Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26067

2026-09-09 Bestuursrecht; Omgevingsrecht SGR 24/5550, SGR 24/5650 en SGR 25/8900
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 24/5550, SGR 24/5650 en SGR 25/8900
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Samenhangende beroepen tegen twee omgevingsvergunningen voor het in afwijking van de planregels gebruiken van een deel van een plein als terras, waarvan één omgevingsvergunning onder de Wabo en de andere onder de Ow; twee eiseressen zijn geen belanghebbenden gelet op hun statutaire doelen; procesbelang beroep tegen omgevingsvergunning Wabo is komen te ontvallen; geen sprake van vooringenomenheid college; nieuwe aanvraag niet vereist na aanzienlijke verkleining terras; advies in vorige procedure is geen contra-expertise in de huidige en ook geen op de zaak betrekking hebbend stuk; belangenafweging niet onevenredig; college niet gehouden tot het verrichten van onderzoek naar alternatieve locaties; lokale Verordening voor de fysieke leefomgeving maakt geen deel uit van het toetsingskader. Beroepen SGR 24/5550, SGR 24/5650 niet-ontvankelijk; beroep SGR 25/8900 is deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.274 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummers: SGR 24/5550, SGR 24/5650 en SGR 25/8900

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026


in de zaken van





de Stichting Vrienden van de Hooglandse kerk te Leiden, gevestigd te Leiden, eiseres 1,



de Stichting Cathedral Organ Leiden, gevestigd te Leiden, eiseres 2,



de Vereniging Leidse Cantorij, gevestigd te Leiden, eiseres 3,




[eiseres 4] (eiseres 4) en [eiser 1] (eiser 1), [eiseres 5] (eiseres 5) en [eiser 2] (eiser 2) en [eiseres 6] (eiseres 6) en [eiser 3], (eiser 3), allen uit [woonplaats],



samen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. J. Hemelaar)



en in de zaak van




de Historische Vereniging Oud Leiden, gevestigd te Leiden, eiseres (hierna: HVOL),



tegen


het college van burgemeester en wethouders van Leiden, het college
(gemachtigde: mr. J. van Egmond).


Als derde-partij neemt aan de zaken SGR 24/5550 en SGR 25/8900 deel:

De Uyl van Hoogland B.V., uit Leiden (hierna: vergunninghouder).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de besluiten van 7 december 2023 (vergunning 1), en 7 april 2025 (vergunning 2). Daarbij is aan vergunninghouder een vergunning verleend voor het inrichten, exploiteren en gebruiken van een terras op de locatie [locatie] in Leiden ter hoogte van de horecagelegenheid aan de [adres] in Leiden.



1.1.
Met het besluit op bezwaar van 22 mei 2024 (bestreden besluit 1) is het college gebleven bij vergunning 1. Met het besluit op bezwaar van 6 november 2025 (bestreden besluit 2) is het college gebleven bij vergunning 2, geldend van 7 april 2025 t/m 1 oktober 2026.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen tegen bestreden besluit 1 (zaaknummers SGR 24/5550 en SGR 24/5650) niet-ontvankelijk zijn en dat het beroep tegen bestreden besluit 2 (zaaknummer SGR 25/8900) ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen daarvan zijn.




Procesverloop


2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen bestreden besluiten 1 (zaaknummer SGR 24/5550 en 2 (zaaknummer SGR 25/8900). De HVOL heeft alleen beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1 (zaaknummer SGR 24/5650).



2.1.
Het college heeft met een verweerschrift in de zaken SGR 24/5550 en SGR 24/5650 en een verweerschrift in de zaak SGR 25/8900 op de beroepen gereageerd.



2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 21 april 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen:


namens eisers: eiseres 1 vertegenwoordigd door [naam 1] en de gemachtigde van eisers;


namens het college: [naam 2] en de gemachtigde van het college;


vergunninghouder, vertegenwoordigd door [naam 3];


de HVOL vertegenwoordigd door [naam 4].






Beoordeling door de rechtbank



Belanghebbendheid van eisers

3. De rechtbank toetst ambtshalve of de eisende partijen belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van het eerste lid van dit artikel wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van het derde lid van dit artikel worden ten aanzien van rechtspersonen mede als hun belang beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.



3.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium “gevolgen van enige betekenis” van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis voor zijn woon-, leef- of bedrijfssituatie heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit omdat hij zich dan onvoldoende van anderen onderscheidt. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis zijn, kijkt de rechtbank naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen - zoals onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico - van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.



