden 1-3, sub 1] en op verzoek van de Kredietnemers zelf opgesteld door Raadhuys B.V. dan wel Zakelijk Inkomen B.V. (deze bedrijven worden hierna genoemd: ‘de rekenexpert’).



3.13.
In de periode van februari 2022 tot en met mei 2024 heeft [gedaagden 1-3, sub 1] in totaal een bedrag van € 129.500 overgemaakt naar [gedaagde 4].



3.14.
Vanaf eind augustus 2024 heeft [eiseres 1] in het kader van een aanvullend onderzoek contact gehad met verschillende van de twintig (aspirant)kredietnemers die [gedaagden 1-3, sub 1] bij haar had aangebracht. Op 28 oktober 2024 heeft [eiseres 1] met zeven van de kredietnemers een persoonlijk gesprek gevoerd, waaronder de Kredietnemers. Daarna hebben deze zeven kredietnemers verklaringen afgelegd. In verklaringen van kredietnemers die geen eisers zijn in deze procedure is onder meer het volgende opgenomen:


“Via Facebook is hij in contact gekomen met de heer [gedaagde 4]. Hij zag op Facebook een advertentie van de heer [gedaagde 4]. Het was een advertentie voor aankoopmakelaar en hypotheekbemiddeling. Op [adres] in [plaats 2] zit het kantoor van [gedaagde 4]. (…). [gedaagde 4] heeft aangegeven welke documenten aangeleverd moesten worden voor de hypotheek. [naam 1] heeft dat per WhatsApp gestuurd naar de heer [gedaagde 4] op/rond 27 februari 2024. (…) (noot rechtbank: kredietnemer) geeft aan nooit op het kantoor van [gedaagden 1-3, sub 1] in [plaats 3] te zijn geweest”



“Het hypotheekaanbod heb ik getekend op een benzinestation (…) op 2 juli 2024. De plaats ‘[plaats 3]’ die is opgeschreven op het getekende hypotheekaanbod, is niet mijn handschrift. De datum (1 juli 2024) is ook niet juist. (…) De cijfers die ik nu op het scherm zie van de stukken die zijn ingediend bij [eiseres 2] komen niet overeen met de cijfers die ik heb aangeleverd bij [gedaagde 4]. De cijfers zijn fors hoger.”



3.15.
Bij brief van 24 september 2024 heeft [eiseres 1] [gedaagden 1-3, sub 1] aansprakelijk gesteld voor de geleden en te lijden schade als gevolg van de vermeende fraude.



3.16.
Om nader onderzoek mogelijk te maken heeft [eiseressen 1+2] bij verzoekschrift van 26 augustus 2024 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht toestemming te geven voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag onder [gedaagden 1-3] en [gedaagde 4]. Op 19 september 2024 heeft [eiseressen 1+2] dit bewijsbeslag laten leggen onder [gedaagden 1-3] Tevens heeft [eiseressen 1+2] verzocht toestemming te geven voor het leggen van conservatoir beslag op het aandeel van [gedaagde 4] in zijn woonhuis en op de aandelen die [gedaagden 1-3, sub 3] houdt in een bepaalde vennootschap. Op 17 september 2024 heeft [eiseressen 1+2] beslag laten leggen op [gedaagde 4] deel van zijn woonhuis en op 19 september 2024 op [gedaagden 1-3, sub 3]’s aandelen.





4Het geschil


4.1.
Eisers vorderen, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:



ten aanzien van [eiseressen 1+2]
I. de hoofdelijke veroordeling van [gedaagden 1-3] en [gedaagde 4] tot vergoeding van de door [eiseressen 1+2] geleden en te lijden schade, op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag waarop de schade is geleden tot aan de dag van volledige betaling;
II. de hoofdelijke veroordeling van [gedaagden 1-3] en [gedaagde 4] tot betaling van de beslagkosten, tot op heden begroot op € 8.503,28, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;




ten aanzien van de Kredietnemers

III. de hoofdelijke veroordeling van [gedaagden 1-3] en [gedaagde 4] tot vergoeding van de door de Kredietnemers geleden en te lijden schade, op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag waarop de schade is geleden tot aan de dag van volledige betaling;




ten aanzien van [eiseressen 1+2] en de Kredietnemers

IV. de hoofdelijke veroordeling van [gedaagden 1-3] en [gedaagde 4] in de proces- en nakosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling. 4.2. Eisers leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag.



4.2.1.

[gedaagden 1-3, sub 1] (als financieel dienstverlener) en [gedaagde 4] (als informeel betrokkene) hebben door een bestendige modus operandi een gezamenlijk verdienmodel ontwikkeld, waarmee op basis van vervalste stukken een financieringsaanvraag bij [eiseressen 1+2] werd ingediend. [gedaagden 1-3, sub 1] en [gedaagde 4] hebben in elk geval twintig financieringsaanvragen van (aspirant)kredietnemers begeleid en bij [eiseressen 1+2] ingediend op basis van vervalste financiële stukken en gegevens. De daadwerkelijke financiële situatie van deze (aspirant)kredietnemers wijkt – in negatieve zin – fors af van de financiële situatie zoals deze blijkt uit de later aan [eiseressen 1+2] verstrekte stukken. [gedaagden 1-3, sub 1] en [gedaagde 4] hebben door het initiëren en/of faciliteren van deze fraude (doorlopend) onrechtmatig jegens [eiseressen 1+2] gehandeld en zij moeten de schade, die laatstgenoemden daardoor hebben geleden en zullen lijden, vergoeden.



4.2.2.
De schade van [eiseressen 1+2] bestaat uit het maken van nodeloze substantiële kosten voor de zeven aanvragen die niet tot een financiering hebben geleid. Voor wat betreft de dertien kredietnemers waaronder [eiser 2] met wie [eiseres 2] een kredietovereenkomst heeft gesloten, kan worden betwijfeld of zij aan hun financiële verplichtingen kunnen blijven voldoen, omdat sprake is van overkreditering. Dit zal leiden tot schade voor [eiseressen 1+2]



4.2.3.
De financieringsaanvragen zijn onder meer gedaan in opdracht van de Kredietnemers, waarbij die aanvragen zonder medeweten van de Kredietnemers op vervalste stukken en gegevens zijn gebaseerd. [gedaagden 1-3, sub 1] en [gedaagde 4] moeten ook de schade die de Kredietnemers hierdoor hebben geleden en zullen lijden, vergoeden op grond van wanprestatie ofwel onrechtmatige daad. De schade van de Kredietnemers bestaat uit de door hen voor de financiële dienstverlening betaalde bedragen, alsmede, voor wat betreft [eiser 1] en [eiser 3] en [eiser 4], uit de boetes die zij hebben betaald dan wel mogelijk moeten betalen omdat de financiering op het laatste moment is afgeketst.



4.2.4.

[gedaagden 1-3, sub 2] en [gedaagden 1-3, sub 3] zijn als vennoten van [gedaagden 1-3, sub 1] hoofdelijk aansprakelijk voor de schade van eisers door de hiervoor beschreven fraude.



4.2.5.
Subsidiair geldt dat [gedaagden 1-3] en [gedaagde 4] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van eisers als gevolg van deze fraude op grond van artikel 6:166 BW (onrechtmatige daad in groepsverband).



4.3.

[gedaagden 1-3] voert verweer en [gedaagde 4] voert verweer. Beiden concluderen tot niet-ontvankelijkheid van eisers, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eisers in de kosten van deze procedure.



4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.






5De beoordeling


Het bewijsbeslag



5.1.

