Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26086
2026-09-08
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.11548
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing asielaanvraag kan in stand blijven. De minister heeft voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser en mocht het onderzoek van Bureau Documenten aan zijn besluit ten grondslag leggen. De minister heeft verder terecht ongeloofwaardig bevonden dat aan eiser lidmaatschap van de Moslimbroederschap wordt toegedicht. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij alleen op grond van zijn Egyptische nationaliteit een reëel risico loopt op ernstige schade.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2020:1904 Raad van State 19-08-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:628 Raad van State 28-02-2020
- ECLI:EU:C:2026:448
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.929 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11548
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser en mocht het onderzoek van Bureau Documenten aan zijn besluit ten grondslag leggen. De minister heeft verder terecht ongeloofwaardig bevonden dat aan eiser lidmaatschap van de Moslimbroederschap wordt toegedicht. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij alleen op grond van zijn Egyptische nationaliteit een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook mocht de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod opleggen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 24 februari 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. F.S. Boedhoe als gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
2.3.
De rechtbank heeft op 27 augustus 2026 van mr. E.H. Bokhorst bericht ontvangen dat hij de behandeling van de zaak heeft overgenomen van mr. Boedhoe.
Beoordeling door de rechtbank
3. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Hij is meermaals gedetineerd en mishandeld door de staatsveiligheidsdienst, die hem ervan verdacht lid te zijn van de Moslimbroederschap. Verder is aan eiser gevraagd om voor de staatsveiligheidsdienst te werken als informant binnen de Moslimbroederschap. Toen eiser vernam dat er een veegoperatie ging plaatsvinden tegen iedereen die werd verdacht van lidmaatschap van of betrokkenheid bij de Moslimbroederschap is hij gevlucht naar Syrië. Eiser is vervolgens weer teruggekeerd naar Egypte toen het regime van president Mubarak was gevallen, maar werd daar gearresteerd en verhoord over een zaak betreffende de Moslimbroederschap uit 2008 die nog open stond. Eiser heeft daarop via Sudan het land weer verlaten. Eiser is naar eigen zeggen verder veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf wegens deelname aan de Moslimbroederschap en heeft hiervan een vonnis overgelegd.
4.1.
Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser de volgende documenten overgelegd: een geboorteakte, een proces-verbaal van verhoor van de politie van 15 maart 2008, een verklaring van de rechtbank van 15 juni 2018 en een onderzoeksrapport van de geheime dienst van 14 maart 2008.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
toegedicht lidmaatschap van de Moslimbroederschap.
De minister stelt zich op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Met betrekking tot het asielmotief over het toegedichte lidmaatschap van de moslimbroederschap stelt de minister zich op het standpunt dat eiser dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten heeft onderbouwd en dat het asielmotief niet alsnog geloofwaardig is om de volgende redenen. Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd zonder daarvoor een goede verklaring te geven. De verklaringen van eisers over dit asielmotief vormen verder geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook heeft eiser zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en tot slot kan eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd. De minister heeft daarom alleen gekeken of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval. De minister heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader tijdens het gehoor en bij de besluitvorming. Zijn referentiekader is in de besluitvorming onvoldoende expliciet opgenomen. Eiser wijst op het medisch advies waaruit volgt dat sprake is van vermoeidheidsklachten, waar concentratieproblemen en vergeetachtigheid kenmerken van zijn. Volgens eiser hebben deze klachten invloed gehad op het gehoor.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het door Medifirst opgestelde medisch advies volgt dat bij eiser sprake is van een psychische diagnose waardoor wordt geadviseerd de spanning niet te hoog te laten oplopen en om extra pauzes in te lassen. Verder ervaart eiser vermoeidheidsklachten en hoofdpijnklachten. Anders dan eiser stelt volgt uit het advies niet dat bij eiser als gevolg van de vermoeidheidsklachten sprake is van concentratieproblemen en vergeetachtigheid. Uit Werkinstructie 2024/6 blijkt dat de minister in de besluitvorming rekening houdt met het referentiekader van de betreffende vreemdeling. Dat de minister het referentiekader van eiser niet expliciet heeft opgenomen in het bestreden besluit, betekent nog niet dat de minister hier geen rekening mee heeft gehouden. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. De minister heeft in het bestreden besluit namelijk uiteengezet op welke wijze hiermee rekening is gehouden en heeft daarbij ook verwezen naar de geconstateerde medische klachten van eiser. De minister heeft daarbij tevens verwezen naar passages in de besluitvorming waar hij expliciet rekening heeft gehouden met eisers medische omstandigheden en zijn opleidingsniveau. Ook is tijdens het gehoor rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Daar komt bij dat eiser betoogt dat zijn medische klachten invloed hebben gehad op het gehoor, maar dat hij niet verklaart op welke wijze het gehoor niet goed zou zijn verlopen door deze medische klachten of door andere aspecten van zijn referentiekader. Het betoog slaagt daarom niet.
