Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26041

2026-08-25 Bestuursrecht 25_7351
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25_7351
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Woo. Beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Misbruik van recht?

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.626 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 25/7351


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen



[eiser], uit [woonplaats], eiser,


en




de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder
(gemachtigden: mr. A. Ramdani en B. Morskate).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar tegen een besluit op grond van de Wet open overheid (Woo).



1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar.



1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?




2. Eiser heeft op 6 december 2021 bij verweerder een verzoek om openbaarmaking van informatie op grond van de Woo ingediend. Hij heeft verzocht om de openbaarmaking van documenten over het coronavirus, meer in het bijzonder over afspraken tussen de overheid en leveranciers van COVID-19-vaccins over de aansprakelijkheid van vaccinproducenten, over de periode van 30 december 2020 tot en met 6 december 2021. Vanwege het grote aantal Woo-verzoeken met betrekking tot het coronavirus en de bestrijding daarvan heeft verweerder besloten een afwijkend werkproces te hanteren. Verweerder heeft ervoor gekozen om per deelonderwerp gefaseerd zoveel mogelijk informatie voor iedereen openbaar te maken middels publicatie op zijn website. Deze aanpak geldt ook voor het deelonderwerp vaccinaties en medicatie en daarmee voor het verzoek van eiser. Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek van eiser meerdere deelbesluiten genomen. Op 13 maart 2025 heeft verweerder het laatste deelbesluit genomen. Volgens verweerder is daarmee volledig op het Woo-verzoek beslist.



2.1.
Op 16 april 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het laatste deelbesluit. Omdat verweerder niet tijdig op dit bezwaar heeft beslist, heeft eiser verweerder op 14 augustus 2025 in gebreke gesteld. Vervolgens heeft eiser op 1 september 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar.



2.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat eiser zich schuldig maakt aan misbruik van recht. Verweerder voert in dat verband aan dat eiser op dit moment met betrekking tot zijn omvangrijke Woo-verzoeken aan verweerder 29 beroepen wegens het niet tijdig nemen van een besluit, 16 bezwaarprocedures, 5 (hoger) beroepsprocedures en 4 verzoeken om een voorlopige voorziening heeft ingesteld. Daarvan zijn er op dit moment nog 17 procedures in behandeling bij verweerder. Volgens verweerder is sprake van een terugkerend procespatroon, waarbij eiser veelal direct na het verstrijken van de beslistermijn een ingebrekestelling verzendt en vervolgens beroep wegens niet tijdig beslissen instelt, kennelijk met het doel dwangsommen te incasseren. Verweerder verwijst in dit verband ook op het verzoek van eiser om een (verhoogde) dwangsom op te leggen. Verder stelt verweerder dat de door eiser ingediende bezwaargronden grotendeels overeenkomen, ook in zaken waarin deze gronden niet of slechts beperkt van toepassing zijn. Daarnaast verzoekt eiser veelvuldig om herstel van procedurele gebreken, terwijl de gevraagde documenten feitelijk reeds zijn verstrekt. De wijze waarop eiser procedeert, kost verweerder veel tijd en capaciteit en vertraagt de besluitvorming. Volgens verweerder duidt het samenstel van deze omstandigheden op een patroon van obstructie en financieel gewin en rechtvaardigt het de conclusie dat sprake is van misbruik van recht. Mocht de rechtbank tot een ander oordeel komen, heeft verweerder verzocht een verlengde beslistermijn voor het nemen van de beslissing op bezwaar. Verweerder verwacht binnen vier weken na de uitspraak alsnog op het bezwaar te kunnen beslissen. De beslissing op bezwaar is inmiddels in concept gereed en bevindt zich in de afrondende fase.



Wat vindt eiser in beroep?




3. Eiser betwist dat sprake is van misbruik van recht. Volgens eiser is zijn Woo-verzoek juist beperkt van omvang. Dat verweerder bij de behandeling van het verzoek een groot aantal documenten heeft betrokken en verstrekt, is volgens eiser het gevolg van de door verweerder gekozen werkwijze en kan hem daarom niet worden tegengeworpen. Eiser heeft benadrukt dat zijn verzoek slechts betrekking heeft op een beperkt deel van de door verweerder verstrekte documenten.




3.1.
Eiser heeft de rechtbank verzocht verweerder op te dragen binnen twee weken na de datum van de uitspraak alsnog een beslissing op bezwaar te nemen. Daarnaast heeft eiser de rechtbank verzocht aan die verplichting een dwangsom van € 500,- per dag te verbinden. Volgens eiser is een dergelijke dwangsom passend, gelet op de duur van de procedure.



Wat is het oordeel van de rechtbank?





Misbruik van recht

4. De rechtbank zal eerst de vraag moeten beantwoorden of er sprake is van misbruik van recht. De bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen kan namelijk niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Daarvan kan sprake zijn als rechten of bevoegdheden zodanig evident worden aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.