[eiseressen 1+2] heeft na verkregen toestemming van de rechtbank bij tussenvonnis van 16 april 2025 inzage kunnen krijgen in de documenten waarop zij eerder bewijsbeslag had laten leggen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft haar advocaat de rechtbank verteld dat [eiseressen 1+2] de deurwaarder pas, nadat de conclusie van antwoord van [gedaagden 1-3, sub 1] cs. was ontvangen, in oktober 2025 heeft benaderd om inzage te krijgen in de stukken en dat de stukken vervolgens op 15 januari 2026 van de deurwaarder zijn ontvangen. Vervolgens heeft [eiseressen 1+2] negen dagen voor de mondelinge behandeling stukken hiervan overgelegd, namelijk de omvangrijke (circa 1000 pagina’s omvattende) WhatsApp-correspondentie, met daarbij een zeer korte toelichting en zonder verwijzing naar relevante passages in deze stukken. [gedaagden 1-3] heeft over deze gang van zaken opgemerkt dat zij had verwacht tijdens de mondelinge behandeling te horen om welke passages uit de betreffende producties het eisers te doen is, maar dat dat niet is gebeurd. Het blijft volgens haar bij interpretaties van berichten. Zij verzoekt de rechtbank rekening te houden met deze opmerkelijke gang van zaken en behoudt zich het recht voor om ook de eigen interpretatie op de overgelegde WhatsAppberichten te geven.


5.2.
De rechtbank acht de gang van zaken ten aanzien van de in beslag genomen stukken in strijd met de goede procesorde. [eiseressen 1+2] had sinds april 2025 toegang tot deze stukken. Zij had ook in verband met deze procedure toegang gevorderd. Het had op haar weg gelegen om haar standpunten tijdig en gemotiveerd aan te vullen naar aanleiding van wat zij in de stukken had aangetroffen. Daartoe had zij ruim de tijd. Dat had [gedaagden 1-3] en [gedaagde 4] ook de gelegenheid gegeven hierop tijdig te reageren waardoor deze aanvullingen tijdens de mondelinge behandeling in hun volle omvang hadden kunnen worden behandeld. Door pas negen dagen voor de mondelinge behandeling de stukken met een summiere toelichting zonder verwijzingen in te dienen, is hiervoor geen gelegenheid geweest. Gevolg hiervan is dat de rechtbank deze nadere stukken, voortgekomen uit het bewijsbeslag, bij de beoordeling buiten beschouwing zal laten.



Vervalste documenten





5.3.
Bij de kredietaanvragen bij [eiseressen 1+2] heeft [gedaagden 1-3, sub 1] steeds een IKV overgelegd, opgesteld door de rekenexpert.



5.4.
Ten aanzien van vijf kredietnemers, waaronder [eiser 2], en [eiser 1], hebben eisers kopieën van de gebruikte financiële stukken en kopieën van authentieke financiële stukken van de Belastingdienst overgelegd. Op basis van deze stukken kan worden geconcludeerd dat de voor hen overgelegde IKV’s zijn gebaseerd op vervalste gegevens. Het betreft ofwel vervalste IB-aangiften, IB-aanslagen, jaarrekeningen en/of BTW-aangiften. Weliswaar hebben [gedaagden 1-3] en [gedaagde 4] ieder afzonderlijk aangevoerd dat geen vervalste stukken zijn gebruikt, maar de door [eiseressen 1+2] overgelegde stukken ten aanzien van voornoemde vijf kredietnemers spreken voor zich.



5.5.
Ten aanzien van de [eiser 2] en [eiser 1] overweegt de rechtbank meer specifiek nog als volgt.


5.5.1.
Eisers hebben als productie 39 kopieën van de door [gedaagden 1-3, sub 1] voor [eiser 2] ingediende IB-aangifte en van een authentieke IB-60 verklaring van [eiser 2] overgelegd. Op basis van een vergelijking van deze stukken kan worden geconcludeerd dat bij de kredietaanvraag een vervalste IB-aangifte is gebruikt. [eiseres 1] heeft in het kader van het/de onder randnummer 3.14. genoemde onderzoek/gesprekken de ingediende IB-aangifte voorgehouden aan [eiser 2], die daarop heeft verklaard dat de cijfers afwijken van de IB-aangifte die hij heeft aangeleverd bij [gedaagde 4].



5.5.2.
Voorts hebben eisers kopieën van de door [gedaagden 1-3, sub 1] voor [eiser 1] ingediende IB-aanslag en van een authentieke IB-aanslag van [eiser 1] overgelegd. Op basis van een vergelijking van deze stukken kan worden geconcludeerd dat bij de kredietaanvraag een vervalste IB-aanslag is gebruikt.




5.6.
Eisers hebben voorts kopieën van de door [gedaagden 1-3, sub 1] voor [eiser 3] en [eiser 4] ingediende IB-aangiften en van de, naar eisers stellen, authentieke IB-aangiften over 2021 tot en met 2023 van [eiser 3] en [eiser 4] overgelegd als productie 43a tot en met f. In de door [gedaagden 1-3, sub 1] ingediende stukken is een hoger inkomen voor [eiser 3] en [eiser 4] opgenomen dan in de stukken die volgens eisers de authentieke stukken zijn. [gedaagde 4] heeft de authenticiteit van de door eisers als producties 43b, 43d en 43f ingediende stukken niet weersproken. [gedaagden 1-3, sub 1] betwist de authenticiteit van deze IB-aangiften. Ter toelichting op haar betwisting heeft [gedaagden 1-3, sub 1] gesteld dat de stukken voor haar niet te controleren zijn en dat de lay-out van de authentieke stukken afwijkt van de stukken die aan haar zijn aangeleverd via [gedaagde 4]. De rechtbank constateert dit laatste ook, maar oordeelt dat alleen deze omstandigheid onvoldoende is, gelet op de door eisers ingenomen stellingen en overige vaststaande omstandigheden. Namelijk (i) de verklaring van [eiser 3] en [eiser 4] (zie onder 3.14.) dat de door [gedaagden 1-3, sub 1] ingediende IB-aangiften niet overeenkomen met de stukken die zij bij [gedaagde 4] hebben aangeleverd; de genoemde inkomsten zijn veel hoger dan in werkelijkheid, (ii) de vaststaande omstandigheid dat de eerder toegezegde hypotheek is ingetrokken, en (iii) de vaststaande omstandigheid dat [eiser 3] en [eiser 4] daardoor een boete hebben moeten betalen omdat de aankoop van een woning niet door kon gaan. Gelet op dit een en ander mocht van [gedaagden 1-3, sub 1] als betwisting meer worden verwacht dan de stelling dat de stukken niet te controleren zijn en de lay-out afwijkt. Bij dit oordeel weegt mee dat in het kader van de vraag of [gedaagden 1-3, sub 1] vervalste stukken heeft ingediend, niet relevant is of [gedaagden 1-3, sub 1] de betreffende niet-vervalste IB-aangiften destijds heeft ontvangen, waarop [gedaagden 1-3, sub 1] ook heeft gewezen. Dat speelt pas een rol bij de vraag of het handelen van [gedaagden 1-3, sub 1] verwijtbaar is of niet. De conclusie van de rechtbank is dan ook dat zij ook voor wat betreft de door [gedaagden 1-3, sub 1] voor [eiser 3] en [eiser 4] bij de rekenexpert ingediende stukken tot het oordeel komt dat deze vervalst waren.


5.7.

Ten aanzien van de overige veertien kredietnemers zijn geen financiële stukken overgelegd die de vervalsingen aantonen. Wel zijn aan de zijde van eisers van een aantal kredietnemers stukken overgelegd waarin opgenomen hun verklaring dat de ingediende financiële documenten niet overeenkomen met de door hen aan [gedaagde 4] aangeleverde originele financiële documenten. Daarnaast heeft [eiseressen 1+2] gesteld dat de Belastingdienst haar telefonisch heeft bevestigd dat de bij deze kredietnemers gebruikte financiële bescheiden zijn vervalst. Ook heeft [eiseressen 1+2] verklaard dat ze de financiële stukken waaruit de vervalsingen blijken alsnog in het geding kan brengen. [gedaagden 1-3] en [gedaagde 4] hebben ook ten aanzien van deze kredietnemers het verweer gevoerd dat van vervalsingen geen sprake is geweest. Nu in ieder geval ten aanzien van een aantal kredietnemers vaststaat dat sprake is van vervalsingen, zal de rechtbank eerst beoordelen of gedaagden aansprakelijk zijn voor de als gevolg van de vervalsingen mogelijk ontstane schade. Daarbij zal zij eerst beoordelen of [gedaagde 4] respectievelijk [gedaagden 1-3] aansprakelijk is jegens de Kredietnemers. Daarna zal zij beoordelen of [gedaagde 4] respectievelijk [gedaagden 1-3] aansprakelijk is jegens [eiseressen 1+2]

Aansprakelijkheid ten aanzien van de Kredietnemers






[gedaagde 4]






5.8.

