Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26083

2026-09-03 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.32112
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.32112
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak. MOB

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.733 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.32112


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).




Procesverloop


In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.



Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en meteen uitspraak gedaan.






Overwegingen


1. De rechtbank beantwoordt ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Dit is ingegeven door de aan de rechtbank gestuurde brief van verweerder van 4 augustus 2026, waarin wordt verwezen naar een bijlage met daarin een melding van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. Uit deze melding blijkt dat eiser op 28 juli 2026 met onbekende bestemming (hierna ook: mob) is vertrokken. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser verzocht om aan te geven of hij nog contact onderhoudt met eiser en of hij weet waar eiser verblijft. De gemachtigde van eiser heeft op 26 augustus 2026 bericht dat hij op 24 juli 2026 voor het laatst contact heeft gehad met eiser en hij zijn gemachtigde geen opdracht heeft gegeven om het beroep in te trekken. Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat bij raadpleging van de systemen in de ochtend van de zitting is gebleken dat eiser nog steeds geregistreerd staat als ‘met onbekende bestemming vertrokken.’



1.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, de vreemdeling nog belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de mob-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met die vreemdeling over de procedure. Dit is alleen anders als er concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Daarbij moet er, in het licht van het fundamentele belang van het recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, voorzichtig omgegaan worden met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een mob-melding.



1.2.
Op basis van de hiervoor genoemde informatie stelt de rechtbank vast dat eiser zowel bij verweerder als bij zijn gemachtigde niet meer in beeld is. Het laatste contact met de gemachtigde dateert van voor de mob-melding en is inmiddels geruime tijd geleden geweest. De rechtbank neemt daarom aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.


2. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.















Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.





Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026 door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.



























Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:









Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.



Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.