Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26042
2026-08-25
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/710864, C/09/710135 en C/09/711132
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beschikking van de kinderrechter over I. een machtiging tot uithuisplaatsing II. vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en vaststellen omgangsregeling III. vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en geschillenregeling
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (31.686 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummers:
I. C/09/710864 / JE RK 26-1450 (hierna: verzoek I)
II. C/09/710135 / JE RK 26-1370 (hierna: verzoek II)
III. C/09/711132 / JE RK 26/1480 (hierna: verzoek III)
Datum uitspraak:
I. 20 augustus 2026
II. 25 augustus 2026
III. 25 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over
I. een machtiging tot uithuisplaatsing
II. vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en vaststellen omgangsregeling
III. vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en geschillenregeling
in de zaak (verzoek I) van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
en in de zaken (verzoek II en verzoek III) van
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. R.F.P. Scheele uit Numansdorp,
betreffende de minderjarige:
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan ten aanzien van verzoek I:
de moeder,
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan ten aanzien van verzoek II en III:
de gecertificeerde instelling.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 augustus 2026 een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 26 augustus 2026. Het verzoek (I) is voor het overige aangehouden tot deze zitting.
1.2.
De kinderrechter heeft bij beslissing van 13 augustus 2026 het verzoek (II) van de advocaat van de moeder om de beslissing van de gecertificeerde instelling van 27 juli 2026 aan te merken als een schriftelijke aanwijzing, deze vervallen te verklaren en een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] vast te stellen, aangehouden.
1.3.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 12 augustus 2026 en de hierin genoemde stukken;
de beschikking van 13 augustus en de hierin genoemde stukken;
- het verzoekschrift van de advocaat van de moeder in verzoek (III) met bijlagen van 17 augustus 2026;
- de pleitaantekeningen die de advocaat van de moeder tijdens de zitting heeft overgelegd.
1.4.
Op 20 augustus 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- [naam 1], namens de gecertificeerde instelling.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
2.3.
De gecertificeerde instelling heeft de advocaat van de moeder op 27 juli 2026 een e-mail met de navolgende inhoud gestuurd:
“Geachte heer Scheele,
Ik heb uw verzoek ontvangen om per direct een omgangsregeling vast te stellen waarbij er twee keer per week een dagdeel omgang thuis plaatsvindt.
Hoewel dit niet gebruikelijk is, heb ik recent zelf een begeleid omgangsmoment tussen moeder en [minderjarige] verzorgd, omdat zij elkaar op dat moment inderdaad al meerdere dagen niet hadden gezien. Tegelijkertijd ben ik actief bezig met het vinden van een andere organisatie die de omgang kan begeleiden. De huidige inzet van [zorginstantie 1] kent beperkingen in de beschikbare vervoersmogelijkheden en begeleidingsmomenten. Hierover vinden momenteel gesprekken plaats met de gemeente en andere aanbieders om zo spoedig mogelijk tot een passend alternatief te komen.
Zoals ook in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming is beschreven, bestaan er nog steeds zorgen over de thuissituatie. Tijdens het begeleide bezoek van afgelopen donderdag heb ik opnieuw signalen waargenomen die deze zorgen bevestigen. Op basis hiervan achten mijn team en ik begeleide omgang op dit moment noodzakelijk.
Het omgangsplan dient aan te sluiten bij het terugplaatsplan en moet uitsluitend vanuit het belang van [minderjarige] worden vormgegeven. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging en voorbereiding. Het vaststellen van een structurele omgangsregeling kost daarom tijd.
Wij erkennen het belang van contact tussen moeder en [minderjarige] en streven ernaar dit contact zo goed mogelijk vorm te geven. Tegelijkertijd moeten wij zorgvuldig handelen bij het opstellen van zowel het omgangsplan als het terugplaatsplan. Wij zullen daarom zo spoedig mogelijk met een concreet en structureel omgangsplan komen, waarbij voorwaarden zullen worden verbonden die bijdragen aan een veilige en verantwoorde uitvoering.
Met vriendelijke groet,
[naam 1]
Jeugdbescherming west | Haaglanden | Functie: Jeugdbeschermer”
2.4.
De gecertificeerde instelling heeft de advocaat van de moeder op 14 augustus 2026 een e-mail met de navolgende inhoud gestuurd:
“Beste heer Scheele,
Op de door u geëiste korte termijn vindt jeugdbescherming west het niet zorgvuldig of in het
belang van de jeugdige om, bij afwezigheid van de vaste jeugdbeschermer, besluiten te nemen voordat de zitting over de uithuisplaatsing plaats zal vinden, dit is over minder dan een week. Er is geen sprake van een acute noodsituatie. Uw verzoeken om besluitvorming over de thuisplaatsing ex art 1:265d en uw verzoek om een schriftelijke aanwijzing zodat moeder de testen voor het uitsluiten van middelengebruik te bekostigen, kunnen bij de zitting van 20 augustus besproken worden.
Met vriendelijke groet,
Bureaudienst Jeugdbescherming west
Met vriendelijke groet,
[naam 2]
Jeugdbescherming west | Haaglanden | Functie: Jeugdbeschermer”
3De verzoeken
Verzoek I: Machtiging tot uithuisplaatsing
3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Aan het verzoek ligt, samengevat weergegeven, het volgende ten grondslag. De gecertificeerde instelling heeft een periode intensief gezocht naar een plek waar [minderjarige] een langere tijd zou kunnen verblijven. Inmiddels is een passend gezinshuis gevonden waar zij vanaf 10 augustus 2026 is geplaatst. Hoewel wordt gezien dat [minderjarige] haar moeder mist, wordt ook gezien dat zij snel aansluiting heeft gevonden in het gezinshuis en dat zij veel veerkracht heeft. Wel heeft [minderjarige] veel behoefte aan controle en kan zij zelfbepalend gedrag vertonen. Ook zijn er vermoedens dat er sprake is van trauma bij [minderjarige]. Het is in de huidige situatie nog niet mogelijk om tot een thuisplaatsing over te gaan. De inhoudelijke gronden voor de machtiging uithuisplaatsing zijn ongewijzigd ten opzichte van de eerdere beschikking van 20 juli 2026. Er is nog steeds sprake van ernstige en aanhoudende zorgen over de veiligheid en stabiliteit van de opvoedsituatie bij de moeder. Er zijn zorgen over middelengebruik, de beschikbaarheid van de moeder voor [minderjarige], de leefomstandigheden in de woning en het vermogen van de moeder om duurzaam aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige]. Ondanks de ingezette hulpverlening zijn deze zorgen onvoldoende weggenomen. Dit gezinshuis sluit aan bij de behoeften van [minderjarige] en heeft aangegeven bereid te zijn actief mee te werken aan een mogelijk toekomstig terugplaatsingstraject naar de moeder, waarvoor een plan wordt opgesteld. Dit ligt echter op dit moment stil, omdat de samenwerking met de moeder is gestagneerd. De moeder erkent de zorgen niet en laat een patroon zien waarin zij geen verantwoordelijkheid neemt voor de situatie. De gecertificeerde instelling vindt het noodzakelijk dat er een netwerkberaad plaatsvindt, zodat de moeder ondersteund en ontlast kan worden. De jeugdbeschermer mag het netwerk van de moeder op dit moment echter niet benaderen, omdat de moeder daar geen toestemming voor geeft.