3.2.
Eiseres 1 heeft als statutair doel het in stand houden van de Hooglandse Kerk en zijn inrichting te Leiden als kerkgebouw en als cultuur-historisch monument. De HVOL heeft als statutair doel “de kennis van en de belangstelling in de geschiedenis van Leiden en omstreken; het behoud en herstel van het (cultureel) erfgoed van Leiden, zowel roerend als onroerend, zowel materieel als immaterieel, zowel beschermd als (nog) niet beschermd; al hetgeen daarmee in verband staat, alles in de ruimste zin des woords.” Gelet op deze doelstellingen en in aanmerking nemend dat het college erkent dat de realisatie van het terras een negatieve invloed op de cultuurhistorische waarde van het beschermd stadsgezicht vormt, is niet uitgesloten dat de vergunde activiteiten gevolgen van enige betekenis zijn voor de belangen die eiseres 1 en de HVOL behartigen. De rechtbank merkt eiseres 1 en de HVOL daarom als belanghebbenden aan.


3.3.
Eiseres 2 heeft als statutair doel het realiseren van een groot Engels pijporgel in de Hooglandse Kerk te Leiden, het creëren van een podium voor de uitvoering van Anglicaanse koor- en orgelmuziek en het geven van een impuls aan de orgel- en koorcultuur in Nederland, Leiden in het bijzonder. Eiseres 3 heeft als statutair doel de beoefening van de koorzang met het oogmerk om medewerking te verlenen aan bijeenkomsten van godsdienstige en/of culturele - aard. Gelet op deze doelstellingen bestaat geen grond voor het oordeel dat de belangen van eiseressen 2 en 3 rechtstreeks bij de bestreden besluiten 1 en 2 zijn betrokken. Redelijkerwijs valt niet in te zien hoe de vergunde activiteiten aan de behartiging van deze doelstellingen in de weg staat. De rechtbank merkt de eiseressen 2 en 3 daarom niet als belanghebbenden aan.



3.4.
Eiseressen 4, 5 en 6 en eisers 1, 2 en 3 wonen op relatief korte afstanden van het terras. Daarom kan op voorhand niet worden uitgesloten dat zij gevolgen van enige betekenis ondervinden door de vergunde activiteiten. De rechtbank merkt hen daarom aan als belanghebbenden.



Procesbelang

4. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of procesbelang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van de beroepen. Dat is het belang bij de uitkomst van de procedure, wat de eisende partijen concreet met het beroep willen of kunnen bereiken. Tot een inhoudelijke beoordeling van de beroepen is de bestuursrechter alleen gehouden wanneer de eisende partijen daarbij een actueel en reëel belang hebben. De kosten van rechtsbijstand die in bezwaar zijn gemaakt, leveren geen zelfstandig procesbelang (meer) op.




4.1.
De beroepen met de zaaknummers SGR 24/5550 en SGR 24/5650 zijn gericht tegen bestreden besluit 1, waarbij op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht met toepassing van de kruimelgevallenregeling een omgevingsvergunning is verleend voor het wijzigen van het gebruik van straat naar horeca-terras en het plaatsen van meubilair op de locatie [locatie] tegenover [adres] in Leiden. Deze vergunning is verleend tot 1 november 2024. Vervolgens is op 7 april 2025 vergunning 2 verleend op basis van de Omgevingswet het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan voor een terras op het [locatie] ([adres]) in Leiden. Deze vergunning is met bestreden besluit 2 in stand gelaten. Nu de looptijd van vergunning 1 inmiddels is verstreken en er een opvolgend besluit is afgegeven, kan een inhoudelijke beoordeling van de beroepen tegen bestreden besluit 1 niet leiden tot het daarmee door eisende partijen beoogde resultaat. Dat betekent dat het procesbelang in de beroepen met de zaaknummers SGR 24/5550 en SGR 24/5650 is komen te ontvallen. Aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepen komt de rechtbank daarom niet meer toe.



4.2.
Het beroep met zaaknummer SGR 25/8900 is gericht tegen bestreden besluit 2. Omdat bij dat besluit vergunning 2 is gehandhaafd op basis waarvan het terras is ingericht en thans wordt geëxploiteerd en gebruikt, is procesbelang aanwezig. De rechtbank zal daarom ingaan op de gronden die eisers tegen bestreden besluit 2 hebben aangevoerd.