Mag de minister het onderzoek van Bureau Documenten aan zijn besluit ten grondslag leggen?
7. Eiser betoogt dat het door de minister uitgevoerde documentonderzoek naar het door hem overgelegde onderzoeksrapport van de Egyptische geheime dienst, het proces-verbaal van de politie en de verklaring van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk en concludent is en daarom door de minister niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen worden gelegd. Volgens eiser heeft de minister geen inzicht gegeven in het beschikbare vergelijkingsmateriaal en of het vergelijkingsmateriaal op punten wél overeenkomt met de door eiser overgelegde stukken. De minister heeft volgens eiser niet voldaan aan zijn vergewisplicht.
7.1.
Een rapportage van Bureau Documenten is een deskundigenbericht. De minister mag er in beginsel van uitgaan dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dat laat echter onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van de minister als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht meebrengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. In die situaties kan hij niet volstaan met een verwijzing naar de conclusies van de verklaring van onderzoek. Evenmin kan hij volstaan met het ter controle aanbieden van de onderliggende stukken aan de rechtbank. De vergewisplicht rust immers op de minister en niet op de rechter. Een situatie als hiervoor bedoeld doet zich in ieder geval voor als de conclusies van een verklaring van onderzoek in relatie tot de bevindingen naar aanleiding van dat onderzoek vragen oproepen, bijvoorbeeld als die bevindingen niet logischerwijs tot de daaraan verbonden conclusies leiden. Ook als een vreemdeling gemotiveerd heeft betwist dat een verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten, zal de minister nader invulling moeten geven aan zijn vergewisplicht. De minister hoeft, gelet op de vaak zwaarwegende belangen die geheimhouding rechtvaardigen, de verkregen vertrouwelijke informatie vervolgens in de bestuurlijke fase niet met de desbetreffende vreemdeling te delen. Hij moet de vreemdeling wel gemotiveerd berichten of, en zo ja in hoeverre hij de conclusies van Bureau Documenten onderschrijft nadat hij de onderliggende stukken heeft ingezien, of nadat hij nadere informatie bij Bureau Documenten heeft ingewonnen. Op grond daarvan kan de minister besluiten een verklaring van onderzoek geheel, gedeeltelijk of niet aan zijn besluitvorming ten grondslag te leggen.
7.2.
Het betoog slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. Ook heeft eiser geen contra-expertise ingebracht. De enkele stelling van eiser dat niet duidelijk is welk vergelijkingsmateriaal is gebruikt en welke verschillen met het vergelijkingsmateriaal zijn geconstateerd, is daartoe onvoldoende. De vergewisplicht strekt niet zover dat de minister tot in detail inzichtelijk moet maken hoe Bureau Documenten tot zijn conclusie is gekomen. Daarom hoeft in de verklaring van onderzoek niet te worden opgenomen op welk punt het document afwijkt en welk referentiemateriaal is gebruikt. Het gaat immers om vertrouwelijke informatie waarbij het verder inzichtelijk maken zou betekenen dat de details van het onderzoek openbaar moeten worden gemaakt waarmee vervalsers vervolgens hun voordeel kunnen doen. Daar komt overigens nog bij dat de minister in beroep een vergewisbrief van 30 december 2025 heeft overgelegd. Tegen de inhoud van deze vergewisbrief heeft eiser ter zitting geen gronden aangevoerd.