De gecertificeerde instelling heeft verder aangegeven dat het in het belang is van [minderjarige] dat de moeder haar paspoort overdraagt. Dit is noodzakelijk zodat [minderjarige] zich kan legitimeren in medische noodgevallen. De moeder heeft tot nu toe geweigerd het paspoort mee te geven. Als reden daarvoor heeft zij aangegeven altijd bereikbaar te zijn, maar dit is in de praktijk niet het geval gebleken.
Verzoek II: Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en vaststellen omgangsregeling
3.3.
De moeder persisteert in haar verzoek om de beslissing van de gecertificeerde instelling van 27 juli 2026 aan te merken als een schriftelijke aanwijzing en deze vervallen te verklaren. Daarnaast is verzocht om een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] vast te stellen en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De moeder heeft [minderjarige] heel weinig gezien in de afgelopen twee maanden en dat is niet in het belang van [minderjarige]. Ter zitting heeft de advocaat van de moeder aanvullend naar voren gebracht dat, nu de gecertificeerde instelling ter zitting heeft aangegeven binnen het team overleg te zullen voeren over het geven van de verzochte schriftelijke aanwijzingen, het eventueel mogelijk zou zijn verzoek II en III aan te houden om te kijken hoe dit overleg verloopt.
Verzoek III: Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en geschillenregeling
3.4.
De moeder verzoekt de kinderrechter de beslissing van de gecertificeerde instelling van 14 augustus 2026 aan te merken als een schriftelijke aanwijzing en deze vervallen te verklaren. Daarnaast is verzocht om per direct zelfstandig een aanwijzing aan de gecertificeerde instelling te geven dat de moeder, in het kader van het doel van de ondertoezichtstelling, verplicht wordt om zich iedere twee weken te (laten) testen op middelengebruik, voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de moeder dat, in het kader van het doel van de ondertoezichtstelling, een aanwijzing wordt gegeven dat de moeder hulpverlening van [zorginstantie 1] per direct accepteert met als doel de hygiëne thuis op orde te krijgen, het contact tussen [minderjarige] en de moeder te observeren en de opvoedvaardigheden van de moeder in kaart te brengen. De moeder verzoekt hiernaast, op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW), de volgende geschillen te beslechten:
“ - de GI weigert de omgang tussen moeder en [minderjarige] te verhogen, verwijzend naar gebrek aan hulpverlening waarbij moeder uw rechtbank verzoekt om de GI te verplichten de omgang te verhogen waarbij de GI vanuit haar wettelijke taak verplicht is de juiste hulpverlening daarbij te vinden en in te zetten;
- de GI weigert een schriftelijke aanwijzing te doen aan moeder (en deze te laten bekrachtigen) zodat zij iedere twee weken dan wel vaker, middelen testen kan afnemen waarmee zij kan bewijzen dat er geen “zorgen” zijn en hoeven zijn over “signalen” van vermeend middelen gebruik waarbij moeder uw rechtbank verzoekt de GI te verplichten om deze schriftelijke aanwijzing te doen en te laten bekrachtigen;
- de GI weigert [zorginstantie 1] weer per direct in te zetten als intensieve hulpverlening binnen de opvoedsituatie thuis bij moeder waarbij moeder uw rechtbank verzoekt om de GI te verplichten om per direct [zorginstantie 1] te herinstalleren in het gezin van moeder en [minderjarige];”
De advocaat verzoekt de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.5.
Aan de verzoeken ligt ten grondslag dat de advocaat van de moeder de gecertificeerde instelling op 13 augustus 2026 heeft verzocht een besluit te nemen over het geven van een schriftelijke aanwijzing aan de moeder en het beëindigen/bekorten van de uithuisplaatsing. De schriftelijke aanwijzing diende te zien op het wekelijks testen op middelengebruik door de moeder voor de duur van zes maanden, alsook om per direct [zorginstantie 1] (weer) in te schakelen voor hulpverlening in de thuissituatie, en om de schriftelijke aanwijzing te laten bekrachtigen door de rechtbank. De moeder ontkent dat sprake is van middelengebruik en door middel van de testen kan zij laten zien dat daar inderdaad geen sprake van is. De moeder kan deze testen echter niet zelf of met behulp van de zorgverzekering faciliteren. Daarvoor is een (bekrachtigde) schriftelijke aanwijzing nodig. De moeder wil verder dat de intensieve hulpverlening van [zorginstantie 1] weer bij haar thuis wordt ingezet zodat er duidelijkheid komt over de thuissituatie en de
opvoedvaardigheden van de moeder. De moeder heeft namelijk een goede samenwerking met [zorginstantie 1]. Op 14 augustus 2026 heeft de advocaat van de gecertificeerde instelling per e-mailbericht een weigering om een beslissing te nemen op de verzoeken ontvangen, wat kan worden beschouwd als een weigeringsbesluit ex artikel 1:265 BW. In het e-mailbericht werd verwezen naar de afwezigheid van de gezinsvoogd als reden voor het niet nemen van een beslissing. De gecertificeerde instelling heeft verder geen inhoudelijke gronden gegeven voor de weigering.
4De standpunten
Verzoek I
4.1.