[eiser 2] heeft [gedaagde 4] zelf ingeschakeld. Hij heeft verklaard dat een vriend [gedaagde 4] had aanbevolen voor het vinden van een huis en het regelen van een hypotheek. Hij stelt [gedaagde 4] € 12.000 te hebben betaald voor de door [gedaagde 4] verleende diensten door overschrijving van dit bedrag in verschillende tranches naar bankrekeningen van [gedaagde 4]. [gedaagde 4] heeft hem nooit geadviseerd over de hypotheek, evenmin heeft hij van [gedaagde 4] een adviesrapport of financieringsopzet ontvangen. [gedaagde 4] heeft hem laten weten welke stukken hij moest aanleveren en die stukken heeft hij per e-mail aan [gedaagde 4] gestuurd. [gedaagde 4] heeft de financiële stukken vervalst en ook overigens is hij aansprakelijk omdat hij zich heeft gepresenteerd als een hypotheekbemiddelaar, aldus nog steeds [eiser 2].



5.9.

[eiser 1] heeft [gedaagde 4] zelf ingeschakeld. Ze heeft verklaard dat ze het telefoonnummer van [gedaagde 4] van vrienden heeft gekregen. Hij werd door vrienden aanbevolen voor het regelen van een hypotheek. Zij stelt [gedaagde 4] € 10.000 in contanten te hebben betaald. [gedaagde 4] heeft haar nooit geadviseerd welke hypotheek het beste bij haar past. Ook heeft zij van [gedaagde 4] geen adviesrapport of financieringsopzet ontvangen. [gedaagde 4] heeft de financiële stukken vanaf haar mobiele telefoon verstuurd naar zijn eigen e-mailadres. [gedaagde 4] heeft gezegd dat ze alle e-mails die ze kreeg over de aanvraag naar hem moest doorsturen. Voorts heeft hij weleens met haar DigiD ingelogd. Volgens [eiser 1] heeft [gedaagde 4] de financiële stukken vervalst en is hij ook overigens aansprakelijk omdat hij zich heeft gepresenteerd als een hypotheekbemiddelaar.



5.10.
Ook [eiser 3] en [eiser 4] hebben [gedaagde 4] zelf ingeschakeld. Zij hebben verklaard dat [eiser 3] bij toeval, tijdens een bezoek aan een kapper in Den Haag, aan de praat is geraakt met [gedaagde 4]. [gedaagde 4] vertelde hem dat hij kon helpen met de zoektocht naar een huis en een hypotheek. Tijdens de eerste afspraak op het kantoor van [gedaagde 4] in [plaats 2] hebben zij € 3.500 contant aan [gedaagde 4] betaald voor de kosten van zijn dienstverlening. Voorts verklaren zij dat [gedaagde 4] hen zonder een begrijpelijke toelichting heeft gezegd dat zij niet met de hypotheek bij ING konden blijven maar over moesten stappen naar [eiseres 2]. Dit terwijl [eiseres 2] een aanzienlijk hoger rentetarief hanteerde (1.94 % versus 4,25%). [gedaagde 4] heeft hen niet uitbreid geadviseerd; er is niet gesproken over rentevast periodes of aflosvormen, evenmin hebben zij van [gedaagde 4] een adviesrapport of financieringsopzet ontvangen. [gedaagde 4] heeft hen laten weten welke stukken hij nodig had voor de aanvraag van de hypotheek en die stukken zijn vervolgens per WhatsApp aan [gedaagde 4] gestuurd. Volgens [eiser 3] en [eiser 4] heeft [gedaagde 4] de financiële stukken vervalst en hen misleid door het gebruik daarvan bij hun hypotheekaanvraag



5.11.

[gedaagde 4] heeft bij conclusie van antwoord aangevoerd dat hij de Kredietnemers enkel heeft geholpen met de bezichtigingen en het verzamelen van de benodigde bescheiden die nodig waren voor de hypotheekaanvraag door [gedaagden 1-3, sub 1]. [gedaagde 4] heeft niet de bescheiden die [eiseressen 1+2] als vals bestempelt aan [eiseres 1] verstrekt. Evenmin heeft hij een rol gehad bij het vervalsen van diverse bescheiden. De bescheiden kreeg [gedaagde 4] van de Kredietnemers of hun boekhouder toegezonden. [gedaagde 4] heeft deze bescheiden enkel doorgezonden naar [gedaagden 1-3, sub 1]. Verder ontkent [gedaagde 4] bedragen van de Kredietnemers te hebben ontvangen.


5.12.
Met voornoemd betoog van [gedaagde 4] staat vast dat tussen hem enerzijds en respectievelijk [eiser 2], [eiser 1] en [eiser 3] en [eiser 4] anderzijds een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Of [gedaagde 4] voor zijn werkzaamheden is betaald, zoals de Kredietnemers stellen en [gedaagde 4] betwist, is voor dit oordeel niet relevant. Eveneens staat daarmee vast dat [gedaagde 4] financiële stukken van de Kredietnemers heeft ontvangen en die heeft doorgestuurd naar [gedaagden 1-3, sub 1].



5.13.
De rechtbank heeft in de paragrafen 5.3. tot en met 5.6. al geconcludeerd dat de door [gedaagden 1-3, sub 1] voor de Kredietnemers bij de rekenexpert ingediende stukken vervalst waren. Gelet op de omstandigheid dat hiermee tussen de Kredietnemers en [gedaagde 4] vaststaat dat voor de Kredietnemers bij de rekenexpert vervalste financiële stukken zijn ingediend, heeft [gedaagde 4] de stellingen dat hij direct betrokken is geweest bij de vervalsing van de financiële stukken onvoldoende weersproken. De vervalsingen zijn bij nadere akte tijdig overgelegd dan wel is hem, nadat de stukken met betrekking tot [eiser 3] en [eiser 4] zijn overgelegd, om een schriftelijke reactie gevraagd. Hij is echter niet verschenen bij de mondelinge behandeling en heeft geen schriftelijke reactie gegeven, terwijl hij in dit kader niet kon volstaan met de in de conclusie van antwoord zonder nadere toelichting opgenomen ontkenning van de vervalsingen en zijn betrokkenheid erbij. Een en ander maakt dat de directe betrokkenheid van [gedaagde 4] bij de vervalsing van de financiële stukken van de Kredietnemers tussen partijen vaststaat. Bij dit oordeel weegt de rechtbank mee dat uit de verslagen van de gesprekken van [eiseres 1] met kredietnemers volgt dat [gedaagde 4], nadat [eiseressen 1+2] vragen was gaan stellen, het onderzoek naar zijn handelen heeft gefrustreerd door te proberen sporen te (laten) wissen en kredietnemers te adviseren niet met [eiseres 1] te praten. Ook heeft een kredietnemer, onweersproken door [gedaagde 4], verklaard dat [gedaagde 4] weigerde inloggegevens te verschaffen voor toegang tot het dossier bij de rekenexpert. Het had op de weg van [gedaagde 4] gelegen hiervoor een verklaring te geven, maar dat heeft hij nagelaten.



5.14.
Doordat vaststaat dat [gedaagde 4] financiële stukken die hij van de Kredietnemers ontving heeft vervalst en heeft doorgestuurd naar [gedaagden 1-3, sub 1], is [gedaagde 4] tekortgekomen in de nakoming van de met de Kredietnemers gesloten overeenkomst. [gedaagde 4] is aansprakelijk voor de als gevolg daarvan voor de Kredietnemers ontstane schade, waarover hierna meer.




[gedaagden 1-3, sub 1]






5.15.

[gedaagden 1-3, sub 1] heeft de door verschillende kredietnemers getekende overeenkomsten van opdracht overgelegd. Partijen hebben de rechtbank niet geïnformeerd hoe en wanneer deze overeenkomsten tot stand zijn gekomen en hoe en wanneer [gedaagden 1-3, sub 1] en de verschillende kredietnemers daarover contact met elkaar hebben gehad.