Inleiding

5. Op 25 september 2024 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het afwijken van de regels in het omgevingsplan Leiden, deelplan Binnenstad. Het gebruik van de gronden ten behoeve van een terras is in strijd met artikel 13 lid 1 sub e, omdat er op de plankaart geen aanduiding “terras” is weergegeven. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.




5.1.
In bestreden besluit 2 heeft het college de verleende omgevingsvergunning gehandhaafd. Hieraan ligt ten grondslag een advies van de regionale commissie bezwaarschriften van 28 oktober 2025. Samengevat luidt dit advies als volgt. Het college heeft een uitgebreide belangenafweging gemaakt, waarbij het college het belang van de lokale economie en de publieksbeleving van het historische Hooglandse Kerkgebied voor het college zwaarder heeft mogen laten wegen dan de tijdelijke, beperkte ruimtelijke impact op het plein. Het college heeft de cultuurhistorische waarden voldoende gewaarborgd door advies te vragen aan de Commissie Omgevingskwaliteit (WML). De WML concludeerde dat het terras de kerk niet ontsiert en het plein niet onevenredig aantast, mits het terras reversibel is en niet permanent wordt verankerd. Een ouder, negatief advies van Erfgoed Leiden en Omstreken (ELO) mist volgens de commissie relevantie voor de actuele situatie. Die eerdere aanvraag zag op een terras dat driemaal groter was en voor drie horecagelegenheden was bedoeld, waardoor de ruimtelijke impact niet vergelijkbaar is met het kleinere plan. Ten aanzien van de gevreesde overlast heeft het college zich gebaseerd op deugdelijk akoestisch onderzoek van de Omgevingsdienst West-Holland. Dit onderzoek wijst uit dat het stemgeluid binnen de grenswaarden van 63 dB(A) overdag en 58 dB(A) in de avond blijft en dus niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast heeft een verkeersdeskundige geconcludeerd dat van onevenredige verkeershinder of onveiligheid geen sprake is; de vrije doorgang en de toegankelijkheid voor hulpdiensten rondom het [straatnaam] blijven volledig gewaarborgd. Aangezien bezwaarmakers geen contra-expertises hebben overgelegd om deze rapporten te betwisten, mocht het college uitgaan van de juistheid van de onderzoeken, aldus de commissie.



Is het bestreden besluit tot stand gekomen in strijd met het verbod op vooringenomenheid?

6. Eisers voeren aan dat bestreden besluit 2 tot stand is gekomen in strijd met het verbod op vooringenomenheid. Naar hun mening heeft het college de besluitvorming bewust aangehouden, waardoor er voor belanghebbenden te weinig tijd overbleef om een effectief rechtsmiddel in te stellen voordat het terras in gebruik werd genomen.




6.1.
De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog. Uit de stukken blijkt dat de behandeling van de aanvraag ruim zes maanden heeft geduurd. Dat is redelijk, aangezien het college adviezen moest inwinnen bij diverse vakdisciplines en er bestuurlijke afstemming moest plaatsvinden. Bovendien liep er in die periode nog een bezwaarprocedure over het terrasseizoen 2024, waarvan de uitkomsten relevant konden zijn voor deze aanvraag.



6.2.
Eisers hadden bovendien de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen om de vergunning op te schorten, wat op elk moment na de vergunningverlening had kunnen worden gedaan. Uit de stukken blijkt op geen enkele wijze dat het college erop uit was om het aanwenden van een rechtsmiddel tegen vergunning te belemmeren of onmogelijk te maken.



6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



Had het college een nieuwe aanvraag moeten verlangen na de verkleining van het terras?

7. Eisers voeren aan dat het college een nieuwe aanvraag van vergunninghouder had moeten verlangen omdat de omvang van het terras ten opzichte van de oorspronkelijke aanvraag is verkleind naar een derde van het oorspronkelijke oppervlak, wat niet van ondergeschikte aard is. Belanghebbenden is zo ten onrechte de mogelijkheid onthouden om op die wijziging te reageren.




7.1.
Volgens vaste rechtspraak is geen nieuwe aanvraag vereist wanneer een wijziging van ondergeschikte aard is. Of daarvan sprake is, moet per concreet geval worden beoordeeld. Criteria hiervoor zijn of de uiterlijke verschijningsvorm, aard en omvang niet wezenlijk veranderen en of derden daardoor in hun belangen worden geschaad.



