Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26038
2026-08-25
Bestuursrecht
SGR 24/8258
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wegenverkeerswet. Kentekenregister. Verzoek om de CO2-uitstoot van een voertuig aan te passen. Er zijn geen aanwijzingen voor de conclusie dat de Deense autoriteiten bij de keuring van het voertuig een fout hebben gemaakt en dat de vastgestelde CO2-uitstoot evident onjuist is. De berekening op grond van de Scandinavische rekenmethode is hiervoor onvoldoende. Geen aanleiding om de CO2-uitstoot te wijzigen.
Citeert (6)
- ECLI:NL:RVS:2025:1026 Raad van State 12-03-2025
- ECLI:NL:RVS:2019:1943 Raad van State 19-06-2019
- ECLI:NL:RVS:2025:3220 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2019:1943 Raad van State 19-06-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2025:23943 Rechtbank Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2019:946 Parket bij de Hoge Raad 25-09-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.218 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8258
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de directie van de RDW, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Vrolijk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 20 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 september 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Verweerder heeft een voertuig met het kenteken [kenteken] ingeschreven in het Nederlandse kentekenregister op basis van een Deens kentekenbewijs. Omdat van het Deense kentekenbewijs geen CO2-uitstoot was af te leiden, heeft verweerder, conform zijn werkinstructie, uit het Deens online kentekenregister (SKAT) een CO2-uitstoot van 312 gr/ km afgeleid. De CO2-uitstoot van een voertuig is van belang voor de hoogte van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm). Er is destijds geen bezwaar gemaakt tegen de geregistreerde CO2-uitstoot.
2.1.
Op 27 februari 2024 heeft eiser verweerder verzocht de CO2-uitstoot van het voertuig aan te passen van 312 naar 293 gr/km. Omdat eiser niet beschikt over bewijs waaruit blijkt dat de CO2-uitstoot daadwerkelijk 293 gr/km zou zijn, heeft verweerder het verzoek afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij meent dat er bij de registratie in Denemarken een fout is gemaakt, waardoor verweerder niet van die gegevens kan uitgaan. Volgens eiser had verweerder de CO2-uitstoot moeten vaststellen door middel van de Scandinavische rekenmethode. Op basis van die rekenmethode bedraagt de CO2-uitstoot 293 gr/km.
2.1
Nadat eiser beroep had ingesteld heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een uitspraak gedaan waaruit volgt dat verweerder in geval van onduidelijkheden, twijfel of ontbrekende gegevens navraag moet doen bij de buitenlandse instantie die het kentekenbewijs heeft afgegeven. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder aan de Deense autoriteiten gevraagd hoe de CO2-waarde in het SKAT is vastgesteld, en of ze daarvan nog documentatie hebben. De Deense autoriteiten lieten in een reactie weten dat het voertuig in 2015 in Denemarken is geregistreerd. De CO2-waarde is in Denemarken automatisch toegekend nadat het voertuig in Denemarken in 2022 is geïnspecteerd voor de export. De Deense autoriteiten hebben daar geen documentatie meer van. Uit de reactie van de Deense autoriteiten maakt verweerder niet op dat in Denemarken een fout is gemaakt bij het vaststellen van de CO2-waarde. Verweerder ziet daarom geen aanleiding om over te gaan tot het aanpassen van de CO2-waarde.
Wat zijn de regels?