De moeder verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] per direct te beëindigen dan wel deze in duur te bekorten. Door de inzet van [zorginstantie 1] en de testen op middelengebruik zouden de belangrijkste zorgen worden weggenomen. Enig gevaar voor een ontwikkelingsbedreigende opvoeding en verzorging is er niet, aangezien de moeder door zowel de Raad, [zorginstantie 1], het netwerk van de moeder als de gecertificeerde instelling, wordt omschreven als een liefhebbende moeder die haar kind met liefde en verzorging opvoedt en verzorgt. Ook kent de gecertificeerde instelling het netwerk van de moeder al; zij zijn bereid om de moeder te helpen. Verder is de plaatsing in een gezinshuis is niet passend voor [minderjarige], nu er bij haar geen sprake is van complexe problematiek die de inzet van professionele opvoeders vereist. [minderjarige] loopt nu gevaar omdat zij elke dag met kinderen is die wel dergelijke complexe problematiek hebben. Ten slotte is de situatie die op 11 juli 2026 tot de spoeduithuisplaatsing van [minderjarige] heeft geleid niet naar waarheid beschreven door de gecertificeerde instelling. Er is geen sprake geweest van een acuut onveilige situatie en [minderjarige] was op dat moment niet eens bij de moeder.
De advocaat van de moeder heeft verder naar voren gebracht dat een kopie van het paspoort van [minderjarige] voldoende zou moeten zijn bij medische noodgevallen.
Verzoek II en III
4.2.
De gecertificeerde instelling heeft ter zitting naar voren gebracht dat de situatie onveranderd is ten opzichte van de situatie zoals die is beschreven in de beschikking van de rechtbank van 20 juli 2026. Verder is sprake van zeer beperkte en voornamelijk negatieve communicatie met de moeder. De gecertificeerde instelling wil toewerken naar het zo spoedig mogelijk vaststellen van een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder. Op dit moment worden de omgangsmomenten begeleid door [zorginstantie 1]. Deze organisatie kan echter geen vervoer van en naar de omgangsmomenten bieden. Ook voldoet de verslaglegging van [zorginstantie 1] niet aan de standaard van de gecertificeerde instelling. Dit alles maakt dat [zorginstantie 1] binnenkort niet langer betrokken zal zijn. Het gezin is inmiddels aangemeld voor begeleide omgang vanuit [zorginstantie 2], omdat [zorginstantie 2] wel vervoer kan bieden. Totdat dit kan starten verzorgt de jeugdbeschermer zelf het vervoer van [minderjarige] van en naar de omgangsmomenten. De jeugdbeschermer heeft de moeder de optie geboden om zelf naar de omgangsmomenten te komen, maar zij heeft aangegeven dat zij dit niet kan financieren. Verder wil de moeder niet dat de omgang in het omgangshuis plaatsvindt en zij wil ook niet dat [minderjarige] per openbaar vervoer reist. Ten aanzien van de inzet van hulpverlening van [zorginstantie 1] in de thuissituatie bij de moeder geldt dat dat dit moment niet aan de orde is, aangezien [minderjarige] op dit moment niet thuis woont. De jeugdbeschermer heeft verder eerder al met de moeder besproken hoe het afnemen van de testen op middelengebruik kan worden gerealiseerd, maar de moeder heeft toen aangegeven daarvoor niet naar de huisarts of [zorginstantie 3] te willen. De jeugdbeschermer is wel bereid om het geven van de schriftelijke aanwijzingen te overleggen in haar team, maar twijfelt over de haalbaarheid daarvan.
5De beoordeling
Verzoek I: Machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.2.
De zorgen over de (emotionele) beschikbaarheid van de moeder zijn onverminderd aanwezig en maken dat [minderjarige] op dit moment nog niet naar huis kan. Het gaat goed met [minderjarige] in het gezinshuis en zij kan er gelukkig goed aarden. Anders dan de advocaat heeft betoogd, heeft de kinderrechter dan ook geen enkele aanleiding om aan te nemen dat [minderjarige] in het gezinshuis niet op haar plaats (of zelfs in gevaar) zou zijn. [minderjarige] kan voor een langere periode in het gezinshuis blijven. Dat is in haar belang, want [minderjarige] heeft in haar korte leven veel verschillende verblijfplaatsen gekend, mede doordat zij nu twee keer uithuisgeplaatst is. Het is verder in haar belang dat zij nu tot rust kan komen op een plek die haar de stabiliteit kan geven die zij nodig heeft en die kan voorzien in haar opvoedbehoeften. De kinderrechter overweegt dat de laatste thuisplaatsing van [minderjarige] mogelijk te snel in gang is gezet (met alle gevolgen van dien) en dat moet worden voorkomen dat dit nog eens gebeurt. Er moet nu dan ook eerst zorgvuldig worden onderzocht hoe op een voor [minderjarige] passende manier kan worden toegewerkt naar een veilige thuisplaatsing. Zoals reeds opgemerkt dient daarbij niet overhaast gehandeld te worden. Zowel [minderjarige] als de moeder moeten nu eerst de gelegenheid krijgen om tot rust te komen en de ingrijpende gebeurtenissen van de afgelopen maanden te verwerken. Daarnaast is het van belang dat in de komende periode wordt ingezet op een voorspoedige, maar veilige, uitbreiding van de omgang tussen [minderjarige] en de moeder. De kinderrechter hoopt dat de moeder zal laten zien dat zij bereid is om daarvoor op een constructieve manier de samenwerking met de gecertificeerde instelling aan te gaan. Dit alles maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Gelet op alle stappen die nog moeten worden gezet, is een machtiging voor de duur van drie maanden niet toereikend.
Ten slotte moedigt de kinderrechter de moeder aan om het paspoort van [minderjarige] over te dragen aan de gecertificeerde instelling, zodat zij bij een medisch noodgeval zo snel mogelijk geholpen kan worden.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Verzoek II: Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en vaststellen omgangsregeling
5.4.
De kinderrechter stelt vast dat de gecertificeerde instelling bij e-mailbericht van 27 juli 2026 weliswaar heeft gereageerd op het verzoek, maar dat deze reactie niet kan worden aangemerkt als een inhoudelijke beslissing op het verzoek. Op grond van artikel 1:265, vierde lid, BW wordt het niet of niet tijdig nemen van een beslissing door de gecertificeerde instelling gelijkgesteld met een afwijzing van het verzoek. Dit maakt dat er in deze situatie sprake is van een fictief weigeringsbesluit. Dit fictieve weigeringsbesluit wordt gelijkgesteld met een schriftelijke aanwijzing.
5.5.