7.2.
De hiervoor bedoelde vaste rechtspraak ziet primair op bouwwerken, waarvan hier geen sprake is, maar leent zich in deze situatie voor analoge toepassing. Een redelijke opvatting van een “wijziging van ondergeschikte aard” verzet zich echter tegen de letterlijke lezing van eisers dat een verkleining van de omvang van het terras als “wezenlijke verandering” als bedoeld in voormelde vaste rechtspraak moet worden aangemerkt, nu niet valt in te zien dat eisers in hun belangen zouden kunnen worden geschaad doordat het terras in omvang afneemt en dus de ruimtelijke impact daarvan navenant minder wordt. Het college heeft er dan ook terecht van afgezien om van vergunninghouder een nieuwe aanvraag te verlangen.



7.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



Moet het ELO-advies worden aangemerkt als een contra-expertise?

8. Eisers voeren aan dat het negatieve advies van de ELO van 27 maart 2023 (het ELO-advies) moet worden aangemerkt als een contra-expertise die het positieve advies van de WML weerlegt. Zij stellen dat het ELO-advies ten onrechte ontbrak in het dossier van de bezwaarschriftencommissie, waardoor de hoorzitting onzorgvuldig is geweest.




8.1.
Op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb moeten de op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage worden gelegd. Volgens vaste rechtspraak vormt de schriftelijke neerslag van de raadpleging van interne of externe adviseurs over de positiebepaling van het bestuursorgaan in beginsel geen op de zaak betrekking hebbend stuk.



8.2.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het ELO-advies en het WML-advies verschillende toetsingskaders kennen. Het ELO-advies ziet op de cultuurhistorische waarden van het gehele beschermde stadsgezicht op basis van de regels in het Omgevingsplan (artikel 20.1). Het positieve advies van de WML ziet daarentegen specifiek op de Hooglandse Kerk als rijksmonument in het licht van de landelijke instructieregel uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130 Bkl). Nu beide adviezen een andere juridische grondslag en reikwijdte hebben en het ELO-advies bovendien zag op een veel groter terras, kan het ELO-advies niet gelden als een contra-expertise tegen het WML-advies. Het college heeft de negatieve impact uit het ELO-advies kenbaar meegewogen, maar mocht afgaan op het advies van de WML.



8.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



Berust bestreden besluit 2 op een onduidelijke wettelijke grondslag?

9. Eisers voeren aan dat bestreden besluit 2 een duidelijke wettelijke grondslag mist en kennelijk is gebaseerd op artikel 4, onderdeel 8, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).




9.1.
De rechtbank stelt vast dat tegen het eventuele gebruik van artikel 4, onderdeel 8, van Bijlage II van het Bor als grondslag van bestreden besluit 2 geen concrete gronden zijn aangevoerd. Ook als die er wel zouden zijn, leidt dat evenwel niet tot een geslaagd beroep. De omgevingsvergunning is immers verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met toepassing van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. De oude kruimelgevallenregeling als bedoeld in het Bor is daarop niet van toepassing.



9.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



Veroorzaakt het terras onaanvaardbare verkeershinder en geluidsoverlast?

10. Eisers voeren aan dat de aanwezigheid van het terras leidt tot verkeersonveiligheid, de doorgang van logistiek verkeer en nood- en hulpdiensten belemmert en in strijd is met de Parapluherziening Fietsparkeren. Verder zorgt het terras voor een onaanvaardbare geluidsoverlast.




10.1.
Over de verkeerssituatie heeft een gemeentelijk verkeersdeskundige vastgesteld dat de doorgang voor nood- en hulpdiensten gewaarborgd blijft. De omvang van het terras (5,3 bij 6,4 meter) is dusdanig beperkt ten opzichte van de totale oppervlakte van het plein dat er voldoende ruimte overblijft. Van een overigens niet nader onderbouwde strijd met de Parapluherziening Fietsparkeren is de rechtbank niet gebleken.


10.2.
Het college heeft aan de hand van akoestisch onderzoek door de Omgevingsdienst West-Holland onderbouwd dat het stemgeluid van het terras binnen de geldende grenswaarden (63 dB(A) overdag en 58 dB(A) in de avond) blijft. Eisers hebben hun stelling dat dit onderzoek uitgaat van onjuiste aannames, niet onderbouwd met een contra-expertise.



10.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



Is sprake van een onevenredige belangenafweging bij de toedeling van functies?

11. Eisers voeren aan dat het besluit in strijd is met het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er bestond geen ruimtelijke noodzaak of gebleken onevenwichtigheid die noodzaakte de bestaande verkeersbestemming te wijzigen. Het college heeft enkel het economische belang van één ondernemer, die bovendien al meerdere terrassen heeft, zwaarder laten wegen dan het woon- en leefklimaat van omwonenden en de cultuurhistorische waarden van het plein.