3. De relevante regels zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser betwist niet dat verweerder de CO2-uitstoot mocht overnemen uit het Deense kentekenregister, maar vindt dat verweerder deze moet wijzigen omdat uit de berekening op basis van de Scandinavische rekenmethode blijkt dat deze onjuist is. Volgens eiser moet verweerder in dat geval de CO2-uitstoot volgens de Scandinavische rekenmethode als bedoeld in Verordening (EU) nr. 183/2011 vaststellen. Deze verordening heeft namelijk rechtstreekse werking. In zoverre is niet relevant op welke wijze de Deense autoriteiten de CO2-uitstoot hebben vastgesteld. Subsidiair volgt volgens eiser uit een uitspraak van de Afdeling dat de verplichting om de in Denemarken vastgestelde CO2-uitstoot, die volgens verweerder 'hoger in rang is', over te nemen niet bestaat als vaststaat dat sprake is van een onjuist gegeven. Hij heeft in dit verband aangevoerd en onderbouwd met verwijzing naar de Scandinavische rekenmethode dat de door verweerder overgenomen Deense CO2-uitstoot van 312 gr/km onjuist is. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een informatieverzoek gedaan in Denemarken. Volgens eiser heeft de reactie vanuit Denemarken de twijfel over de juistheid van de geregistreerde CO2-uitstoot niet weggegenomen en die twijfel zou voor risico van verweerder moeten komen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank overweegt dat verweerder bij de herregistratie van het voertuig op grond van de Kentekenbewijzenrichtlijn gehouden is het voertuig in te schrijven op basis van de door de Deense autoriteiten geregistreerde gegevens. Het voertuig is niet gebouwd voor de Europese markt en heeft daarom geen Europese typegoedkeuring waaruit de CO2-uitstoot volgt. Niet in geschil is dat verweerder bij de herregistratie de CO2-uitstoot uit het SKAT mocht overnemen. Verweerder kan alleen overgaan tot wijziging van de geregistreerde CO2-waarde als eiser aannemelijk maakt dat deze waarde evident onjuist is.
5.1
Het feit dat toepassing van de Scandinavische rekenmethode in dit geval leidt tot een andere uitstootwaarde was voor verweerder, op grond van de genoemde uitspraak van de Afdeling, aanleiding om hierover navraag te doen bij de Deense autoriteiten. Uit deze navraag is gebleken dat het voertuig voordat het werd geëxporteerd naar Nederland individueel is gekeurd en dat daarbij de CO2-uitstoot is vastgesteld.
5.2
Verweerder mag in beginsel uitgaan van de juistheid van de keuring door de Deense autoriteiten. Hij hoefde daarom niet na te gaan hoe zij de keuring hebben uitgevoerd. Voldoende is dat de Deense autoriteiten hebben verklaard dat zij het voertuig hebben gezien en gekeurd. Er zijn geen aanwijzingen voor de conclusie dat de Deense autoriteiten bij die keuring een fout hebben gemaakt en dat de vastgestelde CO2-uitstoot evident onjuist is. De berekening op grond van de Scandinavische rekenmethode is hiervoor onvoldoende, omdat deze minder bewijswaarde heeft dan de vaststelling van de CO2-uitstoot op grond van een individuele keuring. Verweerder heeft gesteld dat hij beoogt om de meest realistische waarde te registreren. Bij een individuele keuring wordt nagegaan wat het voertuig daadwerkelijk uitstoot, terwijl de Scandinavische rekenmethode een administratieve schatting maakt van de uitstoot. Verweerder heeft ter zitting onbestreden gesteld dat er meerdere redenen kunnen zijn waardoor de uitkomsten van elkaar verschillen. Verweerder heeft ter zitting ook gewezen op de vaste hiërarchie van bewijsmiddelen die artikel 6a van de Uitvoeringsregeling voorschrijft. Hieruit volgt dat de Scandinavische rekenmethode het laatste bewijsmiddel is en dat de individuele keuring daarboven staat. Eiser heeft ook niet met een ander bewijsmiddel, bijvoorbeeld door alsnog een Certificaat van Overeenstemming te overleggen, aangetoond dat de geregistreerde CO2-waarde onjuist is.
5.3
Omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de geregistreerde CO2-waarde evident onjuist is, bestond er voor verweerder geen aanleiding om de CO2-uitstoot te wijzigen. Verweerder komt dan ook niet toe aan een eigen vaststelling van de CO2-uitstoot, al dan niet op basis van de Scandinavische rekenmethode.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de registreerde CO2-uitstoot ongewijzigd blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.D. Timmermans, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Wegenverkeerswet
Artikel 43e
1. Indien een belanghebbende gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een gegeven dat bij of krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt of een niet-authentiek gegeven onjuist of ten onrechte wel, dan wel ten onrechte niet in het kentekenregister is opgenomen, kan hij onder opgave van die redenen aan de Dienst Wegverkeer een verzoek doen tot wijziging, verwijdering of opneming van dat gegeven.
2. De Dienst Wegverkeer beslist naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in het eerste lid over wijziging, verwijdering of opneming van het betreffende gegeven en bericht de belanghebbende die het verzoek heeft gedaan over deze beslissing.
Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (de Kentekenbewijzenrichtlijn)
Artikel 4
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt het door een lidstaat afgegeven kentekenbewijs door de overige lidstaten erkend voor de identificatie van het voertuig in het internationale wegverkeer en voor de nieuwe inschrijving ervan in een andere lidstaat.
Uitspraak van 12 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1026.
Uitspraak van 19 juni 2019 ECLI:NL:RVS:2019:1943.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3220.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1943 en de uitspraak van deze rechtbank van 19 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23943.
Zie ook de conclusie van A-G IJzerman van 25 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:946.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8258
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de directie van de RDW, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Vrolijk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 20 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 september 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Verweerder heeft een voertuig met het kenteken [kenteken] ingeschreven in het Nederlandse kentekenregister op basis van een Deens kentekenbewijs. Omdat van het Deense kentekenbewijs geen CO2-uitstoot was af te leiden, heeft verweerder, conform zijn werkinstructie, uit het Deens online kentekenregister (SKAT) een CO2-uitstoot van 312 gr/ km afgeleid. De CO2-uitstoot van een voertuig is van belang voor de hoogte van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm). Er is destijds geen bezwaar gemaakt tegen de geregistreerde CO2-uitstoot.
2.1.
Op 27 februari 2024 heeft eiser verweerder verzocht de CO2-uitstoot van het voertuig aan te passen van 312 naar 293 gr/km. Omdat eiser niet beschikt over bewijs waaruit blijkt dat de CO2-uitstoot daadwerkelijk 293 gr/km zou zijn, heeft verweerder het verzoek afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij meent dat er bij de registratie in Denemarken een fout is gemaakt, waardoor verweerder niet van die gegevens kan uitgaan. Volgens eiser had verweerder de CO2-uitstoot moeten vaststellen door middel van de Scandinavische rekenmethode. Op basis van die rekenmethode bedraagt de CO2-uitstoot 293 gr/km.
2.1
Nadat eiser beroep had ingesteld heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een uitspraak gedaan waaruit volgt dat verweerder in geval van onduidelijkheden, twijfel of ontbrekende gegevens navraag moet doen bij de buitenlandse instantie die het kentekenbewijs heeft afgegeven. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder aan de Deense autoriteiten gevraagd hoe de CO2-waarde in het SKAT is vastgesteld, en of ze daarvan nog documentatie hebben. De Deense autoriteiten lieten in een reactie weten dat het voertuig in 2015 in Denemarken is geregistreerd. De CO2-waarde is in Denemarken automatisch toegekend nadat het voertuig in Denemarken in 2022 is geïnspecteerd voor de export. De Deense autoriteiten hebben daar geen documentatie meer van. Uit de reactie van de Deense autoriteiten maakt verweerder niet op dat in Denemarken een fout is gemaakt bij het vaststellen van de CO2-waarde. Verweerder ziet daarom geen aanleiding om over te gaan tot het aanpassen van de CO2-waarde.
Wat zijn de regels?
3. De relevante regels zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser betwist niet dat verweerder de CO2-uitstoot mocht overnemen uit het Deense kentekenregister, maar vindt dat verweerder deze moet wijzigen omdat uit de berekening op basis van de Scandinavische rekenmethode blijkt dat deze onjuist is. Volgens eiser moet verweerder in dat geval de CO2-uitstoot volgens de Scandinavische rekenmethode als bedoeld in Verordening (EU) nr. 183/2011 vaststellen. Deze verordening heeft namelijk rechtstreekse werking. In zoverre is niet relevant op welke wijze de Deense autoriteiten de CO2-uitstoot hebben vastgesteld. Subsidiair volgt volgens eiser uit een uitspraak van de Afdeling dat de verplichting om de in Denemarken vastgestelde CO2-uitstoot, die volgens verweerder 'hoger in rang is', over te nemen niet bestaat als vaststaat dat sprake is van een onjuist gegeven. Hij heeft in dit verband aangevoerd en onderbouwd met verwijzing naar de Scandinavische rekenmethode dat de door verweerder overgenomen Deense CO2-uitstoot van 312 gr/km onjuist is. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een informatieverzoek gedaan in Denemarken. Volgens eiser heeft de reactie vanuit Denemarken de twijfel over de juistheid van de geregistreerde CO2-uitstoot niet weggegenomen en die twijfel zou voor risico van verweerder moeten komen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank overweegt dat verweerder bij de herregistratie van het voertuig op grond van de Kentekenbewijzenrichtlijn gehouden is het voertuig in te schrijven op basis van de door de Deense autoriteiten geregistreerde gegevens. Het voertuig is niet gebouwd voor de Europese markt en heeft daarom geen Europese typegoedkeuring waaruit de CO2-uitstoot volgt. Niet in geschil is dat verweerder bij de herregistratie de CO2-uitstoot uit het SKAT mocht overnemen. Verweerder kan alleen overgaan tot wijziging van de geregistreerde CO2-waarde als eiser aannemelijk maakt dat deze waarde evident onjuist is.