Heeft de minister eisers toegedichte lidmaatschap van de Moslimbroederschap ongeloofwaardig mogen bevinden?
8. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over dit asielmotief niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c d en e, van de Vw 2000. Ten aanzien van het punt dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, heeft de minister eiser tegengeworpen dat het onderzoeksresultaat van Bureau Documenten ten aanzien van de overgelegde documenten van eiser afwijkt van zijn verklaringen en dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn rol als informant voor de staatsveiligheidsdienst.
Eiser heeft geen goede verklaring voor het ontbreken van documenten
9. Eiser betoogt dat hij alle documenten die hij heeft reeds heeft overgelegd en dat het tot op heden niet is gelukt om aan andere documenten te komen.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat het betoog van eiser in beroep een herhaling is van wat in de zienswijze hierover naar voren is gebracht. De minister is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de zienwijze van eiser. Een enkele herhaling in beroep van wat eerder is aangevoerd in de zienswijze, zonder daarbij duidelijk te maken op welke onderdelen de minister in zijn motivering tekort is geschoten, kan niet leiden tot enig resultaat. Reeds daarom slaagt de beroepsgrond niet.
Eiser verklaart niet samenhangend en aannemelijk
10. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn rol als informant voor de staatsveiligheidsdienst. Eiser wijst op het nader gehoor waaruit volgens hem volgt dat hij alleen irrelevante informatie heeft doorgespeeld. Eiser wijst verder naar het medisch advies van Medifirst van 30 september 2024 waarmee de minister in dit kader volgens eiser onvoldoende rekening heeft gehouden.
10.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof van Justitie heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld. Het voorgaande in aanmerking nemend, heeft de minister eiser terecht tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn rol als informant voor de staatsveiligheidsdienst. Hij verklaart bijvoorbeeld enerzijds niets te hebben verklaard, maar anderzijds dat hij informatie gaf over conferenties en bijeenkomsten in het verleden. De minister heeft deze verklaringen terecht als wisselend aangemerkt. Eisers verwijzing naar het nader gehoor doet daaraan op zichzelf niet af. De verwijzing van eiser naar het medisch rapport van Medifirst maakt ook niet dat de minister eisers wisselende verklaringen niet aan hem had mogen tegenwerpen. Eiser heeft dit betoog ook niet verder geconcretiseerd.
Eiser heeft zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend
11. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Volgens eiser was er bij aankomst sprake van een instabiele psychische toestand. Eiser wijst op het medisch advies van Medifirst.
11.1.
De rechtbank stelt vast dat het betoog van eiser in beroep een herhaling is van wat in de zienswijze hierover naar voren is gebracht. De minister is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de zienwijze van eiser. Een enkele herhaling in beroep van wat eerder is aangevoerd in de zienswijze, zonder daarbij duidelijk te maken op welke onderdelen de minister in zijn motivering tekort is geschoten, kan niet leiden tot enig resultaat. Reeds daarom slaagt de beroepsgrond niet.
Eiser kan niet op grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd
12. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij bij aankomst in de Europese Unie niet onverwijld asiel heeft aangevraagd, maar nadat zijn aanvraag in Griekenland was afgewezen via Albanië, Kosovo, Servië. Roemenië, Hongarije, Oostenrijk, Zwitserland en Duitsland naar Nederland is gereisd en hier asiel heeft aangevraagd en niet in een van de andere landen. Eiser wijst erop dat het voor asielzoekers niet ongebruikelijk is om niet direct een asielaanvraag in te dienen gelet op de zorgelijke situatie waarmee zij worden geconfronteerd. Eiser wijst er verder op dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het feit dat zijn asielaanvraag in Griekenland is afgewezen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de noodzaak tot internationale bescherming. De minister moet immers een eigen afweging maken en kan niet afgaan op de afwijzing van zijn aanvraag door de Griekse autoriteiten.