Nu het fictieve weigeringsbesluit de contacten tussen [minderjarige] en de gezaghebbende ouder betreft, is het bepaalde in artikel 1:265f BW van toepassing. Het eerste lid bepaalt dat de gecertificeerde instelling, voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van het kind, voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en het kind kan beperken. Volgens het tweede lid kan de kinderrechter in een dergelijk geval voor de duur van de uithuisplaatsing een omgangsregeling vaststellen die hem in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
5.6.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gecertificeerde instelling zich nog steeds inspant om passende hulpverlening te organiseren ter ondersteuning en begeleiding van de omgang tussen de moeder en [minderjarige]. Naar verwachting kunnen de omgangsmomenten onder begeleiding van [zorginstantie 2] op korte termijn starten. De kinderrechter overweegt dat de gecertificeerde instelling voldoende heeft gemotiveerd dat zij alles doet wat mogelijk is om de omgang te faciliteren. Een voorbeeld daarvan is dat de jeugdbeschermer de afgelopen periode zelf het vervoer van en naar de omgangsmomenten heeft verzorgd. Het vervallen verklaren van het fictieve weigeringsbesluit treft daarom geen doel, nu er al wordt ingezet op de uitbreiding van de omgang. Een verdere uitbreiding is, door omstandigheden die buiten de invloedssfeer van de gecertificeerde instelling liggen, op dit moment niet mogelijk. Hier ligt namelijk ook een rol voor de moeder, in die zin dat het van belang is dat zij de samenwerking met de gecertificeerde instelling aangaat. Verder is het van belang dat het reeds geplande netwerkberaad plaatsvindt, zodat het netwerk kan worden ingezet ter ondersteuning van de moeder en eventueel tijdens de omgangsmomenten. Dit biedt ook kansen met betrekking tot eventuele uitbreiding van de omgang. De kinderrechter ziet gelet op het voorgaande nu geen aanleiding om het fictieve weigeringsbesluit vervallen te verklaren en zelf een omgangsregeling vast te stellen. De kinderrechter zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Verzoek III: Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en geschillenregeling
Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing
5.7.
De kinderrechter stelt vast dat de gecertificeerde instelling bij e-mailbericht van 14 augustus 2026 heeft geweigerd een beslissing te nemen op het verzoek van de advocaat van de moeder. Op grond van artikel 1:265, vierde lid, BW wordt het niet of niet tijdig nemen van een beslissing door de gecertificeerde instelling gelijkgesteld met een afwijzing van het verzoek. Dit maakt dat er in deze situatie sprake is van een fictief weigeringsbesluit. Dit fictieve weigeringsbesluit wordt gelijkgesteld aan een schriftelijke aanwijzing.
5.8.
De kinderrechter ziet gelet op hetgeen is overwogen onder 5.6. met betrekking tot het vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing en het vaststellen van een omgangsregeling ook nu geen aanleiding om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren en zelf een omgangsregeling vast te stellen. De kinderrechter is verder van oordeel dat, waar het gaat om de inzet van [zorginstantie 1] en het verplichten van de moeder tot het wekelijks afnemen van testen ter vaststelling van eventueel middelengebruik, het verzoek van de moeder strandt op doelmatigheid en haalbaarheid. De gecertificeerde instelling heeft immers reeds geprobeerd een manier te vinden om deze testen regelmatig te laten plaatsvinden en de mogelijkheden daartoe met de moeder besproken. De moeder is echter niet bereid gebleken om aan (een van) de door de gecertificeerde instelling voorgestelde mogelijkheden haar medewerking te verlenen. Wat betreft de inzet van [zorginstantie 1] in de thuissituatie bij de moeder geldt dat dit nu niet aan de orde is. Zoals de gecertificeerde instelling ter zitting naar voren heeft gebracht, kan [zorginstantie 1] alleen hulpverlening in de thuissituatie bij de moeder bieden op het moment dat [minderjarige] bij de moeder thuis woont. Dat is op dit moment niet het geval en een thuisplaatsing is ook niet op korte termijn aan de orde. Waar het gaat om de rol die [zorginstantie 1] op dit moment nog vervult bij het begeleiden van de omgang, geldt dat [zorginstantie 2] die rol binnenkort zal overnemen. Ook in zoverre is de inzet van hulpverlening van [zorginstantie 1] dus niet (langer) actueel. De kinderrechter zal deze verzoeken dan ook afwijzen.
Geschillenregeling
5.9.
Ingevolge artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, die omtrent gedragingen als bedoeld in artikel 4.2.1 van de Jeugdwet, uitgezonderd, aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt op verzoek van een met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de gecertificeerde instelling, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, waar de minderjarige is geplaatst, een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.
5.10.
De kinderrechter zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek over het vaststellen van de omgangsregeling en het verplicht stellen van de testen op middelengebruik. Daartoe is van belang dat voor het verzoek in zoverre geen wettelijke grondslag bestaat. Artikel 1:262b BW dient immers ingezet te worden wanneer geen andere wettelijke rechtsingang voorhanden is. Voor deze specifieke verzoeken ligt echter de weg van de schriftelijke aanwijzing open.
5.11.
De kinderrechter ziet verder geen mogelijkheid tot het afgeven van een bepaling voor de hulpverlening van [zorginstantie 1] zoals door de moeder is verzocht, nu de aanwijzing van de geschikte hulpverlening onder de beslissingsbevoegdheid van de gecertificeerde instelling valt. De kinderrechter verwijst overigens ten overvloede naar hetgeen hiervóór onder 5.8. over (het gebrek aan) doelmatigheid van een dergelijke beslissing is overwogen. De kinderrechter zal het verzoek in zoverre dan ook afwijzen.6. De beslissing
De kinderrechter:
inzake C/09/710864 / JE RK 26-1450
5.12.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 26 augustus 2026 tot 12 februari 2027;
5.13.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.14.
wijst het meer of anders verzochte af;
inzake C/09/710135 / JE RK 26-1370:
5.15.
merkt de brief van de gecertificeerde instelling d.d. 27 juli 2026 aan als een schriftelijke aanwijzing en wijst het verzoek om deze vervallen te verklaren af;
5.16.
wijst het verzoek om een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] vast te stellen af;
inzake C/09/711132/ JE RK 26-1480:
5.17.
merkt de e-mail van de gecertificeerde instelling d.d. 14 augustus 2026 aan als een schriftelijke aanwijzing en wijst het verzoek deze vervallen te verklaren af;
5.18.
verklaart het verzoek ex artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek, voor zover dit betrekking heeft op de omgang tussen de moeder en [minderjarige] en de weigering van de gecertificeerde instelling om een schriftelijke aanwijzing te geven over het afnemen van middelencontroles bij de moeder, niet-ontvankelijk;
5.19.