11.1.
Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is de maatstaf of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) niet onaanvaardbaar is. Anders dan eisers stellen, vloeit hieruit niet de eis voort dat een wijziging noodzakelijk moet zijn of dat de bestaande situatie onevenwichtig moet zijn. Het college bezit hierbij beleidsruimte.



11.2.
Het college heeft de verschillende belangen kenbaar tegen elkaar afgewogen. Het heeft het economische belang en het streven naar stedelijke levendigheid en publieksbeleving van het hoog monumentale gebied zijn belangen die het college in redelijkheid in zijn belangenafweging heeft mogen meewegen. Hiertegenover heeft het college de inbreuk op het woon- en leefklimaat en de cultuurhistorische waarden beperkt kunnen achten vanwege de bescheiden omvang van het terras en het ontbreken van vaste bouwwerken. Nu de vergunning bovendien tijdelijk van aard is en het terras in de winterperiode wordt verwijderd, zijn de nadelige gevolgen niet onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.



11.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



Had het college moeten kiezen voor een alternatieve locatie?

12. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft nagelaten om te onderzoeken of er meer geschikte alternatieve locaties voor het terras zijn. Zij wijzen op locaties in de Nieuwstraat of direct langs de zijgevel van het etablissement van de vergunninghouder, waar een terras minder nadelen voor het beschermde stadsgezicht zou opleveren.




12.1.
De rechtbank volgt eisers hierin niet. Vooropstaat dat het college dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. De aanwezigheid van een alternatief leidt pas tot het weigeren van medewerking als op voorhand duidelijk is dat dit alternatief een gelijkwaardig resultaat bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Het is aan eisers om dit concreet aannemelijk te maken.



12.2.
Het college mocht de gekozen locatie op het [locatie] aanvaardbaar achten en hoefde geen zelfstandig onderzoek naar alternatieven te verrichten. Het college heeft de locatie bij de zijgevel afgewezen vanwege te weinig ruimte, extra geluidhinder en verkeersbelemmeringen, wat de rechtbank navolgbaar acht. Eiser hebben daarom niet aannemelijk gemaakt dat met de door hen aangedragen alternatieven een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren kan worden bereikt.



12.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



Is het terras in strijd met de gevelbreedteregel uit de lokale Verordening leefomgeving?

13. Eisers hebben ter zitting aangevoerd dat het terras in strijd is met de Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020. Daarin is bepaald dat een vergunning wordt geweigerd indien blijkt dat het terras breder is dan de voorgevel van de bijbehorende horeca-inrichting. Het terras op het plein is breder dan de gevel van het pand van de vergunninghouder.




13.1.
De voorliggende procedure betreft de toetsing van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit op grond van de Omgevingswet en het gemeentelijke Omgevingsplan. Het toetsingskader voor een dergelijke vergunning wordt bepaald door de wet en het omgevingsplan zelf, namelijk de vraag of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.



13.2.
De regels uit Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020 vormen geen onderdeel van het toetsingskader voor de verleende vergunning. Een eventuele strijdigheid met die verordening kan in deze procedure dan ook niet leiden tot het daarmee door eisers beoogde resultaat.



13.3.
De beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

14. De beroepen met de zaaknummers SGR 24/5550 en SGR 24/5650 zijn niet-ontvankelijk. Voor zover het beroep met zaaknummer SGR 25/8900 is ingediend door de eiseressen 2 en 3 is dit niet-ontvankelijk, nu zij niet als belanghebbenden zijn aangemerkt. Voor het overige is dit beroep ongegrond. Het voorgaande betekent dat de bestreden besluiten 1 en 2, evenals de vergunningen waarop zij zien, in stand blijven.

15. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart de beroepen met de zaaknummers SGR 24/5550 en SGR 24/5650 niet-ontvankelijk;


verklaart het beroep met zaaknummer SGR 25/8900 niet-ontvankelijk voor het beroep is ingesteld door de eiseressen 2 en 3;


verklaart het beroep met zaaknummer SGR 25/8900 voor het overige ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van E.T. Rietbroek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:284.


Zie r.o. 5 van de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1439.


Zie r.o. 8 van de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2508.


De afkorting “WML” verwijst naar de vroegere “Welstands- en Monumentencommissie Leiden”.


Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF0323.


bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1897.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3066.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:340.


Artikel 3.4.5.1, lid 2, onder c, van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020.