12.1.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eiser niet onverwijld asiel heeft aangevraagd na de afwijzing van zijn asielaanvraag in Griekenland afbreuk doet aan de gestelde noodzakelijkheid van eisers verzoek om internationale bescherming in Nederland. Daarbij komt dat eiser de uitkomst van zijn asielaanvraag in Oostenrijk niet heeft afgewacht. Verder heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de afwijzing van de aanvraag in Griekenland verdere afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de noodzakelijkheid van eiser om internationale bescherming, Hierbij merkt de rechtbank nog op dat de minister een eigen beoordeling van eisers asielaanvraag heeft gemaakt en zich niet heeft beperkt tot een verwijzing naar de afwijzing van eisers asielaanvraag in Griekenland.
Artikel 3 van het EVRM
13. Eiser betoogt dat hij bij uitzetting naar Egypte zal worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
13.1
Nu de minister eisers asielrelaas terecht als ongeloofwaardig heeft aangemerkt stelt de minister zich terecht op het standpunt dat louter eisers Egyptische nationaliteit onvoldoende is om een schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer aannemelijk te achten.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
14. Eiser betoogt dat aan hem op grond van artikel 66a, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw 2000 geen inreisverbod had mogen worden opgelegd wegens zijn bijzondere individuele omstandigheden bestaande uit zijn psychische klachten. Eiser wijst erop dat het in Egypte voor hem niet veilig is zodat aan hem geen terugkeerbesluit had mogen worden opgelegd ingevolge artikel 62, tweede lid onder b, van de Vw 2000.
14.1.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich gezien het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat de afgelegde verklaringen van eiser als kennelijk vals worden beoordeeld, nu het onderzoeksresultaat van Bureau Documenten ten aanzien van de door eiser overgelegde documenten afwijkt van eisers verklaringen, en heeft de aanvraag om die reden kennelijk ongegrond mogen verklaren op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Dat maakt dat de minister aan eiser een terugkeerbesluit heeft mogen opleggen waarin hij bepaalt dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. De minister heeft daarom aan eiser ook een inreisverbod mogen opleggen. Het enkele betoog ter zitting dat sprake is van (niet nader gespecificeerde) psychische klachten is onvoldoende voor het oordeel dat de minister hem geen terugkeerbesluit of inreisverbod heeft mogen opleggen.
Conclusie en gevolgen
15. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van de griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 31, zesde lid aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Artikel 31, zesde lid aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Artikel 31, zesde lid aanhef en onder d, van de Vw 2000.
Artikel 31, zesde lid aanhef en onder e, van de van de Vw 2000.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1904.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:628.
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Nader gehoor, pagina 14.
HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.
Artikel 62, tweede lid aanhef en onder b, van de Vw 2000.
Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11548
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser en mocht het onderzoek van Bureau Documenten aan zijn besluit ten grondslag leggen. De minister heeft verder terecht ongeloofwaardig bevonden dat aan eiser lidmaatschap van de Moslimbroederschap wordt toegedicht. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij alleen op grond van zijn Egyptische nationaliteit een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook mocht de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod opleggen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 24 februari 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. F.S. Boedhoe als gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
2.3.
De rechtbank heeft op 27 augustus 2026 van mr. E.H. Bokhorst bericht ontvangen dat hij de behandeling van de zaak heeft overgenomen van mr. Boedhoe.
Beoordeling door de rechtbank
3. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Hij is meermaals gedetineerd en mishandeld door de staatsveiligheidsdienst, die hem ervan verdacht lid te zijn van de Moslimbroederschap. Verder is aan eiser gevraagd om voor de staatsveiligheidsdienst te werken als informant binnen de Moslimbroederschap. Toen eiser vernam dat er een veegoperatie ging plaatsvinden tegen iedereen die werd verdacht van lidmaatschap van of betrokkenheid bij de Moslimbroederschap is hij gevlucht naar Syrië. Eiser is vervolgens weer teruggekeerd naar Egypte toen het regime van president Mubarak was gevallen, maar werd daar gearresteerd en verhoord over een zaak betreffende de Moslimbroederschap uit 2008 die nog open stond. Eiser heeft daarop via Sudan het land weer verlaten. Eiser is naar eigen zeggen verder veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf wegens deelname aan de Moslimbroederschap en heeft hiervan een vonnis overgelegd.
4.1.
Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser de volgende documenten overgelegd: een geboorteakte, een proces-verbaal van verhoor van de politie van 15 maart 2008, een verklaring van de rechtbank van 15 juni 2018 en een onderzoeksrapport van de geheime dienst van 14 maart 2008.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
toegedicht lidmaatschap van de Moslimbroederschap.