5.16.
In de door [eiseres 1] opgestelde verklaring van [eiser 2] is opgenomen dat hij in [plaats 2] op het kantoor van [gedaagde 4] is geweest en dat hij niemand van [gedaagden 1-3, sub 1] heeft gesproken over zijn hypotheek. [gedaagden 1-3, sub 1] heeft hem nooit geadviseerd. Hij heeft bij de notaris € 4.000 aan [gedaagden 1-3, sub 1] betaald, maar hij weet niet waarom. Hij heeft nooit een origineel identiteitsbewijs aan iemand van [gedaagden 1-3, sub 1] getoond, aldus nog steeds [eiser 2].


5.17.
In de door [eiseres 1] opgestelde verklaring van [eiser 1] is opgenomen dat zij twee keer op het kantoor van [gedaagde 4] in [plaats 2] is geweest en dat ze nooit op het kantoor van [gedaagden 1-3, sub 1] in [plaats 3] is geweest. Ze kreeg op 21 juni 2024 plotseling een e-mail van een medewerker van [gedaagden 1-3, sub 1] met het definitieve hypotheekaanbod. Ze heeft op 20 april 2024 een kopie van haar paspoort aan [gedaagde 4] gestuurd en ze begrijpt nu dat [gedaagden 1-3, sub 1] die kopie heeft gebruikt.



5.18.
In de door [eiseres 1] opgestelde verklaring van [eiser 3] en [eiser 4] is opgenomen dat [eiser 3] op het kantoor van [gedaagde 4] is geweest en dat zij nooit op het kantoor zijn geweest van [gedaagden 1-3, sub 1] van wie zij vandaag voor het eerst horen. [eiser 3] en [eiser 4] begrijpen dat op een door hen aan [gedaagde 4] verstrekte kopie van hun identiteitsbewijs staat dat zij wel op het kantoor van [gedaagden 1-3, sub 1] zijn geweest, maar dat is dus onjuist. Naar nu blijkt hebben ze wel enkele e-mails van [gedaagden 1-3, sub 1] ontvangen, maar zij verkeerden in de veronderstelling dat ‘deze persoon’ hoorde bij [gedaagde 4] die naar hun weten hun makelaar en hypotheekadviseur was. Ze hebben nooit contact gehad met [gedaagden 1-3, sub 1], aldus nog steeds [eiser 3] en [eiser 4].


5.19.

[gedaagden 1-3, sub 1] voert aan dat [eiser 2] voor het ondertekenen van de overeenkomst van opdracht en ook voor het ondertekenen van een bindende hypotheekofferte op het kantoor van [gedaagden 1-3, sub 1] in [plaats 3] is geweest en dat [eiser 2] hierover niet juist heeft verklaard. Verder voert zij aan dat [eiser 2] met name contact had met [gedaagde 4]. [gedaagden 1-3, sub 1] heeft de informatie die zij kreeg van [gedaagde 4] steeds doorgezet naar de rekenexpert die de IKV heeft opgesteld, zonder hier iets aan te veranderen. Zij heeft de financiële stukken bekeken en daarin geen onregelmatigheden geconstateerd, de financiële gegevens in de verschillende stukken sloten op elkaar aan. Als de cijfers in de stukken van [gedaagde 4] niet kloppen, dan zijn de wijzigingen aangebracht voordat [gedaagden 1-3, sub 1] de stukken kreeg, aldus nog steeds [gedaagden 1-3, sub 1].



5.20.

[gedaagden 1-3, sub 1] voert voorts aan dat [eiser 1] de overeenkomst van opdracht heeft getekend en dat [gedaagde 4] de financiële stukken van [eiser 1] en een kopie van het paspoort van [eiser 1] aan [gedaagden 1-3, sub 1] heeft gemaild. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de vennoten gezegd dat er onregelmatigheden zijn in de belastingaangiften van [eiser 1] en dat de medewerkster van [gedaagden 1-3, sub 1] van wie [eiser 1] het hypotheekaanbod heeft ontvangen, minstens tweemaal met [eiser 1] heeft gesproken en dat [eiser 1] toestemming heeft gegeven voor het versturen van de stukken die namens haar waren toegestuurd aan [gedaagden 1-3, sub 1]. Voor het overige heeft [gedaagden 1-3, sub 1] betrokkenheid bij de vervalsingen ontkend.



5.21.

[gedaagden 1-3, sub 1] voert aan dat ook [eiser 3] en [eiser 4] de overeenkomst van opdracht hebben getekend, dat zij [gedaagden 1-3, sub 1] dus wel degelijk al eerder kenden en dat [gedaagde 4] de financiële stukken van [eiser 3] en [eiser 4] heeft gemaild. [gedaagden 1-3, sub 1] stelt dat zij de (persoons)gegevens van [eiser 3] en [eiser 4] via videobellen heeft geverifieerd. Voor het overige heeft [gedaagden 1-3, sub 1] betrokkenheid bij de vervalsingen ontkend.



5.22.
De rechtbank is van oordeel dat de Kredietnemers onvoldoende feiten en of omstandigheden hebben gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat [gedaagden 1-3, sub 1] de door hen bij [gedaagde 4] aangeleverde financiële stukken heeft vervalst en/of dat zij met [gedaagde 4] onder één hoedje heeft gespeeld. [eiseressen 1+2] heeft aangifte gedaan tegen [gedaagden 1-3, sub 1], maar van enige stappen in een strafrechtelijk onderzoek is niet gebleken. De Kredietnemers baseren hun beschuldiging op de omstandigheid dat [gedaagde 4] [gedaagden 1-3, sub 1] heeft ingeschakeld, dat er een bestendig samenwerkingsverband bestond tussen [gedaagde 4] en [gedaagden 1-3, sub 1] en dat [gedaagden 1-3, sub 1] [gedaagde 4] voor zijn diensten heeft betaald. Andere aanwijzingen zijn er niet. Voor een zo vergaande beschuldiging als het opzettelijk vervalsen van documenten is dit onvoldoende. Zeker nu uit de door [gedaagden 1-3] als productie 9 overgelegde e-mails volgt dat [gedaagde 4] de door hem vervalste stukken heeft gestuurd aan [gedaagden 1-3, sub 1] die de stukken naar eigen stelling één op één aan de rekenexpert heeft doorgestuurd.



5.23.
Er zijn verder geen aanwijzingen dat [gedaagde 4] in dienst was bij [gedaagden 1-3, sub 1]. Wel is duidelijk dat sprake was van een contractuele relatie tussen [gedaagden 1-3, sub 1] en [gedaagde 4], waarbij [gedaagde 4] potentiële klanten aanbracht en financiële stukken doorstuurde, waarvoor [gedaagden 1-3, sub 1] aan [gedaagde 4] een kick-back fee van € 1.500 per aangebrachte klant betaalde. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat [gedaagden 1-3, sub 1] en [gedaagde 4] hiervoor een schriftelijke overeenkomst hebben gesloten. Eigenlijk is helemaal niet duidelijk geworden wat hun afspraken precies inhielden. [eiseressen 1+2] heeft in de dagvaarding gesteld dat zij, als zij de stukken waarop zij beslag heeft gelegd, heeft kunnen inzien, met nadere stellingen op dit punt zal komen, maar dit heeft zij niet, althans te laat gedaan.



5.24.
Dan moet worden beoordeel of [gedaagden 1-3, sub 1] richting de Kredietnemers wel een verwijt kan worden gemaakt van de omstandigheid dat [gedaagde 4] documenten heeft vervalst en dat [gedaagden 1-3, sub 1] vervolgens instrumenteel is geweest bij het gebruiken van deze documenten voor het aanvragen van een hypothecair krediet. De rechtbank plaatst dit verwijt in het kader van de door [gedaagden 1-3, sub 1] als financiële instelling te betrachten zorgplicht jegens haar klanten. De Kredietnemers en [gedaagden 1-3, sub 1] hebben immers een overeenkomst van opdracht getekend op basis waarvan zij klant zijn geworden van [gedaagden 1-3, sub 1] en [gedaagden 1-3, sub 1] hebben ingeschakeld voor het vinden van een hypothecaire lening voor de financiering van hun woning (vergelijk hof Den Haag 28 mei 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1276).