wijst het verzoek tot het afgeven van een bepaling voor de hulpverlening van [zorginstantie 1] af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.E. Schotte, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier. De beslissing in verzoek I is mondeling aan partijen ter zitting van 20 augustus 2026 medegedeeld. De beslissing in de verzoeken II en III is telefonisch aan partijen medegedeeld op 25 augustus 2026. De beslissingen zijn op schrift gesteld op 4 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummers:
I. C/09/710864 / JE RK 26-1450 (hierna: verzoek I)
II. C/09/710135 / JE RK 26-1370 (hierna: verzoek II)
III. C/09/711132 / JE RK 26/1480 (hierna: verzoek III)
Datum uitspraak:
I. 20 augustus 2026
II. 25 augustus 2026
III. 25 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over
I. een machtiging tot uithuisplaatsing
II. vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en vaststellen omgangsregeling
III. vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en geschillenregeling
in de zaak (verzoek I) van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
en in de zaken (verzoek II en verzoek III) van
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. R.F.P. Scheele uit Numansdorp,
betreffende de minderjarige:
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan ten aanzien van verzoek I:
de moeder,
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan ten aanzien van verzoek II en III:
de gecertificeerde instelling.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 augustus 2026 een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 26 augustus 2026. Het verzoek (I) is voor het overige aangehouden tot deze zitting.
1.2.
De kinderrechter heeft bij beslissing van 13 augustus 2026 het verzoek (II) van de advocaat van de moeder om de beslissing van de gecertificeerde instelling van 27 juli 2026 aan te merken als een schriftelijke aanwijzing, deze vervallen te verklaren en een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] vast te stellen, aangehouden.
1.3.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 12 augustus 2026 en de hierin genoemde stukken;
de beschikking van 13 augustus en de hierin genoemde stukken;
- het verzoekschrift van de advocaat van de moeder in verzoek (III) met bijlagen van 17 augustus 2026;
- de pleitaantekeningen die de advocaat van de moeder tijdens de zitting heeft overgelegd.
1.4.
Op 20 augustus 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- [naam 1], namens de gecertificeerde instelling.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
2.3.
De gecertificeerde instelling heeft de advocaat van de moeder op 27 juli 2026 een e-mail met de navolgende inhoud gestuurd:
“Geachte heer Scheele,
Ik heb uw verzoek ontvangen om per direct een omgangsregeling vast te stellen waarbij er twee keer per week een dagdeel omgang thuis plaatsvindt.
Hoewel dit niet gebruikelijk is, heb ik recent zelf een begeleid omgangsmoment tussen moeder en [minderjarige] verzorgd, omdat zij elkaar op dat moment inderdaad al meerdere dagen niet hadden gezien. Tegelijkertijd ben ik actief bezig met het vinden van een andere organisatie die de omgang kan begeleiden. De huidige inzet van [zorginstantie 1] kent beperkingen in de beschikbare vervoersmogelijkheden en begeleidingsmomenten. Hierover vinden momenteel gesprekken plaats met de gemeente en andere aanbieders om zo spoedig mogelijk tot een passend alternatief te komen.
Zoals ook in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming is beschreven, bestaan er nog steeds zorgen over de thuissituatie. Tijdens het begeleide bezoek van afgelopen donderdag heb ik opnieuw signalen waargenomen die deze zorgen bevestigen. Op basis hiervan achten mijn team en ik begeleide omgang op dit moment noodzakelijk.
Het omgangsplan dient aan te sluiten bij het terugplaatsplan en moet uitsluitend vanuit het belang van [minderjarige] worden vormgegeven. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging en voorbereiding. Het vaststellen van een structurele omgangsregeling kost daarom tijd.
Wij erkennen het belang van contact tussen moeder en [minderjarige] en streven ernaar dit contact zo goed mogelijk vorm te geven. Tegelijkertijd moeten wij zorgvuldig handelen bij het opstellen van zowel het omgangsplan als het terugplaatsplan. Wij zullen daarom zo spoedig mogelijk met een concreet en structureel omgangsplan komen, waarbij voorwaarden zullen worden verbonden die bijdragen aan een veilige en verantwoorde uitvoering.
Met vriendelijke groet,
[naam 1]
Jeugdbescherming west | Haaglanden | Functie: Jeugdbeschermer”
2.4.
De gecertificeerde instelling heeft de advocaat van de moeder op 14 augustus 2026 een e-mail met de navolgende inhoud gestuurd:
“Beste heer Scheele,
Op de door u geëiste korte termijn vindt jeugdbescherming west het niet zorgvuldig of in het
belang van de jeugdige om, bij afwezigheid van de vaste jeugdbeschermer, besluiten te nemen voordat de zitting over de uithuisplaatsing plaats zal vinden, dit is over minder dan een week. Er is geen sprake van een acute noodsituatie. Uw verzoeken om besluitvorming over de thuisplaatsing ex art 1:265d en uw verzoek om een schriftelijke aanwijzing zodat moeder de testen voor het uitsluiten van middelengebruik te bekostigen, kunnen bij de zitting van 20 augustus besproken worden.
Met vriendelijke groet,
Bureaudienst Jeugdbescherming west
Met vriendelijke groet,
[naam 2]
Jeugdbescherming west | Haaglanden | Functie: Jeugdbeschermer”
3De verzoeken
Verzoek I: Machtiging tot uithuisplaatsing
3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Aan het verzoek ligt, samengevat weergegeven, het volgende ten grondslag. De gecertificeerde instelling heeft een periode intensief gezocht naar een plek waar [minderjarige] een langere tijd zou kunnen verblijven. Inmiddels is een passend gezinshuis gevonden waar zij vanaf 10 augustus 2026 is geplaatst. Hoewel wordt gezien dat [minderjarige] haar moeder mist, wordt ook gezien dat zij snel aansluiting heeft gevonden in het gezinshuis en dat zij veel veerkracht heeft. Wel heeft [minderjarige] veel behoefte aan controle en kan zij zelfbepalend gedrag vertonen. Ook zijn er vermoedens dat er sprake is van trauma bij [minderjarige]. Het is in de huidige situatie nog niet mogelijk om tot een thuisplaatsing over te gaan. De inhoudelijke gronden voor de machtiging uithuisplaatsing zijn ongewijzigd ten opzichte van de eerdere beschikking van 20 juli 2026. Er is nog steeds sprake van ernstige en aanhoudende zorgen over de veiligheid en stabiliteit van de opvoedsituatie bij de moeder. Er zijn zorgen over middelengebruik, de beschikbaarheid van de moeder voor [minderjarige], de leefomstandigheden in de woning en het vermogen van de moeder om duurzaam aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige]. Ondanks de ingezette hulpverlening zijn deze zorgen onvoldoende weggenomen. Dit gezinshuis sluit aan bij de behoeften van [minderjarige] en heeft aangegeven bereid te zijn actief mee te werken aan een mogelijk toekomstig terugplaatsingstraject naar de moeder, waarvoor een plan wordt opgesteld. Dit ligt echter op dit moment stil, omdat de samenwerking met de moeder is gestagneerd. De moeder erkent de zorgen niet en laat een patroon zien waarin zij geen verantwoordelijkheid neemt voor de situatie. De gecertificeerde instelling vindt het noodzakelijk dat er een netwerkberaad plaatsvindt, zodat de moeder ondersteund en ontlast kan worden. De jeugdbeschermer mag het netwerk van de moeder op dit moment echter niet benaderen, omdat de moeder daar geen toestemming voor geeft.