De minister stelt zich op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Met betrekking tot het asielmotief over het toegedichte lidmaatschap van de moslimbroederschap stelt de minister zich op het standpunt dat eiser dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten heeft onderbouwd en dat het asielmotief niet alsnog geloofwaardig is om de volgende redenen. Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd zonder daarvoor een goede verklaring te geven. De verklaringen van eisers over dit asielmotief vormen verder geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook heeft eiser zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en tot slot kan eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd. De minister heeft daarom alleen gekeken of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval. De minister heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader tijdens het gehoor en bij de besluitvorming. Zijn referentiekader is in de besluitvorming onvoldoende expliciet opgenomen. Eiser wijst op het medisch advies waaruit volgt dat sprake is van vermoeidheidsklachten, waar concentratieproblemen en vergeetachtigheid kenmerken van zijn. Volgens eiser hebben deze klachten invloed gehad op het gehoor.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het door Medifirst opgestelde medisch advies volgt dat bij eiser sprake is van een psychische diagnose waardoor wordt geadviseerd de spanning niet te hoog te laten oplopen en om extra pauzes in te lassen. Verder ervaart eiser vermoeidheidsklachten en hoofdpijnklachten. Anders dan eiser stelt volgt uit het advies niet dat bij eiser als gevolg van de vermoeidheidsklachten sprake is van concentratieproblemen en vergeetachtigheid. Uit Werkinstructie 2024/6 blijkt dat de minister in de besluitvorming rekening houdt met het referentiekader van de betreffende vreemdeling. Dat de minister het referentiekader van eiser niet expliciet heeft opgenomen in het bestreden besluit, betekent nog niet dat de minister hier geen rekening mee heeft gehouden. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. De minister heeft in het bestreden besluit namelijk uiteengezet op welke wijze hiermee rekening is gehouden en heeft daarbij ook verwezen naar de geconstateerde medische klachten van eiser. De minister heeft daarbij tevens verwezen naar passages in de besluitvorming waar hij expliciet rekening heeft gehouden met eisers medische omstandigheden en zijn opleidingsniveau. Ook is tijdens het gehoor rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Daar komt bij dat eiser betoogt dat zijn medische klachten invloed hebben gehad op het gehoor, maar dat hij niet verklaart op welke wijze het gehoor niet goed zou zijn verlopen door deze medische klachten of door andere aspecten van zijn referentiekader. Het betoog slaagt daarom niet.
Mag de minister het onderzoek van Bureau Documenten aan zijn besluit ten grondslag leggen?
7. Eiser betoogt dat het door de minister uitgevoerde documentonderzoek naar het door hem overgelegde onderzoeksrapport van de Egyptische geheime dienst, het proces-verbaal van de politie en de verklaring van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk en concludent is en daarom door de minister niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen worden gelegd. Volgens eiser heeft de minister geen inzicht gegeven in het beschikbare vergelijkingsmateriaal en of het vergelijkingsmateriaal op punten wél overeenkomt met de door eiser overgelegde stukken. De minister heeft volgens eiser niet voldaan aan zijn vergewisplicht.
7.1.
Een rapportage van Bureau Documenten is een deskundigenbericht. De minister mag er in beginsel van uitgaan dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dat laat echter onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van de minister als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht meebrengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. In die situaties kan hij niet volstaan met een verwijzing naar de conclusies van de verklaring van onderzoek. Evenmin kan hij volstaan met het ter controle aanbieden van de onderliggende stukken aan de rechtbank. De vergewisplicht rust immers op de minister en niet op de rechter. Een situatie als hiervoor bedoeld doet zich in ieder geval voor als de conclusies van een verklaring van onderzoek in relatie tot de bevindingen naar aanleiding van dat onderzoek vragen oproepen, bijvoorbeeld als die bevindingen niet logischerwijs tot de daaraan verbonden conclusies leiden. Ook als een vreemdeling gemotiveerd heeft betwist dat een verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten, zal de minister nader invulling moeten geven aan zijn vergewisplicht. De minister hoeft, gelet op de vaak zwaarwegende belangen die geheimhouding rechtvaardigen, de verkregen vertrouwelijke informatie vervolgens in de bestuurlijke fase niet met de desbetreffende vreemdeling te delen. Hij moet de vreemdeling wel gemotiveerd berichten of, en zo ja in hoeverre hij de conclusies van Bureau Documenten onderschrijft nadat hij de onderliggende stukken heeft ingezien, of nadat hij nadere informatie bij Bureau Documenten heeft ingewonnen. Op grond daarvan kan de minister besluiten een verklaring van onderzoek geheel, gedeeltelijk of niet aan zijn besluitvorming ten grondslag te leggen.