5.25.
Voor het antwoord op de vraag of [gedaagden 1-3, sub 1] een zodanig verwijt kan worden gemaakt, dat zij haar zorgplicht jegens de Kredietnemers heeft geschonden, weegt de rechtbank de volgende omstandigheden.


5.25.1.

[eiseressen 1+2] heeft in de dagvaarding maar ook tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat het om geraffineerde vervalsingen gaat, die niet direct opvallen. De vervalste stukken oogden volgens [eiseressen 1+2] authentiek. Naast [gedaagden 1-3, sub 1] hebben noch de rekenexperts die de IKV verklaringen hebben opgesteld, noch [eiseressen 1+2] gezien dat stukken waren vervalst. [gedaagden 1-3, sub 1] kan dan ook geen verwijt worden gemaakt dat de vervalsingen haar niet zijn opgevallen.



5.25.2.

[eiseressen 1+2] heeft gesteld dat de zeven kredietnemers met wie zij heeft gesproken, waaronder de Kredietnemers, hebben verklaard niet op de hoogte te zijn geweest van de vervalsingen. [gedaagden 1-3, sub 1] heeft hier alleen tegenin gebracht dat de verklaringen van de zeven kredietnemers eenzijdig zijn en dat zij hierbij niet is betrokken, waardoor deze verklaringen buiten beschouwing moeten worden gelaten. Ook heeft zij aangevoerd dat de kredietnemers te allen tijde zelf verantwoordelijk blijven voor de inhoud en kwaliteit van de door hen aangeleverde financiële informatie en dat opvallend is dat geen van kredietnemers zelf bij [gedaagden 1-3, sub 1] heeft geklaagd.



5.25.3.
De Kredietnemers zijn op verschillende manieren bij [gedaagde 4] terecht gekomen. [gedaagde 4] heeft [gedaagden 1-3, sub 1] bij hen geïntroduceerd. Uit niets volgt dat de Kredietnemers zelf contact met [gedaagden 1-3, sub 1] hebben gezocht. Zij hebben berust in de situatie waarbij al hun contacten liepen via [gedaagde 4] en [gedaagde 4] hun aanspreekpunt was. [gedaagde 4] had geen AFM-vergunning, maar dat heeft hen kennelijk niet gehinderd in het geven van hun volle vertrouwen aan [gedaagde 4].



5.25.4.
In de overeenkomst van opdracht die de Kredietnemers en [gedaagden 1-3, sub 1] hebben getekend, is onder meer opgenomen dat [gedaagden 1-3, sub 1] haar klanten een hypotheekadvies aanbiedt: “je hypotheek, lening of verzekeringen, afstemmen op jouw wensen en mogelijkheden.” De overeenkomst van opdracht door [eiser 2] gesloten, is getekend op 23 september 2023. [eiser 2] heeft zijn hypothecair krediet in mei 2024 gekregen. [eiser 2] heeft [gedaagden 1-3, sub 1] een bedrag van € 4.000 betaald. Van de andere twee overeenkomsten van opdracht is niet duidelijk wanneer ze zijn getekend.



5.25.5.


[gedaagden 1-3, sub 1] is als financiële instelling op grond van artikel 23 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) verplicht om de situatie van klanten, hun wensen en behoeften volledig in kaart brengen. Op de website van de Autoriteit Financiële Markt (AFM) is daarover onder meer het volgende vermeld:
“Bovendien speelt u als financieel dienstverlener een sleutelrol in het voorkomen en bestrijden van hypotheekfraude: u bent poortwachter. Deze verantwoordelijkheid is wettelijk vastgelegd. Enkele voorbeelden van wettelijke verplichtingen zijn:
 U heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het zoveel mogelijk beoordelen op juistheid en volledigheid van de (hypotheek)stukken die u van klanten of tussenpersonen ontvangt;
 U dient misstanden en incidenten die u tegenkomt, altijd ook zelf te melden bij de AFM.
 U dient klanten zorgvuldig te identificeren en dient hun situatie, wensen en behoeften volledig in kaart te brengen.”

[gedaagden 1-3, sub 1] stelt dat zij de financiële stukken heeft beoordeeld op consistentie en [eiseres 1] stelt dat het om geraffineerde vervalsingen ging. [gedaagden 1-3, sub 1] stelt voorts dat zij met de Kredietnemers heeft gesproken, hen heeft geïdentificeerd en dat zij ook verder aan haar verplichtingen op grond van de Wft jegens de Kredietnemers heeft voldaan. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat en wanneer zij met de Kredietnemers heeft gesproken en hun respectievelijke wensen in kaart heeft gebracht of waaruit blijkt dat en wat zij de Kredietnemers heeft geadviseerd over hun kredietaanvraag. Zij heeft in de conclusie van antwoord in algemene bewoordingen haar werkwijze uitgelegd en deze tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht, waarbij zij onder andere heeft opgemerkt dat het haar werkwijze is dat zij met kredietnemers praat en dat zij dat daarom ook in de dossiers van de Kredietnemers zal hebben gedaan. Zij voert aan dat de betreffende klantdossiers niet zijn aangeleverd omdat [gedaagden 1-3, sub 1] vervalsing wordt verweten. Standaard maakt de behandelend adviseur een gespreksverslag. De ene keer uitgebreid en de andere keer kort en bondig. Misschien is een dergelijk dossier niet van alle 20 kredietnemers voorhanden. [gedaagden 1-3, sub 1] heeft daarbij gewezen op een softwaresysteem waarin ze alles vastlegt, maar ook opgemerkt dat ze een ander softwaresysteem in gebruik heeft genomen, en niet zeker is of ze de klantdossiers van de Kredietnemers nog wel heeft. Dit alles terwijl het de stelling van de Kredietnemers is dat [gedaagden 1-3, sub 1] helemaal niets heeft gedaan, behalve het doorzenden van hun financiële stukken.





5.26.
Al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen het oordeel dat [gedaagden 1-3, sub 1] jegens de Kredietnemers haar zorgplicht heeft geschonden. [eiser 2] heeft [gedaagden 1-3, sub 1] een bedrag van € 4.500 betaald om voor hem een hypothecair krediet te regelen. [eiser 2] heeft een hypothecair krediet gekregen. Als financieel dienstverlener met AFM-vergunning had [gedaagden 1-3, sub 1] [eiser 2] echter ook moeten adviseren over zijn hypothecaire lening, zoals ook overeengekomen in de overeenkomst van opdracht. [gedaagden 1-3, sub 1] had zijn situatie in kaart moeten brengen en zijn wensen en behoeften moeten inventariseren. Als [gedaagden 1-3, sub 1] dat had gedaan, was meteen uit het dossier gebleken dat het inkomen van [eiser 2] onvoldoende was voor het bedrag van de hypothecaire lening die uiteindelijk is aangevraagd. Gelet op het tijdsverloop tussen het tekenen van de overeenkomst van opdracht en het verkrijgen van het krediet, was ook meer dan voldoende tijd beschikbaar voor [gedaagden 1-3, sub 1] om inlichtingen in te winnen bij [eiser 2] en hem te adviseren. [gedaagden 1-3, sub 1] is niet direct aansprakelijk voor het handelen van [gedaagde 4] die niet bij haar in dienst was. Maar [gedaagden 1-3, sub 1] heeft te veel vertrouwd op [gedaagde 4], waarvan ze wist dat deze niet beschikte over een AFM-vergunning, en de verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van inlichtingen bij [eiser 2] kennelijk aan [gedaagde 4] overgelaten. Daarmee heeft [gedaagden 1-3, sub 1] haar zorgplicht jegens [eiser 2] geschonden en is zij jegens [eiser 2] te kort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen op grond van de overeenkomst van opdracht. Aan de stellingen van [gedaagden 1-3] dat zij wel informatie heeft ingewonnen bij [eiser 2] gaat de rechtbank voorbij. Zij heeft als productie overgelegd de met [eiser 2] getekende overeenkomst, financiële stukken en stukken betreffende het aan [eiser 2] verleende hypothecaire krediet, maar geen stuk waaruit volgt dat zij verder een dossier heeft bijgehouden van de inlichtingen die [eiser 2] aan haar zou hebben verstrekt. Ook tijdens de mondelinge behandeling was [gedaagden 1-3, sub 3] heel vaag over wanneer en op welke wijze [gedaagden 1-3, sub 1] inlichtingen heeft ingewonnen. Met dit een en ander heeft [gedaagden 1-3, sub 1] haar stellingen op dit punt onvoldoende toegelicht.