4.1.
Bij de beantwoording van de vraag of van misbruik van recht sprake is, betrekt de rechtbank ook het eerdere (procedeer)gedrag van verzoeker. Hoewel de rechtbank in dit beroep toetst of eiser door de indiening daarvan het recht misbruikt, is daarom ook zijn opstelling in de onderliggende Woo-procedure van belang. Hoewel een indiener van een Woo-verzoek bij zijn verzoek geen belang hoeft te stellen, is de bevoegdheid tot het indienen van zo’n verzoek toegekend met als doel dat eenieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Omdat misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Woo-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden.



4.2.
Eiser heeft desgevraagd ter zitting toegelicht het verzoek te hebben ingediend, omdat de gevraagde documenten betrekking hebben op een onderwerp dat hij van groot maatschappelijk belang acht. Hij vindt het belangrijk dat de daarin opgenomen informatie voor een ieder toegankelijk is en hij deelt de aan hem verstrekte stukken daarom ook met anderen. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is door eiser ingediend omdat de gehele procedure inmiddels al ruim 4,5 jaar duurt. Daarnaast meent eiser dat van verweerder mag worden verwacht dat hij tijdig en volledig op de verzoeken beslist. Wanneer een beslissing onvolledig blijkt te zijn, vraagt eiser om een herstelbesluit zodat hij - indien gewenst - gebruik kan maken van een rechtsmiddel tegen dat besluit.



4.3.
Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat procedeergedrag van eiser te denken geeft. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser meerdere Woo-verzoeken bij verweerder heeft ingediend en vele aanverwante bezwaar- en beroepsprocedures heeft (door)lopen. Deze gang van zaken vormt op dit moment echter onvoldoende aanleiding om eiser in deze zaak tegen te werpen dat hij misbruik maakt van recht. De rechtbank overweegt in dat verband dat het min of meer overmatig beroep doen op de door de overheid geboden faciliteiten op zichzelf geen misbruik van recht oplevert. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden, bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder vooralsnog onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de omvang is van de verzoeken van eiser en welke concrete gevolgen die verzoeken en het procedeergedrag van eiser voor verweerder hebben, zodat niet kan worden beoordeeld in hoeverre dat zich (nog) verhoudt tot het doel dat eiser daarmee nastreeft. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat eiser zijn bevoegdheden evident heeft aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe deze bevoegdheid is gegeven.



4.4.
De rechtbank wijst eiser erop dat wanneer hij omvangrijke Woo-verzoeken blijft indienen en zijn procedeergedrag op eenzelfde wijze voortzet, hij het risico loopt dat de bestuursrechter hem in een volgend geval niet-ontvankelijk zal verklaren wegens misbruik van recht. De rechtbank gaat ervan uit dat eiser dit meeneemt bij het vervolg van de behandeling van zijn Woo-verzoek(en).



Beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit

5. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend als de beslistermijn is verstreken en er twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Eiser heeft in lijn met de wet een ingebrekestelling verstuurd, en na de daarin gestelde termijn beroep ingesteld. Het beroep is daarom gegrond.




5.1.
Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat verweerder dit alsnog moet doen. Als uitgangspunt geldt de wettelijke beslistermijn van twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Als de omvang van een Woo-verzoek daartoe aanleiding geeft, kan de bestuursrechter een andere termijn vaststellen.De bestuursrechter kan dat ook doen in andere bijzondere gevallen.



5.2.
Verweerder heeft ter zitting toegelicht een langere beslistermijn nodig te hebben om de beslissing op bezwaar af te ronden. Vanwege de beperkte personele bezetting gedurende de vakantieperiode zal afronding van de beslissing op bezwaar meer tijd vergen. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke termijn van twee weken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de bezwaarprocedure al geruime tijd loopt en verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de beslissing in concept gereed is. De door verweerder aangevoerde vakantieperiode vormt geen bijzondere omstandigheid die een langere beslistermijn rechtvaardigt.



5.3.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn verzoek om de dwangsom vast te stellen op
€ 500,- per dag, nu niet is gebleken van onwil aan de zijde van verweerder om een beslissing te nemen. De rechtbank bepaalt conform haar beleid dat verweerder een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.






Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Verweerder krijgt twee weken na verzending van deze uitspraak de tijd om alsnog een besluit op het bezwaar van eiser te nemen. Als hij dat niet doet moet hij per dag dat hij te laat is met beslissen € 100,- aan eiser betalen. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.

7. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.



Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep gegrond;


draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar van eiser bekend te maken;


bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;


bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.





Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.D. Timmermans, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. de Graaf, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.
















griffier


rechter










Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1546.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2345.


Artikel 4.1, derde lid, van de Woo.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3118.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1546.


Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.


Artikel 8.4, eerste lid, van de Woo.


Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.


Zie ‘het Beleid extra dwangsom’ van de rechtbanken.