5.1
Het feit dat toepassing van de Scandinavische rekenmethode in dit geval leidt tot een andere uitstootwaarde was voor verweerder, op grond van de genoemde uitspraak van de Afdeling, aanleiding om hierover navraag te doen bij de Deense autoriteiten. Uit deze navraag is gebleken dat het voertuig voordat het werd geëxporteerd naar Nederland individueel is gekeurd en dat daarbij de CO2-uitstoot is vastgesteld.
5.2
Verweerder mag in beginsel uitgaan van de juistheid van de keuring door de Deense autoriteiten. Hij hoefde daarom niet na te gaan hoe zij de keuring hebben uitgevoerd. Voldoende is dat de Deense autoriteiten hebben verklaard dat zij het voertuig hebben gezien en gekeurd. Er zijn geen aanwijzingen voor de conclusie dat de Deense autoriteiten bij die keuring een fout hebben gemaakt en dat de vastgestelde CO2-uitstoot evident onjuist is. De berekening op grond van de Scandinavische rekenmethode is hiervoor onvoldoende, omdat deze minder bewijswaarde heeft dan de vaststelling van de CO2-uitstoot op grond van een individuele keuring. Verweerder heeft gesteld dat hij beoogt om de meest realistische waarde te registreren. Bij een individuele keuring wordt nagegaan wat het voertuig daadwerkelijk uitstoot, terwijl de Scandinavische rekenmethode een administratieve schatting maakt van de uitstoot. Verweerder heeft ter zitting onbestreden gesteld dat er meerdere redenen kunnen zijn waardoor de uitkomsten van elkaar verschillen. Verweerder heeft ter zitting ook gewezen op de vaste hiërarchie van bewijsmiddelen die artikel 6a van de Uitvoeringsregeling voorschrijft. Hieruit volgt dat de Scandinavische rekenmethode het laatste bewijsmiddel is en dat de individuele keuring daarboven staat. Eiser heeft ook niet met een ander bewijsmiddel, bijvoorbeeld door alsnog een Certificaat van Overeenstemming te overleggen, aangetoond dat de geregistreerde CO2-waarde onjuist is.
5.3
Omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de geregistreerde CO2-waarde evident onjuist is, bestond er voor verweerder geen aanleiding om de CO2-uitstoot te wijzigen. Verweerder komt dan ook niet toe aan een eigen vaststelling van de CO2-uitstoot, al dan niet op basis van de Scandinavische rekenmethode.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de registreerde CO2-uitstoot ongewijzigd blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.D. Timmermans, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Wegenverkeerswet
Artikel 43e
1. Indien een belanghebbende gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een gegeven dat bij of krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt of een niet-authentiek gegeven onjuist of ten onrechte wel, dan wel ten onrechte niet in het kentekenregister is opgenomen, kan hij onder opgave van die redenen aan de Dienst Wegverkeer een verzoek doen tot wijziging, verwijdering of opneming van dat gegeven.
2. De Dienst Wegverkeer beslist naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in het eerste lid over wijziging, verwijdering of opneming van het betreffende gegeven en bericht de belanghebbende die het verzoek heeft gedaan over deze beslissing.
Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (de Kentekenbewijzenrichtlijn)
Artikel 4
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt het door een lidstaat afgegeven kentekenbewijs door de overige lidstaten erkend voor de identificatie van het voertuig in het internationale wegverkeer en voor de nieuwe inschrijving ervan in een andere lidstaat.
Uitspraak van 12 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1026.
Uitspraak van 19 juni 2019 ECLI:NL:RVS:2019:1943.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3220.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1943 en de uitspraak van deze rechtbank van 19 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23943.
Zie ook de conclusie van A-G IJzerman van 25 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:946.