7.2.
Het betoog slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. Ook heeft eiser geen contra-expertise ingebracht. De enkele stelling van eiser dat niet duidelijk is welk vergelijkingsmateriaal is gebruikt en welke verschillen met het vergelijkingsmateriaal zijn geconstateerd, is daartoe onvoldoende. De vergewisplicht strekt niet zover dat de minister tot in detail inzichtelijk moet maken hoe Bureau Documenten tot zijn conclusie is gekomen. Daarom hoeft in de verklaring van onderzoek niet te worden opgenomen op welk punt het document afwijkt en welk referentiemateriaal is gebruikt. Het gaat immers om vertrouwelijke informatie waarbij het verder inzichtelijk maken zou betekenen dat de details van het onderzoek openbaar moeten worden gemaakt waarmee vervalsers vervolgens hun voordeel kunnen doen. Daar komt overigens nog bij dat de minister in beroep een vergewisbrief van 30 december 2025 heeft overgelegd. Tegen de inhoud van deze vergewisbrief heeft eiser ter zitting geen gronden aangevoerd.
Heeft de minister eisers toegedichte lidmaatschap van de Moslimbroederschap ongeloofwaardig mogen bevinden?
8. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over dit asielmotief niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c d en e, van de Vw 2000. Ten aanzien van het punt dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, heeft de minister eiser tegengeworpen dat het onderzoeksresultaat van Bureau Documenten ten aanzien van de overgelegde documenten van eiser afwijkt van zijn verklaringen en dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn rol als informant voor de staatsveiligheidsdienst.
Eiser heeft geen goede verklaring voor het ontbreken van documenten
9. Eiser betoogt dat hij alle documenten die hij heeft reeds heeft overgelegd en dat het tot op heden niet is gelukt om aan andere documenten te komen.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat het betoog van eiser in beroep een herhaling is van wat in de zienswijze hierover naar voren is gebracht. De minister is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de zienwijze van eiser. Een enkele herhaling in beroep van wat eerder is aangevoerd in de zienswijze, zonder daarbij duidelijk te maken op welke onderdelen de minister in zijn motivering tekort is geschoten, kan niet leiden tot enig resultaat. Reeds daarom slaagt de beroepsgrond niet.
Eiser verklaart niet samenhangend en aannemelijk
10. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn rol als informant voor de staatsveiligheidsdienst. Eiser wijst op het nader gehoor waaruit volgens hem volgt dat hij alleen irrelevante informatie heeft doorgespeeld. Eiser wijst verder naar het medisch advies van Medifirst van 30 september 2024 waarmee de minister in dit kader volgens eiser onvoldoende rekening heeft gehouden.
10.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof van Justitie heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld. Het voorgaande in aanmerking nemend, heeft de minister eiser terecht tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn rol als informant voor de staatsveiligheidsdienst. Hij verklaart bijvoorbeeld enerzijds niets te hebben verklaard, maar anderzijds dat hij informatie gaf over conferenties en bijeenkomsten in het verleden. De minister heeft deze verklaringen terecht als wisselend aangemerkt. Eisers verwijzing naar het nader gehoor doet daaraan op zichzelf niet af. De verwijzing van eiser naar het medisch rapport van Medifirst maakt ook niet dat de minister eisers wisselende verklaringen niet aan hem had mogen tegenwerpen. Eiser heeft dit betoog ook niet verder geconcretiseerd.
Eiser heeft zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend
11. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Volgens eiser was er bij aankomst sprake van een instabiele psychische toestand. Eiser wijst op het medisch advies van Medifirst.