5.27.
De conclusie van paragraaf 5.26. dat [gedaagden 1-3, sub 1] haar zorgplicht heeft geschonden geldt ook ten aanzien van [eiser 1] en [eiser 3] en [eiser 4]. Niet in geschil is dat zij een aanbieding hadden voor een hypothecaire krediet, maar dat [eiseres 2] deze aanbieding heeft ingetrokken. Niet is duidelijk geworden wanneer zij de overeenkomst van opdracht hebben getekend, zodat niet duidelijk is hoeveel tijd er was voor het verstrekken van advies door [gedaagden 1-3, sub 1]. [gedaagden 1-3, sub 1] heeft echter niet weersproken dat zij de verplichting had met [eiser 1] en [eiser 3] en [eiser 4] te spreken en hen te adviseren. Dat zij dit heeft gedaan en op welke wijze, heeft zij echter onvoldoende toegelicht. In de laatste akte heeft [gedaagden 1-3, sub 1] nog erop gewezen dat [eiser 3] en [eiser 4] op de hoogte waren van de hypotheekaanvraag en de IKV. Voor zover [gedaagden 1-3, sub 1] daarmee bedoelt te stellen dat [eiser 3] en [eiser 4] wisten van de vervalsingen, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Gedaagden zijn niet meer in de gelegenheid gesteld om in de akte op dit punt nadere stellingen in te nemen.



5.28.
In de stellingen van [gedaagden 1-3] inzake de eigen verantwoordelijkheid van de Kredietnemers, die zelf hebben gekozen om [gedaagde 4] in te schakelen, hun financiële stukken via [gedaagde 4] aan [gedaagden 1-3, sub 1] hebben geleverd, en kennelijk onvoldoende kennis hebben genomen van de door de rekenexpert opgestelde IKV omdat zij nooit hebben gemeld dat de financiële informatie aan de basis van de IKV niet correct was, leest de rechtbank een beroep op eigen schuld, dat bij de bepaling van de hoogte van de aan de Kredietnemers (mogelijk) te betalen schadevergoeding moet worden meegewogen.



Schade





5.29.
De rechtbank zal de gevorderde verwijzing naar de schadestaat ten aanzien van de Kredietnemers toewijzen. Voor wat betreft [eiser 1] en [eiser 3] en [eiser 4] geldt dat [eiseres 2] het aanbod voor een hypothecair krediet heeft ingetrokken op het moment dat er geen financieringsbehoud (meer) gold ten aanzien van de woning die zij al had(den) gekocht. Daarbij komt dat [eiser 3] en [eiser 4] schade hebben geleden omdat zij hun hypotheek bij ING hebben beëindigd ten behoeve van het verkrijgen van een hypotheek bij [eiseressen 1+2] Blijven bij ING was niet bespreekbaar. De gunstige rentevoorwaarden van ING (1,94%) en de meeneemregeling zijn daarmee komen te vervallen. Ook ten aanzien van [eiser 2] is aannemelijk dat hij in de toekomst mogelijk schade zal lijden als gevolg van het handelen van [gedaagde 4] en [gedaagden 1-3, sub 1]. [eiseressen 1+2] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat gelet op de fraude, de kredietovereenkomst met [eiser 2] kan worden opgezegd, zoals reeds met andere kredietnemers is gebeurd. Gekeken wordt nog waar coulance mogelijk is. Daarnaast is genoegzaam gebleken dat [eiser 2] vergoedingen aan [gedaagde 4] en [gedaagden 1-3, sub 1] heeft betaald.




Vennoten





5.30.


[gedaagden 1-3, sub 2] en [gedaagden 1-3, sub 3] zijn als vennoten op grond van artikel 18 Wetboek van Koophandel hoofdelijk aansprakelijk jegens de Kredietnemers voor de schade die zij lijden als gevolg van de schending van de zorgplicht van [gedaagden 1-3, sub 1].

Conclusie aansprakelijkheid [gedaagde 4] en [gedaagden 1-3] jegens de Kredietnemers





5.31.


[gedaagde 4] en [gedaagden 1-3, sub 1] hebben ieder onzorgvuldig jegens de Kredietnemers gehandeld. Daarmee zijn zij en ook de vennoten aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade. Op grond van artikel 6:102 BW zijn zij hoofdelijk verbonden. De gevorderde hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van die schade en de verwijzing naar de schadestaat zal worden toegewezen.


[eiseressen 1+2]






5.32.
De rechtbank komt nu toe aan de beoordeling van de mogelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 4], respectievelijk [gedaagden 1-3, sub 1] jegens [eiseressen 1+2]




[gedaagde 4]






5.33.

[gedaagde 4] heeft onrechtmatig gehandeld jegens [eiseressen 1+2] In paragraaf 5.13. heeft de rechtbank geconcludeerd dat [gedaagde 4] de financiële gegevens van in ieder geval de Kredietnemers heeft vervalst. Het vervalsen van financiële gegevens is in strijd met de wet en met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt. [eiseressen 1+2] heeft bij het verstrekken van de hypothecaire kredieten vertrouwd op de IKV, die is gebaseerd op de vervalste financiële gegevens. Daarbij is [eiseressen 1+2] uitgegaan van een te hoog inkomen waardoor zij kredieten heeft verstrekt die niet in verhouding staan tot het inkomen van de betreffende kredietnemer. Er is sprake van overkreditering. Financiële instellingen moeten waken voor overkreditering, de kans is reëel dat de betreffende kredietnemer niet aan de verplichtingen onder de overeenkomst zal kunnen voldoen, waardoor de hypothecaire lening moet worden opgezegd.



5.34.

[eiseressen 1+2] heeft aannemelijk gemaakt dat zij schade lijdt als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 4]. Zij heeft, naar zij onweersproken heeft gesteld, kosten gemaakt in de dossiers waarin zij uiteindelijk geen krediet heeft verstrekt. Daarnaast heeft zij inmiddels vier tot vijf van de wel afgesloten kredietovereenkomsten opgezegd, waarbij aannemelijk is dat de betreffende kredietnemer mogelijk de lening niet in zijn geheel kan terugbetalen en [eiseressen 1+2] bovendien kosten zal moeten maken voor de afhandeling.



5.35.


[gedaagden 1-3, sub 1] heeft bij [eiseressen 1+2] 20 kredietnemers aangebracht, die via [gedaagde 4] bij haar terecht zijn gekomen. [eiseressen 1+2] heeft niet van alle 20 kredietnemers de stukken overgelegd waaruit volgt dat de betreffende financiële gegevens zijn vervalst. Door het overleggen van de IKV en de financiële stukken waarop deze zijn gebaseerd, tezamen met de juiste financiële gegevens, kan [eiseressen 1+2] in een schadestaatprocedure vrij eenvoudig de vervalsingen aantonen. [eiseressen 1+2] heeft tijdens de mondelinge behandeling ook gesteld dat zij in het bezit is van de stukken waarmee de vervalsingen gemakkelijk kunnen worden aangetoond. Gelet hierop acht de rechtbank het in het kader van een efficiënte procesvoering niet noodzakelijk dat [eiseressen 1+2] deze stukken alsnog in deze procedure inbrengt. De rechtbank zal in deze procedure volstaan met het oordeel dat [gedaagde 4] in ieder geval ten aanzien van zes kredietnemers, namelijk de Kredietnemers, [naam 1], [naam 2] en [naam 3], onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseressen 1+2] Voor zover [eiseressen 1+2] ook ten aanzien van de overige kredietnemers schade wil vorderen, kan zij in een (gecombineerde) schadestaatprocedure het onrechtmatig handelen door het vervalsen van financiële gegevens van deze overige kredietnemers aantonen.