De gecertificeerde instelling heeft verder aangegeven dat het in het belang is van [minderjarige] dat de moeder haar paspoort overdraagt. Dit is noodzakelijk zodat [minderjarige] zich kan legitimeren in medische noodgevallen. De moeder heeft tot nu toe geweigerd het paspoort mee te geven. Als reden daarvoor heeft zij aangegeven altijd bereikbaar te zijn, maar dit is in de praktijk niet het geval gebleken.
Verzoek II: Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en vaststellen omgangsregeling
3.3.
De moeder persisteert in haar verzoek om de beslissing van de gecertificeerde instelling van 27 juli 2026 aan te merken als een schriftelijke aanwijzing en deze vervallen te verklaren. Daarnaast is verzocht om een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] vast te stellen en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De moeder heeft [minderjarige] heel weinig gezien in de afgelopen twee maanden en dat is niet in het belang van [minderjarige]. Ter zitting heeft de advocaat van de moeder aanvullend naar voren gebracht dat, nu de gecertificeerde instelling ter zitting heeft aangegeven binnen het team overleg te zullen voeren over het geven van de verzochte schriftelijke aanwijzingen, het eventueel mogelijk zou zijn verzoek II en III aan te houden om te kijken hoe dit overleg verloopt.
Verzoek III: Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en geschillenregeling
3.4.
De moeder verzoekt de kinderrechter de beslissing van de gecertificeerde instelling van 14 augustus 2026 aan te merken als een schriftelijke aanwijzing en deze vervallen te verklaren. Daarnaast is verzocht om per direct zelfstandig een aanwijzing aan de gecertificeerde instelling te geven dat de moeder, in het kader van het doel van de ondertoezichtstelling, verplicht wordt om zich iedere twee weken te (laten) testen op middelengebruik, voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de moeder dat, in het kader van het doel van de ondertoezichtstelling, een aanwijzing wordt gegeven dat de moeder hulpverlening van [zorginstantie 1] per direct accepteert met als doel de hygiëne thuis op orde te krijgen, het contact tussen [minderjarige] en de moeder te observeren en de opvoedvaardigheden van de moeder in kaart te brengen. De moeder verzoekt hiernaast, op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW), de volgende geschillen te beslechten:
“ - de GI weigert de omgang tussen moeder en [minderjarige] te verhogen, verwijzend naar gebrek aan hulpverlening waarbij moeder uw rechtbank verzoekt om de GI te verplichten de omgang te verhogen waarbij de GI vanuit haar wettelijke taak verplicht is de juiste hulpverlening daarbij te vinden en in te zetten;
- de GI weigert een schriftelijke aanwijzing te doen aan moeder (en deze te laten bekrachtigen) zodat zij iedere twee weken dan wel vaker, middelen testen kan afnemen waarmee zij kan bewijzen dat er geen “zorgen” zijn en hoeven zijn over “signalen” van vermeend middelen gebruik waarbij moeder uw rechtbank verzoekt de GI te verplichten om deze schriftelijke aanwijzing te doen en te laten bekrachtigen;
- de GI weigert [zorginstantie 1] weer per direct in te zetten als intensieve hulpverlening binnen de opvoedsituatie thuis bij moeder waarbij moeder uw rechtbank verzoekt om de GI te verplichten om per direct [zorginstantie 1] te herinstalleren in het gezin van moeder en [minderjarige];”
De advocaat verzoekt de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.5.
Aan de verzoeken ligt ten grondslag dat de advocaat van de moeder de gecertificeerde instelling op 13 augustus 2026 heeft verzocht een besluit te nemen over het geven van een schriftelijke aanwijzing aan de moeder en het beëindigen/bekorten van de uithuisplaatsing. De schriftelijke aanwijzing diende te zien op het wekelijks testen op middelengebruik door de moeder voor de duur van zes maanden, alsook om per direct [zorginstantie 1] (weer) in te schakelen voor hulpverlening in de thuissituatie, en om de schriftelijke aanwijzing te laten bekrachtigen door de rechtbank. De moeder ontkent dat sprake is van middelengebruik en door middel van de testen kan zij laten zien dat daar inderdaad geen sprake van is. De moeder kan deze testen echter niet zelf of met behulp van de zorgverzekering faciliteren. Daarvoor is een (bekrachtigde) schriftelijke aanwijzing nodig. De moeder wil verder dat de intensieve hulpverlening van [zorginstantie 1] weer bij haar thuis wordt ingezet zodat er duidelijkheid komt over de thuissituatie en de
opvoedvaardigheden van de moeder. De moeder heeft namelijk een goede samenwerking met [zorginstantie 1]. Op 14 augustus 2026 heeft de advocaat van de gecertificeerde instelling per e-mailbericht een weigering om een beslissing te nemen op de verzoeken ontvangen, wat kan worden beschouwd als een weigeringsbesluit ex artikel 1:265 BW. In het e-mailbericht werd verwezen naar de afwezigheid van de gezinsvoogd als reden voor het niet nemen van een beslissing. De gecertificeerde instelling heeft verder geen inhoudelijke gronden gegeven voor de weigering.
4De standpunten
Verzoek I
4.1.
De moeder verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] per direct te beëindigen dan wel deze in duur te bekorten. Door de inzet van [zorginstantie 1] en de testen op middelengebruik zouden de belangrijkste zorgen worden weggenomen. Enig gevaar voor een ontwikkelingsbedreigende opvoeding en verzorging is er niet, aangezien de moeder door zowel de Raad, [zorginstantie 1], het netwerk van de moeder als de gecertificeerde instelling, wordt omschreven als een liefhebbende moeder die haar kind met liefde en verzorging opvoedt en verzorgt. Ook kent de gecertificeerde instelling het netwerk van de moeder al; zij zijn bereid om de moeder te helpen. Verder is de plaatsing in een gezinshuis is niet passend voor [minderjarige], nu er bij haar geen sprake is van complexe problematiek die de inzet van professionele opvoeders vereist. [minderjarige] loopt nu gevaar omdat zij elke dag met kinderen is die wel dergelijke complexe problematiek hebben. Ten slotte is de situatie die op 11 juli 2026 tot de spoeduithuisplaatsing van [minderjarige] heeft geleid niet naar waarheid beschreven door de gecertificeerde instelling. Er is geen sprake geweest van een acuut onveilige situatie en [minderjarige] was op dat moment niet eens bij de moeder.