11.1.
De rechtbank stelt vast dat het betoog van eiser in beroep een herhaling is van wat in de zienswijze hierover naar voren is gebracht. De minister is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de zienwijze van eiser. Een enkele herhaling in beroep van wat eerder is aangevoerd in de zienswijze, zonder daarbij duidelijk te maken op welke onderdelen de minister in zijn motivering tekort is geschoten, kan niet leiden tot enig resultaat. Reeds daarom slaagt de beroepsgrond niet.
Eiser kan niet op grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd
12. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij bij aankomst in de Europese Unie niet onverwijld asiel heeft aangevraagd, maar nadat zijn aanvraag in Griekenland was afgewezen via Albanië, Kosovo, Servië. Roemenië, Hongarije, Oostenrijk, Zwitserland en Duitsland naar Nederland is gereisd en hier asiel heeft aangevraagd en niet in een van de andere landen. Eiser wijst erop dat het voor asielzoekers niet ongebruikelijk is om niet direct een asielaanvraag in te dienen gelet op de zorgelijke situatie waarmee zij worden geconfronteerd. Eiser wijst er verder op dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het feit dat zijn asielaanvraag in Griekenland is afgewezen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de noodzaak tot internationale bescherming. De minister moet immers een eigen afweging maken en kan niet afgaan op de afwijzing van zijn aanvraag door de Griekse autoriteiten.
12.1.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eiser niet onverwijld asiel heeft aangevraagd na de afwijzing van zijn asielaanvraag in Griekenland afbreuk doet aan de gestelde noodzakelijkheid van eisers verzoek om internationale bescherming in Nederland. Daarbij komt dat eiser de uitkomst van zijn asielaanvraag in Oostenrijk niet heeft afgewacht. Verder heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de afwijzing van de aanvraag in Griekenland verdere afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de noodzakelijkheid van eiser om internationale bescherming, Hierbij merkt de rechtbank nog op dat de minister een eigen beoordeling van eisers asielaanvraag heeft gemaakt en zich niet heeft beperkt tot een verwijzing naar de afwijzing van eisers asielaanvraag in Griekenland.
Artikel 3 van het EVRM
13. Eiser betoogt dat hij bij uitzetting naar Egypte zal worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
13.1
Nu de minister eisers asielrelaas terecht als ongeloofwaardig heeft aangemerkt stelt de minister zich terecht op het standpunt dat louter eisers Egyptische nationaliteit onvoldoende is om een schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer aannemelijk te achten.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
14. Eiser betoogt dat aan hem op grond van artikel 66a, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw 2000 geen inreisverbod had mogen worden opgelegd wegens zijn bijzondere individuele omstandigheden bestaande uit zijn psychische klachten. Eiser wijst erop dat het in Egypte voor hem niet veilig is zodat aan hem geen terugkeerbesluit had mogen worden opgelegd ingevolge artikel 62, tweede lid onder b, van de Vw 2000.
14.1.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich gezien het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat de afgelegde verklaringen van eiser als kennelijk vals worden beoordeeld, nu het onderzoeksresultaat van Bureau Documenten ten aanzien van de door eiser overgelegde documenten afwijkt van eisers verklaringen, en heeft de aanvraag om die reden kennelijk ongegrond mogen verklaren op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Dat maakt dat de minister aan eiser een terugkeerbesluit heeft mogen opleggen waarin hij bepaalt dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. De minister heeft daarom aan eiser ook een inreisverbod mogen opleggen. Het enkele betoog ter zitting dat sprake is van (niet nader gespecificeerde) psychische klachten is onvoldoende voor het oordeel dat de minister hem geen terugkeerbesluit of inreisverbod heeft mogen opleggen.
Conclusie en gevolgen
15. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van de griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 31, zesde lid aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Artikel 31, zesde lid aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Artikel 31, zesde lid aanhef en onder d, van de Vw 2000.
Artikel 31, zesde lid aanhef en onder e, van de van de Vw 2000.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1904.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:628.
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Nader gehoor, pagina 14.
HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.
Artikel 62, tweede lid aanhef en onder b, van de Vw 2000.
Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.