[gedaagden 1-3, sub 1]






5.36.
Tussen [eiseressen 1+2] en [gedaagden 1-3, sub 1] bestond geen contractuele relatie. [gedaagden 1-3, sub 1] had een overeenkomst gesloten met de (aspirant)kredietnemers en vroeg namens de (aspirant)kredietnemers een hypothecair krediet aan bij [eiseressen 1+2] Van een tekortkoming van [gedaagden 1-3, sub 1] in een met [eiseressen 1+2] gesloten overeenkomst is dan ook geen sprake. Dan resteert de vraag of [gedaagden 1-3, sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseressen 1+2] De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.



5.37.

[eiseressen 1+2] heeft onvoldoende feiten en of omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat [gedaagden 1-3, sub 1] heeft meegewerkt aan de vervalsingen dan wel hiervan op de hoogte was. In de dagvaarding heeft ze gesteld te verwachten dat uit de in beslag genomen bescheiden volgt dat [gedaagden 1-3, sub 1] ondubbelzinnig van de fraude op de hoogte was en daarbij (daardoor) actieve betrokkenheid had. Vervolgens heeft [eiseressen 1+2] geen stukken overgelegd waaruit dit volgt. [gedaagden 1-3] heeft aangevoerd dat [gedaagden 1-3, sub 1] de financiële stukken niet heeft vervalst en evenmin op de hoogte is geweest van de vervalsingen. Ook heeft zij ten aanzien van [eiser 2], [eiser 1] en nog een kredietnemer e-mails van [gedaagde 4] overgelegd waaruit volgt dat [gedaagde 4] de door hem vervalste stukken aan [gedaagden 1-3, sub 1] heeft gemaild. Nu [eiseressen 1+2] voorts heeft gesteld dat het om geraffineerde vervalsingen ging, die er authentiek uitzagen en noch de rekenexperts noch [eiseressen 1+2] de vervalsingen hebben opgemerkt, kan ook niet worden geoordeeld dat [gedaagden 1-3, sub 1] de vervalsingen had moeten zien.



5.38.

[gedaagde 4] was voorts niet in dienst van [gedaagden 1-3, sub 1], dus [gedaagden 1-3, sub 1] is ook niet uit dien hoofde aansprakelijk voor de gedragingen van [gedaagde 4]. Tussen [gedaagden 1-3, sub 1] en [gedaagde 4] bestond een contractuele relatie, waarbij niet precies duidelijk is geworden wat partijen met elkaar hebben afgesproken, zie ook onder 5.23.



5.39.

[eiseressen 1+2] stelt dat zij op basis van verklaringen van kredietnemers en informatie van andere financiële instellingen heeft kunnen vaststellen dat tussen [gedaagde 4] enerzijds en [gedaagden 1-3, sub 1] anderzijds een bestendige samenwerking tot stand is gekomen waarbij [gedaagde 4] cliënten aanbracht bij [gedaagden 1-3, sub 1], de materiële rol van tussenpersoon vervulde en fungeerde als verlengstuk van [gedaagden 1-3, sub 1] en door klanten ook als zodanig werd gepercipieerd, onder meer omdat hij zelfs cliënten op het kantoor van [gedaagden 1-3, sub 1] ontving. [gedaagde 4] verrichtte werkzaamheden die [gedaagden 1-3, sub 1] als hypotheekadviseur en -bemiddelaar normaliter verrichtte. In het enkele geval dat een bespreking op kantoor van [gedaagden 1-3, sub 1] plaatsvond, was [gedaagde 4] daarbij en gedroeg hij zich volgens de kredietnemers als ‘de baas’. [gedaagden 1-3, sub 1] wist evenwel dat [gedaagde 4] niet over een vereiste AFM-vergunning beschikte, althans had dit kunnen en moeten weten. Voorts heeft [gedaagden 1-3, sub 1] laten optekenen dat ze kredietnemers heeft ontmoet en hun paspoorten heeft gecontroleerd, terwijl aantoonbaar is gebleken dat dit niet het geval was. Tegen die achtergrond hebben handelingen van [gedaagde 4] te gelden als handelingen die voor rekening en risico van [gedaagden 1-3, sub 1] moeten komen. [eiseressen 1+2] wijst in dit kader op artikel 6:171 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat (al dan niet naar analogie) van toepassing is en op grond waarvan ‘fouten’ van een ingeschakelde hulppersoon voor rekening van de opdrachtgever dienen te komen.



5.40.

[gedaagden 1-3, sub 1] heeft de stellingen van [eiseressen 1+2] betwist. [gedaagde 4] en [gedaagden 1-3, sub 1] vormden geen vast samenwerkingsverband en [gedaagde 4] was geen verlengstuk van [gedaagden 1-3, sub 1]. [gedaagden 1-3, sub 1] had altijd een 1:1 contact met haar cliënten. Dus ook met die cliënten die via [gedaagde 4] bij [gedaagden 1-3, sub 1] kwamen. Ook anderen, waaronder accountants, boekhouders en makelaars droegen klanten aan bij [gedaagden 1-3, sub 1]. [gedaagden 1-3, sub 1] had als taak die klanten te informeren en te adviseren over een hypotheekaanvraag. Kennelijk is er een enkel geval dat een cliënt stelt dat [gedaagde 4] zich gedroeg als een “baas”. Als hij dat al deed was dat buiten medeweten van [gedaagden 1-3, sub 1] en zou [gedaagden 1-3, sub 1] hem direct hebben gecorrigeerd. [gedaagden 1-3, sub 1] heeft verder betwist dat zij valse verklaringen afgaf, bezoeken fingeerde, documenten manipuleerde of [gedaagde 4] betaalde per dossier voor zijn werkzaamheden. [gedaagde 4] was geen hulppersoon en kan zo ook nooit gekwalificeerd worden. Laat staan dat aan hem taken werden uitbesteed.



5.41.
Zelfs als [gedaagden 1-3, sub 1] (delen van) de identificering van cliënten aan [gedaagde 4] heeft overgelaten, heeft toegestaan dat [gedaagde 4] op haar kantoor met cliënten sprak en zelf niet aan haar zorgplicht richting haar cliënten heeft voldaan, betekent dit niet dat derhalve tussen [gedaagden 1-3, sub 1] en [gedaagde 4] een bestendige samenwerking bestaat op grond waarvan in de verhouding tussen [gedaagden 1-3, sub 1] en [eiseressen 1+2] het handelen van [gedaagde 4] voor rekening en risico van [gedaagden 1-3, sub 1] komt. De cliënten van [gedaagden 1-3, sub 1] stelden heel veel vertrouwen in [gedaagde 4] en accepteerden hem als eerste aanspreekpunt. In dat kader is het niet vreemd dat [gedaagde 4] een rol vervulde in het proces dat moest leiden tot een hypothecair krediet. Niet is komen vast te staan dat [gedaagden 1-3, sub 1] op de hoogte was van de vervalsingen. [gedaagden 1-3, sub 1] had een zorgplicht richting haar eigen cliënten. Deze zorgplicht had zij echter niet richting de derde kredietverstrekker [eiseressen 1+2] Anders dan geldt voor banken rust op [gedaagden 1-3, sub 1] als kleine hypotheekbemiddelaar geen bijzondere zorgplicht richting derden.



5.42.

De zorgplicht van [gedaagden 1-3, sub 1] richt zich op de cliënten van [gedaagden 1-3, sub 1], waarbij gewaakt moet worden voor overkreditering. Deze zelfde zorgplicht rust ook op [eiseressen 1+2] als kredietverstrekker. Artikel 4:34 lid 1 van de Wft bepaalt dat [eiseressen 1+2] de verplichting heeft om, alvorens een consument krediet te verschaffen, in het belang van de consument, bij deze informatie in te winnen over diens financiële positie en te beoordelen, ter voorkoming van overkreditering van de consument, of het aangaan van de kredietovereenkomst verantwoord is. Op grond van artikel 4:34 lid 2 Wft kan [eiseressen 1+2] geen overeenkomst van krediet aangaan met een consument indien dit, met het oog op overkreditering van de consument, onverantwoord is. In het arrest van 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2298 overwoog de Hoge Raad als volgt:
“3.4.2 (…) Deze bijzondere zorgplicht rust niet alleen op banken, maar ook op andere professionele kredietverstrekkers (vgl. art. 51 Wfd (oud), welke bepaling de verplichting tot het inwinnen van informatie legt op ‘de aanbieder’ als bedoeld in die wet). Die zorgplicht bestaat ongeacht of de consument wordt bijgestaan door een tussenpersoon. De kredietverstrekker mag niet zonder meer afgaan op de door de tussenpersoon aan hem verschafte inlichtingen over de inkomens- en vermogenspositie van de consument, aangezien hij zelf ervoor verantwoordelijk blijft te waken tegen overkreditering van de consument en daartoe zo nodig zelf nadere inlichtingen moet inwinnen of gegevens moet verifiëren.”