De advocaat van de moeder heeft verder naar voren gebracht dat een kopie van het paspoort van [minderjarige] voldoende zou moeten zijn bij medische noodgevallen.
Verzoek II en III
4.2.
De gecertificeerde instelling heeft ter zitting naar voren gebracht dat de situatie onveranderd is ten opzichte van de situatie zoals die is beschreven in de beschikking van de rechtbank van 20 juli 2026. Verder is sprake van zeer beperkte en voornamelijk negatieve communicatie met de moeder. De gecertificeerde instelling wil toewerken naar het zo spoedig mogelijk vaststellen van een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder. Op dit moment worden de omgangsmomenten begeleid door [zorginstantie 1]. Deze organisatie kan echter geen vervoer van en naar de omgangsmomenten bieden. Ook voldoet de verslaglegging van [zorginstantie 1] niet aan de standaard van de gecertificeerde instelling. Dit alles maakt dat [zorginstantie 1] binnenkort niet langer betrokken zal zijn. Het gezin is inmiddels aangemeld voor begeleide omgang vanuit [zorginstantie 2], omdat [zorginstantie 2] wel vervoer kan bieden. Totdat dit kan starten verzorgt de jeugdbeschermer zelf het vervoer van [minderjarige] van en naar de omgangsmomenten. De jeugdbeschermer heeft de moeder de optie geboden om zelf naar de omgangsmomenten te komen, maar zij heeft aangegeven dat zij dit niet kan financieren. Verder wil de moeder niet dat de omgang in het omgangshuis plaatsvindt en zij wil ook niet dat [minderjarige] per openbaar vervoer reist. Ten aanzien van de inzet van hulpverlening van [zorginstantie 1] in de thuissituatie bij de moeder geldt dat dat dit moment niet aan de orde is, aangezien [minderjarige] op dit moment niet thuis woont. De jeugdbeschermer heeft verder eerder al met de moeder besproken hoe het afnemen van de testen op middelengebruik kan worden gerealiseerd, maar de moeder heeft toen aangegeven daarvoor niet naar de huisarts of [zorginstantie 3] te willen. De jeugdbeschermer is wel bereid om het geven van de schriftelijke aanwijzingen te overleggen in haar team, maar twijfelt over de haalbaarheid daarvan.
5De beoordeling
Verzoek I: Machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.2.
De zorgen over de (emotionele) beschikbaarheid van de moeder zijn onverminderd aanwezig en maken dat [minderjarige] op dit moment nog niet naar huis kan. Het gaat goed met [minderjarige] in het gezinshuis en zij kan er gelukkig goed aarden. Anders dan de advocaat heeft betoogd, heeft de kinderrechter dan ook geen enkele aanleiding om aan te nemen dat [minderjarige] in het gezinshuis niet op haar plaats (of zelfs in gevaar) zou zijn. [minderjarige] kan voor een langere periode in het gezinshuis blijven. Dat is in haar belang, want [minderjarige] heeft in haar korte leven veel verschillende verblijfplaatsen gekend, mede doordat zij nu twee keer uithuisgeplaatst is. Het is verder in haar belang dat zij nu tot rust kan komen op een plek die haar de stabiliteit kan geven die zij nodig heeft en die kan voorzien in haar opvoedbehoeften. De kinderrechter overweegt dat de laatste thuisplaatsing van [minderjarige] mogelijk te snel in gang is gezet (met alle gevolgen van dien) en dat moet worden voorkomen dat dit nog eens gebeurt. Er moet nu dan ook eerst zorgvuldig worden onderzocht hoe op een voor [minderjarige] passende manier kan worden toegewerkt naar een veilige thuisplaatsing. Zoals reeds opgemerkt dient daarbij niet overhaast gehandeld te worden. Zowel [minderjarige] als de moeder moeten nu eerst de gelegenheid krijgen om tot rust te komen en de ingrijpende gebeurtenissen van de afgelopen maanden te verwerken. Daarnaast is het van belang dat in de komende periode wordt ingezet op een voorspoedige, maar veilige, uitbreiding van de omgang tussen [minderjarige] en de moeder. De kinderrechter hoopt dat de moeder zal laten zien dat zij bereid is om daarvoor op een constructieve manier de samenwerking met de gecertificeerde instelling aan te gaan. Dit alles maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Gelet op alle stappen die nog moeten worden gezet, is een machtiging voor de duur van drie maanden niet toereikend.
Ten slotte moedigt de kinderrechter de moeder aan om het paspoort van [minderjarige] over te dragen aan de gecertificeerde instelling, zodat zij bij een medisch noodgeval zo snel mogelijk geholpen kan worden.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Verzoek II: Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en vaststellen omgangsregeling
5.4.
De kinderrechter stelt vast dat de gecertificeerde instelling bij e-mailbericht van 27 juli 2026 weliswaar heeft gereageerd op het verzoek, maar dat deze reactie niet kan worden aangemerkt als een inhoudelijke beslissing op het verzoek. Op grond van artikel 1:265, vierde lid, BW wordt het niet of niet tijdig nemen van een beslissing door de gecertificeerde instelling gelijkgesteld met een afwijzing van het verzoek. Dit maakt dat er in deze situatie sprake is van een fictief weigeringsbesluit. Dit fictieve weigeringsbesluit wordt gelijkgesteld met een schriftelijke aanwijzing.
5.5.