Hieruit volgt dat [eiseressen 1+2] richting de kredietnemer niet mocht vertrouwen op de gegevens die [gedaagden 1-3, sub 1] als hypotheekbemiddelaar namens de kredietnemers aandroeg, maar zelf onderzoek moest doen. [gedaagden 1-3, sub 1] heeft ook, onweersproken door [eiseressen 1+2], aangevoerd dat de financiële informatie, de IKV, het taxatierapport en de bouwkundige keuring aan de financier, in dit geval dus [eiseressen 1+2], zijn gestuurd. Het is de eigen taak van [eiseressen 1+2] om vervolgens de financiële stukken na te rekenen en te controleren of de financiële gegevens kloppen en of het mogelijk is om een hypotheek te verstrekken. De financier zal een eigen besluit moeten nemen over de verstrekking.




5.43.
Niet is gesteld of anderszins gebleken dat [eiseressen 1+2] bij de kredietnemers informatie heeft ingewonnen, anders dan het beoordelen van de IKV. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [eiseressen 1+2] ook gezegd dat de vervalsingen [eiseres 1] niet zijn opgevallen, ze zijn geraffineerd en daarmee moeilijk te ontdekken. [eiseres 1] is kennelijk niet in staat de financiële stukken zelf te verifiëren, daarvoor heeft zij een rekenexpert ingeschakeld. Die door [eiseressen 1+2] ingeschakelde rekenexpert heeft de vervalsingen ook niet gezien. [eiseressen 1+2] heeft de rekenexpert niet aansprakelijk gesteld. Voorts heeft de advocaat gezegd dat [eiseressen 1+2] niet spreekt met de kredietnemers, maar dat het hele proces via tussenpersonen gaat en dat [eiseressen 1+2] alleen de IKV heeft bekeken. Daar komt bij dat [gedaagden 1-3, sub 1], onweersproken door [eiseressen 1+2], in de conclusie van antwoord heeft aangevoerd dat [eiseres 1] in de markt bekend stond als een financier waar relatief snel hypotheken konden worden verkregen.



5.44.
De rechtbank heeft hiervoor in de paragrafen 5.26 en 5.27 overwogen dat [gedaagden 1-3, sub 1] richting de Kredietnemers haar zorgplicht heeft geschonden door niet zelf de benodigde inlichtingen bij de Kredietnemers in te winnen, deze te adviseren en daarvan een dossier bij te houden. Hieruit volgt echter niet dat haar handelen onrechtmatig was jegens [eiseressen 1+2] Ook niet als het handelen van [gedaagden 1-3, sub 1], waarbij zij vertrouwde op [gedaagde 4], schadelijk gevolgen kon hebben voor [eiseressen 1+2] [gedaagden 1-3, sub 1] is een klein bemiddelingsbureau met twee vennoten en twee medewerkers, die een contractuele zorgplicht heeft richting haar eigen cliënten. Op grond van de Wft heeft ze ook een publiekrechtelijke zorgplicht voor wat betreft het voorkomen van fraude in de financiële markten. Deze publiekrechtelijke zorgplicht heeft zij echter niet jegens [eiseressen 1+2] als hypotheekverstrekker. [eiseressen 1+2] had immers een eigen zorgplicht om te waken tegen overkreditering waarbij zij juist niet alleen mocht vertrouwen op de door de kredietnemer via [gedaagden 1-3, sub 1] aangeleverde gegevens. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde omstandigheden niet het oordeel rechtvaardigen dat [eiseressen 1+2] hierbij op [gedaagden 1-3, sub 1] mocht vertrouwen en [gedaagden 1-3, sub 1] ook een verantwoordelijkheid richting [eiseressen 1+2] had, waardoor het handelen van [gedaagde 4] voor haar rekening en risico kwam.



5.45.
Ook het beroep van [eiseressen 1+2] op groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 BW wijst de rechtbank af. [eiseressen 1+2] heeft gesteld dat elke gedaagde op eigen wijze heeft bijgedragen aan de fraude, een zelfstandige rol daarbij heeft gespeeld, er een onderlinge taakverdeling was en [gedaagden 1-3, sub 1] haar fee deelde met [gedaagde 4]. Zij konden voorzien dat hun handelen in groepsverband schade zou kunnen veroorzaken bij [eiseressen 1+2] De rechtbank heeft onder 5.44. geconcludeerd dat [gedaagden 1-3, sub 1] niet onrechtmatig jegens [eiseressen 1+2] heeft gehandeld. Voor de toepasselijkheid van artikel 6:166 BW is dat wel een vereiste.






Conclusie aansprakelijkheid [gedaagde 4] en [gedaagden 1-3] jegens [eiseressen 1+2]





5.46.

[gedaagde 4] heeft onrechtmatig gehandeld jegens [eiseressen 1+2] en is aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade. De op dit punt gevorderde veroordeling tot vergoeding van die schade en de verwijzing naar de schadestaat zal in zoverre worden toegewezen.


5.47.


[gedaagden 1-3] heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiseressen 1+2] en is aldus niet schadeplichtig jegens [eiseressen 1+2] De betreffende vorderingen worden afgewezen.


Proceskosten

eisers - [gedaagde 4]





5.48.
In het geschil tussen [eiseressen 1+2] en de Kredietnemers jegens [gedaagde 4] is [gedaagde 4] in het ongelijk gesteld. De rechtbank zal [gedaagde 4] daarom veroordelen in de proceskosten. De proceskosten (inclusief de beslagkosten) van [eiseressen 1+2] en de Kredietnemers worden begroot op:


- dagvaarding € 117,08- beslagkosten € 414,60- griffierecht € 2.889,00- salaris advocaat € 1.959,00 (3 punten x tarief II à € 653)- nakosten € 189,00Totaal € 5.568,68




5.49.

De over de proceskosten gevorderde rente zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing opgenomen.


eisers – [gedaagden 1-3]





5.50.
In het geschil tussen [eiseressen 1+2] en de Kredietnemers jegens [gedaagden 1-3] zijn partijen over en weer in het (ongelijk) gesteld. De rechtbank ziet hierin aanleiding de betreffende proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.






6De beslissing

De rechtbank:



ten aanzien van [eiseressen 1+2]




6.1.
veroordeelt [gedaagde 4] tot vergoeding aan [eiseressen 1+2] van de als gevolg van zijn handelen door [eiseressen 1+2] geleden en te lijden schade met betrekking tot de onder randnummer 5.35 genoemde zes kredietnemers, op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag waarop de schade is geleden tot aan de dag van volledige betaling;



ten aanzien van de Kredietnemers
6.2. veroordeelt [gedaagde 4] en [gedaagden 1-3] hoofdelijk tot vergoeding aan de Kredietnemers van de als gevolg van hun handelen door de Kredietnemers geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf de dag waarop de schade is geleden tot aan de dag van volledige vergoeding;

ten aanzien van [eiseressen 1+2] en de Kredietnemers





6.3.
veroordeelt [gedaagde 4] hoofdelijk in de proceskosten van de Kredietnemers en [eiseressen 1+2] van € 5.568,68 te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde 4] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde 4] € 98 extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag waarop de proceskosten volledig zijn betaald;



6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



6.5.
compenseert de kosten van deze procedure in het geschil tegen [gedaagden 1-3], in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;



6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.






Waarbij [eiser 3] en [eiser 4] tezamen als een kredietnemer tellen, producties 15 tot en met 21 van eisers


Productie 15 van eisers.


Productie 17 van eisers.


Producties 33 tot en met 36 van eisers.


Zie producties 37 tot en met 41 van eisers.


Productie 15 van eisers.


Exploot beslag onroerend goed [gedaagde 4] € 317,03 + exploot overbetekening [gedaagde 4] € 97,57