Nu het fictieve weigeringsbesluit de contacten tussen [minderjarige] en de gezaghebbende ouder betreft, is het bepaalde in artikel 1:265f BW van toepassing. Het eerste lid bepaalt dat de gecertificeerde instelling, voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van het kind, voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en het kind kan beperken. Volgens het tweede lid kan de kinderrechter in een dergelijk geval voor de duur van de uithuisplaatsing een omgangsregeling vaststellen die hem in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
5.6.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gecertificeerde instelling zich nog steeds inspant om passende hulpverlening te organiseren ter ondersteuning en begeleiding van de omgang tussen de moeder en [minderjarige]. Naar verwachting kunnen de omgangsmomenten onder begeleiding van [zorginstantie 2] op korte termijn starten. De kinderrechter overweegt dat de gecertificeerde instelling voldoende heeft gemotiveerd dat zij alles doet wat mogelijk is om de omgang te faciliteren. Een voorbeeld daarvan is dat de jeugdbeschermer de afgelopen periode zelf het vervoer van en naar de omgangsmomenten heeft verzorgd. Het vervallen verklaren van het fictieve weigeringsbesluit treft daarom geen doel, nu er al wordt ingezet op de uitbreiding van de omgang. Een verdere uitbreiding is, door omstandigheden die buiten de invloedssfeer van de gecertificeerde instelling liggen, op dit moment niet mogelijk. Hier ligt namelijk ook een rol voor de moeder, in die zin dat het van belang is dat zij de samenwerking met de gecertificeerde instelling aangaat. Verder is het van belang dat het reeds geplande netwerkberaad plaatsvindt, zodat het netwerk kan worden ingezet ter ondersteuning van de moeder en eventueel tijdens de omgangsmomenten. Dit biedt ook kansen met betrekking tot eventuele uitbreiding van de omgang. De kinderrechter ziet gelet op het voorgaande nu geen aanleiding om het fictieve weigeringsbesluit vervallen te verklaren en zelf een omgangsregeling vast te stellen. De kinderrechter zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Verzoek III: Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en geschillenregeling
Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing
5.7.
De kinderrechter stelt vast dat de gecertificeerde instelling bij e-mailbericht van 14 augustus 2026 heeft geweigerd een beslissing te nemen op het verzoek van de advocaat van de moeder. Op grond van artikel 1:265, vierde lid, BW wordt het niet of niet tijdig nemen van een beslissing door de gecertificeerde instelling gelijkgesteld met een afwijzing van het verzoek. Dit maakt dat er in deze situatie sprake is van een fictief weigeringsbesluit. Dit fictieve weigeringsbesluit wordt gelijkgesteld aan een schriftelijke aanwijzing.
5.8.
De kinderrechter ziet gelet op hetgeen is overwogen onder 5.6. met betrekking tot het vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing en het vaststellen van een omgangsregeling ook nu geen aanleiding om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren en zelf een omgangsregeling vast te stellen. De kinderrechter is verder van oordeel dat, waar het gaat om de inzet van [zorginstantie 1] en het verplichten van de moeder tot het wekelijks afnemen van testen ter vaststelling van eventueel middelengebruik, het verzoek van de moeder strandt op doelmatigheid en haalbaarheid. De gecertificeerde instelling heeft immers reeds geprobeerd een manier te vinden om deze testen regelmatig te laten plaatsvinden en de mogelijkheden daartoe met de moeder besproken. De moeder is echter niet bereid gebleken om aan (een van) de door de gecertificeerde instelling voorgestelde mogelijkheden haar medewerking te verlenen. Wat betreft de inzet van [zorginstantie 1] in de thuissituatie bij de moeder geldt dat dit nu niet aan de orde is. Zoals de gecertificeerde instelling ter zitting naar voren heeft gebracht, kan [zorginstantie 1] alleen hulpverlening in de thuissituatie bij de moeder bieden op het moment dat [minderjarige] bij de moeder thuis woont. Dat is op dit moment niet het geval en een thuisplaatsing is ook niet op korte termijn aan de orde. Waar het gaat om de rol die [zorginstantie 1] op dit moment nog vervult bij het begeleiden van de omgang, geldt dat [zorginstantie 2] die rol binnenkort zal overnemen. Ook in zoverre is de inzet van hulpverlening van [zorginstantie 1] dus niet (langer) actueel. De kinderrechter zal deze verzoeken dan ook afwijzen.
Geschillenregeling
5.9.
Ingevolge artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, die omtrent gedragingen als bedoeld in artikel 4.2.1 van de Jeugdwet, uitgezonderd, aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt op verzoek van een met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de gecertificeerde instelling, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, waar de minderjarige is geplaatst, een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.
5.10.
De kinderrechter zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek over het vaststellen van de omgangsregeling en het verplicht stellen van de testen op middelengebruik. Daartoe is van belang dat voor het verzoek in zoverre geen wettelijke grondslag bestaat. Artikel 1:262b BW dient immers ingezet te worden wanneer geen andere wettelijke rechtsingang voorhanden is. Voor deze specifieke verzoeken ligt echter de weg van de schriftelijke aanwijzing open.
5.11.
De kinderrechter ziet verder geen mogelijkheid tot het afgeven van een bepaling voor de hulpverlening van [zorginstantie 1] zoals door de moeder is verzocht, nu de aanwijzing van de geschikte hulpverlening onder de beslissingsbevoegdheid van de gecertificeerde instelling valt. De kinderrechter verwijst overigens ten overvloede naar hetgeen hiervóór onder 5.8. over (het gebrek aan) doelmatigheid van een dergelijke beslissing is overwogen. De kinderrechter zal het verzoek in zoverre dan ook afwijzen.6. De beslissing
De kinderrechter:
inzake C/09/710864 / JE RK 26-1450
5.12.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 26 augustus 2026 tot 12 februari 2027;
5.13.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.14.
wijst het meer of anders verzochte af;
inzake C/09/710135 / JE RK 26-1370:
5.15.
merkt de brief van de gecertificeerde instelling d.d. 27 juli 2026 aan als een schriftelijke aanwijzing en wijst het verzoek om deze vervallen te verklaren af;
5.16.
wijst het verzoek om een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] vast te stellen af;
inzake C/09/711132/ JE RK 26-1480:
5.17.
merkt de e-mail van de gecertificeerde instelling d.d. 14 augustus 2026 aan als een schriftelijke aanwijzing en wijst het verzoek deze vervallen te verklaren af;
5.18.
verklaart het verzoek ex artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek, voor zover dit betrekking heeft op de omgang tussen de moeder en [minderjarige] en de weigering van de gecertificeerde instelling om een schriftelijke aanwijzing te geven over het afnemen van middelencontroles bij de moeder, niet-ontvankelijk;
5.19.
wijst het verzoek tot het afgeven van een bepaling voor de hulpverlening van [zorginstantie 1] af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.E. Schotte, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier. De beslissing in verzoek I is mondeling aan partijen ter zitting van 20 augustus 2026 medegedeeld. De beslissing in de verzoeken II en III is telefonisch aan partijen medegedeeld op 25 augustus 2026. De beslissingen zijn op schrift gesteld op 4 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.